Skip to main content

Full text of "JEOL 10 (1945-1948)"

See other formats


7954 


1945-1948 


JAARBERICHT N° 10 


VAN HET VOOR AZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 


EX ORIENTE LUX 


INHOUD 


Redactioneel: 1. Ter inleiding (225); 2. Belangstelling voor het Nabije Oosten in Nederland (226); 
3. Lijst van geschriften van L. K. H. BleekerI (231); 4. Idem van A. NooRDTzijf (233); 5. Idem 
van J. L. PALACHEf (236). 

Egyptische philologie: 6. De Bentresj-stele (237); 7. Egyptische Philologie 1940-1947 (244); 8. De 
stijl van de Egyptische kunst vergeleken met den stijl van de Egyptische taal (281) ; 9. Necro¬ 
logie der Egyptologen (293). 

Egyptische archeologie: 19. Archeologisch overzicht over de opgravingen in Egypte 1938-1946 (295); 

11. Over de opgravingen te el-Kab (329); 12. Een bezoek aan Gebel Silsilah (337). 

Egypte onder Perzen en Grieken-Romeinen : 13. Cambyses en Egypte (339) ; 14. Papyrologie sinds 
1941 (350). 

Egypte en het Aziatisch Naburige Oosten : 15. Over de figuur achter den zegevierenden Pharao (355) ; 
16. Een nieuwe geschiedenis der Kunst van het Naburige Oosten (369); 17. The social and 
economie history of the Hellenistic world by M. Rostovtzeff (371). 

V OORAZIATISCHE philologie: 18. Bezinning op het Oude Testament (377); 19. Recente Pesitta-studies 
(sinds 1927) (392); 20. Déchiffrement des inscriptions pseudo-hieroglyphiques de Byblos (399) ; 
21. c Astart et c Astar a Ras-Shamra (406) ; 22. Hethietische mythen en legenden (407) ; 23. The 
Venus-tablets of Ammi?aduqa (414); 24. Lettres de Mari (425) ; 25. Marduk-apal-idinna, zijn 
tijd en zijn geslacht (448); 26. Sumerologie en Assyriologie (456). 

V OORAZIATISCHE archeologie: 27. Birds and fishes (461); 28. De drie muren van Jerusalem (472); 

29. Archaeologie der Hethietische rijken (479); 30. Primum monumenta, deinde chronologia; 
Alalakh (thans Teil Atsjana), Hammurabi 1792-1750 (461) ; 31. Babylon, de heilige stad (491); 

30. Etemenanki, de toren van Babel (526) ; 33. Van stedeling tot tentbewoner (537). 
Tocharisch: 34. Overzicht van de Tochaarse letterkunde (561). 

Het Rijksmuseum van Oudheden: 35. Aanwinsten. Publicaties (571). 

Congressen: 36. International Association of Egyptologists (573). 

Financieel overzicht: 37. 1942-1947 (575). 

Platen xvi-xxxii, Figuren 30-97. Een bijlage bij, pag. 244-280. 

Alphabetiscke lijst der medewerkers: F. M. Th. Böhl, 31; A. de Buck, 6; Th. Busink, 32; W. 
Couvreur, 34; E. Dhorme (20); J. Jansen, 7, 9, 11, 12, 36; Ch.-F. Jean, 24; H. C. Jelgersma, 8; 
A. Kampman, 22, 29; C. Kern, 30; A. Klasens, 13; J. H. Kramers, 5; W. F. Leemans, 25; J. P. 
Lettinga, 4, 26; J. Mellaart, 10; J. van der PiJoeg, 19; B. A. van Proosdij, 2, 16, 26, 33; G. 
Schneider-Herrmann, 15; J. Simons, 28; K. Sprey, 17; E. Visser, 14; Th. C. Vriezen, 18; B. L. 

VAN DER WAERD 










HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP ‘EX ORIENTE LUX’, opgericht 22 Mei 1>933, goed¬ 
gekeurd bij Koninklijk besluit dd. 8 December 1947 no. 9, gevestigd te Leiden, stelt zich ten doel de bevordering 
van de studie van de beschaving van het oude Nabije Oosten en van daaraan verwante beschavingen, en het 
vormen van een band tussen hen, die in deze studie belangstellen. Het tracht dit doel te bereiken door het uitgeven 
van een aantal publicaties, waarvan het Jaarbericht de meest omvattende is. 

Het Jaarbericht bevat een overzicht van de stand der wetenschap omtrent de landen in het oude Voor Azië en 
Egypte, zowel in archseologisch-historisch, als in philologisch opzicht. Het onderscheidt zich van het tijdschrift 
doordat het karakter in de eerste plaats informerend is; het beoogt een recapitulatie te geven van de vele tijd¬ 
schriftartikelen en opgravingsberichten, die over het Nabije Oosten verschijnen. Polemiek wordt zoveel mogelijk 
vermeden; behandeling van details wordt beperkt. In het Oosten gaat het terrein tot de Indus, in het Westen 
via Klein Azië en de Aegeische beschaving tot de klassieke archseologie. In ieder Jaarbericht worden ook tekst- 
vertalingen, alsmede capita selecta opgenomen uit de geschiedenis van de beschavingen der volken om het 
Middellandse Zeebekken. 

Het Genootschap geeft verder een serie Mededelingen en Verhandelingen en Overzichten van de geschiedenis 
en opgravingen in het Nabye Oosten uit, waarin kleinere monographieën verschijnen, benevens een serie grotere 
wetenschappelijke Uitgaven. Voorts stelt de administratie van het Genootschap regelmatig publicaties op het 
gebied van het Oude Oosten tegen gereduceerde prijzen aan de contribuanten ter beschikking. — In vele 
plaatsen in Nederland en België zijn studiekringen van c Ex Oriente Lux 0 gevestigd, die des winters bijeenkomsten 
organiseren, waar sprekers uit binnen- en buitenland lezingen en cursussen houden. Alle contribuanten hebben 
gratis toegang tot de lezingen. — De bibliotheek van het Genootschap té ondergebracht in het Nederlandsch 
Instituut voor het Nabije Oosten, Noordeindsplein 4a te Leiden. Contribuanten van c Ex Oriente Lux 0 hebben vrij 
toegang tot de boekerij van dit Instituut, terwijl zij, ook van de logeerkamers van het Instituut gebruik kunnen 
maken. 

Het Algemeen Secretariaat van het Genootschap is gevestigd Noordeindsplein 4a, Leiden (tel. 23682), het Belgisch 
Secretariaat is gevestigd Naamsche Vest 180, Leuven (tel. 2247). De leden (ƒ 7.50) en leden-begunstigers (id.) 
ontvangen het Jaarbericht, de Mededelingen en Verhandelingen en de Overzichten van de geschiedenis en op¬ 
gravingen gratis en, zo mogelijk, de Uitgaven. De begunstigers (ƒ 5.— per jaar) krijgen het Jaarbericht gratis 
en de andere uitgaven tegen gereduceerde prijs. Het verenigingsjaar loopt van 1 Juli tot 1 Juli. Opzegging als 
contribuant moet uiterlijk vóór 1 Juni geschieden. Voor een uitnodiging tot het lidmaatschap en opgave als lid- 
begunstiger of donateur wende men zich tot de secretaris-penningmeester, de heer Dr A. A. Kampman, Noordeinds¬ 
plein 4a, Leiden (postgironummer 229501, tel. 23682), tot de Belgisch secretaris Prof. Dr J. Vergote, Naamsche 
Vest 180, Leuven (bankrekening 9980 van de Kredietbank te Leuven, tel. 2247) of tot de studiekringbesturen 
(zie blz. 4 van het omslag). Alle bestellingen van publicaties dienen gericht te worden aan het Algemeen 
Secretariaat, Noordeindsplein 4a te Leiden. 


KUNST UIT 


ARTS 


EGYPTE 

GRIEKENLAND 

VOOR-AZIË 

/N- EN VERKOOP 
Komt vaak in Holland 


EGYPTIEN 

D’ASIE ANTÉRIEURE 
GREC 

ACH AT - VENTE 
Souvent en Hollande 


EDGAR BEER 22 


AV. ALBERT. BRUXELLES 
ALBERTLAAN, BRUSSEL 


TEL. 4 3.13.43 


Binnenkort verschijnt: 


VERKOOPLIJST XV 


Gratis toezending op schriftelijk 
aanvraag 


ARCHEOLOGISCHE VOORWERPEN UIT HET NABIJE 
OOSTEN 

Oud-Babylonische en Assyrische cylinderzegels en kleitabletten, 
Egyptische sieraden waarbij met cartouches van Amenhotep I, 
Thoetmosis I & III en van koningin Hatsjepsoet, scarabeëen, fraaie 
lijkenbeeldjes, Grieks-Romeinse gesneden steenen en munten, an¬ 
tieke weefsels, enz. 


ERIK VON SCHERLING — Juffermansstraat 35 — OEGSTGEEST 


1945-1948 


7954 


JAARBERICHT N° 10 

VAN HET VOORAZIATISCH-EGYPTISCH GENOOTSCHAP 

EX ORIENTE LUX 

KONINKLIJK GOEDGEKEURD 

GEVESTIGD TE LEIDEN OPGERICHT 22 MEI 1933 

ANNUAIRE DE LA SOCIÉTÉ ORIËNTALE EX ORIENTE LUX FONDÉE A LEYDE, N° io 

Commissie van advies : Adres Redactie: Roodbors,tstraat 16 , Leiden 

Prof. D r F. M. Th. Böhl, Prof. D r A. de Buck Administratie: Noordeindsplein 4 a, Leiden 


REDACTIONEEL GEDEELTE 

TER INLEIDING 

rBPII TAP EHANeori’ EK APIIQIE. XT AXPN 
ATHI O0EN rïArKAAïTON ESAMAI 0EPOX 

Aeschylus, Perscie , 821— 822 

WANT UIT ZIJN BLOEI SCHIET MENSCHTROTS VRUCHT IN ARENVELD 
VAN RAMPSPOED, WAAR HIJ ZAMELT TRANENRIJKEN OOGST. 

Vertaling van P. C. Boutens 




/ 




























BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE ÓÓSTEN IN NEDERLAND 


227 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 
HAAR RECHTVAARDIGING EN GESCHIEDENIS 1945—1948 

Terwijl de wereld haar „tranenrijken oogst’* plukt, verschijnt dit Jaarbericht. Dit te 
constateren geeft een verklaring, is een verontschuldiging en vraagt naar de roeping. Het 
geeft de verklaring waarom, wat het papier betreft, de technische uitvoering niet van alle 
exemplaren is zoals wij die zouden wensen; in elk geval lukte het nog kort voor het afdrukken 
althans de platen in oude luister te laten verschijnen. 

Een verontschuldiging is het tevens voor de tussentijd van vier jaren tussen dit jaar¬ 
bericht en het voorafgaande. Want wel zou het mogelijk geweest zijn verscheidene bijdragen 
eerder te hebben laten verschijnen: evenwel moest het eerste nummer na de Bevrijding en 
het herstel van contact met de landen onzer bondgenoten worden gekenmerkt door zo 
grondig mogelijk een overzicht van de daar verschenen litteratuur te brengen. Dit is ten 
dele gelukt, maar men bedenke dat onze medewerkers met tal van publicaties, soms van het 
eminentste belang, eerst in de tweede helft van 1947 kennis konden nemen. Met bloot catalo¬ 
giseren mocht echter niet worden volstaan, daarnaast moest worden gezocht langs welke 
lijn het historisch onderzoek zich had voltrokken, en moest de geest worden onderkend in 
welke men oude en nieuwe gegevens verklaarde. Dat ook dit is gelukt, is, naar mijn mening, 
een reden waarom aan de medewerkers van de zijde der lezers en samenstellers een oprecht 
woord van dank en hulde is gepast. 

Naar onze roeping en onze geloofsbrieven moet ter rechtvaardiging van het verschijnen 
in deze tijd door ons zelf een onderzoek worden ingesteld. De omstandigheid dat enkele 
duizenden naar zulk een jaarbericht uitzien is op zichzelf nog geen verontschuldiging, als 
dat uitzien slechts een uiting van liefhebberij zou zijn. Die is toch niet op haar plaats in 
deze tijd. 

, Schrijvers en lezers hebben in de afgelopen jaren gebeurtenissen meegemaakt die op hun 
lichamelijk en geestelijk bestaan invloed hebben uitgeoefend en hun sporen hebben nagelaten. 
De ontberingen en de spanningen werkten op lichaam en geest gelijkelijk en doen het soms 
nog. De overmoed van één man en zijn volk heeft een ieder in zijn wezen aangetast en hem 
tevens laten zien hoe hij als deel van het geheel mede verantwoordelijk was voor en zijn 
krachten moest geven aan het voortbestaan van dat geheel. 

Het feit dat men getuige was van deze strijd en van de ondergang van een machtig 
rijk heeft het historische bewustzijn weer doen opkomen of gescherpt. Zoals men in de 
hongerwinter 1944-1945 de strijd om het naakte bestaan voor zich en de zijnen moest strijden 
en oog heeft gekregen ook voor de waarde van het stoffelijke leven, zo heeft men ook weer 
het belang van de histoire militaire onderkend als deze geldt de strijd om *het behoud van 
land en volk. Een strijd als tussen Grieken en Perzen staat ons weer in zijn volle bdtekenis 
voor ogen; de afgelopen jaren hebben ons in staat gesteld een drama als Aeschylus’ Perzen 
na te voelen, omdat wij de betekenis van het probleem, de verhouding van een enkeling-leider 
tegenover de massa en diens verantwoordelijkheid uit het oog hadden verloren. Maar ook 
hebben de gebeurtenissen van vóór en na 1945 ons laten zien, dat naast de persoonlijke 
machtsbegeerte van een enkeling of van een rijk ook nog andere factoren z.g. dictatoren of 
z.g. imperialistische staten in een richting drijven die zij zelf niet willen of soms principieel 
veroordelen; en dat het soms ook voor hen een strijd is om het naakte bestaan van zich en 
de hunnen te verzekeren. 

De bange jaren 1939-1945 zijn voorbijgegaan. De volkeren hebben hun reserves door 
voorgaande geslachten gekweekt opgeruimd en op crediet geleefd bij een toekomende generatie 
omdat zij wisten dat hun en ook haar bestaan bij die strijd op het spel s'tond. Van alle 
kanten • js een roep tot herstel en opbouw. Ta klemmender wordt nu de vraag gesteld en 
gevoeld of het in deze omstandigheden nog zin heeft zich met het verre verleden te be¬ 
moeien, en tijd, energie eïi middelen aan studie daarin te besteden. Is dit niet een zich ont¬ 


trekken aan de roeping van deze tijd? Ontvlucht men dan niet een heden door zich te 
dompelen in het verleden? Staat de historicus en ieder die zich met geschiedenis afgeeft niet 
gelijk aan hem die door alcohol of verdovende middelen zich aan de zorgen van het ogenblik 
onttrekt? Deze vraag te stellen en haar bevestigend te beantwoorden zou juist zijn, wanneer 
geschiedenis niets -anders was dan het opnieuw spelen van een gdspeeld spel (acta agere ) 
of het zoeken van een variant waarmede men zou hebben kunnen winnen, en zich verliezen 
in illusies over hoe anders alles zou zijn verlopen als men had gewonnen. , 

Maar geschiedenis is meer, zij raakt de mens in zijn wezen. Het beoefenen van de 
geschiedenis is het medezoeken naar de waarheid en het verdedigen van de waarheid, soms 
ook de gevonden waarheid in dienst stellen van de toekomst. Griekse on Romeinse veldheren 
wezen hun soldaten op de prestaties hunner voorouders, Napoleons woorden bij de Pyra- 
miden zijn welbekend, ook Marx en Engels openden hun manifest in 1848 met historische 
uiteenzettingen, en de historische uiteenzettingen als begin van zekere politieke redevoeringen 
uit de laatste twintig jaar liggen nog vers in de herinnering. Zonder deze dienstbaarheid 
der geschiedenis een misbruik te willen noemen, heeft zij zelve toch hogere roeping. Ook de 
beoefening der geschiedenis is een vermeerdering van kennis. Glanville t) eindigt zijn 
inaugurele rede, als hij zich hee'ft af gevraagd of het in deze tijd die om „scientists and 
economists” vraagt, verantwoord is zich aan de Egyptologie te wijden: „I believe the answer 
is yes, because in Housman’s words: The pursuit of knowledge, like the pursuit of 
righteousness, is part of man’s duty to himself”. 

Het vaststellen en de kennis van feiten en omstandigheden zou volgens Kernkamp 2 ) in 
dienst van de „partijloze waarheid” staan. De partijloze waarheid echter staat boven de mens, 
en is als zodanig niet door hem te bereiken; slechts als subject kan hij tot haar naderen. Als 
in Eridu een tempel wordt gevonden uit de Ubaid-periode, is dit een vaststellen van een 
feit en vermeerdering van onze kennis met een object;'die tempel is dan een werkelijkheid. 
Waarheid wordt het eerst nadat de historische consequentie en het historisch verband is 
gevonden, wie hebben hem gebouwd, en wanneer en waartoe? Dit vast te stellen komt door 
het onderzoek (d.w.z. „historie” in zijn primaire betekenis) ; het object wordt dan behandeld 
door het subject. Zeker is het dat de verklaring die op dit onderzoek moet volgen, mede 
afhankelijk is van de persoonlijke hoedanigheden van dit subject. Maar wanneer hij in trots 
dit „onvermijdelijk subjectivisme” 3 ) niet wil erkennen of in vertwijfeling het subjectivisme 
tot methode wil verheffen, erkent hij de grens van het menselijke niet en komt hij in de 
Spheer van het tragische. Op deze adhtergrond gezien, krijgt Thiel’s inaugurele| rede 4 ) 
nog grotere betekenis. Niet in het zien van de werkelijkheid hetzij in autopsie of door middel 
van een plaat bestaat het beoefenen van geschiedenis, maar de geestelijke functie van het 
beschouwen leidt tot de waarheid. Zo kan men het in de paradox formuleren, dat de 
werkelijkheid objectief gekend kan worden, maar dat de waarheid slechts subjectief gezien 
kan worden, het zien dan genomen als vertaling van theorie, „in zijn Griekse betekenis, die 
zowel het beschouwen en schouwen omvat als het diep persoonlijk nadenken over datgene 
wat het lichamelijk of geestelijk oog heeft waargenomen” (van Groningen, blz. 67) 5 ). 
Het besef van beperktheid en gebondenheid weerhoude de mens niet in zijn zoeken naar 
waarheid, zij het dan ook subjectief beperkt. De waarheid zal hem toch vrij maken. Die 
drang naar vrijheid en waarheid, die drift voor het objectieve, die zucht naar het zuivere 


1 ) S. R. K. Glenville, The growth & nature of 
Egyptology, Inaugural lecture, Cambridge, 1947 . 

2 ) G. W. Kernkamp, Over de materialistische 
opvatting van de geschiedenis, Inaugurele rede, 
Amsterdam, 1901 (als voor vandaag geschreven). 

3 ) W. den Boer, Onvermijdelijke subjectiviteit 

of methodisch subjectivisme, Ned. Theol. Ts. 2 , 
1948 , 138 - 145 , als antwoord aan M. Rozelaar 

{ 1 , 1947 , 231 ) op diens critiek van een eerste 
artikel ( 1 , 1947 , 129 ) ; zie ook H. Plessner, Zum 
gegenwartigen Stand der Frage nach der Objek- 


tivitdt historischer Erkenntnjss, in Geschiedenis 
(Feestbundel W. J. Aalders), Assen, 1944 , 281 - 
296 ; ook P. VAN SchilfgAARDE, De zin der geschie¬ 
denis I-III, Leiden, 1946 - 1947 . 

4 ) J. H. Thiel, De oude geschiedenis en de ar¬ 
cheologie, Rede Utrecht, Amsterdam, 1946 ; cf. 
A. W. Byvanck, Bulletin ... Antieke beschaving, 
20 , 1945 , 36-37 (later verschenen). 

B ) B. A. van Groningen, Kosmos, Mededee- 
lingen uit de Civitas Lugduno Batava, n° 5 , Maart 
1947, 63 - 79 . 




228 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 


229 


dwingen hem de geschiedenis te beoefenen als deel van de verwezenlijking van zichzelf; en 
in tijden waarin waarheid en vrijheid op het spel staan, nog meer dan vroeger. 

Indien waarheid begrepen en bewust geworden werkelijkheid is, dan staat de beoefening 
der geschiedenis niet alleen met en naast de andere wetenschappen op één lijn, maar zij neemt 
tevens een bijzondere plaats in. Hierin toch onderscheidt zich onder meer de mens en in 
het bijzonder de „beschaafde” van het dier, dat hij zich niet alleen door zijn drift laat leiden, 
maar het gevoelsleven controleert door zijn geest. Als hij zijn vader en moeder eert, als hij 
zijn zonen en dochters ontziet, dan is dat mede op grond van het feit, dat hij zich de 
genetische werkelijkheid bewust blijft, welke bij het dier verloren is gegaan, dat hij historisch 
denkt. Als wij de geschiedenis van het vaderland beoefenen, eren wij onze voorouders; als 
wij de zg. Europese geschiedenis bestuderen, vragen wij naar de werkelijkheid onzer levens¬ 
vormen; als onze kinderen, die in een wereld zullen staan, waarvan men in de komende 
jaren steeds meer de eenheid zal zien, ons vragen naar het hoe en waarom der andere 
beschavingen, waarmee zij door het verkeer, dat geen tijd en afstanden heeft, in aanraking 
zullen komen, zullen wij hen een wereldgeschiedenis in die geest moeten leren op straffe 
het risico te lopen, dat zij zich in die wereld niet zullen weten te gedragen. Hun Europese 
beschaving, die zij nooit geheel zullen kunnen verliezen, zullen zij slechts dan met ere 
dragen als zij weten en zich bewust zijn, dat stamvader en oermoeder dier beschaving de 
classieke en de Vooraziatische Oudheid zijn en dat zij door mede te werken aan het nauw¬ 
keuriger kennen dier oude perioden der mensheid, ook aan hun levenshouding in die komende 
periode der wereldgeschiedenis, zich uitend in woord en daad, zelfvertrouwen, en voor 
zover nodig, zelfbewustheid en zelfverzekerdheid verlenen. Aan dat nauwkeuriger kennen 
is dan niet enkel verbonden, dat zij retrograad de draad volgen, die naar een eerste optreden 
in de Oudheid van een bepaald verschijnsel leidt (bv. de oorsprong onzer letters, die van 
algebra, enz.), maar het eren komt eerst recht tot uiting wanneer de beschavingen dezer 
volken ook daar, waar zij van de onze afwijken, dus in hun eigen wezen, worden gekend. 
Zo is ook het beoefenen der oude geschiedenis niet een liefhebberij, maar naast de plicht 
uit dankbaarheid tegenover een voorgeslacht, tevens een plicht tot opvoeding tegenover en 
van een komende generatie 6 ). 


Als wij ons nu naar Nederland wenden, dan komen onder diegenen, die door ,,den nood 
der tijden en de wreedheid der vijanden zijn omgekomen” vanzelf de figuren van Dr J. de 
Koning 7 ) en Professor Palache naar voren, de een gevallen als strijder voor zijn „be¬ 
schaving”, de ander als lid van het Joodse ras (zie blz. 236). Verder ontvielen ons in de 
laatste jaren de oud-hoogleraren Bleeker, Noordtzij, van Gelderen en R. L. Jansen. 

In 1945 namen de heren Böhl en de Buck hun in 1941 neergelegd ambt weer op en 
verliet Professor van der Meer zijn schuilplaats in Reiden, terwijl Professor David be¬ 
houden uit Theresienstadt terugkeerde. Zo keerde dus de oude toestand wat hun vakken 
betreft terug. In tegenstelling daarmede vertoonde de bezetting van de leerstoelen voor het 
Oude Testament in de laatste jaren een gehele vernieuwing. Alleen Dr Ridderbos bleef van de 
oude garde; dat in Leiden en Groningen de heren de Boer en Vriezen gekomen waren, 
vermeldden wij reeds; als nieuwe hoogleraren hielden hun inaugurele redevoering in Amster¬ 
dam : W. H. Gispen (V.U.) 8 ), M. A. Beek (S.U.) 9 ), in Utrecht E. H. Edelkoort 10 ), 


6 ) F. M. Th. Böhl, Inleiding tot de oude ge¬ 
schiedenis van het Nabije Oosten. Feestbundel 
Aalders (cf. sub 3 ), 1 - 21 . 

7 ) Lijst hunner namen in Kernmomenten der 

antieke beschaving en hare moderne beleving, 

Bundel historische opstellen uitgegeven naar aan¬ 

leiding van het tweede.lustrum van ... Ex Oriente 

Lux (Med.EOL 7 , 1947 ), pag. vi. Voor de disser¬ 

tatie van de Koning, cf. W. F. Albright, BASOR 

87 , 1942 , 36 , noot 33 , en uitvoerig JNES 6 , 1947 . 


58 - 59 ; M. Noth, ZOPV 64 , 1941 , 39 - 74 , 05 - 117 ; 
A. Alt, AfO 14 , 1941 - 1944 , 349 - 352 , K. GallIng, 
OLZ 45 , 1942 , 119 en 121 . 

8 ) W. H. Gispen, De Levietische wet op de 
melaatsheid, Rede Vrije Un., Kampen, 1945 . 

9 ) M. A. Beek, Het twistgesprek van de mens 
met zijn God, Rede Amsterdam, Assen, [ 1946 ]. 

10 ) A. H. EdeiIkoort, Karaktertrekken der Oud¬ 
testamentische religie, Rede Utrecht, Amsterdam, 
1945- 



in Nijmegen B. Alfrink 11 ), en in Kampen B. Holwerda 12 ). Een reden tot verheuging 
was, dat de opgeheven leerstoelen voor dé Hebreeuwse en andere Semietische talen in 
Groningen en Utrecht weer bekleed werden door de benoeming van de heren Hospers en 
Hulst 13 ), nog meer verheugend zou het geweest zijn, indien ook de reden tot haar opheffing, 
financiële tekorten, zou zijn vervallen. Ook voor Oude Geschiedenis traden verscheidene 
nieuwe hoogleraren op, in Utrecht Thiel 4 ), in Leiden W. den Boer en in Groningen 
Mevr. E. Visser. Hoewel hun inaugurele redevoeringen zich met onderwerpen uit de 
classieke wereld bezighielden, is hun 'belangstelling ook voor de antieke wereld meer dan 
eens gebleken. Een demonstratie van gelukkig samengaan van Oosterse en classieke studiën 
geeft ons de feestbundel van Oven 14 ), waarin o.a. Mr. W. F. Leemans voor het eerst 
naar buiten als Assyriolöog optrad. Dat ook Ir R. J. Forbes zijn verdienste wegens zijn 
onderzoekingen over de geschiedenis der metalen' met een buitengewoon hoogleraarschap 
te Amsterdam beloond zag, wijst ook op steeds groeiende waardering voor diens arbeid 15 ). 
Ook mogen wij enige promoties vermelden, nl. die van de heren Brongers, van Praag 16 ), 
Stricker 17 ), Kampman 18 ), Janssen 19 ), Hospers 20 ) en Kern 21 ), de smaakvolle uitgever 
van Ars Antiqua, waarvan de afleveringen 3 en 4 (1947, 1948) verschenen. 

De Griekse papyrologie en Oosterse rechtsgeschiedenis zagen ook enige nieuwe docenten 
nl. Dr van Praag, Amsterdam 22 ), en Mej. E. P. Wegener, Leiden 23 ), terwijl ook Mevr. 
Visser korte tijd in Amsterdam als privaat-docente optrad 24 ). In de serie Papyrologica 
Lugduno Batava verscheen als deel iv de dissertatie van de heer Paap 25 ). 

Hoewel in Leiden gevestigd, is het Nederlandsch archoeologisch-phïlologisch Instituut 
voor het Nabije Oosten als het ware een interacademiale verzamelplaats, niet het minst, omdat 
het de bibliothecaris dezer instelling gelukt is een vrij volledige verzameling van de litteratuur 
uit de oorlogsjaren bijeen te brengen. Internationaal is deze instelling ook van belang, omdat 
door haar de Bibliotheca Orientalis wordt uitgegeven, een tijdschrift, dat in de eerste jaren 
nog haar recensies in het Nederlands opnam, maar nu meer en meer deze in de „moderne” 
talen publiceert. Bovendien verdient vermelding, dat door bemiddeling van dit Instituut 
telkenjare een uitwisseling van een jonger Nederlands en Belgisch oriëntalist tot verdere 
studie in het naburige land plaats heeft. Ook naar de Verenigde Staten konden enkele onzer 
studiosi zich begeven., 

Het verenigings- en congresleven heeft zijn rechten opnieuw doen gelden, het Oud¬ 
testamentisch Werkgezelschap vergadert weer, en van haar publicatie O.T. Studiën 26 ) 
verschenen weer nieuwe delen. Naast dit interconfessioneel gezelschap is nu ook gekomen 


1:t ) B. J. Alfrink, Over „typologische” exegese 
van het Oude Testament, Rede Nijmegen, Nijme¬ 
gen, 1945 . 

1!2 ) B. Holwerda, De Priester-Koning in het 
Oude Testament, Rede Kampen, Terneuzen, 1946 . 

13 ) A. R. Hulst, Belijden en loven, Rede Utrecht, 
Nijkerk, 1948 . 

14 ) Symbolae van Oven, Leiden, 1946 , met arti¬ 
kelen over het Oude Naburige Oosten van A. de 
Buck, B. A. van Proosdij, W. F. Leemans, en 
F. M. Th. Böhl. 

15 ) R. J. Forbes, Ambacht en wetenschap in het 
oude Nabije Oosten, Rede Amsterdam, Leiden, 1947 . 

16 ) A. H. Brongers, De schep ping straditie bij 
de profeten, Diss. Leiden, Amsterdam, 1945 . A. van 
Praag, Droit matrimonial assyro-babylonien, Allard 
Pierson Stichting, Arch.-Hist. bijdragen xii, Am¬ 
sterdam, 1945 . (Voor Juridische faculteit verde¬ 
digd). 

17 ) Zie blz. 572 onder Publicaties. 

1S ) A. A. Kampman, Hethietische vestingbouw,- 
Diss. Leiden, Leiden, 1945 (ook opgenomen in 
Kemmonumenten ). 


19 ) J. [M. A.] Janssen, De traditioneele Egyp¬ 
tische autobiografie vóór het Nieuwe Rijk, I De 
teksten, II Vertaling en commentaar, Leiden, 1946 , 
(deel II = dissertatie). 

20 ) J. H. Hospers, De numeruswisseling in het 
boek Deuteronomium, diss. Utrecht, Utrecht, 1947 . 

21 ) [J. H.] C. Kern, Antieke portretkoppen, Diss. 
Leiden, Den Haag, 1947 . 

22 ) A. van Praag, Problemen der antieke rechts¬ 
geschiedenis, Openbare les Amsterdam, Amster¬ 
dam, 1946 . 

23 ) E. P. Wegener, De betekenis der grafologie 
voor de Griekse papyrologie, Openbare les Leiden, 
Leiden, 1947 . 

24 ) E. Visser, Polis en stad, Openbare les Am¬ 
sterdam, Amsterdam, [ 1947 ]. 

25 ) A. H. R. E. Paap, De Herodoti reliquiis in 
papyris et mèmbranis Aegyptiis servatïs, Papyro- 
logia Lugduno-Batava. 

26 ) B. D. Eerdmans, The Hebrew Book of 
Psalms, Oudtestamentische Studiën IV, 1947 , terwijl 
deel V, een bundel verzamelde opstellen, op punt 
yan verschijnen is. 






230 


BELANGSTELLING VOOR HET NABIJE OOSTEN IN NEDERLAND 


het R.K., St. Hieronymus. Het Oostersch Genootschap organiseerde, zij het op kleinere schaal 
dan vroeger, in 1947 een huishoudelijk congres. De Palestina-reiziger P. Scholten schonk 
naam en middelen aan de Frank Schölten Stichting te Leiden. In een rede, getiteld Merca¬ 
tores sapientes, herdacht Prof. D. Cohen bij de heropening van het Allard-Pierson-Museum 
(1946) de bekende Amsterdamse figuren van A. W. van Leer, J. L. Pierson, benevens 
Lunsingh Scheurleer. 

Het is te begrijpen, dat, gezien op deze achtergrond, ook de Nederlandse uitgevers geen 
bezwaar tegen publicaties in het Nederlands hebben. Chiera's bekende boek verscheen onder 
de titel: Zij schreven op klei (Baarn, 1948) en in de serie van Servire Cultuurhistorische 
Monografïén 2 ?) kwamen op ons gebied enige nieuwe deeltjes. Maar ook grotere werken 
zagen het licht in het Nederlands, zo de grote Egyptische kunstgeschiedenis van Professor 
de Wit 28 ). Van van der Leeuws Godsdiensten der Wereld verscheen de tweede druk. 
Voor Byvancks Kunst der i Oudheid cf. blz. 369. Aan de B.NS.I.B een encyclopedie in 
oorspronkelijke zin (cf. Jrb. II/8, 566), werkten mede als godsdiensthistoricus Prof. 
Bleeker 29 ) (I, 1946, 236-241), voor Israël M. A. Beek (I, 283-305), als letterkundige 
G. J. Thierry (II, 1947, 79-86), als kunsthistorica A. Roes (II, 283-303), terwijl W. den 
Boer in III, 1947, 68-81 ook de antieke inhoud binnen zijn visie trok. 

Maar bovenal mogen wij ons gelukkig prijzen, dat het ook nog mogelijk is geweest, dat 
Nederlandse Oriëntalisten weder het Naburige Oosten konden bezoeken. Jozef Janssen 
vond gelegenheid de opgravingen in el-Kab mede te maken. I. L. Seeligmann bezocht en 
sprak op het Eerste Wereldcongres der Joodse Wetenschap te Jeruzalem (Juli, 1947) 30 ). 
Zulks deed ook Pater van der Ploeg, die evenals Pater Simons versdheidene maanden 
met Jeruzalem als uitgangspunt, reizen en verkenningen in Palestina kon ondernemen. 

Het contact met het buitenland was reeds eerder opnieuw gelegd in het bijzonder door 
de deelname van Nederlandse O.T.-ici aan het Congres in" Cardiff (1946). Met België is 
zelfs nu een zeer nauwe samenwerking dat tot uiting kwam door het bezoek van vele 
Nederlandse oriëntalisten aan het Congres der philologen in Leuven (1947) en door het 
ere-doctoraat van Leuven van Professor Böhl zijn officiële bezegeling kreeg. Veel zijn wij 
aan de tegemoetkomendheid van personen en instellingen in het buitenland verschuldigd. 
Als een soort tegenprestatie kan men het beschouwen dat onze geleerden zich in hun publi¬ 
caties tot het buitenlandse publiek wendden. De heren Böhl en van der Meer mengden 
zich in de moeilijke kwestie der oude chronologie 31 ) ; in het bijzonder zal het monumentale 
deel III van The Egyptian coffin texts uitgeigeven door Professor de Buck 32 ) voor het 
Orierital Institute (Chicago, 1947) in deze wisselwerking op zichzelf reeds boekdelen 3 spreken. 

De verhouding tot het buitenland zal nader bestudeerd en geregeld moeten worden, 
niet alleen die van Nederland, maar ook van de andere volken. De Egyptologen deden dit 
reeds in Kopenhagen (zie p. 573); moge in Parijs op het xxiste Congres der Oriëntalisten, 
in Juli a.s. te houden, de grondslag gelegd worden voor een organisatie, waarin de Oriënta¬ 
listen hun werkzaamheden in het kader van het nieuwe tijdperk zullen kunnen verrichten. 

Leiden, 28 Maart 1948. B. A. van Proosdij 


21 ) L. Leeuwenburg, Echnaton ; A. Roes, Sym¬ 
bolen uit het Oude Oosten ; K. Srrey, De antieke 
ivereldzee; E. Visser, Het Hellenisme ; allen: Den 
Haag, 1946. Van A. Roes verscheen ook The goat 
and the horse in the cult of Hither Asia, Studia 
Vollgraff, Amsterdam, 1948, 99-138. 

28 C. de Wit, Oud-Egyptische kunst , Antwerpen, 
1946. 

29 ) De nieuwe godsdiensthistoricus in Amster¬ 
dam, cf. C. J. Bleeker, De Godsdienstige betekenis 
vcm oog en oor, Rede Amsterdam, Assen, 1946. 

30 ) I. L. Seeligmann, Eerste wereldcongres der 


Joodse Wetenschap te Jerusalem , Nieuw. Isr. 
Weekbl. 78, 12 Sept. 1947, 8-9. 

XL ) F. M. Th. Böhl, King Hammurabi of Baby- 
lon in the setting of his time (Med. Kon. Ak., afd. 
Lett., N.R. 9, 10, 1946). 

P. van der Meer, The ancient chronology of 
Western Asia and Egypt, Documenta et Monumenta 
Orientis Antiqui II, Leiden, 1947. 

® 2 ) In hem heeft het eerst weer sedert jaren de 
Egyptologie in de Kon. Akademie een vertegen¬ 
woordiger ex professo gekregen; cf. zijn Plaats 
en betekenis van Sjoe in de Egyptische theologie 
(Med. afd. Lett., N.R. 10, 9, 1948). 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN LOUIS HENRI KAREL BLEEKER 

(11 Oct. 1868 — 20 Oct. 1943) 

* betrekking hebbende op het oude naburige oosten 

SAMENGESTELD DOOR TH. C. VRIEZEN ’ 

1 — T . K* Cheyne: Jeremia in den lijst van zijn tijd. 

Vertaald onder toezicht van G. Wildeboer, Utrecht, 1891. 

Bewerking van Cheyne’s Jeremiah, his life and times, door L. A. Bahler en L. H. K. 
Bleeker. 

2 — Jeremia s profetieën tegen de volkeren . 

Diss. Groningen, 1894. 

Behandelt de vraag der echtheid van Jer. 25; 46-51, met als resultaat, dat behalve 
cap. 50 v. deze profetieën, hoewel sterk geïnterpoleerd, Jeremiaans zijn. 

3 —Naar aanleiding van A. van der F lier: D enter onomium 33. 
Theologische Studiën xiv, 1896, 359-381. 

Verdedigt o.a. tegenover van der Flier de herkomst van de Judaspreuk uit het 
Richtertijdperk. 

4 — C. Siegfried: Kommentar Prediger und Hoheslied. 

Bespreking Th. St. xvn, '1899, 205-210; 300-303. 

5 — Bonman: Begrip gerechtigheid in het O. T. 

Bespreking Th. St. xvin, 1900, 75-81. 

6 — R. Kittel: Die Bncher der Könige . 

Bespreking Th. St. xx, 1902, 90-98. 

7 — Enkele opmerkingen naar aanleiding van ”Oorsprong en betekenis der 

Tien Woorden \ 

Th. St. xxi, 1903, 310-315. 

8 — Twee eenvoudige conjecturen. 

Th. St. xxii, 1904, 285 v.v. 

Sam. 1:21b leze men i.p.v. heli masiach: Ai masuach; 

Ps. 73: 7 leze men i.p.v. eheleb: mëhasöb en vertale: hun ongerechtigheid gaat alle 
gedachten te boven. 

9 — De zonde der gezindheid in het O. T. 

Inaugurele rede, Groningen, 1907. 

Aanvaardt Eerdmans’ Exegese van het 10de gebod, maar bestrijdt de opvatting, dat 
in het O.T. overigens niet van zonde der gezindheid sprake zou zijn. 

10 — Gen. IV: 1 

Th. St. xxvii, 1909, 289-292. 

Voorgeslagen vertaling: Een zoon heb ik ontvangen — Jahwe is niet mij! 





232 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN LOUIS HENRI KAREL BLEEKER 


11 — De betekenis van den profeet Elia voor de geschiedenis van Israëls 

godsdienst. 

Th. St. xxviH, 1910, 415-444. 

Uitgegeven voordracht, met als hoofdgedachte, dat Elia in de strijd met het syncretisme 
ertoe is gebracht het eerst met bewustheid de gedachte van de eenheid en enigheid 
Gods te grijpen. 

t • 

12 — Prof. Wildeboer. In Memoriam en litteratuurlijst. 

Th. St. xxx, 1912, 81-96. 

i 3 — Twee redevoeringen 
Th. St. xxxi, 1913, 150-158. 

Bespreking van M. Noordtzij: Babylonische Psalmen, en A. Noordtzij: De 
O.T.-ische Godsopenbaring in het Oud-Oostersch leven. 

14 — Genesis I en Genesis II. 

Serie „Synthese”, 1918. 

15 — Over Inhoud en Oorsprong van Israëls heilsverwachting. 

Rectoraatsrede, 1921. 

Handhaaft de originaliteit van Israëls heilsverwachting, met als uitgangspunt de 
Bondsidee. 

Men vergelijke nog de aant. toegevoegd in ZAW xi, 1922, 156. 

16 — Job. 

Tekst en Uitleg, 2e dr., 1935. 

17 — De kleine Profeten I (Hosea , Amos) 

Tekst en Uitleg, 1932. 

18 — De kleine Profeten II (Joel, Obadja , Jona , Midra) 

Tekst en Uitleg, 1934. 

19 — Heeft Ps. yj: iy werkelijk tekstverbetering nodig? 

Onder Eigen Vaandel xi, 1936, 101-106. 

20 — De geschiedenis in het Oude Testament. 

Geschiedenis, een bundel studies aangeboden aan Prof. Dr W. J. Aalders, Assen 
1944, 30-41. 

Israëls religie, berustend op Gods werk in de geschiedenis, eschatologisch ingesteld. 

21 — Hermeneutiek van het Oude Testament. 

Ter perse; verschijnt in de serie Theologie. 

Korte levensbeschrijvingen te vinden in Nieuwe Theol. St. xxn, 1939, 129 vv. door 
W. J. Aalders; 133 vv. door H. J. Backer en in het Jaarboek der R.U. Groningen, 1945, 
37-39 door J. Th. Ubbink, 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN ARIE NOORDTZIJ f l ) 

BETREKKING HEBBENDE OP HET OUDE NABURIGE OOSTEN 

SAMENGESTELD DOOR JAN P. LETTINGA 

- Het Hebreeuwsche voorzetsel 
Dissertatie Rijksuniversiteit Leiden. 

Leiden, IJdo, 1896. 

De betekenissen erga en contra hebben zich ontwikkeld uit de grondbetekenis van 
een beweging in een bepaalde richting waarbij het onverschillig is of het voor¬ 
gestelde doel bereikt wordt of niet. 

- Valsche bronnenscheiding. 

Tijdschrift voor Geref. Theologie 4 (1897), 149-168. 

Over i Sam. 8-12: het ontstaan van het koningschap in Israël. 

■ Eene nieuwe vertaling van het Oude Testament. 

Tijdschrift voor Geref. Theologie 6 (1899), 81-97. 

Over de zgri. Leidse Vertaling. 

Psalm 

Theologische Studiën 23 (1905), 1-8. 

- De Filistijnen , hun afkomst en geschiedenis. 

Kampen, Kok, 1905. 

* 

- Musri. 

Theologisch Tijdschrift 40 (1906), 378-403, 451-475 en 41 (1907), 50-79. 

Critische beschouwing over de hypothese van Hugo Winckler, die Musri hield voor 
een Noord-Arabische landstreek. 

- Beknopte Hebreeuwsche Spraakkunst , met oefeningen en woordenlijsten. 
Kampen, Zalsman, 1907. 

- 2 Samuel 8 , 3 — 6. 

Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft 27 (1907), 16-22. 

De hier vermelde oorlog tegen de Aramseers is niet identiek met die uit 2 Sam. 
10: 15-19, maar moet na de in laatstgenoemde pericoop beschreven slag bij Hëlam 
hebben plaatsgevonden. 


■Is een nieuwe vertaling van het O.T. noodig? 

Kampen, Zalsman, 1908. 

Somt meer dan tweehonderdvijftig fouten ,en grotere onjuistheden in de Staten¬ 
vertalingen op. 


x ) Overleden 21 Juni 1944 te Lutry (bij Lausanne). 





LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN ARIE NOORDTZIJ f 


234 

10 — Damascus en hare Arameesche koningen. 

Theologische Studiën 26 (1908), 177-210. 

1 i — De jongste Arameesche papyri. 

Teyler’s Theologisch Tijdschrift 7 (1909), 33-58. 

Over de papyri van Elephantine. In dit artikel komt een vertaling voor van Cowley 
(1923, Aramaic Papyri of the fifth Century B.C.) n° 30 en 32. 

12 — De O.-T.ische Godsopenbaring en het Oud-Oostersche leven. 

Rede bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Rijksuniversiteit te Utrecht 
den 23sten Sept. 1912. 

Utrecht, Ruys, 1912. 

In het Engels verschenen onder de titel 'The Old Testament revelation of God and 
the Ancieijt-oriental life’ in Bibliotheca Sacra 70 (1913), 622-652. 

13 — Een Babylonisch Scheppingsepos? 

Geref. Theologisch Tijdschrift 17 (1916), 190-206. 

enüma elis wordt ten onrechte het Babylonische scheppingsepos genoemd. Het lied 
is meer coelo- dan geo-centrisch. 

14 — Het boek der Psalmen , opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard. \ 

Deel I (Psalm 1-70), Kampen, Kok, 1923. Tweede druk 1934. 

Deel II (Psalm 71-150), Kampen, Kok, 1925. Tweede druk 1935. 

i 5. — Gods Woord en der eeuwen gehtigenis. 

Het Oude Testament in het licht der Oostersche opgravingen. 

Kampen, Kok, 1924. Tweede sterk vermeerderde druk 1931; derde (onveranderde) 
druk 1936. 

1 6 — Artikelen in : Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk. 

Kampen, Kok, 1927. 

i 7 — Het probleem van het Oude Testament. 

Rede uitgesproken ter herdenking van den 291 sten jaardag van de Rijksuniversiteit 
te Utrecht, op 26 Maart 1927. 

Kampen, Kok, 1926-1931. 

Over de Wellhausiaanse opvatting van het Oude Testament. 

18 — De profeet Ezee hiel ,, opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard. 

Kampen, Kok, 1932. 

19 — De tekst van het Oude Testament en zijn geschiedenis . 

Bijbelsch Handboek, dl. I, 297-326. 

Kampen, Kok, 1935. 

20 — De Hebreeuwsche taal. 

Bijbelsch Handboek, dl. I, 343-364. 

Kampen, Kok, 1935, 


LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN ARIE NOORDTZIJ f 235 

21 — De boeken der Kronieken , opnieuw uit den grondtekst vertaald en 
verklaard. 

Deel I (1 Kronieken 1-29), Kampen, Kok, 1937. 

Deel II (2 Kronieken 1-36), Kampen, Kok, 1938. 

De uitvoerige inleiding komt voor in deel II. 

• . 

22— De boeken Ezra en Nehemia , opnieuw uit den grondtekst vertaald en 
verklaard. 

Kampen, Kok, 1939. 

23— Les intentions du Chroniste. 

Revue biblique 49 (1940), 161-168. 

Doel van de Chronist is het laten zien van de mislukking van iedere poging tot 
vestiging van de theocratie in Israël. 

24 — Het boek Levitikus (sic !), opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard. 

Kampen, Kok, 1940. 

25 — Het boek Nttmeri, opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard. 

Kampen, Kok, 1941. 

NB! De nummers 14, 18, 21, 22, 24 en 25 maken deel uit van de serie Korte verklaring 
der Heilige Schrift met nieuwe vertaling. 





LIJST VAN GESCHRIFTEN VAN JEHUDA LION PALACHEf 1 ) 


BETREKKING HEBBENDE OP HET OUDE NABURIGE OOSTEN 

SAMENGESTELD DOOR J. H. KRAMERS 
^ • 

1 — Uber das Weinen in der jüdischen Religion 

Zeifcschrift der Deutschen Morgenlandischen Gesellschaft 70, 1916, 251-256. 

2 — Drie plaatsen uit het boek Job. 

Theologisch tijdschrift 50, 1916, 347-356. 

4:10; 5: 6 ; 6: 7. 

3 — Het heiligdom in de voorstelling der Semietische volken. 

Dissertatie Rijksuniversiteit Leiden. 

Leiden, Brill, 1920. 

4 — Inleiding in den Talmoed. 

Volksuniversiteits Bibliotheek N° 15. 

Haarlem, Erven Bohn, 1922. 

5 — Het karakter van het Oud- Testamentische verhaal. 

Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt aan de Universiteit 
van Amsterdam op 26 Januari 1925. 

Amsterdam, Hertzberger, 1925. 

6 _ D^n'mpn 

Bijdragen en Mededeelingen van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in 
Nederland III, 1925, 58-70. 

7 —Artikelen in: Winkler Prins Algemeene Encyclopaedie , $ de druk. 

Amsterdam, Elsevier, 1932-1938. 

8 — The Ebed-Jahveh enigma in PseudoPsaiah . A new Point of View. 

Amsterdam, Hertzberger & Co., 1934. 

9 — De Hebreeuwsche litteratuur van den na-Talmoedischen tijd tot op onze 

dagen in schetsen en vertalingen. Met medewerking van A. S. Levisson 
en S. Pinkhof. 

Amsterdam, Hertzberger & Co., z.j. [1935J. 

10— De beteekenis van de muis in I Sam. 6. 

Verslag van het achtste congres van het Oostersch Genootschap in Nederland ge¬ 
houden te Leiden op 6-8 Januari 1936, p. 32-34. 

Leiden, Brill, 1936. 

ii — Over Beteekenisv er ander ing der W oorden in het Hebreeuwsch(Semietisch) 
en andere Talen. 

Bijdragen :en Mededeelingen van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in 
Nederland VI, 1939. 


1 ) Overleden 1944. 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

DE BENTRESJ-STELE 


Ofschoon de stele, die wij gewoonlijk de Bentresj- of Bechten-stele noemen, tot het 
oude bezit der egyptologie behoort, is er, voor zover mij bekend, nog nooit een Nederlandse 
vertaling van verschenen. Dat moge de publicatie daarvan in dit Jaarbericht rechtvaardigen. 
Nieuws verwachte 'men van deze vertaling niet. De stele is, sinds zij in 1829 in Karnak werd 
gevonden, vele malen uitgegeven en vertaald. Een overzicht dier uitgaven en vertalingen, 
alsmede van afzonderlijke studies over de stele of details daaruit vindt men bijvoorbeeld 
in' een van de laatste artikelen, die aan dit monument zijn gewijd, een studie van P. Tresson 
in de Revue Biblique van 1933 (t. xlii) 1 ). In 1843 werd de stele door Prisse d’Avennes 
voor vernieling (als bouwmateriaal) bewaard en in het volgende jaar naar Frankrijk ge¬ 
transporteerd 2 ). Daar schonk hij haar aan de Bibliothèque Nationale, waar het monument 
bleef tot 1919, iu welk jaar het naar het Louvre verhuisde, waar het als C 284 wel zijn 
definitieve bestemming zal hebben bereikt. Aanvankelijk heeft de Bentresj-stele een zekere 
rol gespeeld als historisch document — men nam namelijk den koning, die een der hoofd¬ 
figuren van het verhaal is en onder wiens regering de vertelling heet te spelen, doioh wiens 
naam slechts hier voorkwam als Ramses xn in de koningslijsten op. In 1883 bewees Erman 3 ) 
echter zonneklaar, dat de Bentresj-stele een product is van zeer jongen datum, naar hij 
meende uit den tijd der Ptolemseen, dat zich voordoet als een verhaal uit den tijd van, 
Ramses 11. De stele verraadt haar laten datum door de foutieve benaming, die zij den 
koning toedicht; de eerste drie namen, die behoren bij de titels Hcxrus, de beide Schuts¬ 
godinnen (deze titel is bovendien weggelaten) en gouden Horus, zijn namelijk die van 
Tothmes iv, de laatste twee die van Ramses 11. Het lijdt wel geen twijfel, dat de auteur 
zijn verhaal in den tijd van dezen laatsten heeft willen doen spelen. Ramses 11 is immers, naast 
Sesostris en met dezen verward, de koning wiens faam tot in laten tijd is blijven voortleven. 
Behalve deze vergissing betreffende de titulatuur, zijn er ook verder in spelling en gram¬ 
matica aanwijzingen te over, die Erman's late datering steunen. 

Zo moeten wij dus de Bentresj-stele beschouwen als een werk uit den tijd der Ptolemseen, 
ofschoon sommigen tot iets ouderen tijd willen opklimmen. In elk geval schijnt het verhaal 
wel verhoudingen uit den Perzischen tijd te weerspiegelen 4 ) en dus later dan deze te zijn. 

Met de late datering harmoniëert verder uitstekend het overwegend godsdienstig 
interesse van de inscriptie. Het verhaal moge dan spelen in den tijd van Ramses 11, niet diens 
veroveringen en heldendaden vormen de stof van de geschiedenis, doch de wonderdaden 
van een god. Ramses 11 en zijn glorie zijn slechts een vage herinnering — en wij zullen nog 
zien, hoe weinig houvast wij hebben aan de namen en conarete bijzonderheden, die de stele 
behelst. Het is een grijs verleden en een document, dat uit dien tijd dateert, heeft een zeker 
prestige, maar het beeld, dat men van dat verledei^heeft, is onwerkelijk; de geographische 
en historische voorstellingen omtrent dien ouden tijd zijn scheef. Thebe, waar de stele is 
gevonden en vervaardigd is reeds lang niet meer het levend hart van een wereldrijk, doch 
een openluchtmuseum van tempels, paleizen, graven en andere vergane glorie, waar men 
over de oude geschiedenis allerlei wonderlijks vertelt. Wat in Thebe nog leeft zijn de 
tempels en priesters en in dien beperkten kring zonder ruimer horizon dan het stadsgebied, 

2 ) Sindsdien zijn nog verschenen een vertaling midden gezaagd, waardoor de 12de regel ernstig 
van de hand van A. Hermann in zijn boekje over werd beschadigd. 

Die dgyptische Kortingsnovelle (1938) en een zeer ,3 ) A. Erman, Die Bentreschstele in ZAS 21, 
waardevolle bespreking van enkele passages door 1883, 54 vv. 

G. Lefebvre in de Chronique d'Egypte van 1944 4 ) Aldus' de conclusie van G. Posener, A propos 

(n° 38), p. 214, Encore la stele de Bakhtan. de la stele de Bentresh in BIFAO, 34, 1933, 75 vv. 

2 ). Bij deze gelegenheid werd de stele door 




238 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


£>Ë BÈNTRÈSJ-STELË 




nemen godsdienstige, of wil men liever, kerkelijke, cultische vraagstukken alle aandacht 
in beslag. Welke tempel is het belangrijkst, welke god is de voornaamste — ziedaar vraag¬ 
stukken, die aan de orde van den dag zijn in deze stad, waar de tempels elkaar verdringen, 
waajr de priesters elkaar dagelijks voor de voeten lopen. Het zijn vraagstukken, die waar¬ 
schijnlijk niet slechts een geestelijke, doch ook een financiële zijde hebben. De gouden eeuwen, 
waarin de schatten der hele wereld naar Thebe samenstroomden, zijn lang voorbij, het 
topzware apparaat der vele priesterschappen bestaat nog, en vele varkens maken de spoeling 
dun. Het gevolg is onderlinge naijver en een voortdurende stjrijd om het bestaan, een worste¬ 
ling om een plaatsje in de zon. In onze stele mogen wij een document uit dezen strijd zien. 
Kortom, dit opschrift is een propagandageschrift, een genre bij de Egyptenaren van ouds 
bekend 5 ). 

Er is naijver geweest tussen de priesters v$n twee vormen van Chonsoe, de één: 
CIïonsoe-in-Tkebe-Nefe^hotpe, de ander:! Chonsoe-de-beleidvolle-in-Thebe-de-grofe-god-de- 
uitbanner-van-boze-geesten, in de inscriptie ook wel korter: Chonsoe-de-beïeidvolle-in-Thebe 
genoemd. De eeirste is volgens ons verhaal degene tot wien de koning zich in de eerste plaats 
wendt; hij is het die den uitbanner van boze geesten uitzendt naar Bechten en hem daarbij 
zijn toverkracht meegeeft en aan zijn tempel worden na de beëindiging van het avontuur 
alle gaven geschonken, zonder dat de god, die het eigenlijke werk heeft gedaan, iets voor 
zichzelf achterhoudt. Chonsoe-in-Thebe-Neferhotpe is.dus de superieur. De afbeelding in de 
top van de stele, boven de inscriptie, demonstreert het verschil in rang duidelijk. Daar 
staan de twee statieboten der beide góden tegenover elkaar; de één, die van Chonsoe-in- 
Thebe-Nefarhotpe wordt gedragen door 10 of 12 priesters 6 ), terwijl de koning wierokend 
daarvoor staat; de ander, die van Chonsoe-den-beleidvolle-in-Thebe-den-groten-god-den- 
uitbanner-van-boze-geesten, kleiner van formaat, minder kostbaar uitgevoerd, niet vergezeld 
van waaiers, wordt slechts door vier personen gedragen; ervoor wierookt een priester. Het 
is dus duidelijk, dat ons verhaal ten bate van Chonsoe-Neferhotpe is geschreven 7 ). Het is 
een poging te bewijzen dat zijn aanspraken op den voorrang en op het leeuwendeel der 
inkomsten reeds dagtekenen uit den tijd van Ramses 11. 

Een andere vraag is, of het verhaal van a tot z is verzonnen door den auteur der stele. 
Het is ook mogelijk, dat hij van een bestaand volksverhaal heeft gebruik gemaakt en zulk 
een verhaal zou zelfs een historische kern kunnen hebben. Het is moeilijk of zelfs onmogelijk 
tussen deze mogelijkheden een keuze te doen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen, dat 
verschillende motieven in de vertelling 8 ) geenszins zuivere voortbrengselen der fantasie 
behoeven te zijn, doch zeer wel op werkelijkheid gegrond kunnen zijn. Overeenkomstige 
gebeurtenissen kennen wij in elk geval als nuchtere, historische feiten. 

Daar is dan allereerst het huwelijk van een vreemde prinses met een Pharao. Wij 
kennen het huwelijk van Amenophis in 9 ) (± 1400) met een dochter van den koning van 
Mitanni uit de uitvoerige correspondentie der koningen over dit onderwerp. Eerst nadat 


Amenophis zijn koninklijken broeder Sjoetarna herhaaldelijk had aangezocht om de hand 
van een prinses, stemde deze toe. Het feit werd door Amenophis als zo belangrijk beschouwd, 
dat hij er een herinneringsscarabee aan wijdde met het volgende opschrift: 

In het 10e jaar onder de Majesteit van Hortis, sterke stier, die gekroond is met Maat, de 
beide Schutsgodinnen: die! de wetten handhaaft, die de twee landen tot rust brengt; gouden 
Horus, die grote kracht heeft, die de Aziaten slaat; de koning van Boven- en Beneden-Egypte, 
Neb-maj c at-rë c , de zoon van Rë, Amenhotep, heerser van Thebe, die met leven begiftigd is (en) 
de grote gemalin des konings Teje, zij leve, wier vader Ioeja en wier moeder Toeja heet. Een 
wonder dat aan Zijne Majesteit, hij leve, zij welvarend en gezond, is gebracht: de dochter van 
Sjoetarna, den vorst van Naharina, Giloechepa (en) haar haremdames, 317 vrouwen. 

Leerzaam voor de verhouding van Egypte tot het rijk van Mitanni is het, dat deze Gilöechepa 
geenszins de grote gemalin des kónings wordt, een positie ingenomen! door Teje ondanks 
haar burgerlijke afkomst, zoals deze scarabee uitdrukkelijk vermeldt. Wij zullen zien, hoe 
deze vanzelfsprekende superioriteit van Egypte ten opzichte van het buitenland later ten 
nadele van het Nijlland gewijzigd is. 

Later is de band tussen de beide koningshuizen nogmaals aangehaald. Sjoetarna’s op¬ 
volger Toesjratta heeft wederom een Mitanni-prinses afgestaan aan denzelfden Amenophis. 
Over de onderhandelingen, die tot dit huwelijk hebben geleid, zijn we eveneens nauwkeurig 
ingelicht. Wij kennen den gezant, die de prinses eerst is gaan bekijken en wij lezen zijn 
gunstig oordeel. Ook het gemarchandeer over de hoogte van den prijs, die voor de bruid 
moet worden betaald, blijft ons niet verborgen; evenmin trouwens de bruidsschat, waarmee 
Tadoechepa — zo heet deze prinses — tenslotte naar Egypte reist, begeleid door den zegen 
van haar vader: 

Mogen Sjamasj en Isjtar voor haar uitgaan; mogen zij haar welgevallig doen zijn aan het 
hart van mijn broeder en moge mijn broeder op dien dag blijde zijn; mogen Sjamasj en Lsjtar 
mijn broeder rijke zegeningen schenken en grote vreugde, en moge mijn broeder eeuwig leven! 

Later weten we dan weer van een dergelijk huwelijk in de dagen van Ramses 11. De 
verhoudingen zijn dan anders, gelijk gezegd. Ramses heeft met zijn Hethietische buren 
in het Noorden een vredesverdrag gesloten, waarbij beiden als partijen van gelijken rang 
optreden en zeker niet van een Egyptisch dictaat kan worden gesproken, ondanks de poging 
van Egyptische zijde om dit te verbloemen. En zo is er dan, wanneer Ramses de band met 
het Hethietische koningshuis wil versterken, een groot verschil met de huwelijken van 
Amenophis in. De Hethietische prinses wordt een grote gemalin des konings! 

Toen werd de dochter van den groten vorst van Cheta-land voor Zijne Majesteit binnengeleid 
en zij was schoon in de ogen van Zijkie Majesteit. Toen liet Zijne Majesteit haar naam vaststellen 
als: grote gdmalin des konings, Die de schoonheid van Rë ziet (masat-nofroe-rë c ). 


5 ) Zie mijn artikel in Symbolae van Oven, 
(Leiden, 1946), La littérature et la politique so^s la 
douzième dynastie égyptienne . 

6 ) Zie Tresson, l . l ., 68. 

7 ) Zo ook Posener in het aangehaald artikel, 
doch met meer terughouding dan m.i. nodig is. 

8 ) Hermann rekent de Bentresj-stele tot de 
Königsnovelle, een volgens hem door allerlei ken¬ 
merken scherp gedefinieerd genre. Allerlei voor¬ 
beelden daarvan — en vooral onze stele — ver¬ 
tonen echter min of meer belangrijke afwijkingen 
van het type. Deze al te rigoureuze onderscheiding 
der genres schiet m.i. haar doel voorbij. Ik geef 
hier derhalve de voorkeur aan een neutrale be¬ 
naming als vertelling en dgl. Ook legende is bij¬ 
voorbeeld in Hermann’s van Jolles, Einfache 


Formen overgenomen terminologie een genre met 
zo speciale kenmerken, dat deze stele er bezwaarlijk 
toe gerekend kan worden. Al te licht verleiden 
dergelijke classificaties tot een verwringing van het 
materiaal. Zo zegt Hermann, dat men ons verhaal 
ook als legende zou kunnen beschouwen, want 
(p. 22, n. 29) „Chons erscheint nach der Bentresch- 
stele als ein wundertatiger Heiliger, der wie alle 
legendaren Gestalten imitatio (het kenmerk der 
legende volgens de theorie) fordert”. De lezer oor- 
dele zelf, of het verhaal de gedachte van imitatio 
doet rijzen. 

9) Ook deze was reeds de zoon van een Mitan- 
niesche prinses, die zijn vader Tothmes iv na her¬ 
haalde aanzoeken was toegezonden. 


De hoge rang waartoe de prinses wordt verheven logenstraft het voorafgaande verhaal, 
waarin het wordt voorgesteld, alsof zij door haar vader aan den Egyptischen koning als een 
soort oorlogsbuit wordt overgeleverd samen met allerlei schatten aan goud en zilver, enz. 

De overeenkomst van de bewoordingen van dit citaat en een passage in ons verhaal 
valt niet te miskennen; men kan een zin van de Bentresj-stele zelfs met de hulp van de 
inscriptie van Ramses verbeteren. En de naam der prinses van het verhaal, Nofroerë, 
Bewaart duidelijk een herinnering aan de historische prinses, die in Ramses’ 34e jaar 
(db 1265) met hem in den echt werd verbonden. 

Het motief van het huwelijk van Ramses 11 met een buitenlandse koningsdochter is 
dus allerminst uit de lucht gegrepen. Slechts het land Bechten, een naam die nergens elders 
voorkomt, rs blijkbaar een schepping der phantasie. Men heeft aan Bactrië gedacht, doch 
deze naam wordt in Egyptische inscripties anders weergegeven. Op zichzelf is de gedachte 
niet onaantrekkelijk; de auteur denkt zich dit land blijkbaar oneindig ver weg; een reis 
erheen kost 17 maanden. Dit is één der punten, waar de toestanden van den Perzischen tijd 




240 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


misschien hun neerslag in het verhaal hebben gevonden. De auteur denkt zich, zo stelt bv. 
Posener het voor, het rijk der oude Pharaonen naar het model van het Perzische rijk. 
Men kan echter ook eenvoudig aan een mysterieus ver land uit een volksverhaal denken, 
naar welks naam of plaats op de kaart het ijdel zou zijn te zoeken. 

Een tweede trek uit het verhaal, waarvoor historische parallellen zijn te noemen, is 
de reis van een geneeskrachtig godenbeeld naar het buitenland. Dezelfde Amenophis in, 
die met Mitanni-prinsessen was gehuwd, vroeg en kreeg hulp van den koning van Mitanni- 
land, toen hij op het laatst van zijn regering door ziekte werd gesloopt, een hulp overigens, 
die niet heeft mogen baten, want „het beeldje van de godin Istar van Nineve, dat reeds bij 
een vorige gelegenheid naar Egypte was gereisd” en dat hem nu door Toesjratta werd 
gezonden, heeft hem niet vermogen te genezen. 

Ook de reis van den geleerden dokter naar het vreemde hof is trouwens geen unicum. 
Herodotus verhaalt, dat Cyrus eens de hulp van een Egyptisch oogarts heeft ingeroepen 
die hem door Amasis werd toegezonden (in i) en dat later Darius, toen hij bij een sprong 
van zijn paard zijn voet had verstuikt, Egyptische artsen, die in Susa waren, had geraad¬ 
pleegd (iii 129). 

Zo blijft dan dit propagandaverhaaltje overal binnen de grenzen van het mogelijke; 
immers ook het optreden van den geest heeft voor de tijdgenoten van den auteur niets 
bevreemdends of onmogelijk-bovennatuurlijks gehad en nog minder ongewoon was de waar¬ 
schuwende droom van den vorst van Bechten. Geschreven is het in de eenvoudige stijl en 
sobere woordenkeus, die wij uit de verhalen van het nieuwe Rijk kennen. 

Horus, sterke stier, die een schone kroon draagt; wiens koningschap 
duurzaam is als dat van Atoem 10 ); gouden Horus, die een machtige arm 
heeft, die de Negen Bogen 11 ) onderwerpt; Koning van Boven- en Beneden- 
Egypte, Heer van de beide Landen, Weser-ma c at-rë c , dien Re heeft verkoren, 
eigen zoon van Rë, Ramses, bemind door Amon, bemind door Amon-rë, den 
heer van Karnak en door alle (andere) góden van Thebe; goede god, zoon van 
Amon, telg van Re-hor-achte; heerlijk zaad van den Heer van het heelal, 
dien de Stier zijner Moeder 12 ) heeft verwekt; koning van Egypte, heerser 
van het buitenland ; vorst, die de Negen Bogen heeft veroverd, toen hij uit 
den moederschoot kwam, aan wien overwinning voorspeld werd en aan wien 
dapperheid werd verleend, (toen hij nog) in het ei (was); stoutmoedig als 
een stier, wanneer hij de arena betreedt; goddelijke koning, wanneer hij 
verschijnt op den dag van de overwinning als Montoe 13 ), die grote kracht 
bezit als de zoon van Noet 14 ). 

Eens was Zijne Majesteit in Naharina 15 ), zoals hij dat jaarlijks gewoon 
was. Toen kwamen de vorsten van alle vreemde landen hun opwachtinn 
maken* in gebogen houding en in onderworpenheid wegens de macht van 
Zijne Majesteit, zelfs van de uiterste streken in het Noorden. Hun ruggeg 
waren beladen met hun geschenken: zilver, goud, lapislazuli, malachiet en 

10 ) Voor dezen naam is de titel: de beide Schuts- een lofrede op den koning, de gewone inleiding van 

godinnen, vergeten. koningsinscripties. Men lette op de dichterlijke 

11 ) Benaming van de vijandige volken. vorm in parallelle zinsdelen in tegenstelling tot het 

- 12 ) Bedoeld wordt Amon, die zo heet als de god eenvoudige proza van het verhaal zelf. 

die zichzelf heeft voortgebracht. 15 ) Voor den auteur der stele is dit zeker een 

;L3 ) De krijgshaftige god van Hermonthis. vage benaming voor Mesopotamië en naburige 

14 ) Zoon van Noet is Seth. Dit gehele begin is streken. 


DE BENTRESJ-STELE 


24I 


alle mogelijke (welriekende) kruiden van het Godenland 16 )^ elk trachtte den 
ander de loef af te steken. 

Zo zond (ook) de vorst van Bechten zijn geschenken en hij plaatste 
zijn oudste dochter aan het hoofd daarvan om Zijne Majesteit te loven en 
leven van hem af te smeken. De vrouw l7 ) nu was zeer schoon in de ogen 
van Zijne Majesteit, bovenmate (schoon). (Daarom) werden haar titel en naam 
officieel vastgesteld als: grote gemalin des konings, Nofroerë. Daarna bereikte 
Zijne Majesteit Egypte en men verrichtte te harer ere alle ceremoniën, die 
voor een gemalin des konings verricht plegen te worden. 

Het gebeurde nu in het vijftiende regeringsjaar, in de tweede maand 
van het zomerseizoen, op den 2 2 en dag. Zijne Majesteit nü bevond zich in het 
zegevierende Thebe, de heerseres der steden, terwijl hij offers bracht aan 
zijn vader Amon-re, den heer van Karnak op diens schone feest van Luxor, 
zijn lievelingsplaats sinds de schepping der wereld — toen gebeurde het, dat 
men aan Zijne Majesteit kwam melden, dat er een bode van den vorst van 
Bechten was aangekomen, die vele geschenken voor de gemalin des konings 
had meegebracht. 

Men leidde hem daarop binnen voor Zijne Majesteit, samen met zijn 
geschenken en hij zeide, terwijl hij Zijne Majesteit verheerlijkte: „Lot zij U, 
Zon van de Negen Bogen, schenk ons het leven, waarover gij beschikt!”. 
Verder uitte hij ootmoedige huldebetuigingen voor Zijne Majesteit en hij 
zeide wederom tot Zijne Majesteit: „Ik kom tot U, O vorst, mijn heer, 
wegens Bentresj 18 ), de jongste zuster van de gemalin des konings Nofroerë, 
(immers) een ziekte heeft haar lichaam vermeesterd. Moge Uwe Majesteit 
een geleerde zenden om haar te onderzoeken”. Toen zeide Zijne Majesteit: 
„Men hale mij het college van het Huis des Levens 19 ) en de ambtenaren 
van de residentie!”. Zij werden onmiddellijk bij hem binnengeleid. Toen 
zeide Zijne Majesteit; „Ziet, men heeft U doen ontbieden, opdat gij deze 
zaak verneemt. Men brenge mij uit Uw midden dengene die in verstand het 
kundigste is en die (het best) kan schrijven met zijn vingers!” Toen kwam 
de koninklijke schrijver Thoth-em-heb zo ) in tegenwoordigheid van Zijne 
Majesteit en Zijn Majesteit beval, dat hij met dezen bode meeging naar 
Bechten. 

De geleerde bereikte Bechten en trof Bentresj aan in den toestand van 

16 ) Naam van Pipit, het land van wierook, enz., een Aramese mannennaam voorkomt. Zie het artikel 

doch ook van de streek van de Libanon. van Posener. 

17 ) Zo de stele, doch s(t) vrouw is hier zeker 19 ) Het tempelvertrek, waar schrijvers hun werk- 

een fout voor s (zij), zoals Lefebvre heeft aange- zaamheid uitoefenden; ook elders komt de medi- 

toond. Vergelijk de overeenkomstige passage op sche wetenschap voor al,s een vak, dat daar be¬ 
de huwelijksstele van Ramses II. oef end werd. Een uitvoerige studie over dit Huis 

18 ) De naam is een raadsel; hij is blijkbaar niet des Levens door Gardiner in JEA 24 (1938), 157. 
Egyptisch; het begin Bent klinkt Semietisch, kan 20 ) Een man van dien naam is uit den tijd van 
echter niet het woord: dochter, zijn, daar het in Ramses bekend. 


Jaarbericht n°. 10 


ió 


243 


242 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

iemand die door een/geest is bezeten. En hij bevond dien geest een vijand 
met wien kon worden gestreden 21 ). 

Daarop zond de vorst van Bechten wederom (een bode) naar Zijne 
Majesteit met de volgende boodschap: „O, vorst, mijn heer, Zijne Majesteit 
bevele toch, dat een god worde gezonden. 22 ). 

(Deze bode bereikte) Zijne Majesteit in het zes en twintigste regeringsjaar, 
in de eerste maand van het zomerseizoen, op den vierden dag, het feest 
van Amon, terwijl Zijne Majesteit zich in Thebe bevond. Toen herhaalde 
Zijne Majesteit (dit verzoek) voor Chonsoe-in-Thebe-N.eferhotpe met de volgende 
woorden : „O goede heer, ik breng U (een verzoek) over wegens de dochter 
van den vorst van Bechten”. Toen leidde men Chonsoe-in-Thebe-Neferhotpe tot 
Chonsoe-den-beleidvolle-den-groten-god-den uitbanner-van-boze-geesten. Daarop 
sprak Zijne Majesteit in tegenwoordigheid van Chonsoe-in-Thebe-Neferhotpe: 
„O goede heer, wend toch Uw gelaat tot Chonsoe-den-beleidvolle-den-groten- 
god-den-uitbanner-van-boze-geesten en zend hem naar Bechten”. Er werd 
zeer warme instemming betuigd 23 ) (door den god). Daarop zeide Zijne Majesteit: 
„Geef hem Uw toverkracht mee; dan zal ik Zijne Majesteit naar Bechten 
zenden om de dochter van den vorst van Bechten te redden. Er werd zeer 
warme instemming betuigd door Chonsoe-den-beleidvolle-in-Thebe (in een) 
viermaal (herhaalde rituele handeling). 

Daarop gaf Zijne Majesteit bevel Chonsoe-den-beleidvolle-in-Thebe in 
processie te leiden naar de grote staatsieboot (van den god, die vergezeld werd 
door) vijf vrachtschepen, een wagen 24 ) en paarden van Oost en West in 
groten getale. 

Deze god bereikte Bechten na verloop van één jaar en vijf maanden. 
Toen kwam de vorst van Bechten met zijn leger en zijn ambtenaren Chonsoe- 
den-beleidvolle tegemoet en hij wierp zich neer op zijn buik met de woorden : 
„Gij komt tot ons en gij wilt ons genadig zijn op bevel van den koning 
van Boven- en Beneden-Egypte, Weser-ma c at-rë°, dien Re heeft verkoren”. 
Daarop begaf deze god zich naar de plaats, waar Bentresj zich bevond en 
hij voerde een toverhandeling uit voor de dochter van den vorst van Bechten. 
En zij werd terstond beter. 

Toen sprak deze geest, die bij haar was, tot Chonsoe-den-beleidvolle- 


21 )De Egyptische arts komt na het onderzoek 
van een zieke tot een van de volgende drie uitspra¬ 
ken : een ziekte, die ik zal behandelen, d.i. een 
ziekte, waarvan de genezing zeker is; een ziekte 
waarmee ik strijden zal — de genezing is twijfel¬ 
achtig (dit is het geval van ons verhaal) ; een ziekte 
die niet behandeld kan worden, d.i. een hopeloos 
geval. 

2:2 ) Dit is de regel, die bij het door zagen be¬ 
schadigd is. 

23 ) Ofschoon deze term dikwijls voorkomt bij 
het geven van orakels is het niet geheel zeker op 


welke wijze deze instemming door den god wordt 
te kennen gegeven. 

24 ) Misschien de vrachtwagen, waarop de god 
in zijn boot werd geplaatst, terwijl met het vol¬ 
gende „paarden”, zoals vaak, wagens en paarden 
van het gevolg worden bedoeld. Of staat „wagen” 
onnauwkeurig i.p.v. wagens? Voor de eerste moge¬ 
lijkheid schijnt te pleiten, dat ook tegen het slot 
van de inscriptie wordt gesproken van „zijn wa¬ 
gen”, waarmee de god naar Egypte terugreist, waar¬ 
op dan volgt, dat de vorst hem talloze soldaten en 
paarden (d.i. wagens en paarden) meegeeft. 


DE BENTRESJ-STELE 

in-Thebe: „Welkom, O grote-god-de-uitbanner-van-boze-geesten! Bechten is 
üw stad, haar bewoners zijn üw slaven en (ook) ikzelf ben uw slaaf. Ik zal 
teruggaan naar de plaats vanwaar ik gekomen ben, zodat gij tevreden zijt 
over (het bereiken van het doel), waarmee gij zijt gekomen. Uwe Majesteit 
moge (echter) bevel geven een feest te vieren samen met mij en den vorst 
van Bechten”. Toen betuigde deze god zijn instemming aan zijn priester 
met de woorden: „Laat de vorst van Bechten een groot offer brengen voor 
dezen geest!”. 

Terwijl dit verhandeld werd tussen Chonsoe-den-beleidvolle-in-Thebe en 
den geest, stond de vorst van Bechten er bij met zijn leger en hij was 
uitermate bevreesd. Toen bracht hij een groot offer voor Chonsoe-den- 
beleidvolle-in-Thebe en voor den geest van den vorst van Bechten, terwijl 
men een feest vierde te hunner ere. 

Daarop ging de geest in vrede weg naar de plaats, waarheen hij wilde, 
volgens het bevel van Chonsoe-den-beleidvolle-in-Thebe. En de vorst van 
Bechten en alle mensen, die in Bechten waren, jubelden bovenmate. Daarop 
overlegde hij bij zichzelf: „Ik zal dezen god het eigendom van Bechten doen 
worden en ik zal niet toelaten, dat hij naar Egypte terugkeert”. Zo bleef 
deze god drie jaar en negen maanden in Bechten. 

Eens sliep de vorst van Bechten op zijn bed en hij zag, hoe deze god 
uit zijn kapel naar buiten kwam, terwijl hij een valk van goud was, en hoe 
hij omhoog vloog in de richting van Egypte. Daarop ontwaakte hij met 
schrik en hij zeide tot den priester van Chonsoe-den-beleidvolle-in-Thebe: 
„Laat deze god, die hier bij ons is, teruggaan naar Egypte en laat zijn 
wagen teruggaan naar Egypte”. Toen liet de vorst van Bechten dezen god 
naar Egypte vertrekken en hij gaf (hem) talloze geschenken (mee) van allerlei 
goede zaken en talloze soldaten en paarden. 

Zij nu kwamen behouden te Thebe aan. Toen ging Chonsoe-de-beleid- 
volle-in-Thebe naar den tempel van Chonsoe-in-Thebe-Neferhotpe en hij legde 
de geschenken van allerlei goede zaken, die de vorst van Thebe had gegeven, 
neer voor Chonsoe-in-Thebe-Neferhotpe, zonder dat hij iets daarvan voor 
zijn eigen tempel behield. 

Chonsoe-de-beleidvolle-in-Thebe kwam behouden in zijn tempel aan in het 
drieëndertigste jaar, in de tweede maand van het winterseizoen, op den 
negenden dag, van den koning van Boven- en Beneden-Egypte, Weser- 
ma c ar-rë c , dien Re heeft verkoren, die met leven is begiftigd als Rë tot in 
eeuwigheid. 

Leiden, 29 Augustus 1947 A. de Buck 

: 

: 







EGYPTISCHE PHILOLOGIE 1940—1947 

De schrijver van dit overzicht is mede schuldig aan het late verschijnen van dit Jaar- 
bericht. En hij stelt er prijs op, zich volgens goed Egyptisch gebruik te rechtvaardigen en 
U te verklaren, waarom hij gemeend heeft, zolang te moeten wachten alvorens hij zich tot 
schrijven zette. 

Het was de bedoeling geweest, zo spoedig mogelijk na den oorlog een globalen indruk 
té geven van wat er gedurende dien tijd in Egypte, Engeland en de Verenigde Staten ver¬ 
schenen was. Maar daar de verzending van drukwerk en vooral van boeken van enigen 
omvang nogal moeilijkheden met zich meebracht, kwam de litteratuur slechts langzaam 
binnen. Met name heeft het zeer veel moeite gekost de Ann. Serv. hier te krijgen. Ofschoon 
deze reeds in Mei 1946 waren toegezegd en de Nederlandse Legatie te Kaïro op de meest 
loffelijke wijze haar medewerking verleende door voor verzending naar Nederland te zorgen, 
heeft het tot Augustus 1947 geduurd, voordat de oorlogsjaargangen werkelijk hier waren, 
terwijl deel 45 (1945) blijkbaar nog steeds moet verschijnen. 

Men zal dit overzicht dan ook niet volledig mogen noemen, daar menige titel ontbreekt; 
allereerst van artikelen en boeken, die mij onbekend zijn, daarnaast echter ook van publi¬ 
caties, die mij slechts bij name bekend zijn. Dit zijn niet alleen boeken, in Egypte verschenen, 
als bv. het werk van H. Chevrier over Le temple reposoir dp Seti II a Karnak (Le Caire, 
1940), maar ook ongelooflijkerwijze, het belangrijke artikel van J. Vandier (226) *) over 
den papyrus Jumilhac; deze bevond zich reeds langen tijd in particulier Frans bezit en 
bevat een uiteenzetting van de theologische opvattingen van de 18de nome van Boven-Egypte 
volgens de begrippen, die men in den laten tijd hierover had. Bovendien kan er nog een 
andere reden van onvolledigheid worden opgegeven; in de meeste opgravingspublicaties 
komen ook teksten voor; toch zijn slechts diegene ervan opgenomen, waarin teksten van 
enigen omvang of speciaal belang voorkomen. Om deze reden, die subjectief is, zijn bv. 
niet opgenomen de delen van Selim Hassan over Giza (III-V, Cairo, 1941-1944), of het 
laatst verschenen deel van H. Junker over dezelfde necropolis ( Giza vu, Wien, 1944; bespr. 
BiOr 4, 1947, n° 6) noch A. Varille’s Karnak I (Le Caire, 1943; bespr. CdÉ xix, 1944, 
250-253), evenmin als H. von Demel, Der Totenpapyrus des Chonsu-mes (Jahrbuch der 
kunsthistorischen Sammlungen in Wien, xm. Band, 1944, Sonderheft Nr. 123; bespr. 
RHR 131, 1946, 171-176) of N. de G. Davies, The Tomb op the Vizier Ramose (London, 
1940; bespr. BiOr 2, 1945, 94-98; CdÉ xxi, 1946, 213-215). Uiteraard zullen anderen niet de 
de opvatting van samensteller delen, maar het was nodig, zich een zekere beperking op te 
leggen. 

Onderstaande vindt men echter toch nog ruim 250 titels, meest van artikelen. Daar 
verschillende bibliografieën verschenen, is deze lijst gemakkelijk te vervolledigen. Allereerst 
dient hier genoemd te worden het voortreffelijke supplement van Mej. I. A. Pratt, dat 
alles omvat, wat de Openbare Bibliotheek te New York vanaf de jaren 1925-1941 heeft 
verworven (192). Het is een boek, dat iedere Egyptoloog vaak ter hand zal nemen. En 
ofschoon ik mij in het vervolg als regel van waardebepalingen zal onthouden, moet hier 
toch gezegd worden, dat dit boek voortreffelijk is. Het is een modelpublicatie. J. S. Fare 
Garnot zette, met behulp van zijn assistente, Mej. Cl. Lalouette, de titels bij elkaar van 
datgene, wat de Franse Egyptologen sinds 1940 publiceerden (104) ; tevens gaf hij een 
systematisch overzicht van de publicaties, die in de jaren 1939-1943 verschenen op gebied 
van den Egyptischen godsdienst (103) ; hier geeft hij ook een samenvatting van den inhoud 
en de hem toegestane ruimte is zo groot, dat hij vaak zeer uitvoerig kan refereren. Hoewel 
zijn reeks nog niet is afgesloten, heeft hij reeds honderd bladzijden hieraan kunnen besteden. 

x ) Deze cijfers verwijzen naar de litteratuurlijst aan het einde van dit artikel. 


BIJLAGE BIJ HET JAARBERICHT EX ORIENTE LUX N° 10 

(1945 —1948) 

Concordantie op pag. 244-280 


No. 

Pag. 

No. 

Pag. 


No. 

Pag. 

No. 

Pag. 

No. 

Pag. 


i 

257 

57 : 

270 


109 

262 

162a 

: 261 

214 

261 


2 

2 57 

58 : 

264 


110 

263 

162b 

• 257 

215 

256 


3 

262 

59 : 

250 


111 

248 

163 : 

263 

215a:260 


4 

266 

60 : 

263 


112 

269 

164 : 

266 

216 

249 


5 

246, 264 

61 : 

270 


ir 3 

269 

165 : 

2 66 

217 

246 


6 

264 

62 : 

270 


114 

265 

165a 

: 266 

218 

248 


7 

257 

63 : 

259 


JI 5 

264 

166 : 

267 

219 

250 


8 

252 

64: 

269 


116 

250 

167: 

266 

220 

248 


9 

248 

65 : 

252 


117 

268 

168: 

245 

221 

252 


10 

249 

66 : 

263 


118 

254 

169 : 

249 

222 

260 


ii 

252 

67 : 

270 


i[ 9 

246 

170 : 

250 

223 

263 


12 

263, 265 

68: 

270 


120 

260 

171 : 

267 

224 

259 


r 3 

247 

69 : 

25 1 


121 

250 

172 : 

267 

225 

255 


*4 

263 

70 : 

259 


122 

254 

U 3 : 

264 

226 

2 44 



255 

71: 

263 


123 

262 

174: 

266 

227 

252 


16 

263 

72 : 

257 


124 

264 

175 : 

254 

228 

'259 


17 

2 6 ï 

72a 

: 257 


I2 5 

256 

176 : 

257 

229 

253 


18 

263 

72b 

: 2 54 

126 

249 

177 : 

2 5 1 

230 

253 


ï 9 

2 54 

73 

269 


127 

253 

178: 

25 1 

231 

252 


20 

245 

74 

206 


128 

268 

179 : 

265 

232 

271 


21 

2 57 

75 

246 


128a:259 

180 : 

2 5 ! 

233 

245 


22 

2 45 

76 

257 


128b : 261 

181 : 

251,270 

234 

253, 

264 

2 3 

250 

77 

265, 

269 

129 

253 

182 : 

251 

235 

265 


24 

250 

78 

2 59 


130 

268 

t8 3 : 

251 

236 

270 


2 5 

2 53 

79 

252 


131 

268 

184 : 

247 

237 

25 °> 

252 

26 

263 

80 

256 


132 

270 

185: 

245 

238 

256 


2 7 

265 

81 

268, 

269 

133 

265 

186 : 

267 

238a:265 


28 

268 

82 

268 

134 

269 

187: 

262 

239 

250, 

254 

29 

262 

83 

270 


T 35 

259 

188: 

264 

239a: 258 


30 

263 

84 

252 


136 

258 

189 : 

246 

240 

256 


3 T 

268 

85 

255 


137 

253 

190 : 

267 

241 

246 


3 2 

247 

86 

268 


138 

267 

191 : 

267 

242 

250 


33 

2 5 ° 

87 

2 5 J 


139 

267 

192 : 

244 

243 

268 


34 

246 

88 

255 


140 

267 

193 : 

255 

244 

268 


35 

256 

89 

256 


141 

265 

194 : 

252 

245 

258 


36 

264 

90 

271 


142 

267 

195 : 

259 

246 

266 


37 

267 

90a 

: 27 i 

» 

143 

265 

196 : 

258 

247 

260 


38 

258 

9 1 : 

247 


144 

252 

197 : 

252 

248 

266 


39 

268 

92 : 

249 


T 45 

262 

198 : 

269 

2149 

258 


40 

268 

93 : 

247 


146 

68 

199 : 

270 

250 

260 


4 i 

249 

94 : 

247 


147 

246 

200 : 

259,266 

251 

267 


42 

267 

95 : 

260 


148 

256 

201 : 

252 

252 

248 


43 

246 

96 : 

266 


149 

2 53 

202 : 

265 

253 

266 


44 

267 

97 : 

265 


T 5 ° 

206 

203 : 

247 

254 

248, 

265 

45 

246 

98: 

266 


Ï 5 1 

266 

203a 

: 248 

255 

248 


46 

2 54 

99: 

255 


J 52 

256 

203b 

: 261 

256 

248, 

265 

47 

252 

100 : 

255 


*53 

249 

204 : 

262 

257 

266 


48 

266 

101 : 

265 


*54 

249 

205 : 

262 

258 

258 


49 

2 5 i 

102 ' 

253 


*55 

25 r 

206 : 

261 




5 ° 

251 

103 : 

244 


r 5 6 

258 

207 : 

259 




5 i 

258 

104' 

244 


T 57 

260 

208 : 

262 




5 2 

270 

' 105 : 

256 


158 

247 

209 : 

252, 261 




53 

247 

106 : 

253 


159 

257 

210 : 

268 




54 

25 1 

107 ‘ 

249* 

2 53. 

160 

252 

211 : 

256 




55 

260 


258 

266 

161 

262 

212 : 

2 66 




56 

260 

108 : 

267 


162 

261 

213 : 

245 










246 


EGYPTISCHE PHILOLÖGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94OI947 


247 


21-98) de .zogen, tempora secunda. Het derde hoofdstuk schetst het ontstaan ervan in het 
vóór-Koptische taalstadium. M. Chaine (43) wijst erop, dat men vóór de ontdekking der 
hiërogliefen slechts een gebrekkige kennis der morphologie van het Koptische werkwoord 
bezat. Nu wij het verloop der taal kennen vanaf het Oude Rijk, is dit geheel anders geworden. 
Toch schijnt de tegenstelling tussen de synthetische vormen van het klassieke Egyptisch en de 
analytische van het Koptisch te blijven bestaan. Dit is meer schijn dan werkelijkheid en te 
danken aan den invloed der geschreven taal, die een aantal eigen vormen schiep om zich uit 
te drukken. De vulgaire taal heeft deze nooit aanvaard en steeds weer zien wij de schrijvers, 
wanneer zij zich laten gaan, vormen uit de vulgaire taal gebruiken; dit was reeds zo in het 
Oude Rijk. Terwijl de eerste elf hoofdstukken geheel aan het Koptisch zijn gewijd, zal vooral 
het twaalfde, waarin de vulgaire werkwoordsvormen door het gehele Egyptische taalverloop 
kort geschetst en samengevat worden, de belangstelling der Egyptologen hebben. 

Voor de vocalisatie van het Egyptisch zijn de transcripties in spijkerschrift zeer belang¬ 
rijk en het is dan ook zeer verdienstelijk, dat W. F. Albright (5 12 )) een zeventigtal Egyp¬ 
tische namen uit de xvmde en xixde Dynastie behandelt, wier gevocaliseerde transcriptie 
bekend is. Tevens geeft hij zoveel mogelijk alle gegevens omtrent den persoon in kwestie. 
Tot besluit biedt hij een korte uitweiding over accent en vocaalkwantiteit in het Nieuw- 
egyptisch, waarbij hij enige, kleine correcties aanbfengt in de theorie van G. Steindorff en 
K. Sethe. Edgerton (75) gaat uit van wat deze beide geleerden een halve eeuw geleden 
constateerden voor de lengte der klinkers met hoofdklemtoon in het Sahidisch. Uit de corres¬ 
ponderende klinkerloze vormen van het vroegere Egyptisch leidt hij nu de drie schemata of 
patronen af, volgens welke deze woorden gebouwd zijn. Deze regel of wet is, zoals alle 
klankwetten, slechts gedurende een bepaald tijdsverloop werkzaam geweest. Edgerton stelt 
het begin van deze periode omstreeks 2000 v. Ghr., maar acht het waarschijnlijk, dat zij zelfs 
vroeger begon. Hij noemt de taal ervan, met een nieuwen' term, Palseokoptisch; dit was vóór 
1350 v. Chr. zeker een dode taal en slechts een spoor van zijn fonetische patronen bleef een 
levende kracht, nl. dat geen Egyptisch woord, van Palseokoptisch tot en met Koptisch, ooit 
den hoofdklemtoon op de voorlaatste lettergreep mocht hebben. Overigens zijn de fonetische 
schemata van het Palseokoptisch in het Nieuwegyptisch en latere taalstadia slechts vertegen¬ 
woordigd door bepaalde, tot fossielen geworden klinkerkwaliteiten. Er is geen overtuigend 
materiaal, dat woorden zonder of met zwakken klemtoon ooit onderworpen zijn geweest 
aan deze wet. Wel zijn er aanwijzingen, dat zulke woorden altijd slotmedeklinkers gehad 
hebben. • A 

R. Weill zet zijn studie over het hulpwerkwoord p*w voort (241). Hij ziet hierin, in 
tegenstelling met de gangbare opvatting („oudtijds iets doen”) een hulpwerkwoord, dat c zijn° 
betekent. Hij onderzoekt het gebruik ervan in de negatieve zinnen en daarmee verbonden de 
geschiedenis der negatie bw pwj, Koptisch ^rte- In een derde hoofdstuk bespreekt hij 
= rc£, zijn, als bevestigend werkwoord. Daarnaast verschenen verschillende kleinere 
grammaticale bijdragen. Als voorstudie van zijn nieuwe bewerking van het decreet van 
Amonrasonther voor Neschons, publiceert B. Gunn (119) zijn ontdekking van een onopge¬ 
merkt verschijnsel in den tekst. Een drietal keren blijkt nl. dat het onderwerp tussen het 
lidwoord (ps) eni den infinitief (steeds hpr ) is geplaatst. Gunn stelt in bescheiden be¬ 
woordingen een verklaring voor, die alleszins bevredigend is. J. Cerny constateert aan de 
hand van vele voorbeelden, dat inn in het Nieuwegyptisch verschillende vormen omvat (34) ; 
het kan betekenen 1) wij, 2) zo zeiden wij, 3) indien, in conditionele zinnen èn indirecte 
vraag, 4) behalve; voor beide laatste geeft hij ook de etymologie. Zijn landgenoot Fr. Lexa 
(147) stelde vast, dat de schrijfwijzen van den vorm iw.f, voorafgegaan door <?(< iw) en 
a (<r) slechts spellingsvarianten zijn, die geen verschil in betekenis meebrengen. P. C. 
Smither merkte op, dat m, zowel in het Oud- als Middel-; en Nieuwegyptisch, c samen met, 
begeleid door 0 kan betekenen, waaraan B. Gunn een aantal voorbeelden toevoegt voor de be¬ 
tekenis c bezittend° (217). Volgens H. J. J. Clère vindt de m van gelijkheid een parallel in het 
Arabisch (45), terwijl G. Posener (189) aantoonde, dat de uitspraak emmah voor m b*h 


minstens reeds in den Saïtischen tijd de gewone geweest is. Ét. Drioton schreef over copu- 
laloze zinnen, die een gelijkheid uitdrukken door middel der praepositie m of r; dit laatste 
gebruik was nog niet geconstateerd. Het komt vooral voor in Grieks-Romeinsen tijd, 
maar ook reeds een enkel maal in het Midden Rijk (53). H. J. Polotsky merkte op, dat 
men in vragende zinnen dé temporele vormen gebruikt, wanneer het vragend voornaam¬ 
woord lijdend voorwerp is, terwijl anders de conjunctivische (emphatische) vorm gebruikt 
wordt (184). 

C. J. C. Bennett zette zijn onderzoek der htp-di-nsw -formule voort (13) ; bij het 
ordenen van 121 voorbeelden uit het Midden Rijk kwam vast te staan, dat het mogelijk was 
uit de veranderingen der formule onderscheid te maken tussen de xide en xiide Dynastie en 
zelfs tussen teksten uit de vroege en late xude Dynastie. 

De Egyptenaren hebben altijd graag met woordspelingen gewerkt, niet het minst in hun 
religieuze litteratuur. De Pyramidenteksten hebben er zulk een voorliefde voor, dat zij 
genoeg stof voor een afzonderlijk onderzoek boden (203). C. E. Sander-Hansen onder-r 
zoekt eerst uitvoerig de formele zijde der woordspelingen, daarna het gebruik ervan in 
verschillend opzicht. Dit woordenspel heeft moeten bijdragen om het verstaan van den tekst 
te vergemakkelijken. Het is zeker een stilistisch kunstmiddel, echter niet van den tweeden 
rang, daar het ook op de formulering van de teksten invloed heeft uitgeoefend. 

In een van zijn laatste artikelen beschrijft J. Capart (32), hoe men in Oud-Egypte de 
kinderen de woorden leerde volgens logische categorieën; bv. de delen van het menselijk 
lichaam, de namen van verschillende gebouwen, de steden van Zuid naar Noord. Deze 
traditie heeft zich tot in de 11de eeuw na Chr. weten te handhaven, wanneer de Koptische 
grammatici en lexicografen woordenlijsten samenstellen naar hetzelfde beginsel. Volgens de 
moderne Amerikaanse linguïsten is dit de beste methode om een taal te leren... 

Er werd een betrekkelijk aantal nieuwe teksten gepubliceerd; hun inhoud is echter even 
gevarieerd als het leven zelf. Naast administratieve documenten staan historische en litte¬ 
raire teksten, evenals juridische gegevens en zelfs een juridische papyrus; ook vinden wij 
liefdesbezweringen en al of niet officiële godsdienstige teksten. Enkele van deze laatsten 
worden pas later vermeld. 

Een der belangrijkste publicaties schonk ons A. H. Gardiner door de uitgave van den 
omvangrijken Wilbour-papyrus (93). Ofschoon het tweede deel, waarin hij den tekst bewerkt, 
nog niet verschenen is, mag met deze korte vermelding niet volstaan worden. Deze papyrus is 
zeer lang, 10.50 m met een kolomhoogte van 0.41 m, en ook nog gedeeltelijk op de achter¬ 
zijde beschreven. De niet altijd gemakkelijke hiëratische tekst wordt in facsimile weergegeven 
en in transcriptie. De inhoud bestaat uit twee lange administratieve documenten, afkomstig 
uit den tijd van Ramses v, dus omstreeks 1150 v. Chr. Het eerste, dat meer dan honderd 
kolommen omvat, bestaat uit een lijst van landerijen der tempels, van den koning en van 
dodenstichtingen; bij elk wordt de oppervlakte aangegeven, evenals de opbrengst per eenheid 
en in totaal. Het tweede document bestaat uit vijf en twintig kolommen en bevat een lijst van 
koninklijke landerijen, die onder de controle van verschillende met name genoemde ambte¬ 
naren staan. Het aantal aardrijkskundige namen is zeer groot. Dezelfde auteur liet ook 
een klein boek verschijnen, om vernietiging van het bewerkte materiaal gedurende den oorlog 
te voorkomen (91). Ruim de helft omvat een hier voor het eerst gepubliceerden papyrus uit 
Amiens, evenals enkele ongepubliceerden fragmenten. Laatstgenoemde papyrus vormt het 
belangrijkste materiaal voor Gardiner’s studie over de schatting en transport van graan 
in den Ramessidentijd (94). Ook een negental andere teksten worden behandeld, maar 
Gardiner geeft geen synthese, omdat het daartoe nodig zou zijn den Wilbour-papyrus erbij 
te halen; dit alles is slechts voorstudie voor het tweede deel ervan. 

Hoewel de door Mej. M. S. Drower bewerkte teksten in het boek van Robert Mond 
(158) over Erment slechts en bescheiden plaats innemen (blz. 157-194), zijn er enkele 
belangrijke bij. Vooreerst een historische stele van Toethmosis III, waarop diens wapenfeiten 
en sportprestaties vermeld worden, o.a. het doden van een neushoorn in Nubië. Daarnaast 







' \ 


' 




BIJLAGE BIJ HET JAARBERICHT EX ORIENTE LUX N° io 

(1945—1948) 

Concordantie op pag. 244-280 


No. Pag. 


I 

257 

2 

257 

3 

262 

4 

266 

5 

246, 264 

6 

264 

7 

257 

8 

252 

9 

248 

10 

249 

ii 

252 

12 

263,265 

T 3 

247 

H 

263 

1 S ' 

2 55 

16 

263 

1 7 

2 6ï 

18: 

263 

19 

254 

20 

245 

21 

257 

22 

245 

2 3 

250 

24 

250 

2 5 

253 

26 

263 

2 7 

265 

28 

268 

2 9 

262 

3 o 

263 

3 ï 

268 

32 

247 

33 

250 

34 

246 

35 

256 

36 

264 

37 

267 

38 

258 

39 

268 

40 

268 

4 i 

249 

42 

267 

43 

246 

44 

: 267 

45 

; 246 

46 

254 

47 

: 252 

48 

: 266 

49 

251 

50 

251 

5 i 

.258 

5 2 

270 

53 

247 

54 

25 1 

55 

260 

56 

260 


No. 

Pag. 

No. 

Pag. 

No. 

Pag. 

No. 

Pag. 

57 

270 

109 

262 

162a 

: 26 r 

214 

261 

58 

264 

110 

263 

162b 

• 257 

2 ï 5 

256 

59 

250 

111 

248 

163 : 

263 

215a:260 

60 

263 

112 

269 

164 : 

266 

216 

249 

61 

270 

IJ 3 

269 

165 : 

2 66 

217 

246 

62 

270 

114 

265 

165a 

: 266 

218 

248 

63 

2 59 

IJ 5 

264 

166 : 

267 

219 

250 

64 

269 

116 

250 

167 : 

266 

220 

248 

65 

252 

117 

268 

168 : 

245 

221 

252 

66 

263 

118 

254 

169 : 

249 

222 

260 

67 

270 

119 

246 

170 : 

250 

223 

263 

68 

270 

120 

260 

171 : 

267 

224 

259 

69 

25 1 

121 

250 

172 : 

267 

225 

255 

7 o 

259 

122 

254 

173 : 

264 

226 

244 

7 i 

263 

123 

262 

174: 

266 

227 

252 

72 

257 

124 

264 

175 : 

254 

228 

'259 

72a 

: 257 

125 

256 

176: 

2 57 

229 

253 

72b 

: 254 

126 

249 

177 : 

2 5 * 

230 

253 

73 

269 

127 

253 

178: 

2 5 i 

231 

252 

74 

266 

128 

268 

179 : 

265 

23 2 

271 

75 

246 

128a:259 

180: 

25 1 

233 

245 

76 

257 

128b: 261 

181 : 

251, 270 

234 

253, 264 

77 

265, 269 

129 

253 

182 : 

251 

235 

265 

78 

259 

130 

268 

183 : 

251 

236 

270 

79 

252 

131 

268 

184 : 

247 

2 37 

250,252 

80 

256 

132 

270 

185: 

245 

238 

256 

81 

2Ó8 ; 269 

133 

265 

186 : 

267 

238a: 265 

82 

268 

134 

269 

187: 

262 

239 

25 °> 254 

83 

270 

T 35 

259 

188: 

264 

239a:258 

84 

252 

136 

258 

189 : 

246 

240 

256 

85 

255 

137 

253 

190 : 

267 

241 

246 

86 

268 

138 

267 

191 : 

267 

242 

250 

87 

2 5 T 

139 

267 

192 : 

244 

243 

268 

88 

255 

140 

267 

193 : 

255 

244 

268 

89 

256 

141 

265 

194 : 

252 

245 

258 

90 

271 

142 

267 

195 : 

259 

246 

266 

90a 

: 271 * 

T 43 

265 

196 : 

258 

247 

260 

9 1 : 

247 

144 

252 

197 : 

252 

248 

266 

92 : 

249 

T 45 

262 

.198 : 

269 

^49 

258 

93 : 

247 

146 

68 

199: 

270 

250 

260 

94: 

247 

T 47 

246 

200 : 

259, 266 

25 T 

267 

95 : 

260 

148 

256 

201 : 

252 

252 

248 

96: 

266 

149 

2 53 

202 : 

265 

253 

2 66 

97 : 

265 

T 5 ° 

266 

203 : 

247 

254 

248, 265 

98: 

260 

I S I 

266 

203a 

: 248 

255 

248 

99: 

255 

*52 

256 

203b 

: 261 

256 

248, 265 

ioo : 

255 

*53 

249 

204 : 

262 

257 

266 

ioi • 

265 

*54 

249 

205 : 

26 2 

258 

258 

102 : 

253 

T 55 

2 5 * 

206 : 

261 



!o3 : 

244 

J 5 6 

258 

207 : 

259 



104 • 

244 

r 57 

260 

208 : 

262 



105 : 

256 

158 

247 

209 : 

252, 261 



106 : 

2 53 

159 

2 57 

2 r 0 : 

268 



107 '• 

249 ’ 2 53 ? 

160 

2 5 2 

211 : 

256 




258 266 

161 

262 

212 : 

266 



108 : 

267 

162 

261 

213 : 

245 


















246 


EGYPTISCHE PHILOLÖGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 


247 


21-98) de .zogen, 'tempora secunda. Het derde hoofdstuk schetst het ontstaan ervan in het 
vóór-Koptische taalstadium. M. Chaine ( 43 ) wijst erop, dat men vóór de ontdekking der 
hiërogliefen slechts een gebrekkige kennis der morphologie van het Koptische werkwoord 
bezat. Nu wij het verloop der taal kennen vanaf het Oude Rijk, is dit geheel anders geworden. 
Toch schijnt de tegenstelling tussen de synthetische vormen van het klassieke Egyptisch en de 
analytische van het Koptisch te blijven bestaan. Dit is meer schijn dan werkelijkheid en te 
danken aan den invloed der geschreven taal, die een aantal eigen vormen schiep om zich uit 
te drukken. De vulgaire taal heeft deze nooit aanvaard en steeds weer zien wij de schrijvers, 
wanneer zij zich laten gaan, vormen uit de vulgaire taal gebruiken; dit was reeds zo in het 
Oude Rijk. Terwijl de eerste elf hoofdstukken geheel aan het Koptisch zijn gewijd, zal vooral 
het twaalfde, waarin de vulgaire werkwoordsvormen door het gehele Egyptische taalverloop 
kort geschetst en samengevat worden, de belangstelling der Egyptologen hebben. 

Voor de vocalisatie van het Egyptisch zijn de transcripties in spijkerschrift zeer belang¬ 
rijk en het is dan ook zeer verdienstelijk, dat W. F. Albright (5 12 )) een zeventigtal Egyp¬ 
tische namen uit de xvmde en xixde Dynastie behandelt, wier gevocaliseerde transcriptie 
bekend is. Tevens geeft hij zoveel mogelijk alle gegevens omtrent den persoon in kwestie. 
Tot besluit biedt hij een korte uitweiding over accent en vocaalkwantiteit in het Ni.euw- 
egyptisch, waarbij hij enige, kleine correcties aanbréngt in de theorie van G. Steindorff en 
K. Sethe. Edgerton ( 75 ) gaat uit van wat deze beide geleerden een halve eeuw geleden 
constateerden voor de lengte der klinkers met hoofdklemtoon m het Sahidisch. Uit de corres¬ 
ponderende klinkerloze vormen van het vroegere Egyptisch leidt hij nu de drie schemata of 
patronen af, volgens welke deze woorden gebouwd zijn. Deze regel of wet is, zoals alle 
klankwetten, slechts gedurende een bepaald tijdsverloop werkzaam geweest. Edgerton stelt 
het begin van deze periode omstreeks 2000 v. Chr., maar acht het waarschijnlijk, dat zij zelfs 
vroeger begon. Hij noemt de taal ervan, met een nieuwen term, Palseokoptisch; dit was vóór 
1350 v. Chr. zeken een dode taal en slechts een spoor van zijn fonetische patronen bleef een 
levende kracht, nl. dat geen Egyptisch woord, van Palseokoptisch tot en met Koptisch, ooit 
den hoofdklemtoon op de voorlaatste lettergreep mocht hebben. Overigens zijn de fonetische 
schemata van het Palseokoptisch in het Nieuwegyptisch en latere taalstadia slechts vertegen¬ 
woordigd door bepaalde, tot fossielen geworden klinkerkwaliteiten. Er is geen overtuigend 
materiaal, dat woorden zonder of met zwakken klemtoon ooit onderworpen zijn geweest 
aan deze wet. Wel zijn er aanwijzingen, dat zulke woorden altijd slotmedeklinkers gehad 
hebben. 

R. Weill zet zijn studie over het hulpwerkwoord p 3 w voort ( 241 ). Hij ziet hierin, in 
tegenstelling met de gangbare opvatting („oudtijds iets doen”) een hulpwerkwoord, dat c zijn° 
betekent. Hij onderzoekt het gebruik ervan in de negatieve zinnen en daarmee verbonden de 
geschiedenis der negatie bw pwj, Koptisch In een derde hoofdstuk bespreekt hij 

— n€, zijn, als bevestigend werkwoord. Daarnaast verschenen verschillende kleinere 
grammaticale bijdragen. Als voorstudie van zijn nieuwe bewerking van het decreet van 
Amonrasonther voor Neschons, publiceert B, Gunn ( 119 ) zijn ontdekking van een onopge¬ 
merkt verschijnsel in den tekst. Een drietal keren blijkt nl. dat het onderwerp tussen het 
lidwoord (ƒ>■*) eni den infinitief (steeds hpr) is geplaatst. Gunn stelt in bescheiden be¬ 
woordingen een verklaring voor, die alleszins bevredigend is. J. Cerny constateert aan de 
hand van vele voorbeelden, dat inn in het Nieuwegyptisch verschillende vormen omvat ( 34 ); 
het kan betekenen 1) wij, 2) zo zeiden wij, 3) indien, in conditionele zinnen èn indirecte 
vraag, 4) behalve; voor beide laatste geeft hij ook de etymologie. Zijn landgenoot Fr. Lexa 
( 147 ) stelde vast, dat de schrijfwijzen van den vorm iw.f, voorafgegaan door <?(< iw) en 
a (< r) slechts spellingsvarianten zijn, die geen verschil in betekenis meebrengen. P. C. 
Smither merkte op, dat m, zowel in het Oud- als MiddeF en Nieuwegyptisch, c samen met, 
begeleid door 0 kan betekenen, waaraan B. Gunn een aantal voorbeelden toevoegt voor de be¬ 
tekenis c bezittend° ( 217 ). Volgens H. J. J. Clère vindt de m van gelijkheid een parallel in het 
Arabisch ( 45 ), terwijl G. Posener ( 189 ) aantoonde, dat de uitspraak emmah voor m b*h 


minstens reeds in den Saïtischen tijd de gewone geweest is. Ét. Drioton schreef over copu- 
laloze zinnen, die een gelijkheid uitdrukken door middel der praepositie m of r; dit laatste 
gebruik was nog niet geconstateerd. Het komt vooral voor in Grieks-Romeinsen tijd, 
maar ook reeds een enkel maal in het Midden Rijk ( 53 ). H. J. Polotsky merkte op, dat 
men in vragende zinnen dé temporele vormen gebruikt, wanneer het vragend voornaam¬ 
woord lijdend voorwerp is, terwijl anders de conjunctivische (emphatische) vorm gebruikt 
wordt ( 184 ). 

C. J. C. Bennett zette zijn onderzoek der htp-di-nsw -formule voort ( 13 ) ; bij het 
ordenen van 121 voorbeelden uit het Midden Rijk kwam vast te staan, dat het mogelijk was 
uit de veranderingen der formule onderscheid te maken tussen de xide en xiide Dynastie en 
zelfs tussen teksten uit de vroege en late xiide Dynastie. 

De Egyptenaren hebben altijd graag met woordspelingen gewerkt, niet het minst in hun 
religieuze litteratuur. De Pyramidenteksten hebben er zulk een voorliefde voor, dat zij 
genoeg stof voor een afzonderlijk onderzoek boden ( 203 ). C. E. Sander-Hansen onder^ 
zoekt eerst uitvoerig de formele zijde der woordspelingen, daarna het gebruik ervan in 
verschillend opzicht. Dit woordenspel heeft moeten bijdragen om het verstaan van den tekst 
te vergemakkelijken. Het is zeker een stilistisch kunstmiddel, echter niet van den tweeden 
rang, daar het ook op de formulering van de teksten invloed heeft uitgeoefend. 

In een van zijn laatste artikelen beschrijft J. Capart ( 32 ), hoe men in Oud-Egypte de 
kinderen de woorden leerde volgens logische categorieën; bv. de delen van het menselijk 
lichaam, de namen van verschillende gebouwen, de steden van Zuid naar Noord. Deze 
traditie heeft zich tot in de 11de eeuw na Chr. weten te handhaven, wanneer de Koptische 
grammatici en lexicografen woordenlijsten samenstellen naar hetzelfde beginsel. Volgens de 
moderne Amerikaanse linguisten is dit de beste methode om een taal te leren... 

Er werd een betrekkelijk aantal nieuwe teksten gepubliceerd; hun inhoud is echter even 
gevarieerd als het leven zelf. Naast administratieve documenten staan historische en litte¬ 
raire teksten, evenals juridische gegevens en zelfs een juridische papyrus; ook vinden wij 
liefdesbezweringen en al of niet officiële godsdienstige teksten. Enkele van deze laatsten 
worden pas later vermeld. 

Een der belangrijkste publicaties schonk ons A. H. Gardiner door de uitgave van den 
omvangrijken Wilbour-papyrus ( 93 ). Ofschoon het tweede deel, waarin hij den tekst bewerkt, 
nog niet verschenen is, mag met deze korte vermelding niet volstaan worden. Deze papyrus is 
zeer lang, 10.50 m met een kolomhoogte van 0.41 m, en ook nog gedeeltelijk op de achter¬ 
zijde beschreven. De niet altijd gemakkelijke hiëratische tekst wordt in facsimile weergegeven 
en in transcriptie. De inhoud bestaat uit twee lange administratieve documenten, afkomstig 
uit den tijd van Ramses v, dus omstreeks 1150 v. Chr. Het eerste, dat meer dan honderd 
kolommen omvat, bestaat uit een lijst van landerijen der tempels, van den koning en van 
dodenstichtingen; bij elk wordt de oppervlakte aangegeven, evenals de opbrengst per eenheid 
en in totaal. Het tweede document bestaat uit vijf en twintig kolommen en bevat een lijst van 
koninklijke landerijen, die onder de controle van verschillende met name genoemde ambte¬ 
naren staan. Het aantal aardrijkskundige namen is zeer groot. Dezelfde auteur liet ook 
een klein boek verschijnen, om vernietiging van het bewerkte materiaal gedurende den oorlog 
te voorkomen ( 91 ). Ruim de helft omvat een hier voor het eerst gepubliceerden papyrus uit, 
Amiens, evenals enkele ongepubliceerden fragmenten. Laatstgenoemde papyrus vormt het 
belangrijkste materiaal voor Gardiner’s studie over de schatting en transport van graan 
in den Ramessidentijd ( 94 ). Ook een negental andere teksten worden behandeld, maar 
Gardiner geeft geen synthese, omdat het daartoe nodig zou zijn den Wilbour-papyrus erbij 
te halen; dit alles is slechts voorstudie voor het tweede deel ervan. 

Hoewel de door Mej. M. S. Drower bewerkte teksten in het boek van Robert Mond 
( 158 ) over Erment slechts en bescheiden plaats innemen (blz. 157-194), zijn er enkele 
belangrijke bij. Vooreerst een historische stele van Toethmosis III, waarop diens wapenfeiten 
en sportprestaties vermeld worden, o.a. het doden van een neushoorn in Nubië. Daarnaast 







248 


249 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

vinden wij er een hymne op Montoe en de vermelding van het elfde Sed-feest van Ramses II, 
van wien vroeger het negende het hoogst bekende was. 

Meer dan een eeuw geleden vond J. Fr. Champollion in den tempel van Amon te 
Karnak de resten van een stele, waarop gesproken wordt van de Aziatische veldtochten van 
Amenophis II 4 ). Men heeft nu in de ruïnes van het oude Memphis een veel beter bewaard 
exemplaar gevonden, dat door A. M. Badawi is gepubliceerd (9). Om de publicatie te be¬ 
spoedigen, liet hij een collationeren van den oudsten tekst achterwege. Dit is zeker jammer, 
maar gelukkig is reeds een nieuwe bewerking van B. Grdsjeloff in het vooruitzicht gesteld. 
De stele is nl. onder Achnaton zwaar beschadigd, maar onder Seti I gerestaureerd; op ver¬ 
schillende plaatsen wijken beide teksten echter kennelijk van elkaar af 5 ). De tekst beschrijft 
allereerst den veldtocht uit het jaar 7, die zich tot Nii bij den Eufraat uitstrekte. Na de hulde 
van Kadesj aan den Orontes in ontvangst genomen te hebben, wijdt de farao zich aan de 
sport: „Zijne Majesteit schoot op twee schijven uit gedreven koper aan de Zuidzijde van 
deze stad. Men hield een jacht (?) op het Rebioe-gebergte in het bos en men ving gazellen, 
m*s . ^-geheten dieren, hazen en wilde (?) ezels zonder tal.” De veldtocht van het jaar 
9 speelt zich geheel en al binnen het huidige Palestina af. De lijsten geven nauwkeurig de 
getallen van den buit aan mensen, vee en strijdwagens aan. Ook indien zij slechts bij bena¬ 
dering betrouwbaar zijn, zullen zij er niet weinig toe bijdragen het beeld van deze periode 
der Syrisch-Palestijnse geschiedenis te concretiseren. 

H. E. WiNLOCK, de grote deskundige voor alles wat de xide! Dynastie betreft, publi¬ 
ceerde een aantal graffiti, die hij reeds vroeger dicht bij den Gebel Silsila had gevonden 
( 252 ; zie ook 254 en 256 ); hieruit blijkt, dat farao Mentoehotep er met zijn hof tijdelijk 
verblijf heeft gehouden en er Antef en Cheti in audiëntie ontving, waarschijnlijk om rapport 
uit te brengen over een expeditie. Andere graffiti zijn afkomstig uit den tempel van den- 
zelfüen koning te Deir el-Bahri ( 255 ) ; zij dateren echter uit de xnde Dynastie, en wel 
vanaf de regering van Amenemhat I tot Sesostris III; misschien zijn er nog jongere bij. Zij 
vermelden de namen der priesters van twee koninklijke fundaties in westelijk Thebe. Het 
waren priesters van lagefren rang, die hun naam vereeuwigd hebben op de rotsen, die zij 
elk jaar op een bepaalden dag in den zomer beklommen, om als uitkijkposten te waar¬ 
schuwen, dat de bark van Amon naderde voor het c Feest der Vallei 0 . De cultus van Amon 
was echter gedurende het leven der beide vorsten, aan wier dodentempel de priesters ver¬ 
bonden waren, nog niet officieel erkend. De tocht van den god naar de westelijke zijde is, in¬ 
gesteld onder de regering van Amenemhat I, kennelijk uit propagandistische overwegingen. 

Uit de regeringsperiode van Amenemhat III stammen de door P. C. Smither bekend 
gemaakte rapporten ( 220 ). Het zijn de copieën van acht korte rapporten, waarvan de helft 
uit Semna aan den tweeden katarakt is verstuurd aan een superieur in Thebe. Zij bevatten 
mededelingen over het komen en gaan van Nubiërs, die ruilhandel dreven, en Medjlai. Er 
blijkt uit, dat tenminste sommige Nubische vestingen behalve een militaire ook nog een 
economische functie vervulden. 

Dezelfde publiceerde een bladzijde uit het journaal van een belastingsambtenaar ( 218 ) ; 
het bevat mededelingen over de werkzaamheden van hemzelf en van zijn personeel. 

B. Grdseloff behandelt twee korte testamentaire beschikkingen uit het Oude Rijk 
(Hl) ; die van Chnemti (vide Dyn.) was onuitgegeven, die van Penmeroe (vde Dyn.) slecht 
uitgegeven. In een aanhangsel wordt de overgang van de ivde naar de vde Dynastie be¬ 
sproken, toen twee koninginnen elkaar den troon betwistten: Chentkaoes, die tot de rechte 
lijn van Chefren, Mycerinus en Sjepseskaf behoorde, en Neferhetepes, die uit de zijlijn van 
Djedefre stamde. 

De schenkingsoorkonde van Idoe werd opnieuw behandeld door A. Scharff en E. Seidl 
(203 a) ; de eerste maakte de vertaling en voorzag deze van een filologischen commentaar, 
de tweede besprak den inhoud uit rechtshistorisch oogpunt; wij hebben niet met een eigenlijke 

4 ) Men zie J. H. Breasted, Ancient Records of diverses ( 1 - 15 )”, Ann. Serv. 45, 1947, 99-106 (over- 

Egypt , II, Chicago, [1927], §§ 781-790. drukje). 

5 ) Zie Ét. Drioton, Post Scriptum a mes „Notes 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 

juridische oorkonde te doen, die uitgaat van het bestaande recht, maar veeleer een document, 
dat ons iets leert over de rechtsgewoonte van dien tijd, waarmede het blijkbaar niet geheel 
naar den geest mee overeenstemt. Seidl schreef ook over het recht in het algemeen (107). 

Een dossier van vier documenten op papyrus, daterende uit den tijd van Ramses v, en 
afkomstig uit Deir el-Medina, wordt begrijpelijkerwijze door J. Cerny gepubliceerd (41). 
Het gaat over een erflaatster, die tweemaal getrouwd is geweest, en uit haar tweede huwelijk 
acht kinderen heeft. Zij kan vrij beschikken over haar inbreng, d.w.z. V3 van het bezit. Dit 
wordt verdeeld over de kinderen, waarvan blijkbaar de oudste iets bevoordeeld wordt en 
twee dochters onterfd. Bewaard zijn het testament, de verdelingslijst in duplo en een docu¬ 
ment, waarin een waskom uit de erfenis aan den oudsten (?) zoon wordt geschonken. 
Cerny geeft het dossier in fotocopie, transcriptie en vertaling; zijn commentaar is uiterst 
waardevol, daar hierin door den kenner der bewoners van Deir el-Medina alle documenten, 
waarin deze nog meer voorkomen (graffiti, stelae, papyri) worden vermeld en het bescheiden 
milieu, waarin deze mensen hebben geleefd, concrete vormen krijgt. 

Zeer belangrijk is een Ramessidische papyrus in bezit van A. H. Gardiner en door 
hem gepubliceerd (92). Hij stamt uit de buurt van Heracleopolis Magna en zijn taal is 
barbaars, de samenstelling ellendig, maar gelukkig is de zin duidelijk. Er worden drie 
adopties in geformuleerd: van een kinderloos echtpaar adopteert de man zijn vrouw om 
haar universeel erfgename te maken; deze vrouw adopteert dan de drie kinderen van een 
slavin, die zij met haar man heeft gekocht. Eveneens adopteert de echtgenote haar jongeren 
broer, die het oudste van deze drie kinderen heeft getrouwd. In alle drie de gevallen is het 
motief der adoptie testamentair. De juridische commentaar wordt gegeven door de Zulueta. 
Wij hadden tot nu toe geen enkele aanduiding, dat in Egypte de wettelijke fictie van adoptie 
zo belangrijk kon zijn en zich zover kon uitstrekken. 

Uit het graf van den vizier Rechmire te Thebe zijn ons de veertig wetsrollen bekend. 
Maar nu is voor het eerst een dergelijk geschrift teruggevonden. De rol heeft 2 m lengte, is 
in het Demotisch geschreven en dateert uit den tijd van Ptolemaeus II Philadelphus of iets 
vroeger, in elk geval uit de eérste helft der 3de eeuw v. Chr. (153 en 169). De papyrus 
wordt bestudeerd door G. Mattha en bevat volgens zijn voorlopige mededelingen voor¬ 
namelijk bepalingen over de betrekkingen der grondeigenaren met hun pachters. 

Abd el-Mohsen Bakir gaf een stele uit met hiëratische inscriptie, die behoort tot 
de klasse van privéschenkingen aan tempels ( 10 ; Kaïro n° 85647; vergelijk Iversen, JEOL 9, 
1944, blz. 36, n° 55). Echter is slechts de uitgebreide vervloeking voor den schender en 
zegening voor den respecteerder bewaard. 

In den Ptolemseischen tijd kwam het nogal voor, dat men zich toewijdde aan den god 
Sobk te Tebtunis. Deze toewijding is misschien opgekomen tijdens de Perzische overheer¬ 
sing en wellicht uit Mesopotamië overgenomen. Motief noch doel ervan zijn duidelijk. Een 
groep van ongeveer vijftig toewijdingen is ons bewaard op zeven en dertig Demotisch e 
papyri van het Brits Museum; H. Thompson heeft twee ervan gepubliceerd (216), nl. de 
nummers 10622 en 10624, daterend uit 137, resp. 195 v. Chr.. De waarde van zijn artikel 
wordt nog verhoogd door twee uitweidingen: over slaaf ( bk ) en vrije ( nmh ; vergelijk 
JEOL II, 354), en over een vijftiental namen van boze of gevaarlijke wezens. 

Een zestal geheel of gedeeltelijk Demotische documenten (nrs 249, 250, 253, 308, 342, 
347) van de papyri uit Tebtunis werd door W. F. Edgerton behandeld; het zijn vijf 
.contracten en een quitantie, bijna allen daterend uit het begin der eerste eeuw na Chr. (126). 
Een groot aantal Demotische ostraka kan men vinden in het werk van G. Mattha (154). 
De meeste teksten zijn officiële quitanties; zij worden gegeven in facsimile, transcriptie en 
vertaling (blz. 72-201). Als inleiding wordt behandeld de geschiedenis van het ostrakon 
en zijn gebruik als schrijfmateriaal, de vindplaatsen, de formules der quitanties en het 
resumé, dat aan tweetalige quitanties wordt toegevoegd, en wel zo, dat bij een Grieks 
ostrakon een samenvatting in het Demotisch en bij een Demotisch een samenvatting in het 
Grieks wordt toegevoegd. Tevens wordt een overzicht van den inhoud der teksten gegeven. 



250 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


251 


Vijftien indices vergemakkelijken het opzoeken en verhogen niet weinig de waarde van 
dit voortreffelijke boek. 

Een pot met zes kolommen Demotisch schrift uit de 3de eeuw na Chr. werd door 
R. A. Parker gepubliceerd ( 170 ), met dien verstande, dat de vier langste kolommen in 
transcriptie en vertaling worden medegedeeld en van een uitvoerigen commentaar voorzien. 
Zij bevatten den tekst van een overeenkomst tussen de eigenares van een tuin en den tuin¬ 
man. De wetskracht ervan is ons niet duidelijk, daar geen tijdsduur overeen wordt gekomen; 
ook ontbreken de handtekeningen van getuigen evenals een datering. Waarschijnlijk heeft 
men eerst mondeling de wederzijdse verplichtingen aangegaan en deze later vastgelegd. 

Op het figuurtje van een vrouw vond Ét. Drioton een liefdesbezwering uit den Grieks- 
Romeinsen tijd: „Sta op en bind dengene, dien ik aankijk, opdat hij mijn minnaar zij, 
(omdat) ik uw gelaat aanbid” ( 59 ). Deze formulering is zozeer verwant met de Griekse 
magische papyri, dat Drioton het Griekse prototype met waarschijnlijkheid kon recon¬ 
strueren. De enige andere bekende liefdesbezwering is uit den tijd der Ramessiden en 
afkomstig uit Deir el-Medina; zij werd door P. Smither vertaald ( 219 ). Men heeft er 
ook achttien stuks onooglijke rietjes gevonden, met namen beschreven; J. Cerny wist 
hieruit af te leiden, dat ( men onder, de xixde en xxste Dynastie lootte om een dief te vinden, 
dwz. te constateren, wie onder de lotenden gestolen had ( 33 ). 

Van Senmoet, den gunsteling van koningin Hatsjepsoet, zijn een drietal graven bekend, 
terwijl het vierde, waarin hij werkelijk begraven is, nog niet is gevonden. In een zijner 
Thebaanse graven vond men een groot aantal hiërogliefische en hiëratische ostraka ( 121 ). 
Zoals te verwachten was, bevatten zij allereerst aantekeningen over het verloop der werk¬ 
zaamheden en lijsten van werklui, daarnaast echter ook godsdienstige teksten en excerpten 
van litteraire, o.a. van DoeaoePs zoon Cheti en Sinoehe en de Onderwijzing van Amenemhat 
(zie ook ( 239 )) Over deze is in de afgelopen jaren veel geschreven, waarbij veelal het 
artikel van A. de Buck in de Mélanges Maspero (I, Le Caire, 1935-1938, 847-852) het 
üitgangspunt vormde. R. Weill sloot zich bij diens opvatting aan, dat deze Onderwijzing 
een politiek geschrift is geweest voor Sesostris F en zijn partij en samengesteld door een 
zekeren Achtoi ( 242 ). Ook B. Gunn deelt hetzelfde standpunt, wijst er echter op, dat men 
reeds vroeger de mening had voorgestaan, dat Amenemhat na zijn dood spreekt tot zijn 
opvolger ( 116 ). Men moet dan ook de woorden wp . t mgc. t als droom of openbaring ver¬ 
talen. Bovendien moet men de mededeling van Manetho 6 ), dat Amenemhat II vermoord 
werd, niet op dezen toepassen, maar op Amenemhat I. Tenslotte merkt Gunn op, dat de 
Griekse vorm van dezen naam Ammenemes is. Ook de Buck zelf behandelde nog eens dit 
moeilijke werk en legde er nogmaals den nadruk op, dat het een politieke strekking heeft 
( 24 ). Tevens plaatste hij het in het kader van zijn tijd en der toenmalige literatuur. In een 
afzonderlijke studie onderzocht hij den litterairen vorm dezer Onderwijzing ( 23 ) ; deze stemt 
geheel overeen met de andere werken van dit genre, terwijl de inhoud bepaald is door de 
speciale omstandigheden van den aanslag op den koning, terwijl ook de strekking van invloed 
was. Toch is de samensteller erin geslaagd de heterogene elementen van het wijsheidsgenre, 
der typische autobiografie en het verhalende proza tot een kunstwerk te verenigen. Grote 
stukken worden in vertaling medegedeeld. De gehele tekst werd opnieuw uitgegeven en 
vertaald door A. Volten ( 237 ); helaas, is de vertaling op sommige plaatsen niet juist. Hij 
acht het met G. Maspero zeer waarschijnlijk, dat Sesostris zijn vader heeft laten vermoor¬ 
den of dat tenminste zijn aanhangers dit gedaan hebben. De Onderwijzing is dus wel een 
politiek geschrift, maar vooral met de bedoeling, Sesostris van elke verdenking inzake moord 
vrij te pleiten. In hetzelfde boek gaf hij ook de leer voor koning Merikare, waarbij hij 
tevens den tekst van papyrus Carlsberg vi publiceerde. Deze Onderwijzing is op naam 
van Merikare’s vader Cheti gezet, maar na zijn dood vervaardigd, dus een politiek geschrift 
als die van Amenemhat; in werkelijkheid is zij van Merikare en bevat zij diens program 

6 ) Nieuwe uitgave van dezen auteur door W. G. Waddell, London, 1940 = The Loeb Classical Li- 
brary; bespr. BiOr 4, 1947, 99-101. 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 

op gebied van binnen- en buitenlandse politiek. Op verschillende punten gaat zij lijnrecht in 
tegen die van zijn vader. Volten wil. de moeilijkheden, die Merikare in het begin van zijn 
regering ondervond, met Hatnoeb-graffiti verduidelijken (blz. 97 - 103 ) ; hij houdt met 
R. Anthes, dat de Hazengouw trouw is gebleven aan den f ( arao. Dit is niet de opvatting 
van R. O. Faulkner ( 87 ) ; volgens hem heeft de gouwvorst Nehri opstand gepleegd tegen 
zijn soeverein in Heracleopolis, maar is overwonnen geworden; wel is hij theoretisch diens 
opperheerschappij blijven erkennen, dit in tegenstelling met de Thebanen. S. Donadoni 
vertaalde de Onderwijzing van Merikare naar A. Scharff, die van Amenemhat naar 
A. Volten en voegde er enkele beschouwingen aan toef ( 49 ). 

Van de tempels van het Midden Rijk weten wij slechts weinig, dus ook van hun 
inscripties. Elke aanvulling van onze kennis is dan ook welkom. Zo publiceerde S. Donadoni 
de teksten van den voorkant en de voorhal van den tempel, dien Amenemhat III en iv te 
Medinet Madi, ongeveer 15 km ten Oosten van Tebtunis, bouwden; hij was gewijd aan de 
godin Renenoctet ( 50 ). 

A. PiANKOFF deed pionierswerk op het gebied der verschillende tekstverzamelingen 
of c boeken 3 , die gedurende het late Nieuwe Rijk in de koningsgraven zijn opgetekend. 
In een oriënterend artikel ( 177 ) somt hij er een zevental op: 1) het boek Amdoeat, of 
het boek, van wat er in de onderwe'reld is; 2) het boek der poorten; 3) het boek der holen 
of grotten, of het helleboek; dit is een der drie grote verzamelingen van godsdienstige 
teksten, die toen zijn ontstaan. Er zijn slechts drie complete versies van bewaard, in het 
Osireion te Abydos, en in de graven van Ramses vi en Pedoeamenope. Hij geeft den vol¬ 
ledigen hiërogliefen tekst, met varianten, en een proeSve van vertaling; de bijbehorende 
scenes worden kort beschreven ( 183 ). 4) de zonnelitanieën; 5) en 6) het boek van den 
dag en den nacht, waarin ook passages in geheimschrift voorkomen ( 181 ) ; Piankoff 
vulde zijn eigen uitgave ervan aan met een ongepubliceerden tekst van het eerste uur uit 
den tempel van Ramses III ( 182 ). Interessant is de tekst in het graf van Ramose, uit den 
tijd van Taharka ( 180 ) ; wel is hij zeer moeilijk, daar hij blijkens den tekst in het graf van 
Ramses vi zeer slordig is afgeschreven; slechts met behulp van dezen laatste is het mogelijk 
hem te verstaan, daar men eerst de tekens in de goede volgorde moet zetten. Men heeft 
blijkbaar zonder zorg en mechanisch een tekst, dien men niet begreep, gecopieerd. Ook schreef 
hij over de scènes uit het boek van den nacht, die op late monumenten, vooral sarcofagen, voor¬ 
komen. 7) Het boek der hemelkoe; hiervan werd de uitgave begonnen door Ch. Maystre, 
naar de teksten op het grote houten schrijn van Toetanchamon en volgens die* der graven 
van Seti I, Ramses II, III en vi ( 155 ). De tekst wordt in parallele kolommen gegeven, 
terwijl een concordans is toegevoegd. 

Aan weerszijden van den doorgang van den tweeden pylon te Karnak bevindt zich een 
lange inscriptie van Ptolemseus vin Euergetes II, die nog nooit was uitgegeven. Drioton 
( 69 ) geeft den tekst, met vertaling en noten, die op spelling en inhoud betrekking hebben. 
De inhoud, waaruit wij de plaats van Thebe in de godsdienstige opvatting der Egyptenaren 
soms op geheel nieuwe wijze leren kennen, is theologisch van belang. Schr. heeft de bronnen, 
waaruit de tekst is samengesteld en die in tijd zeer uiteenlopen, weten terug te vinden en 
bespreekt de verschillende opvattingen, die hier worden weergegeven, evenals de gods¬ 
dienstige ontwikkeling, die erin geconstateerd kan worden. Hij publiceerde eveneens een 
zegelsteentje, uit het einde der xxste Dynastie, waarvan de tekst behoort tot de groep, door 
A. Erman vroeger uitgegeven onder den naam van Denksteme aus der thebanischen Graber- 
stadt. Hier is het het getuigenis van een man, die in zijn dwaasheid zover is gegaan, dat 
hij Amon beledigd heeft, maar inzag, dat hij zijn vader miskende. Zijn bekering is blijkbaar 
het gevolg van een ingrijpen van Ptah, die dengene, die met Amon twist, vernietigt ( 54 ). 

Een belangrijke gebeurtenis was het terugvinden van het graf van Cheroe-ef te Thebe 
(n° 192) ; het werd in 1885 ontdekt en door A. Erman bezocht, maar was sindsdien onvind¬ 
baar. Men heeft den gang en den eersten hof vrijgelegd, maar het bleek, dat ook dit graf, 
onder Amenophis III begonnen, onder zijn opvolger niet voltooid is en zelfs ten dele be- 







ff 


252 EGYPTISCHE PHILOLOGIE 

schadigd, echter niet de afbeelding van den farao. De teksten bevatten een hymne tot Re en 
Osiris, een lofprijzing van Cheroe-ef en het belonen der ambtenaren door Amenophis III 
( 84 ). In de kapellen der vide Dynastie te Sakkara vinden wij slechts offerformules en lijsten 
van titels ( 65 ). Daarentegen bevatten de teksten op den sarcofaag van Amenophis-Hoei, die 
in Memphis een tempel bouwde voor Ramses II, enkele merkwaardige uitdrukkingen; zo 
wordt bv. Thoth de plaatsvervanger van Re genoemd, en lezen wij : „De zon leeft, de schild¬ 
pad sterft” ( 8 ) ; bovendien geeft A. Badawi er een overzicht der zes verschillende namen 
van Memphis en hun vormen in deze inscripties. Zijn landgenoot Bakir publiceerde een 
hymne tot Amon-Re, uit het einde der xvmde of begin xixde Dynastie. Het is een hiëratische 
tekst van vijf en twintig regels, waarvan de laatsten nogal erg beschadigd zijn; foto, 
transcriptie en vertaling, met korte noten ( 11 ). Uit het prachtige graf van Chaemhat, die in 
den tijd van Amenophis Hl leefde, copüëerde A. Varille een langen tekst ( 227 ) ; hierin 
wordt eerst een beroep gedaan op de bezoekers van het graf, de offerformule voor den over¬ 
ledene te reciteren, daarna volgt diens typische autobiografie. Van het reeds vermelde graf 
van Rechmire verscheen een tweedelige prachtpublicatie van N. de G. Davies ( 47 ). 

De uitgave van verschillende inscripties uit den laten tijd, te Tanis gevonden, werd ver¬ 
zorgd door P. Montet ( 160 ) ; de voornaamste staan op een gedeeltelijk bewaarde stele van 
Psammetichus II, waar sprake is van een veldtocht in het jaar 3 tegen den neger Koear; een 
andere bevindt zich op het beeld van Penmerit, die onder Ptolemseus x een aantal belang¬ 
rijke functies bekleedde in de 14de nome van Beneden-Egypte en in dien tijd een der voor¬ 
naamste personen te Tanis was; er wordt in deze inscriptie een toespeling gemaakt op jaren 
van hongersnood; iets later is het beeld van Pichaas, die onder Ptolemseus xiii Philadelphus 
II een aantal werkzaamheden verrichtte voor de tempels te Tanis. Uit het jaar 2 van 
Alexander den Grote stamt een hiërogliefische tekst op een houten tafeltje ( 231 ) ; het is een 
lijst van cultusvoorwerpen, met vele technische termen, die A. Varille niet alle kon identi¬ 
ficeren. 

J. Leibovitch besprak een amulet in den vorm van het oedjat-oog met in Semietische' 
letters tolB den naam Poetiphar, die enkele jaren geleden voor het eerst in Egypte is 
gevonden ( Ann . Serv. 39, 1939, 273-276); Leibovitch dateert het amulet op pakeografische 
gronden ongeveer 6de eeuw v. Chr. ( 144 ). Door de goede zorgen van A. Rowe werd het 
opschrift van het modelsarcofaagje, waarin de haarlok van koningin Te je in het graf van 
Toetanchamon werd gevonden, gepubliceerd ( 197 ). Zoals men weet, is de echtgenoot dezer 
koningin bekend door de vele gedenkpenningen, die hij heeft laten snijden; koning Faroek I 
schonk aan het museum te Kairo een nieuw voorbeeld van de niet talrijke klasse gedenk- 
scarabeeën, waarop de aankomst van Giluchipa met haar 317 haremsvrouwen wordt ver¬ 
meld (79). De onvermoeibare en vitale G. Steindorff verzorgde den catalogus der Egyp- * 
tische sculptuur in de Walters Art Gallery te Baltimore ( 209 ) ; de tien laatste platen bevatten 
de teksten, terwijl alle voorwerpen naar foto's zijn afgebeeld. T. Save-Söderbergh (201 ) 
gaf allereerst een definitieve publicatie van inscriptie Stockholm n° 55,. een typische auto¬ 
biografie uit de xvmde Dynastie; bovendien twee nieuwe monumenten betreffende den 
koningscultus in Horbeit, dat in den tijd der Ramessiden een militaire kolonie was, evenals 
fragmenten van een nieuw tweetalig decreet van een Egyptische priestersynode, die onder 
Ptolemseus III Euergetes I gehouden werd (Griekse en Demotische tekst). H. Ranke publi¬ 
ceerde een beeld der godin Hathor uit ongeveer 50 v. Chr., afkomstig uit haar tempel te 
Dendera ( 194 ); de inscriptie vervalt in drie delen: de titels van den hogen ambtenaar 
uit Dendera, die het beeld wijdde aan Hathor, maar wiens naam verdwenen is, zijn toespraak 
tot de priesterschap van den tempel en diens antwoord. Van de stele’s in Queen’s College 
te Oxford, behandeld door P. C. Smither en A. N. Dakin, bevat n° 1 een copie der bekende 
hymne aan Osiris en is een pendant van Brits Museum [243], dat van denzelfden eigenaar 
is ( 221 ). Men kan dus moeilijk zeggen, dat wij hier een onbekenden tekst voor ons hebben. 

Toch is het in het voorgaande de bedoeling geweest, over voor het eerst gepubliceerde 
teksten te spreken. Maar ook bij den papyrus Carlsberg vi, die een gedeelte der Onderwijzing 
van Merikare geeft, is daarvan afgeweken, omdat Volten (237) in zijn uitgave tevens die 




EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 253 

van Amenemhat had opgenomen. Wij zullen thans een aantal titels vermelden, die zich bezig¬ 
houden met reeds vroeger verschenen teksten. 

Een algemeen overzicht der letterkunde gaf A. H. Gardiner ( 107 ). Het verhaal van 
Waarheid en Leugen werd voor het eerst in het Frans vertaald door G. Lefebvre (137 ; 
men zie JEOL I, 24-26 en JEA 27, 1941, 158-159) ; hij voorzag het tevens van een inleiding 
en taalkundigen commentaar. A. Varille vertaalde de zonnehymne der architecten Soeti 
en Hor ( 229 ); hij drukt den hiërogliefischen tekst af en geeft de bibliografie van dezen 
tekst. Hij vertaalde eveneens de grote stele van Amenophis II (zie JEOL II/ó, 1939, 9-14), 
maar gaf ditmaal den tekst zelf op een plaat weer ( 230 ). De moeilijke tekst van den Levens¬ 
moede was het voorwerp van verschillende studies. J. Sainte Fare Garnot besprak hem in 
aansluiting op A. Scharff, die het eerst wees op de tegenstrijdigheid van de opvattingen, 
die bij den levensmoede en bij diens ziel bestaan. Volgens Garnot wordt de man door de 
hopeloze moeilijkheid der uiterlijke omstandigheden naar den zelfmoord gedreven; deze 
was niet verboden, maar stond wel in slechten roep. De levensmoede is vol vertrouwen op 
de góden en het hiernamaals. De ziel is er echter sceptisch over gestemd; dit gaat recht¬ 
streeks in tegen de Egyptische opvattingen. Zij is echter afkerig van zelfmoord, iets wat diep 
menselijk is. Het geheel is dan ook een conflict tussen gevoel en verstand, een drama dat zich 
af speelt in het hart van den mens ( 102 ). De Buck ( 25 ) vertaalde gedeelten van den tekst 
en daarbij komt allereerst zijn opvatting over den inhoud ervan tot uiting; daarnaast tekent 
hij den ba als voorstander van moderne, ketterse opvattingen, terwijl de man het oude, ge¬ 
lovige standpunt verdedigt. Als achtergrond wordt de materiële en geestelijke verwarring 
en ontreddering van de Eerste Tussenperiode geschetst. Tenslotte wordt gewezen, op den 
kunstigen vorm van dezen tekst. Over het derde lied, waarvan ook de Buck de litteraire 
compositie bespreekt, wijdt P. Gilbert uit in bizonderheden ( 106 ). Volgens I. M. Lourié 
( 149 ) wordt door het feit, dat de tekst met betrekking tot den dodencultus als doden- 
goden Thoth en Re vermeldt en niet Osiris, het bewijs geleverd, dat hij vóór de xide Dynastie 
werd samengesteld. Hoewel deel 45 van het BI FAO voor mij nog niet bereikbaar is, stelde 
de vriendelijkheid van R. Weill mij in staat kennis te maken met diens grote verhandeling 
over den Levensmoede 7 ). Na een inleiding geeft hij achtereenvolgens de verschillende op¬ 
vattingen erover weer, en een met noten voorziene vertaling; volgens hem is het werk ontstaan 
door de samenvoeging van twee oorspronkelijk onafhankelijke composities, die naar vorm 
en inhoud geheel verschillend waren maar beide het probleem behandelden van den mens, 
die op het punt staat dit leven te verlaten. Daarna bespreekt hij het werk vanuit het stand¬ 
punt der toenmalige godsdienstige opvattingen en sociale toestanden. De opvatting van 
Vikentiev ( 234 ) zal later ter sprake komen. Gedeelten van de klacht van den Levensmoede 
werden in het Nederlands vertaald door G. van der Leeuw; voor denzelfden bundel ver¬ 
zorgde hij een vertaling van liederen van den harpenaar, van een lied bij de troonsbestijging 
van Merneptah en Ramses iv en van enkele der zogen, vrolijke liederen, H. Th. Obbink 
vertaalde Isis’ list (in Muziek der spheren. De schoonste gedichten uit de wereldpoëzie. De 
oudheid, bijeengebracht door H. Wagenvoort, Utrecht, W. de Haan, 1944 [kl. 8vo; XIX 
en 217 blz.j). 

M. Kamal sloot zijn studie over de grote stele van Sehetepibre af ( 129 ). Hij behandelde 
de lofspraak op den koning en de aanroeping, gericht tot de bezoekers van het graf. Hij 
liet er een volledige vertaling van den tekst op volgen en een lijst der titels van den eigenaar. 

Van J. Janssen verscheen het gedeeltelijke resultaat van een onderzoek naar de traditio¬ 
nele, dus typische autobiografie uit den tijd vóór het Nieuwe Rijk ( 127 ). In een eerste 
deel worden ongeveer drieduizend regels tekst in autografie weergegeven, in een tweede 
worden deze vertaald. Pas in het beloofde derde deel zal uiteengezet worden, wat deze 
teksten ons nu leren omtrent de Egyptische mentaliteit. Eerst onlangs had ik gelegenheid 
de reeds enkele jaren geleden gedrukte, maar nog steeds niet officieel verschenen studie van 

7 ) R. Weill, Le livre du „Dêsespérê " Le sens, BIFAO 45, 1946, 89-154; Wilson ( 90 , blz. 102-103) 
Tintention et la composition littéraire de 1 ’ouvrage, bespreekt den tekst slechts kort. 




254 


EGYPTISCHE PHILOLÖGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-1947 


255 


E. Edel (72 b) in te zien; hij behandelt ook een aantal zinnen, dat in deze autobiografieën 
voorkomt (blz. 31-55), maar bestudeert ze in het grotere kader der teksten van het Oude 
Rijk. 

K. Pflüger bezorgde een nieuwe tekstuitgave met vertaling van het decreet van 
koning Horemheb uit den verwarden tijd na de periode van Amarna (vergelijk JEOL II/8, 
1942, 569-580). Dit edict is niet alleen belangrijk, omdat het licht werpt op bepaalde wettelijke 
en administratieve details, maar vooral omdat het ons een en ander leert over den geest 
der restauratie; deze restauratie was wel radicaal, maar niet alleen een terugkeer naar het 
vroegere, want het decreet neemt revolutionaire ideeën over om ze in het traditionele schema 
in te lijven ( 175 ). Ook verscheen er een uitvoerige studie over de decreten van Koptos, door 
W. C. Hayes (122) ; in deze decreten verleenden de farao’s der vide Dynastie en der Eerste 
Tussenperiode allerlei waardigheden aan de gouwvorsten der stad Koptos en in velerlei op¬ 
zicht bescherming. Van deze zogenaamde beschermingsdecreten zijn er een zestal, geheel 
of gedeeltelijk, in New York. Deze heeft Hayes opnieuw uitgegeven en bewerkt. Het is 
moeilijk, zijn conclusies over hun historische betekenis in enkele woorden samen te vatten; 
de voornaamste is wel, dat de vmste Dynastie niet in Koptos, maar in Memphis thuishoort; 
zij was echter geheel en al afhankelijk van den landadel in de nome van Koptos. 

B. Gunn gaf een vertaling van den lastigen tekst der stele van Naukratis, die een decreet 
van Nectanebo bevat; hij liet er een aantal opmerkingen en een beschouwing aan vooraf 
gaan ( 118 ). In deze laatste constateert Gunn, dat in de Saïtische periode de ongelooflijke 
eenvoud van het Griekse schrift indruk moet hebben gemaakt op de Egyptenaren; daarom 
vindt men in hiërogliefische teksten van dezen tijd en ook nog erna toepassingen van het 
zogenaamde alfabetische beginsel; men schrijft dan woorden met eenlettertekens, die sinds 
mensenheugenis nooit hiermee geschreven zijn. Tegen het einde der 4de eeuw raakt het echter 
in onbruik. De eeuwenoude traditie en het nationale gevoel tegenover den Griek, die dan 
overheerser geworden is, hebben de overwinning behaald. 

Het is misschien het beste, nu ook twee papyri te vermelden, die uitermate belangrijk zijn 
door hun schrift. De ene is een Egyptische tekst in Griekse letters, waartussen nog enkele 
Demotische tekens voorkomen; hij dateert uit het midden der 2de eeuw na Chr. en is 
volgens W. E. Crum (46) een bezwering of gebed ; maar zelfs Crum weet er weinig mee 
aan te vangen. De taal ervan kan men nog geen Koptisch noemen, want zij vertoont te veel 
woorden en vormen, die in het Koptisch niet meer gangbaar zijn. Ook kan hij den tekst in zijn 
geheel niet vertalen. Maar meer dan de inhoud is belangrijk, dat hier gepoogd wordt, Egyp¬ 
tisch met Griekse letters te schrijven, en niet enkele woorden, maar een langen tekst 8 ). 
Minstens even belangrijk is het artikel van R. A. Bowman ( 19 ). Hij schrijft over een reeds 
langer bekenden papyrus met vierhonderd regels Demotisch schrift (uit de 5de eeuw v. Chr.), 
waarmee zelfs F. LI. Griffith niets wist aan te vangen. Het is nu gebleken, dat de taal 
ervan Aramees is; de scribent heeft overwegend gebruik gemaakt van alfabetische tekens, 
maar eveneens van determinatieven, als de vrouw, de godheid en het vreemde land; de man 
met de hand aan den mond vervult vaak de rol van een woordafscheiding. Men heeft nog 
niet den gehelen tekst in het Aramees kunnen transcriberen, omdat vele tekens in het Demo¬ 
tisch verschillende waarde kunnen bezitten, en ook hier weer lezen en vertalen hand in hand 
gaan. Zelfs wanneer de inhoud van den papyrus zou tegenvallen, hebben wij met iets unieks 
te doen. 

B. van de Walle bestudeerde de ostraka met litteraire teksten uit het Midden Rijk: de 
satire op de ambachten, de Onderwijzing van Amenemhat en de hymne aan den god der 
overstroming ( 239 ). Zoals men weet, zijn deze door de Egyptische schrijvers in pericopen 
verdeeld. Nu blijken de ostraka ervan meestal één pericope weer te geven. Mede uit den 


8 ) Een zeer korten tekst uit omstreeks 200 vóór 
Chr. vindt men in P. Lacau, Un graffito égyptien 
d’Abydos écrit en lettres grecques, in Études de 
papyrologie 2, Le Caire, 1934, 229-246, terwijl 
resten van een Grieks-Demotisch glossaar ge¬ 


publiceerd werden door Fr. Bilabel, Neue litera¬ 
rische Funde in der Heidelberger Papyrussammlung, 
Actes du Ve Congrès international de Papyrologie, 
Bruxelles, 1938, 79-80. 


datum, die vaker wordt aangegeven, blijkt, dat wij hier te doen hebben met de dagelijkse taak, 
die men in school moest maken en die niet afhing van de capaciteit van den schrijver maar 
van de gewoonte. Bij een aantal ostraka geeft de schrijver dan ook de beginwoorden der 
volgende pericope weer. Men wist dan, waarmee men verder moest gaan. Indien deze 
opmerkingen ook van toepassing blijken te zijn (dit moet nog onderzocht worden) op de 
andere litteraire teksten, kan men eruit opmaken, dat de klassieken, die men in de scholen 
van het Nieuwe Rijk gebruikte, systematisch in een aantal kleinere secties verdeeld waren, die 
van den enen kant beantwoorden aan een logische verdeling van den tekst, van den anderen 
aan de lengte van het dagelijkse pensum der leer ling-schr ij vers. 

De litteraire teksten waren echter niet om gelezen, maar om gehoord te worden. Hierop 
wees B. A. van Proosdij ( 193 ), en behandelde vanuit dit gezichtspunt het verhaal van den 
Welsprekenden Boer. 

Ter zelfder tijd, dat het artikel van L. Leeuwenburg verscheen over de grensstele’s 
van Amarna ( JEOL, 9, 1944, 39-49), publiceerde J. Vandier enkele fragmenten; der stele R, 
die in deze eeuw zijn weggebroken en zich thans in het Louvre bevinden. Naar aanleiding 
hiervan vertaalde hij o.m. den tekst der tweede proclamatie ( 225 ). 

Naar aanleiding van de vertaling van A. Scharff (vergel. JEOL 9, 1944, 34, n° 40) 
maakte A. H. Gardiner een nieuwe vertaling van de Onderrichting voor Kagemni. In het 
moraliserende gedeelte wijkt hij nogal af van de opvatting van Scharff. Tevens gaf hij den 
hiërogliefischen tekst erbij ( 100 ). Door studie van den oorspronkelijken tekst, waarin ons 
de slag bij Megiddo onder Toethmosis III wordt verhaald, kwam R. O. Faulkner ( 85 ) tot 
conclusies, die nogal afwijken van die, welke Nelson getrokken had wat betreft de krijgs¬ 
verrichtingen. Het verloop wordt nu duidelijker en men kan het resultaat als volgt samen¬ 
vatten: op den ióden dag van den isten maand van het zomerjaargetijde wordt besloten 
den weg óver Aroeüa te nemen om zo in de vlakte van Megiddo te komen. Na voorbereidingen 
marcheert het leger den i8den naar Aroena, en trekt den volgenden dag onder de persoon¬ 
lijke leiding van den farao verder. Zodra de voorhoede de vlakte bereikt, posteert Toeth- 
mosis zich bij het einde van den pas om het in smalle gelederen oprukkende leger te be¬ 
schermen. Dit is ’s avonds om 7 uur klaar om in het Kina-dal te kamperen. De Syriërs 
trekken dan hun troepen, die den noordelijken en zuidelijken toegangsweg naar Megiddo 
moeten verdedigen, samen. In den vroegen ochtend van den 20sten wijken de Egyptenaren 
naar het noordwesten en staan daardoor vlak vóór de stad, terwijl de Syriërs meer zuidelijk 
gelegerd zijn. Het gelukt hun niet een tegenbeweging te maken en bij den eersten aanval 
der Egyptische troepen moeten de verdedigers der stad vluchten. Daar sluit men de poorten 
en haalt zoveel vluchtelingen als mogelijk is, binnen met geïmproviseerde middelen. Door 
de plundering van het Syrische kamp gaat het gunstige ogenblik voor een stormaanval op 
de stad voorbij. Pas na een beleg van zeven maanden gaf deze zich over. Faulkner schreef 
ook over den achtsten veldtocht van Toethmosis III (88). 

Gardiner gaf met een nieuwe copie van N. de G. Davies een gecommentariseerde 
vertaling van den moeilijken tekst in den Speos Artemidos bij Beni Hassan ( 99 ) ; zijn ver¬ 
klaringen zijn vooral taalkundig. 

De uitgave van de stele van Sjesjonk, uit Abydos, werd verzorgd door A. M. Blackman 
( 15 ) ; zij bestaat uit den oorspronkelijken tekst, voorzien van critische opmerkingen en een 
vertaling met noten. De stele blijkt opgericht te zijn door den lateren farao Sjesjonk I, den 
zoon van Namlot of Nemrat. Beide waren machtige militairen in het gebied van Heracleopolis 
Magna. Op Sjesjonk’s verzoek vraagt de farao Psoesennes II aan Amon, of er een beeld 
voor Namlot in den tempel van Abydos mag worden opgericht en of deze door zijn zoon moet 
worden opgevolgd. Op beide kwesties geeft het orakel een gunstig antwoord, terwijl het 
personen, die de dodenstichting van Namlot zullen benadelen, met den dood bedreigt. Deze 
nieuwe vertaling is historisch niet onbelangrijk, daar zij licht werpt op den tot nu toe 
duisteren gang van zaken, die leidde tot het koningschap van Sjesjonk I, den stichter der 
xxiiste Dynastie. 








1 



256 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


Een vijftiental ostraka met orakels uit Deir el-Medina, wordt door J. Cerny behandeld 
(35) ; zij dateren uit de xixde en xxste Dynastie en stellen vragen als „Heb ik gelogen?”. 

Een volledige, ook historische en archeologische behandeling van de zangen der harpe- 
naars, die zo vaak in de graven worden afgebeeld, verscheen van de hand van Mej. M. 
Lichtheim (148); vergel. JEOL II/7, 1940, 312; voor een ontspanningsliedje zie men 
Revue d’égyptol. 4, 1940, 223-224, voor een verbeterde vertaling van het begin van het 
Intef-lied de bijdrage van W. Federn (89). M. Lichtheim ziet als voornaamste karakteris¬ 
tiek van deze gezangen de verscheidenheid van inhoud gecombineerd met de eenvormigheid 
van opzet. In tegenstelling met andere genres der Egyptische letterkunde waren zij niet gebon¬ 
den aan een bestaand repertoire. Zij danken deze vrijheid aan het feit, dat een harpenaarszang 
altijd tot opluistering diende, maar nooit noodzakelijk was. Het succes van de reis naar het 
hiernamaals hing niet af van dit gezang, zoals dit bij de gebeden en spreuken het geval was. 
De gezangen konden zich dus vrij en in verschillende richting ontwikkelen. Zo werden er 
allerlei opvattingen in opgenomen en weerspiegelen zij de veranderingen, die in dit opzicht 
plaats vonden. Wij vinden er het simpele geloof in het voortbestaan evenals de meest uitge¬ 
werkte opvattingen over de eeuwige zaligheid. Zij zijn een spiegel van orthodoxe en revolu- 
tionnaire, van vrome en sceptische ideeën. Liefde tot het leven, vrees voor den dood, ver¬ 
trouwen in de onsterfelijkheid vinden alle hun uitdrukking in deze zangen. M. Stracmans 
( 211 ) beschouwde ze vanuit godsdiensthistorisch oogpunt. De kiosk, waarin de harpenaar 
zijn zang zingt, is vaak een prieel van een wijnstok; de wijnrank versiert ook de graven. 
Osiris was evenals Dionysos de god van den wijnstok. Deze zangen zijn Bacchische zangen, 
geïnspireerd door -den wijn en kunnen dus vergeleken worden met de Dionysische dithyram¬ 
ben. De vraag, of, er misschien verband is, wordt door Stracmans slechts gesteld, niet be¬ 
antwoord. Ook het bekende c Melk den dag 3 uitte zich in de liederen van den harpenaar sinds 
de Eerste Tussenperiode. P. Gilbert gaat de uitdrukking van deze gedachten na tot in den 
Romeinsen tijd en meent verwantschap tussen Egypte en Horatius te mogen zien (105). 

De satire op de verschillende ambachten en bedrijven (vergel. JEOL I, 295) wordt door 
B. van de Walle behandeld vanaf de Onderrichting van Cheti, uit de Xllde Dynastie, tot 
en met het Demotische satyrische gedicht, waarvan de passage over den dronken muzikant 
wordt weergegeven. Ook van het vroegere worden vele stukken in vertaling afgedrukt. Van 
de Walle wijst op het gemeenschappelijke, het continue, evenals het nieuwe in de verschil¬ 
lende perioden (240). 

Reeds E. Revillout en F. LI. Griffith bestudeerden een papyrus met den verkoop van 
een slaaf uit den tijd van Psammetichus I. Ofschoon hij onvolledig is, kon M. Malinine 
door vergelijking met andere teksten heel wat aanvullen en een veel betere vertaling geven 
(152) ; bovendien zijn er nu meer documenten in deze schriftsoort bekend. 

Beroemd is de lange petitie, die een zekere Peteïsis uit Teuzoi opstelde in verband met 
de schade, die hem in 512 v. Chr. door de priesters was toegebracht. Het was de jongste 
in een serie van rampen, die zijn familie sinds meer dan een eeuw telkens opnieuw troffen. 
Als cultuurhistorisch document is deze petitie uiterst belangrijk, daar wij er de toestanden uit 
de 7de en 6de eeuw geïllustreerd vinden in de lotgevallen van een familie. Wainwright 
(238) wijdde er een uitvoerige studie aan. Na kort het historisch verloop geschetst te hebben, 
geeft hij een paraphrase met een commentaar er doorheen gevlochten. Allerlei parallellen, 
ook uit den modernen tijd, verduidelijken de gebeurtenissen. 

Van het Demotische familiearchief uit Sioet (zie JEOL I, 175) verschenen tegelijkertijd 
twee bewerkingen, die voor een ruimeren lezerskring bestemd zijn. B. H. Stricker gaf een 
nieuwe vertaling met verklarende inleiding (215), terwijl W. Erichsen ( 80 ) behalve dit 
ook een overzicht der personen en de voorgeschiedenis van het proces gaf. Zijn vertaling 
bevat vele noten, en wordt gevolgd door een chronologisch overzicht der in het proces ver¬ 
melde documenten. Naar aanleiding van S. R. K. Glanville’s uitgave van papyrus Brits 
Museum 10 528 maakten G. R. Hughes en Ch. F. Nims een aantal technische opmerkingen 
evenals een nieuwe vertaling (125 vergel. JEOL II/7, 1940, 308-309, alsook OLZ 44, 1941, 
13-16 en CdÉ xvii, 1942, 307-311). 


EGYPTISCHE PHlLOLOGiE 194O-1947 


257 


Het bekende boek van Ét. Drioton en J. Vandier over de geschiedenis van Egypte 
verscheen in een tweeden druk (72); deze verschilt van den vorigen, uit 1938, slechts door 
een Appendice (blz. 633-663), dat naar hoofdstukken geordend aanvullingen geeft. 
P. Montet schreef een mooie cultuurgeschiedenis over de periode van het einde van het 
Nieuwe Rijk (159) ; hij heeft zijn werk in twaalf hoofdstukken verdeeld en van vele notae, 
aan het eind van het boek, voorzien. Dubois-Richard gaf een schets der geschiedenis van 
de oudste tijden tot heden (72 a). Voorwerp van zijn onderzoek was datgene, wat men hieruit 
kan afleiden voor de opvattingen, die wij ons vormen van staat, volk, bestuur en internatio¬ 
nale betrekkingen. Hij deelt de gehele Egyptische geschiedenis in volgens drie achtereen¬ 
volgende regeringsvormen: den goddelijken, den godsdienstigen en den redelijken. De eerste 
duurde vanaf het begin der historie tot in den Romeinsen tijd. De 22 eeuwen, die er volgens 
de opvatting van den schrijver verliepen tussen Menes en Toetanchamon, worden behandeld 
op de blz. 18-56. De acht eeuwen erna, tot aan den slag bij Pelusium (525 v. Chr.), worden 
samengevat in een dozijn regels. Slechts een enkele maal wordt naar de bron verwezen, voor 
dit gedeelte A. Moret. W. F. Edgerton besprak den bestuursvorm en de onderdanen ge¬ 
durende het Nieuwe Rijk (76). De eerste was een autocratische bureaucratie, sterk gecentra¬ 
liseerd in beginsel en in de praktijk in hoge mate. De theoretische grondslag was de godde¬ 
lijkheid van den farao, in werkelijkheid zijn controle van het bestuursapparaat, met inbegrip 
van leger en politie. De wet was slechts zijn formeel uitgedrukte wil. Ook de tempels moeten 
beschouwd worden als behorend tot de koninklijke administratie, terwijl bij staatszaken ook 
van orakels gebruik werd gemaakt. De privaateigendom bestond, maar men kan zijn grenzen 
niet nader bepalen. Zich baserend op een tachtigtal gedateerde stele’s van privaatpersonen 
uit het Midden Rijk stelde K. Pflüger een vooral archeologisch onderzoek in (176). Het 
leert ons echter veel, dat Yoor de cultuurgeschiedenis van belang is; wij zien in deze periode 
de godsdienstige teksten steeds talrijker worden; eerst neemt de vrouw een overheersende 
plaats in, later wordt zij steeds meer teruggedrongen, evenals de kinderen. Pflüger plaatst 
de verkregen resultaten in het raam van datgene, wat reeds over het Midden Rijk bekend 
was: alles draait om Sesostris III, die een einde maakte aan de macht der gouwvorsten. 
Volgens de opvatting van den schrijver werd hij hierbij gesteund door een volksbeweging. 

Door een ontleding der teksten over de sportieve prestaties der farao’s komt B. Bruyère 
tot de conclusie, dat zij een diepere betekenis bezitten ( 21 ) ; het is blijkbaar toevallig, dat 
zij ons vooral uit de xviiide Dynastie bekend zijn (zie bv. JEOL II/6, 1939, 9-14). Deze 
prestaties zijn een onderdeel van de kroningsplechtigheden geweest en moeten tevens als 
symbolisch worden opgevat; het volbrengen ervan maakte den prins waardig, de konings- 
insignia te ontvangen, omdat hij bewezen had in staat te zijn „de werken van den (oorlogs¬ 
god) Montoe te volbrengen”. Zij vonden plaats op het woestijnplateau bij Memphis, de aloude 
hoofdstad en werden besloten met een haltmaken bij den sphinx en den daltempel van 
Chefren. Daar kon de godheid zich uiten door uitspraken of door dromen, want de aloude 
sphinx was in het Nieuwe Rijk het representatieve symbool van de Heliopolitaanse theologie: 
als Harmachis, Cheper en Re de zonnegod in zijn verschillende fases, als Atoem de schepper- 
god, waaraan men later nog den naam Hoeroen (zie beneden) toevoegde. 

Deze laatste naam verplaatst ons naar Azië, zoals ook het artikel van G. Nagel, die de 
Egyptische veroveringen in Palestóna^Syrië besprak, vooral aan de hand van Urkunden iv 
en de brieven van Amarna (162 b). De door G. Posener (zie JEOL H/8, 1942, 592-593 en 
9, 1944, 37, n° 66) uitgegeven teksten leverden aan W. F. Albright de stof voor twee 
artikelen (1, 2 9 )); in het laatste geeft hij een proeve van identificatie der plaatsnamen in 
het gebied van Damascus. 

Uit de annalen van Toethmosis III blijkt, volgens A. Alt (7), dat men ook tijdens de 

9 ) Andere besprekingen verschenen in Vivre et Madrid, 1943, 429-455. Men zie ook R. de Vaux, 

penser , ire série, Paris, 1941, 261-264 en 2e série, Les Patriarches hêbreux et les dêcouvertes moder- 
1942, 187-212; Revue d’êgyptol. 5, 1946, 206-209; nes. III. — La Syrië et la Palestine de 2000 a 1700, 

B. Celada, Nuevos documentos para la primitiva Revue biblique 53, 1946, 336-348. 

historia de Palestina, Nubia y Libia , in Sefarad 3, 


Jaarbericht n°. 10 


17 


258 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


EGYPTISCHE PHlLOLOGIË 194O-1947 


259 


veldtochten een ochtend- en avondceremonieel kende, zoals voor Ramses II een ochtend- 
ceremonieel bekend is in den slag bij Kadesj. 

J. A. WiLSON publiceerde het te Megiddo teruggevonden gedeelte van een beeldje van 
den bekenden Thothhotep uit el-Bersje (249) ; hij gaf er tevens een overzicht van een aantal 
Midden-Rijks vondsten uit Azië. De betrekkingen tussen Egypte en Israël werden samen¬ 
gevat door W. O. E. Oesterley (107), terwijl J. M. McGlinchey in zijn dissertatie Amen- 
emope en Spreuken 1-9 behandelde (156). Voor dit gedeelte der spreukenverzameling con¬ 
cludeert hij, dat er misschien enige gelijkenis is, maar dat er geen bewijs is voor Egyptischen 
invloed. In zijn conclusie voor het geheel zegt hij, dat wanneer er van beïnvloeding sprake is, 
deze van Israël op Egypte is uitgegaan. Zijn vertaling van Amenemope is niet zelfstandig. 
A. S. Yahuda ziet in de gillulim of mummieachtige góden, letterlijk gezwachtelden afbeel¬ 
dingen van Osiris (258) ; zij worden vermeld in bv. Deut. 29: 16 ; Lev. 26: 30 en Ezech. 6: 5. 
Een volledig overzicht der Egyptische teksten, die van belang zijn voor de geschiedenis van 
Syrië en Palestina werd samengesteld door B. van de Walle (239 a). Zijn verwijzingen zijn 
zeer gedetailleerd en uitvoerig. Daar zijn overzicht geschiedkundig is, volgt hij de historische 
tijdperken, tot de verovering door de Perzen. De cprw der Egyptische teksten werden door 
R. Weill ter sprake gebracht (245) ; volgens hem kunnen cpr van Ras Sjamra en het 
Hebreeuwse cbr niet de schrijfwijze van een zelfde woord zijn, daar dit het enige voorbeeld 
zou zijn van wisseling van b en p in beide talen (245 10 )). J. Cerny wijst erop, hoe Griekse 
geleerden te Alexandrië getracht hebben M uvcrijg uit het Egyptisch te verklaren, en wel uit 
(:icc en vaviq, resp. mw (water) en hsj (die uit het water gered is) (38). Het meest juist is 
Flavius Josephus in zijn Antiquitates (II, 228). A. Rowe stelde een overzicht samen van de 
monumenten der personen, die verdronken zijn en daarna goddelijke eer ontvingen als hsj 
(196) ; eveneens worden de personen behandeld, die niet verdronken zijn maar goddelijk 
vereerd werden en de enkelen, die lang na hun dood geëerd werden; men vindt er ook een 
lijst der talloze farao’s, die vergoddelijkt werden. 

De periode van Amarna was het voorwerp van een vijftal studies. L. G. Leeuwenburg 
(136) bestudeerde ze vanuit godsdiensthistorisch en historisch oogpunt en baseerde zich 
daarbij terecht vooral op de teksten uit Amarna. Zijn boekje vat in het kort het resultaat samen 
van een onderzoek naar aanleiding van den hedendaagsen ommekeer in de waardering van 
Achnaton en zijn werk. Placht men dezen godsdienstigen hervormer vroeger voor te stellen 
als een hoogstaand doch onbegrepen idealist, tegenwoordig meent men daarentegen hem zeer 
ongunstig te moeten beoordelen. De schrijver neemt tegenover beide standpunten een criti- 
sche houding aan en heeft zich uit het materiaal een eigen oordeel opgebouwd. Na een kort 
overzicht van het staatkundig en godsdienstig milieu, waarin Achnaton werd geboren, worden 
de maatregelen, waarmee hij zijn hervorming tot uitdrukking bracht, zakelijk medegedeeld. 
Daarna wordt op den inhoud dezer reformatie dieper ingegaan. Bizonder treedt daarbij het 
feit op den voorgrond, dat Aton als werkelijke koning wordt geproclameerd, terwijl omge'- 
keerd op de goddelijkheid van Achnaton eveneens sterk de nadruk valt; de koninklijke god 
wordt door* den goddelijken koning aanbeden. Deze wordt ons getekend als een farao, die 
zijn eigen godsdienstige opvatting met geweld aan zijn volk wilde opleggen, maar die hierin 
niet slaagde, omdat hij de religieuze behoeften van zijn volk, vooral inzake dodengeloof en 
schuldgevoel, niet wist te bevredigen. Dit is de voornaamste oorzaak van de zwakte en het 
doodlopen der beweging, welke niet onder buitenlandsen invloed ontstond, maar uit zuiver 
Egyptische religieuze tendenties is voortgekomen. Men begreep wel degelijk, waar het om 
ging; het systeem schoot te kort, niet in hetgeen het bood, maar in hetgeen werd buitenge¬ 
sloten. J. Doresse en zijn echtgenote vatten alles samen, wat bekend is over de voorge¬ 
schiedenis van den Aton-cultus onder de xvmde Dynastie (51) : hoe onder Amenophis II 
een duidelijke voorliefde voor Re en den cultus van Heliopolis aan den dag treedt en een 
zonnesyncretisme ontstaat; hoe Toethmosis iv aan de regering is gekomen dank zij den clerus 

10 ) Men zie eventueel voor dit probleem ook A. Arabs, Palestine Exploration Fund Quarterly State- 
Guillaume, The Habiru, the Hebrews and the ment 78, 1946, 64-85. 


van Heliopolis Aton een belangrijke plaats gaat innemen. Dit alles neemt nog toe onder 
Amenophis III, om tijdens Amenophis iv verder te gaan en tot een breuk te leiden met den 
cultus van Amon; dan breekt een pantheïsme zich baan. Vooral de afwezigheid van eschato¬ 
logische ideeën gaat in tegen de godsdienstige opvattingen der Egyptenaren. „Indien ook de 
waarheden van Amarna Egyptisch zijn, de geest die eruit spreekt, geeft steun aan de hypo¬ 
thesen, die hiervoor een Semitischen oorsprong aannemen. De afzonderlijke elementen zijn 
traditioneel, maar toch was de Aton-dienst naar den geest geheel vreemd aan den geest der 
Egyptenaren.” R. Engelbach ( 78 ) behandelde de graven van Teje, Toetanchamon en het 
zogenaamde graf van Teje, evenals de verwantschap tussen Nefertete, Smenohkare en Toet- 
anchaton, de verandering van diens naam in Toetanchamon, den duur zijner regering en het 
verplaatsen der residentie naar Amarna. Op vele punten wijkt zijn opvatting van de gangbare 
af. Voor de datering van Amenophis iv zie men het beneden vermelde artikel van M. B. 
Rowton ( 200 ). 

Ét. Drioton gaf een betere publicatie van oesjebti Sandman n° 208 ( 63 ), thans in de 
collectie van koning Faroek. Naar aanleiding van dezen tekst wijst hij erop, dat volgens de 
leer van Amarna de ziel van den dode ’s nachts het lichaam binnenging, en dat de slaap, die 
na het verdwijnen der zonneschijf zich over het heelal uitbreidde, van gelijken aard was voor 
levenden en doden. De dodenstele van Panehsi uit het Louvre biedt hem gelegenheid op te 
merken, dat wij stele’s van deze klasse uit Amarna zeer weinig bezitten. Op genoemd exem¬ 
plaar neemt de zonnegod Harachte als dodengod de plaats van Osiris in; het bevat een korte 
hymne tot Harachte en een nog kleinere tot de zon. Op een blok ten name van een zekere 
Hatiaj uit het Louvre staat een korte hymne tot Osiris, die echter gelijkgesteld wordt met 
den god van Amarna. Door A. Varille werd de mening voorgestaan, dat Toetanchamon de 
zoon is van Amenophis ui met zijn dochter Sitamon ( 228 ). 

In het voorafgaande is reeds herhaaldelijk sprake geweest van de godsdienstige opvat¬ 
tingen der oude Egyptenaren. Wij zullen thans een aantal studies de revue laten passeren, die 
er zich ex prtofesso meebezighouden. 

J. Vandier wijdde een systematische behandeling, in zes hoofdstukken, aan de voor¬ 
naamste problemen ervan, namelijk de góden en den primitieven godsdienst, de theologie en 
de legenden, het dodengeloof, den koning en den staatsgodsdienst, de magie en het volks- 
loof, cultus en feesten. Hoewel het boekje voor een ruimer publiek bedoeld is, zal het door 
zijn wetenschappelijk apparaat door den vakman gaarne gebruikt worden; na ieder hoofd¬ 
stuk wordt immers een uiteenzetting van den stand der behandelde kwestie gegeVen ( 224 ). 
G. van der Leeuw had niet voldoende ruimte ter beschikking om een volledige en systema¬ 
tische behandeling te geven ( 135 ). Hij beperkte zich daarom tot de hoofdtrekken ervan vanuit 
een bepaald gezichtspunt en wel dat van de zorg om den dood en het leven na den dood. 
De aantrekkelijkheid evenals de waarde van zijn boekje wordt in niet geringe mate verhoogd 
door de talrijke illustraties. Ét. Drioton tekende in een artikel den Egyptischen godsdienst in 
grote trekken (70 n )) ; hij behandelt achtereenvolgens den god der wijzen, dan de góden der 
tempels en de theologie. Posthuum verschenen van G. Jéquier enkele gebundelde beschou¬ 
wingen over den Egyptischen godsdienst (128 a) ; na het begrip godheid besproken te hebben 
en de drie stadia der godsdienstige ontwikkeling, gaat hij uitvoerig den cyclus van Heliopolis 
en Hermopolis na, evenals dien der godin Hathor. 

Over de hypostasen in den Egyptischen godsdienst spreekt H. Ringgren op blz. 9-52 
van zijn dissertatie ( 195 ), vooral over Hoe en Sia, Hike, Zien en Horen, Maat en de 14 ka’s 
van Re. 

Van L. Speleers ( 207 ) verscheen een vertaling (blz. 1-94) der twee eerste delen sarco- 
faagteksten van de Buck (zie JBOL I, 173-174 en II/6, 1939, 15) ; deze wordt voorafgegaan 
door een uitvoerige inleiding, waarin de opvattingen over het leven na den dood uiteengezet 
worden en het eigene dezer teksten ten opzicht der pyramidenteksten en der spreuken van 

11 ) Overgenomen in R. Engelbach, Introduction the Egyptian Museum, edited by ..., Cairo, Depart- 
to Egyptian Archaeology with special Reference to ment of Egyptian Antiquities, 1946, 178-195. 



2ÓO 


EGYPTISCHE PHILOLOGIË 


het Dodenboek. De uitgebreide commentaar geeft onder meer de varianten en verwijst vooral 
naar de pyramidentdcsten, die, waar dit nodig is, ook worden aangehaald. Hij is vooral 
bedoeld als een verantwoording der vertaling en daarom niets steeds even uitgebreid. Een 
index van dertien bladzijden bevat de woorden en termen, die van belang zijn. 

Ét. Drioton ontleedde den c Zang der vier winden 3 in de sarcofaagteksten (56) ; uit de 
taal blijkt, dat hij op het Oude Rijk teruggaat. Het is een stuk lyrische poëzie, dat wij uit deze 
periode niet kenden. Dat het later nog levend was, blijkt uit het opschrift Wij een scene te 
Beni Hassan, uit het Midden Rijk, waar een vijftal ballerina’s hem opvoeren. Zijn uiteen¬ 
zetting over het theater (55) heb ik niet gelezen. 

In een grafkamer ten Zuiden van Erment, uit den tijd van Amenophis III, vindt men 
een dodenzang naar Dodenboek 130 (120). Den dode zelf wordt een versie van Dodenboek- 
spreuk 125 in den mond gelegd. Interessant zijn de door W. C. Hayes gecopieerde gebeden 
tot zeven góden. Dat tot de maan luidt: 

„O Maan, die nu donker zijt, maar wier glans straalt. Uw wit licht is in het gezicht van 
den Osiris, den Inspecteur van het Schathuis, Sobkmosis. Moge hij uw schoonheid zien, 
moge hij zich over u verheugen, moge hij uw stralen prijzen. Richt de mummie op van den 
Osiris, den Inspecteur van het Schathuis, Sobkmosis. Hij ligt niet op zijn zijde, maar zijn 
armen zijn wijd open om u te verwelkomen. Moogt gij de donkere wegen voor hem ver¬ 
lichten gelijk gij dit gedaan hebt voor (Osiris), den Vermoei de-van-harte. Zie toch, oud 
geworden is de man van cijfers, dé bezitter van verstand in de opvatting der mensen, de 
Osiris, de Inspecteur van het Schathuis, Sobkmosis; hij heeft een graf gebouwd, dat hij 
in uw nome stichtte. Hij heeft dit (?) zijn graf, dat erin is, voorzien van (afbeeldingen der) 
grote góden en met de afbeeldingen van zijn vader en moeder. Hij ( ?) heeft het ruimschoots 
voorzien van offers en van veldvruchten. Moogt gij dit monument van den Inspecteur van 
het Schathuis, Sobkmosis, laten duren van eeuwigheid tot eeuwigheid!” 

De stele van den vizier Weser werd nogmaals behandeld door P. Tresson (215 a). 
R. Weill (247) sluit zich bij H. Junker (zie JEOL II/7, 1940, 312, alsook CdÉ xiv, 1939, 
112 en xvi, 1941, 222-226) aan wat betreft den. samenhang der mww -dansers met de oeroude 
stad Boeto, waarvan zij de zielen voorstellen. Hij wijst echter op het Osiriaanse ervan, vooral 
op het agrarische karakter van den cultus van Osiris, en het steeds voorkomen der mww 
met den tjknw, reeds vanaf de iste dynastie; deze werd in de oorspronkelijke ceremonie 
werkelijk ter dood gebracht voor het heil van den farao. In drie grave^n der xvmde Dynastie 
wordt de reis van den dode naar Heliopolis, Saïs en Boeto afgebeeld. Zij wordt door 
J. Vandier behandeld (222), die in verband ermee spreekt over den dans der mww, den 
ram van Mendes en de djed-zuil. J. A. Wilson schreef over den tijd der balseming, den 
tocht van het sterfhuis naar den Nijl, het oversteken ervan, de verderen tocht naar het 
graf en de plechtigheden die daar plaats vonden, (250). De dode wordt in het Oude Rijk niet 
vereenzelvigd met Osiris, maar hij gaat tot zijn ka en wordt een ach of verheerlijkte. 

Over den god Horus liet S. A. B. Mercer een uitgebreide monografie verschijnen 
(157) ; hierin is zeer veel materiaal over Horus verzameld, maar het zal moeten blijken, 
of zij aller instemming zal hebben. Dat sommige der in dit boek behandelde of aangeraakte 
problemen nog niet voldoende waren onderzocht, blijkt uit het prachtige artikel van Gardiner 
over Horus van Behdet (95). Tot in 1913 had geen enkele Egyptoloog eraan getwijfeld, dat 
van de verschillende plaatsen, die als Behdet in de teksten voorkomen, het huidige Edfoe 
het oorspronkelijke was. In dat jaar ontketende K. Sethe den strijd door het oorspronkelijke 
Behdet te zoeken in het huidige Damanhoer in de Delta. Men mag hier van strijd spreken, 
omdat het veel meer is dan een geografische kwestie. Indien het eigenlijke Behdet immers in 
het Noorden te zoeken is, komt Horus daarvandaan en moet men verklaren, hoe zijn cultus 
zover naar het Zuiden is gekomen. Maar niet alleen op godsdienstig gebied brengt dit conse¬ 
quenties mee, ook op historisch; want Sethe was overtuigd, dat de titels van en de mythen 
over de vroege Egyptische góden een weerspiegeling zijn van de praedynastische geschiedenis 
van Egypte. Zijn uitgewerkte visie gaf Sethe in 1930 in zijn boek over de oergeschiedenis 
en den oudsten godsdienst in Egypte; zijn meesterlijk exposé heeft echter velen niet kunnen 



EGYPTISCHE PHILOLOGIË I94O-I947 


2ÓI 


overtuigen en hun woordvoerder was H. Kees, die nog in zijn laatste boek (1941) de oude 
opvatting verdedigde. Gardiner bespreekt uitvoerig Horus van Behdet als god van Beneden- 
Egypte, Behdet als stad, nome en district van de Delta en de relatie ervan met Smabehdet, 
dat ook als stad en nome voorkomt; eveneens wordt de localisatie, naam en cultus van dit 
laatste behandeld, daarna Horus van Behdet als de gevleugelde zonneschijf en als embleem 
van het verenigde Egypte; tenslotte het achterland van Behdet en de localisatie van Horus’ 
geboorteplaats ik-bi-t of Chemmis 12 ). v Gardiners voornaamste conclusies luiden: Behdet 
van Beneden-Egypte was in of bij het huidige Tel el-Balamoen, maar het Beneden-Egyptische 
Edfoe was Sile-el-Kantara. Boven-Egypte is eens geregeerd vanuit Ombos, waarvan Behdet 
het Beneden-Egyptisch equivalent is. Gardiner ziet zich door de feiten genoopt de theorie 
van een praedynastische verovering van Boven- door Beneden-Egypte aan te nemen; mis¬ 
schien was er zelfs een betrekkelijk grote afstand in tijd tussen deze verovering uitgaande 
van het Noorden en de definitieve, die van het Zuiden uitging. In de periode onmiddellijk 
vóór de Iste Dynastie waren de hoofdsteden in Pe of Boeto en Ne'chen of Hierakonpolis ; 
de valkengod Horus was de hoogste god in beide. Horus’ plaats van oorsprong was niet 
Boeto en zeker niet Damanhoer, dat 30 km ten Zuidwesten ervan ligt. Chemmis bleek niet te 
localiseren. Want men was de juiste plaats, waar Horus vandaan kwam, vergeten en Behdet, 
de meest noordelijke stad van Egypte, bezat een valkcultus; bij de overwinning van het 
Noorden op het Zuiden heeft Horus het epitheton van c diemvan Behdet 0 gekregen. Dit 
epitheton is misschien gecreëerd om den nadruk te leggen op zijn noordelijke afkomst en een 
equivalent te bezitten met nbtj of c di,en van Ombos 0 . 

A. M. Blackman en H. W. Fairman behandelden het heilige drama, dat jaarlijks te 
Edfoe werd opgevoerd (17) ; dit gebeurde om de volgende gebeurtenissen te herdenken: den 
strijd tussen Horus en Seth, de uiteindelijke zegepraal van den eerste en zijn kroning als 
koning van een verenigd Egypte, de verminking van het lijk van Seth en Horus’ triomf voor 
de rechtbank der góden. Het bestond uit een proloog, drie acten, in scène’s onderverdeeld, 
en een epiloog. De vertaling is voorzien van noten en een uitvoerigen commentaar. 

Het artikel van G. Jéquier (128 b) over de drama’s als rituele mysteriën is mij slechts 
als overdrukje bekend; de mysteriën van Osiris werden door G. Nagel besproken (162a). 
Over voorlopers van den zogenaamden Koren-Osiris of Osiris végétant schreef A. Scharff 
(203 b) zij stammen uit de eerste Dynastieën en de praehistorie. De opvattingen over het 
geloof in de verrijzenis werden samengevat door A. T. Nikolainen 13 ). 

In zijn voordracht over den zonnecultus in Egypte besprak G. Nagel (162) o.a. de 
cosmogonie van Heliopolis, de zon en de gerechtigheid, de zon in het dodenrijk, zonnelegenden 
en -hymnen; de hymne tot Aton geeft hij naar de bewerking van P. Gilbert. 

In den laten tijd komen de magische stele’s van Horus op de krokodillen veelvuldig 
voor (zie JEOL 9, 1944, 29-30, n° 17). K. C. Seele (206) publiceerde twee exemplaren, die 
zich te Chicago bevinden; één stamt uit omstreeks 700 v. Chr., het andere is laat-Ptolemseisch. 
B. H. Stricker, die zich de laatste jaren ten zeerste in deze groep voorwerpen inwerkte en 
ons in zijn achtereenvolgende studies erover het materiaal voor een corpus ervan schonk, 
maakte nog enkele aanvullende opmerkingen (214). Intussen zijn weer nieuwe exemplaren 
uit Baltimore bekend geworden (209). In zijn zoëven genoemd artikel behandelt Stricker 
ook nog den zogenaamden geographischen papyrus van Tanis; deze was geschreven in het 
c Huis des Levens 0 en wordt in verband' gebracht met koning Cheops. Schrijver geeft een 
belangwekkende beschouwing over hetgeen bekend is aangaande de litteraire activiteit van 
dezen farao. De papyrus van Tanis is laat geredigeerd, maar het materiaal, waarmee de 
compilator gewerkt heeft, is onloochenbaar zeer oud en stamt voor een aanzienlijk deel zeker 
reeds uit Cheops’ tijd; vooral de systematische wijze, waarop het gegroepeerd is, verraadt de 

12 ) Voor de transcriptie ervan in spijkerschrift, 13 ) A. T. Nikolainen, Der Auferstehungsglaube 
die Ifyibe luidde, zie men J. Friedrich, Keilschrift- in der Bibel und in ihrer Umwelt. I. Religionsge- 
lich-Agyptisches aus der Amarna- und Hethiterzeit, schichtlicher Teil, Helsinki, 1944 = Annales aca- 
in Orientalia Ii, 1942, 109-118, demicae scientiarum Fennicae, B xlix, 3, blz. 1-21. 




2Ó2 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 


263 


hand van den Egyptenaar uit den tijd van het Hellenisme. Ondanks zijn fragmentarischen 
toestand is hij van eminent belangd daar hij 1 ons als eerste met een origineel Hermetisch 
geschrift 14 ) der Egyptenaren bekend maakt. Daarna wordt het geografisch tractaat van 
sectie 2 ervan besproken. Dit handelt over de gouw en haar hoofdstad, de aldaar bewaarde 
relikwie, den god, den priester en de musicerende priesteres; de heilige boot, den heiligen 
boom, den oerheuvel, de feesten, den gruwel of taboe, de slang en het heilige domein. „Het 
Boek van Cheops doet zich kennen als een Summa theologica ; de tabel van het eerste Geogra- 
phische tjactaat, waardevol door de geographische gegevens, in haar vervat, vormt tevens 
een oorkonde, bij uitstek bruikbaar voor de studie van den Oudegyptischen godsdienst. Over 
de ideale inrichting van het Egyptische heiligdom gaf een boek als dat van Imhotep een 
informatie, die zeker uitvoeriger was dan die, gegeven in deze, meer in de breedte dan in 
de diepte uitgewerkte lijst. Maar eeuwen van verwaarlozing en onachtzaamheid hebben 
de oude priesterlijke wijsheid zozeer in vergetelheid doen geraken, dat het weinige, dat hier 
geboden wordt, voor ons toch openbaring is. De begrippen, in de tabel verwerkt, zijn door 
de onderzoekingen der laatste decenniën, zoals deze meer in het bijzonder door de gods¬ 
diensthistorici der zgn. ethnologische school zijn ingesteld, niet geheel onbekend meer. Doch 
geïnventariseerd en ten dele met juistheid geïnterpreteerd, hebben zij tot heden voor ons 
geïsoleerd en zonder onderling verband naast elkander gestaan. Het Tractaat verenigt nu 
wat verspreid uiteenlag en geeft aan de bestaande theorieën over de antieke godsverering 
de bekrachtiging der Egyptische dogmatiek.” 

Er was reeds sprake van den god Hoeroen. W. F. Albright ( 3 ) vatte samen, wat men 
in 194 1 erover wist en beeldde de fayencetegeltjes uit Brooklyn, waarop hij vermeld wordt, 
af. Deze laatsten werden ook door J. Capart behandeld ( 29 ) evenals door G. Posener, die 
verschillende nieuwe voorbeelden gaf ( 187 ). K. C. Seele las echter op de plaquettes te 
Brooklyn niet „den geliefde van Hoeroen”, maar „den geliefde van Hoeroen-Harmachis ,, 
( 205 ). Tevens wees hij erop, dat men niet, zoals P. Montet meende, den naam van dezen 
god kan terugvinden in dien van farao Horemheb ( 204 ); men moet dus de traditionele 
lezing Horemheb behouden en deze niet vervangen door Hoeroenemheb. J. Leibovitch 
( 145 ) publiceerde een stele, uit omstreeks 1200 v. Chr., waarop Amonre, Resjef en Hoeroen 
voor den eersten keer samen voorkomen; hij besprak ook hun samenhang. 

Uit een studie van B. Grdseloff ( 109 ) blijkt, dat de cultus van den god Resjef minstens 
tot onder Amenophis II teruggaat. Hij trekt uit een graffito interessante conclusies voor de 
vocalisatie van den naam Resjef, die ongeveer ersöp moet geweest zijn. Daarna behandelt hij 
een drietal documenten betreffende de godin Anat, Resjef’s gezellin; vooral het ostrakon, dat 
haar feest te Gaza vermeldt, is merkwaardig, evenals de naam van een priester van Baal en 
Astarte, srbhn geheten, en die onder Amenophis iv leefde; daar zijn naam c rots van Beisan 0 
betekent, was hij afkomstig uit noordelijk Palestina., 

Over den god Ptah verscheen een uitgebreide monografie van de hand van Mevrouw 
Holmberg ( 123 ); zij bespreekt o.a. Ptah als schepper, als god van het lot en hemelgod, 
dodengod en konïng, eveneens zijn betrekkingen met andere góden en den oorsprong van zijn 
cultus en de centra ervan. J. Spiegel schreef over de verering van Ptah in Thebe ( 208 ) ; in 
het grotendeels verwoeste graf van Thothemheb bevindt zich de volgende hymne: „Gegroet, 
Ptah, heer der Waarheid, koning der Beide Landen, genadig van gezicht, vader der góden, 
die den hemel hebt opgetild en het bouwland vastgesteld, die al het bestaande schiep, die de 
mensen vormde en de góden deedt ontstaan, die iedereen dagelijks in leven houdt met zijn 
vingers”. 

Van A. Moret verscheen nog een beknopt overzicht van de verschillende groepen 
teksten, waarin Maat een rol speelt ( 161 ) ; hij schetst er ook den culturelen invloed van 
Egypte op Israël en meent, dat de spirituele leer van Maat invloed heeft gehad op de ont¬ 
wikkeling van den cultus van Jahweh, met name op het offer. Ook in Damascus ziet hij deze 

14 ) A. J. Festugière, La rêvélation d’Hermès Tris- ris, 1944; Bgyp te vooral 67-88, 283-296 en index, 421. 
mégiste. I. L’ Astrologie et les Sciences occultes, Pa- 


stroming aan het werk. In den Perzischen tijd, 6de eeuw v. Chr., gaat deze invloed nog 
veel verder naar het Oosten, tot Pasargadae. De bewijzen voor dit alles haalt hij uit de kunst 
(de vreemde kunstenaars geven dogmatische themata der Egyptenaren weer) en de littera¬ 
tuur (invloed der Egyptische wijsheidslitteratuur). 

H. H. Nelson schreef over den god van Medinet Haboe, Amon-verenigd-met-de-eeuwig- 
heid ( 163 ) ; diens beeld was opgesteld in de hut van het koninklijke schip. Hij besprak even¬ 
eens de namen der Thebaanse dodentempels en de koninklijke barken, speciaal die van 
Ramses I, Seti I, Ramses II en III. 

B. Grdseloff behandelde een der oudste godheden, die reeds gedurende de Iste Dynastie 
door Horus van Damanhoer was verdrongen en van wien slechts weinig reminiscenties be¬ 
waard zijn ( 110 ) ; hij was patroon der oogartsen. 

Mejuffr. M. L. Buhl bestudeerde de boomgodinnen ( 26 ). Aan de hand van een keur 
van teksten wordt o.a. dd rol van den boom in de Egyptische cosmogonie besproken, evenals 
in de voorstellingen van het leven na den dood, daarna de boomgodinnen in het Dodenboek. 
T. Capart hield zich in een brochure vooral bezig met de epitheta der godin Nechbet van 
el-Kab ( 30 ). 

F. Bisson de la Roque ( 14 ) zette G. Legrain’s studie uit 1915 voort; hij klassificeert 
alle teksten, die sindsdien over dit onderwerp bekend zijn geworden (Tod, Medamoed, 
Medinet Haboe, Karnak) ; zelf publiceert hij den tekst van een altaar van Ptolemseus iv te 
Tod. Het wezenlijke bij de figuur van Montoe is niet hierin gelegen, dat hij oorlogsgod is, 
maar scheppergod. 

E. J. Baumgartel trachtte vast te stellen, wat aan Herodotus verteld is over de oudste 
geschiedenis van Egypte ( 12 ) ; de god Min was de eerste farao, niet Menes. Ét. Drioton 
besprak de losse en sobere opmerkingen van Cyrillus van Alexandrië over den Egyptischen 
godsdienst van zijn tijd, 5de eeuw na Chr. ( 71 ) ; deze blijken het stempel van hun tijd te 
dragen. Zijn bronnen waren Plutarchus en Porphyrius, evenals dit het geval was met de 
heidenen van zijn tijd. Drioton ( 60 ) publiceerde eveneens een stele (Kairo 85932), die waar¬ 
schijnlijk uit het begin van onze tijdrekening dateert. Zij is afkomstig van een priester van 
Boeto, Gemnefhorbak, en bevat een verzoek tot de bezoekers van zijn graf, zijn naam uit 
te spreken, een verzoek dat reeds in het Oude Rijk werd uitgedrukt. De formulering is echter 
totaal ongewoon en volgens Drioton een Egyptische navolging van Alexandrijnse poëzie. 
Zij werd gevonden in het oostelijke Boeto, dicht bij Tanis, waar vele pelgrims heentrokken 
alle maanden bij volle maan, elk jaar op het feest van Horus en bij hongersnood, wanneer er 
een koninklijke ceremonie plaats vond. Dezelfde auteur schreef ook over de Egyptische 
feesten in het algemeen ( 66 ) ; na besproken te hebben, hetgeen Herodotus erover vertelt, 
behandelt hij hetgeen de overblijfselen ons op dit punt leren. 

A. M. Blackman en H. W. Fairman gaven de eerste vertaling van twee kleinere 
teksten uit Edfoe, waarin kort wordt medegedeeld, hoe aldaar de wijdingsplechtigheden van 
een tempel verliepen ( 18 ). Zij blijken ten nauwste samen te hangen met het ritueel van het 
openen van den mond, waarvan zij gedeeltelijk, misschien geheel, een versie zijn. De opeen¬ 
volging en het karakter der ceremoniën doen veronderstellen, dat zij eerst voltrokken werden 
aan de cultusbeelden en dat daarna de ' c mond van den tempeP zelf werd geopend. Blijkbaar 
heerste de overtuiging, dat daardoor niet alleen de beelden bezield en actief werden, maar 
óok de reliëfs op de muren en het gehele gebouw met toebehoren. 

A. M. Blackman verzorgde de vertaling met uitvoerigen commentaar van het gebed 
des konings bij het aanbieden van vleesspijzen aan Horus van Edfoe ( 16 ). Het gebed is 
een samenvoeging van twee teksten; de eerste en langste blijkt oorspronkelijk de formule 
geweest te zijn van het tafelgebed, dat de koning uitsprak alvorens hij aan een maaltijd deel¬ 
nam; de andere tekst vertoont verwantschap met een tot Sechmet gerichte litanie. De grond¬ 
toon van het gebied is, dat het vlees afkomstig is van de vijanden van Horus. Uit de taal blijkt, 
dat beide teksten uit de xiide Dynastie of zelfs vroeger kunnen dateren. 

J. Vandier behandelt de geschiedenis der offerformule aan de hand van een scene in 
het graf van Wahka te Qaw ( 223 ); het dateert uit de xnde Dynastie. In de tweede helft 



2 64 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


der xide Dynastie wijzigde de offerformule zich in dien geest, dat het koninklijke offer 
aan dien of dien god werd gegeven, opdat deze het aan n.n. geve. Daartoe was het nodig 
verlof te hebben een beeld van den dode in den tempel op te stellen. Hierover heeft prins 
Hepdjefa van Sioet ons uitvoerig ingelicht door de contracten met de dodenpriesters, die 
in zijn graf zijn aangebracht. In dat van Wahka is de enneade der stad vertegenwoordigd 
door negen personen, die elk de offerande van een god aan den dode aanbieden. Hier wordt 
dus in afbeelding weergegeven, wat Hepdjefa in schrift deed. Want de offers van den dode 
zijn in dezen tijd afkomstig van de inkomsten der góden en daarom zal deze zolang offers 
ontvangen als de góden van zijn stad. 

M. Alliot behandelde teksten met erbijbehorende scenes uit den Ptolemseischen tijd 
en later ( 6 ); zij verklaren de jacht des konings met het net. Deze was een symbolisch - 
magische voorstelling van de vernietiging van diens vijanden; de góden zijn getuigen, want 
de vijanden der góden zijn ook die des konings en omgekeerd. Alliot gaat de ontwikkeling 
ervan na in de tempels van Kamak, Edfoe en Esna, en vermoedt dat men de teksten aan 
de liturgische boeken ontleend heeft. 

Ét. Drioton publiceerde een hartscarabee uit de xxiiste Dynastie met een tekst over 
de godin Noet ( 58 ) ; hij leert ons, dat de godin met uitgebreide vleugels op de binnenzijde 
van het sarcofaagdeksel werd afgebeeld om het hart van den overledene te bewaken. 

Volgens de bekende mening van A. H. Gardiner is de opvatting over de betekenis 
der oesjebti's het gevolg van een samensmelting van twee tegenstrijdige zienswijzen: volgens 
de ene zijn zij de afbeelding van den dode en moeten zij in diens plaats werkzaamheden 
verrichten in de onderwereld, volgens de andere zijn zij slaven, die voor hem moeten werken. 
Aan de hand van teksten uit het Nieuwe Rijk onderzocht J. Öerny de opvattingen gedurende 
deze periode ( 36 ); volgens het schrijftafeltje van Rogers, xxiste Dynastie, moeten de 
oesjebti’s op bevel van Amon alle werk voor den dode doen, zonder iets daarvoor van hem 
te eisen, in Dodenboekspreuk 166 worden zij dé slaven van den overledene genoemd, die hen 
heeft gekocht. 

Terwijl W. F. Albright ( 5 ), zoals wij zagen, een zeventigtal Egyptische namen be¬ 
handelde, die in de spijkerschriftteksten voorkomen, onderzocht Mevrouw M. Doresse- 
Guentch Ogloueff ( 115 ) den vorm van een vijftigtal eigennamen uit den laten tijd; zij 
kunnen in dit opzicht in acht categorieën verdeeld worden en bevatten een aanroeping tot 
de góden, bv. ,,Het oog van Amon zij tegen hen”, of „Moge Onoeris hen grijpen”; het 
blijken populaire namen geweest te zijn. Over naamsverandering als straf schreef G. Posener 
( 188 ) ; hij constateerde een drietal procédé's: gedeeltelijke verandering van den naam, ver¬ 
vanging door een nieuwen en het afnemen ervan, dus een damnatio memoriae. Th. Hopfner 
( 124 ) ordende ruim achthonderd namen uit den Hellenistischen tijd; zij zijn gerangschikt 
volgens den naam van den god, die erin voorkomt. Een alfabetische lijst der namen aan het 
einde vergemakkelijkt het opzoeken. Wat het godsdiensthistorische gedeelte betreft, is het 
slechts een voorstudie. Voor dezelfde periode merkte W. Peremans op, dat men in het 
algemeen kan zeggen, dat de drager van een Grieksen naam Griek is en die van een Egyp- 
tischen, Egyptenaar ( 173 ). Deze verhouding is zo gebleven gedurende de gehele periode der 
Ptolëmseen. 

Het verhaal van den Prins en het Noodlot werd door J. Honti van folkloristisch stand¬ 
punt behandeld (zie mijn samenvatting in BiOr 4, 1947, 27, n° 7). Ook VI. Vikentiev ( 234 ) 
stelde een folkloristisch onderzoek in bij enkele verhalen; hij besprak het zoeken naar de 
onsterfelijkheid, waarvan het verhaal der Twee Broers slechts een bepaalde versie is. Hij 
gaf ook een nieuwe opvatting van< den Levensmoede: uit de materiële dispositie van het 
Berlijnse handschrift blijkt, dat deze tekst bedoeld was om op magische wijze het erop 
volgende verhaal van den Herder zijn kracht te ontnemen; daarom zijn hiervan begin en eind 
weggelaten. De Herder is de Egyptische bewerking van het Gilgamesj-epos, waarin de ziens¬ 
wijze der Semieten over de waarde van het leven en de voorwaarden der onsterfelijkheid 
worden uitgedrukt. De Levensmoede geeft het Egyptische standpunt weer en ontkent de 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 


265 


waarde der vriendschap, van den goeden roep en van hét leven zelf en verheerlijkt slechts 
het geluk van het hiernamaals. De Herder is ontstaan in het midden der xiide Dynastie, en 
men heeft bij zijn samenstelling gebruik gemaakt van den uit de eerste tussenperiode dateren- 
den Levensmoede. De Schipbreukeling is eveneens geïnspireerd door het verhaal der Twee 
Broeders en maakt gebruik van de episode, waarin het palladium wordt gezocht; men vindt 
deze episode ook in het Gilgamesj-epos. Volgens G. A. Wainwright (238 a) heeft de maker 
van het verhaal van den Schipbreukeling bij de beschrijving van het eiland een bepaald eiland 
voor ogen gehad, en wel het St. Janseiland of Gezïret Zeberged in de Rode Zee, een weinig 
ten Zuidoosten van het klassieke Berenice. 

A. Piankoff beschreef den nachtelijken tocht der zon en de monsters van de onder¬ 
wereld, vooral de slangen, aan de hand der teksten van het Boek der Holen ( 179 ) ; daarna 
haalt hij een drietal teksten aan uit de Koptische apocrief en, waarin het verblijf der doden 
ter sprake komt. Hij gaat echter niet in op punten van overeenkomst. Voor alles wat slangen 
betreft zie men ook het uitgebreide werk van L. Keimer ( 133 ). 

Gardiner constateert, hoe weinig wij eigenlijk weten van de geografie van den farao- 
nischen tijd ( 97 ), en illustreert dit met een voorbeeld. Het Koptische Atripe, dat teruggaat 
op het Egyptische h-t-rpj-t, is door de Grieken Triphion genoemd. Men kan dus niet 
spreken van het Griekse Athribis van Boven-Egypte. Zijn conclusie is, dat dé geografie 
geheel en al herzien moet worden. Over de lezing van den naam der hoofdstad van de vierde 
nome van Beneden-Egypte schreef G. Posener ( Revue d’égyptol 4, 1940, 228-229). Gar¬ 
diner toonde met een overvloed van materiaal aan, dat de Grieken het Egyptische V hn {. t) 
n mr-wr vertaald hebben als :$ M olpiog het meer van Moeris; Moeris of mr-wr, d.w.z. het 

grote kanaal, was het laatste stuk van den Bahr Joessoef, meestal echter de ernaar genoemde 
stad; deze is zeer waarschijnlijk identiek met het huidige Kom Medinet Goerab, ook bekend 
als Goerob ( 101 ). 

G. Lefebvre gaf een bespreking van den naam van een aantal pyramides vanuit syntac¬ 
tisch oogpunt ( 141 ). Daar bij de schrijfwijze van zulke namen allerlei metatheses optreden, 
is het nodig het zinstypè eerst te onderkennen. In een ander artikel constateerde hij, dat 
koningin Taoesert achtereenvolgens de gemalin was van Merneptah-Siptah en Seti II ( 143 ). 

Verschillende auteurs hielden zich bezig met koning Menes (zie ook 12 en 77 ). VI. 
Vikentiev ( 235 ) legde er nogmaals den nadruk op, dat de identificatie van den legendari- 
schen Menes met enigen bekenden koningsnaam nog steeds niet mogelijk is. Volgens 
B. Grdseloff staat op de plaquette van Negada wel degelijk mni ( 114 ), en kan men dit op 
palseografische gronden uitmaken. Deze naam is de nbtj- naam van dezen farao, zijn Horus- 
naam luidt Narmer, zijn zoon was Aha ( c h 3 ). In dezelfde bijdrage merkt hij op, dat de naam 
van den zogenaamden koning Slang (4de farao der Iste Dynastie) w*dj luidde (zie ook 
Revue d’égyptol. 4, 1940, 221-222) ; farao Peribsen is de zoon en opvolger van Sethenes 
(snd) en heeft den cultus van Seth in de Delta ingevoerd. J. Capart was overtuigd, dat de 
Horus-naam van Menes Nar luidde, diens tweede naam Mer ( 27 ). 

Over de xide Dynastie schreef H. E. Winlock ( 256 ) ; de zes farao's waaruit zij bestond, 
regeerden samen 136 jaar en wel van 2143-2007 v. Chr. Tevens publiceerde hij een fragment 
van een leistenen kom uit Lisjt met de namen van Nebtawire-Mentoehotep v en Amenemhat I 
( 254 ); deze laatste was vizier van den eerste en volgde hem op. In zijn bespreking van de 
volgorde der xide Dynastie merkte hij op, dat Mentoehotep II en III dezelfde persoon zijn 
geweest. Over een nieuwen koning uit den tijd na de xiide Dynastie schreef R. Weill 
(Revue d’égyptol. 4, 1940, 218-220), zoals J. Vandier mededeling deed over Quelques 
nouvelles hypotheses sur la fin du Moyen Empire égyptien (Journal des Savants 1944, 154- 
168), naar aanleiding van het boek van H. Stock (zie JEOL 9, i944> 38, n° 71, CdÉ xix, 
1944, 258 en Orientalia NS , 13, 1944, 183-186). 

T. Save-Söderbergh behandelde de Nijlvloot en haar rol bij de verdrijving der Hyksos 
en de verovering van Nubië ( 202 ) ; men vindt er eveneens een behandeling van de expedities 
naar Poent, de Egyptische vlootactiviteit in het oostelijke bekken der Middellandse Zee, 
de organisatie der vloot en haar personeel. 



266 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 


267 


Voor den door Glanville uitgegeven bundel schreef J. W. S. Sewell een artikel over 
de kalenders en chronologie, R. W. Sloley over astronomie, mathematica, maten en ge¬ 
wichten ( 107 ). Fl. Petrie gaf een kort overzicht, in 161 paragrafen, van datgene, wat men 
in Egypte wist op gebied van astronomie, arithmetica en geometrie, schrift, tekenen, muziek¬ 
instrumenten, maten en gewichten, verlichting, bouwen, mineralogie en metaalbewerking, 
hout- en leerbewerking, pottenbakkerij, landbouw en transport ( 174 ). Hier en daar geeft hij 
zeer persoonlijke opvattingen. Inhoudsmaten, waarvan de meeste hierop betrekking hebbende 
inscripties vertonen, werden gepubliceerd door A. Lucas en A. Rowe ( 150 ). Een inleidend 
overzicht der Egyptische wiskunde, bestemd voor Deense lezers, werd verzorgd door 
E. Lundsgaard ( 151 ), terwijl O. Neugebauer over de astronomische documenten schreef 
en over wat zij ons leren ( 167 ) ; hij behandelde eveneens bepaalde teksten over de pla¬ 
neten ( 165 a), terwijl E. Delporte op een der teksten een aanvulling gaf ( 48 ). M. Strac- 
mans en G. Libon schreven over de planeet Venus ( 212 ) ; de morgenster heette dw*w en 
hfzcu . t en waarschijnlijk kende men reeds in het Oude Rijk de identiteit van avond- en 
morgenster. Neugebauer behandelde nogmaals den oorsprong van den kalender ( 165 ) ; 
iedere theorie, die hiervoor een astronomisch en grondslag aanneemt, is volgens hem tot 
falen gedoemd. De samenstellende elementen (overstroming, Sothis, belastingkalender en 
maan) hebbend convergerend, maar onafhankelijk gewerkt. Het artikel van H. E. Winlock 
over hetzelfde probleem ken ik slechts uit een bespreking ( 253 ) ; hij sluit zich aan bij de 
opvatting van A. Scharff, die in 1927 verdedigde, dat de kalender in 2773 v. Chr. is inge¬ 
voerd. 

A. H. Gardiner ( 96 ) gaf een uitvoerige en duidelijke uiteenzetting der datering 
in de verschillende perioden der Egyptische geschiedenis. Hij houdt vast aan de inter¬ 
pretatie der feiten zoals K. Sethe deze heeft gegeven, maar besluit uit nieuwe gegevens tot 
enkele kleinere wijzigingen. R. Weill ( 246 ) constateerde, dat het juiste Jaar, d.w.z. het 
jaar, waarin de jaargetijden met de werkelijkheid overeenkomen, terloops vermeld wordt in 
papyrus Chester Beatty 1 (verso C, 1, 1-2). 

Gardiner ( 98 ) leidde uit de Berlijnse leren rol af, dat, indien de tekst correct is, de 
plechtige zitting van het hof voor Sesostris I plaats vond bij den tweeden verjaardag van zijn 
optreden als alleenheerser, niet als mederegent van Amenemhat I, en dat wanneer een koning 
spreekt van zijn verschijnen of epiphanie, hij daarmee den datum bedoelt, waarop hij alleen 
aan de regering is gekomen. 

L. H. Wgod stelde als werkhypothese op, dat de tekst die spreekt van de nieuwe 
maan op den 2Ósten dag van de 10de maand in het jaar 30, gebaseerd is op den maankalender 
( 257 ). De koning, in wiens zevende jaar een hdiakische opgang van Sirius plaats vond, is 
Sesostris III; zijn regering begon 6 December 1879 v. Chr. Het eerste jaar van Amenemhat 
begon 3 Januari 1991 v. Chr. De zojuist genoemde hdiakische datum was kort tevoren ge¬ 
bruikt door W. F. Edgerton ( 74 ), om het tijdsverloop van Amenemhat I tot Sebeknefroere 
te stellen tussen ± 1989 v. Chr. tot di 1776 v. Chr. R. Weill ( 248 ) leidde uit teksten en 
archeologische gegevens af, dat er tussen het einde van de xiide Dynastie (Amenemhat iv) 
en het begin der xvmde (Ahmosis) slechts dertig jaar verlopen zijn, wellicht nog minder. 
De absolute data worden dan voor de xiide Dynastie ± 1790-db 1590, het begin der 18de 
± 1555 v. Chr. Ook de synchronismen met Mesopotamië laten dit toe; men zie ook 
Weill’s artikel in CdÉ xxi, 1946, 34-43, met opmerkingen van J. Capart, ibid. 44-45. 
Neugebauer besprak eveneens het synchronisme tussen Mesopotamië en Egypte ( 164 ) ; 
het einde der xude Dynastie en Hammurabi vallen beide ongeveer 1800 v. Chr. Over een 
indirect synchronisme tussen beide landen schreef W. F. Albright ( 4 ) ; zoals men reeds 
wist, komt de vorst Entin van Byblos voor op scarabeeën en vermeldt een inscriptie hem 
als tijdgenoot van Neferhotep, den best bekenden farao der xmde Dynastie, terwijl hij in 
het archief van Mari (zie JEOL II/7, 1940, 445-452 en BiOr I, 1943-1944, 55-58, 76-79, 
101-105; II, 1945, 55-56, 63-67) als tijdgenoot van Zimrilim wordt genoemd. Uit een over¬ 
zicht van het gehele materiaal concludeert Albright, dat dit ± 1730 v. Chr. moet zijn 
geweest. M. B. Rowton ( 200 ) besprak het synchronisme van Achnaton en Assuruballit, 


1358 als sterfjaar van Amenophis iv is niet verenigbaar met het begin der regering van 
Assuruballit in 1357 of waarschijnlijk zelfs in 1356. In de zogen, era van Menophres is met 
het laatste Memphis bedoeld en houdt Theon dit ten onrechte voor een koning. 

In een eerste artikel ging J. Cerny ( 42 ) nogmaals na, welke gegevens over de chrono¬ 
logie der xxiste Dynastie bewaard zijn in de kamer, waar op het einde der vorige eeuw 
de koninklijke mummies uit het Nieuwe Rijk te Deir el-Bahri zijn teruggevonden. Door een 
nieuw onderzoek der teksten blijkt de geschiedenis der cache veel eenvoudiger te zijn dan 
men ooit vermoed heeft. R. A. Parker behandelde drie kwesties uit de eerste Perzische 
overheersing van Egypte ( 171 ), namelijk den datum der troonsbestijging van Darius I, den 
datum en de reconstructie van een bladzijde van het c dagboek° van het arsenaal te Memphis 
en de Perzische en Egyptische manier van dateren. Afzonderlijk schreef hij ( 172 ) over den 
Egyptischen veldtocht van Darius; deze verliet Perzië in den nazomer van 519 v. Chr. om 
naar het Nijldal te trekken en keerde in de lente (?) van 518 terug. 

Met de medewerking van Hughes behandelde Neugebauer een zestal horoscopen 
( 166 ); vijf ervan staan op ostraka, die in transcriptie en vertaling worden medegedeeld. Hun 
inhoud is ten nauwste verwant met de Griekse astrologische litteratuur en de afbeeldingen 
der Ptolemaeische en Romeinse monumenten. De echf Egyptische opvattingen waren op 
astronomisch gebi'ed geheel anders, zoals nog uit een Demotischen tekst blijkt. De Demo- 
tische horoscopen zijn dus vertegenwoordigers van de Hellenistische wereld, die meer het 
begin der Middeleeuwen is dan de afsluiting van de oudheid. 

Daar wij van vele woorden slechts de algemene of vage betekenis kennen, is het nood¬ 
zakelijk, dat er nog veel detailonderzoek plaats vindt. Een mooi voorbeeld leverde B. Grdse- 
LOFF ( 108 ) in zijn studie over het ibw gefheten gebouw, dat bij de begrafenis werd gebruikt 
en waarvan de zogen, daltempel der pyramiden de monumentale vorm is; ook onderzocht 
hij de ermee verband houdende begrafenisriten. J. J. Clère ( 44 )' is reeds de derde, die 
zich bezighield met de betekenis van het werkwoord sbi en stelt als voorlopige vertaling voor 
„in vuilen toestand (?) een graf binnengaan”. G. Posener ( 190 ) stelt als emendatie van 
Admonitions 3, 14 en als vertaling ervan voor: „Het is zo, hij die niets bezat, is (nu) 
iemand, die bezit heeft.” Een regel uit de profetie van Neferrohoe vertaalt hij ( 191 ) : „Nefer- 
rohoe is een geleerde uit het Oosten, hij behoort aan Bastet in haar Oosten (d.w.z. de 
oostelijke Delta) en is een kind van de gouw van Heliopolis.” Ook G. Lefebvre verbeterde 
enkele vertalingen: „Ik zal gaan om te zeggen” (dd • \; Westcar 12, 12) ; „Zijn oudste broer 
sloeg tot tweemaal op zijn hand” (d’Orbiney 6 , 8) ; „Ik maakte den weg, die naar Thebe 
leidt, tot een weg voor voetgangers om U talrijke offers te brengen” (Harris I, 7, 3). 
J. C-ERNY merkte op, dat het begin van den Prins en van d’Orbiney grammaticaal goed ver¬ 
klaard kan worden ( 37 ; contra A. Erman, Neudgyptische Grammatik, § 106). G. Posener 
( 186 ) besprak de passage van papyrus Anastasi I, 12, 6-8; hierin wordt kdrdj, de vorst van isr, 
in een boom verrast door het dier htmtf. Posener vergelijkt deze passage met een rjeliëf uit 
den tempel van Loëksor, waarop staat afgebeeld, hoe een beer iemand in de kuit bijt, terwijl 
hij in een pijnboom klimt. Misschien wordt hier genoemde passage geïllustreerd. Met htm-t 
blijkt de beer bedoeld te zijn. J. A. Wilson ( 251 ) ziet in het woord mwcd van Wenamon 
2, 71 een weergave van het Hebreeuwse n'D' vergadering, raad. Volgens G. Lefebvre 
{Revue d’ êgyptol. 4, 1940, 224-225) is een zin in Kairo 34501 op een verkeerde plaats in den 
tekst terecht gekomen; de betreffende passage kan men vinden bij C. E. Sander-Hansen, 
Historische Inschriften der ip. Dynastie, Teil I, Brussel, 1933, blz. 1, regel 10 der inscriptie. 
G. Lefebvre ( 139 ) behandelde eveneens eemachttal plaatsen uit de stele van Bechten (zie ook 
dit Jaarb. blz. 237 e.vv.); zijn nieuwe vertalingen zijn te danken öf aan verbeterde lezingen 
van het origineel óf aan een andere interpretatie. Aan de hand van veertien plaatsen uit 
de Egyptische teksten besprak hij den idealen leeftijd der Egypténaren en wees erop, hoezeer 
zij aan het aardse leven gehecht waren ( 140 ). In een andere voordracht voor dezelfde 
akademie wees hij op den Egyptischen oorsprong van een episode van een der verhalen uit 
Duizend en een Nacht ( 138 ). In het Egyptische verhaal van Waarheid en Leugen (vergel. 
JEOL, I, 24-26) wordt de jonge held door zijn makkers in moeilijkheden gebracht, doordat 










268 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


deze naar den naam van diens vader vragen; dit is eveneens het geval met den jongen Agib, 
die in Duizend en een Nacht optreedt in de geschiedenis van Noereddin Ali en Bedreddin 
Hassan. Tussen beide ziet Lefebvre een frappante gelijkenis wat essentiële details betreft. 
Men mag minstens veronderstellen, dat het Egyptische verhaal den Arabier door mondelinge 
overlevering bekend was; voor een parallel uit hetzelfde verhaal bij Plutarchus zie men JBA 

2 7 , 1941, 158-159- 

J. Capart ( 28 ) wilde den bovensten tekst uit het graf van Nebamon anders lezen dan 
Gardiner en ziet in den kleineren tekst een graffito van een schrijver, die in de oudheid het 
graf bezocht en enthousiast was over de schoonheid der schildering. 

Volgens R. Weill ( 244 ) werd de lange zweep ( shn of shr) als vogelverschrikker ge¬ 
bruikt, omdat zij een geluid als een knal gaf; hij haalt een moderne parallel aan en ziet in het 
voorwerp een causatieven vorm van hn, wijken, teruggaan, en hrl, ver zijn. 

De lezing van het woord voor vader (j ^ e.d. werd opnieuw herhaaldelijk besproken. 

B. Grdseloff ( 81 ) betoogde, dat een symbolisch ideogram is voor het begrip c vader°; 
dit woord luidde it(i) ; de waarde is ontleend aan het woord wfi, slang. R. Weill 

( 243 ) sloot zich bij hem aan. Daarentegen zette L. Keimer ( 131 ) uiteen, welke bezwaren 
hiertegen van dierkundig standpunt bestaan. Hij merkte tevens op, dat met bs of nbs de 
borstbezieboom wordt aangeduid ( 130 ). J. Leibovitch stelde een iconografisch onderzoek in 
naar den griffioen ( 146 ) ; het eerste gedeelte (blz. 1-21) is gewijd aan de verschillende namen 
ervan in het Egyptisch. 

B. Gunn constateerde, dat de samengestelde praepositie hr tp, later vervangen door 
hr d*ds, c naast° betekent, tp m*c c begeleidend°, en iti m c bezit nemen van 0 ( 117 ). H. W. 
Fairman ( 82 ) besprak uitvoerig een drietal woorden uit de Ptolemaeische teksten, die 
verkeerd of niet gelezen waren door het Woordenboek, of waarvan de juiste lezing vroeger 
wel was' opgemerkt, maar weer verloren was gegaan; het zijn een epitheton van Isis en 
Nephthys ( rhtj ), wier functie als rhtj wordt besproken, de naam ph *4 of p( 3 )h 4 (?) voor 
de urseus en een woord voor pasta om te zegelen (s*w). J. Gerny schreef over de Egyptische 
prototypen der Griekse en Koptische namen der maanden ( 40 ), ,en geeft tevens een lijst 
der Aramese vormen. Tybi blijkt van *P c ( 3 )b 4 , het offer/ te komen; hij kon dit opmaken 
uit een papyrus te Kairo, die een kalender van gunstige en ongunstige dagen bezit, zoals 
papyrus Sallier iv, maar meer volledig is. Ook betoogde hij ( 39 ) tegenover R. Weill 
(Revue d'égyptoL 4, 1940, 225-227), dat het kruisachtige teken in een inscriptie te el-Arisj 

niet voorstelt maar ; in het bij Herodotus voorkomende woord voor krokodil, 

yoc^ou, zit wel msh, krokodil, zoals men algemeen aanneemt, maar dan met het onbepaalde 
lidwoord van den pluralis. De % om den h-klank weer te geven blijft echter vreemd. Ook 
dient de vroegere verklaring van den koningsnaam M tsfitèog bij Manetho (uit mr p-bU) ge¬ 
handhaafd te blijven. R. C. Steuer ( 210 ) verdedigde, dat cntjw een product was, dat over¬ 
eenkwam met wat de Grieken (rpcvpva, noemden; hieruit werd een olie met sterken reuk 
bereid, de der Grieken. Deze heette in Egypte md 4 . Over een spelling van cntjw 

schreef M.. Alliot ( Revue d'égyptol. 4, 1940, 227-228). Over Egyptische woorden, die bij 
Gricks-Romeinse schrijvers bewaard zijn, schreef Janssen ( 128 ). 

J. Capart schonk ons een allerprettigst boekje over hiërogliefen en alles, wat ermee 
samenhangt ( 31 ). Van het begin tot het einde weet hij de belangstelling van den lezer gaande 
te houden en hem op bevattelijke wijze allerlei wetenswaardigs over de Egyptenaren te 
vertellen. Naar aanleiding van een artikel van D. Diringer over The Origin of the Alphabet 
(Antiquity 17, 1943, 77-90, met 7 afb.) stelde R. C. Faulkner de kwestie, of de Egypte¬ 
naren een alfabet bezeten hebben ( 86 ). Schrijver houdt vol van wel, in zijn repliek (o.c. 
208-209) houdt Diringer vol van niet; volgens hem geeft in een echt alfabet elk teken als 
regel slechts één klank weer, en iedere klank wordt voorgesteld door een enkel onveranderlijk 
symbool, terwijl in het Egyptische schrift verschillende tekens bestonden .voor denzelfden 
klank; deze kon dus op verschillende manieren geschreven worden. Over den /-klank in het 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-1947 


269 


Egyptisch sprak V. Loret (La lettre L dans 1 ’Alphabet hiêroglyphique, CR AIBL 1945, 
236-244). 

W. F. Edgerton ( 73 ) stelde een uitvoerig onderzoek in naar de betekenis der groeps- 
spelling, naar aanleiding van W. F. Albright’s V ocalization (zie JEOL I, 174). Edgerton 
concludeert, dat Albright’s syllabische theorie der groepsspelling zeker niet bewezen is, en 
dat het materiaal sterk tegen diens opvatting pleit. Wel geeft hij toe, dat de moeilijkheden de 
theorie van Albright niet definitief weerleggen, alsook, dat het mogelijk is, dat enkele 

groepen als fonetische spelling bedoeld zijn, bv. j_j | voor ku en voor rin, ofschoon 

de groepsspelling in het algemeen zeker evenmin de klinkers aangeeft als de gewone Egyp¬ 
tische spelling. Volgens zijn vaste overtuiging heeft geen enkele Egyptenaar van de xixde 
Dynastie of vroeger op enigerlei wijze getracht klinkers weer te geven. 

Het boek van W. B. Emery en Z. Y. SaAd bevat op de bladzijden 83-112 ruim negentig 
hiërogliefische tekens uit de eerste dynastie ( 77 ) ; naar aanleiding van vier dezer tekens 
maakte A. Rowe enkele opmerkingen ( 198 ). Over twee woorden in het eveneens door 
W. B. Emery gepubliceerde graf van Hemaka, uit de Iste Dynastie, schreef G. Lefebvre 
(Revue d'égyptol. 4, 1940, 222-223), over een vermelding der godin Mafdet in hetzelfde 
graf G. Bernard-Delapierre (Revue d'égyptol. 4, 1940, 220-221). In het oude Rijk komt 
sporadisch de ezelskop als hiëroglief voor; terwijl H. Junker (Giza v, 1941, 48) dit teken als 
swsw las, leest Grdseloff het smn ( 114 ); het betekent c meten°. 

M. Korostovtsev ( 134 ) sprak over de hand in de taal der Egyptenaren en in hun 
schrift. Hij wilde met enige karakteristieke feiten uit beide aantonen, dat hier de sporen 
bewaard zijn van een gebarentaal, die bij de praehistorische Egyptenaren in gebruik was en 
wil op deze wijze de theorie van Lévy-Brühl en zijn landgenoot Marr steunen; hij koos daar¬ 
toe de woorden voor hand en de verwante woorden (c, rmn, dbc, enz.). 


Volgens B. Grdseloff ( 112 ) moet: 


endj lezen, en betekent het douanebeambte; 


deze komt in rang onmiddellijk na den of gouverneur. Zoals rpw * t de titel der prinsessen 


van Beneden-Egypte is, is hts 



die van Boven-Egypte. De koningin droeg als op¬ 


voedster der prinsessen en ook der prinsen den titel wr • t hts; ts mdh betekent leerling wor¬ 
den; hieraan knoopt Grdseloff enkele opmerkingen over de uiterlijke organisatie der paleis¬ 
scholen in het Oude Rijk; tbw -4 blijkt de loopplank te zijn; in het Oude Rijk was iemand 
in de omgeving des konings speciaal belast met de zorg voor de loopplank voor koninklijk 

gebruik. De lezingvvan het teken Jj^ is volgens A. H. Gardiner onzeker; Grdseloff stelt 

de lezing sm* vast ( 113 ); het dient om den titel van den -priester te schrijven; deze 
was aan den cultus van Min verbonden en aan dien van zijn reïncarnatie, den farao. Zijn 
priesterlijke functie en de betekenis van het symbool worden besproken. 

H. W. Fairman ( 81 ) schreef een geweldig artikel over de eenlettertekens, die in de 
Ptolemaeische inscripties van den tempel van Edfoe worden gebruikt. Hij geeft een lijst 
van 320 tekens, die de waarde van een éénletterteken kunnen hebben. Tevens vindt men er 
een theoretische uiteenzetting der beginselen, die aan dit systeem ten grondslag gelegen 
hebben; dit zijn er een tiental, bv. het gebruik van oude tekens in nieuwe vormen of waar 
het voorwerp in een ander aspect wordt weergegeven, verwarring van tekens, een enkele 
maal het rebusbeginsel of de acrophonie; het voornaamste is echter het consonantal principle ; 
hieronder verstaat hij het volgende: een meerletterteken, dat onder bepaalde omstandigheden 
gereduceerd was tot één medeklinker, kan gebruikt worden als een éénletterteken; deze over¬ 
blijvende consonant kon op elke plaats van het woord voor komen, waar het op aankwam 
was, dat hij de enige sterke medeklinker in het oorspronkelijke woord was. Naar aanleiding 
hiervan gaf Fairman een fundamentele beschouwing over het wezen van het hiërogliefen¬ 
schrift, waarin dit beginsel volgens Fairman steeds, zij het soms latent, aanwezig is geweest. 
Wij hebben hier dus met een normale ontwikkeling te doen. Ét. Drioton ( 64 ) verzette zich 
tegen het consonantal principle van Fairman en ziet in het gebruik van de talloze nieuwe 







270 


EGYPTISCHE PHILOLÖGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 


27I 


éénlettertekens der Ptolemseische inscripties een toepassing van het rebusbeginsel der^crypto- 
graphie. Zij hebben dus een kunstmatig karakter. Fairman antwoordde hierop ( 83 ) met een 
artikel van meer dan tachtig bladzijden. Hij wijst erop, dat het systeem van spelling en gram¬ 
matica in de Ptolemseische tempels in het algemeen eenvormig is, hoewel iedere tempel weer 
aparte eigenaardigheden heeft. Daarna bespreekt hij de beginselen der spelling, die men op be¬ 
paalde manier heeft toegepast; het zijn het gebruik van ideogrammen; het ruime gebruik 
van woordspelingen en rebusspellingen; deze komen voort uit het verlangen naar afwisseling 
en misschien ook uit de bedoeling, de lezing ingewikkeld te maken; ten derde de verwaar¬ 
lozing der zwakke medeklinkers en het slijtageproces der taal. Tegen de acrophonie verzet 
hij zich ten zeerste en polemiseert met Drioton. Fairman acht acrophonie in enkele ge¬ 
vallen mogelijk, maar niet als regel en beginsel. 

In een artikel, dat den omvang van een boek heeft, behandelt Drioton ( 52 ) een 
negental cryptographische teksten; zij zijn van groot belang om de pegels van het officiële 
geheimschrift te leren kennen, omdat zij bijna allen gediend hebben als versiering van 
tempdmuren. Dit systeem wordt eveneens behandeld, terwijl een overzicht der hier voor¬ 
komende cryptogrammen het geheel besluit. Hij ontdekte ook een nieuw sooH geheimschrift 
( 67 ). Op een schrijfpalet en. het deksel der bijbehorende schrijf necessaire bleek dezelfde 
inscriptie tweemaal voor te komen en wel zo, dat op het deksel de tekens willekeurig door 
elkaar zijn gegooid. Het beginsel, indien men hier nog van beginsel mag spreken, is dat van 
de plaatsverwisseling der tekens. Drioton geeft nog een tiental voorbeelden, meest van 
scarabeeën afkomstig. Men begrijpt, dat voor het lezen van dergelijke inscripties noodzakelijk 
is, dat de tekst bekend moet zijn of geraden kan worden, en dit is uiteraard alleen bij korte 
teksten mogelijk. 

Bij de ontdekking van het beroemde Serapeum te Alexandrië, in 1943, vond men 
verschillende plaatjes met een tweetaligen tekst, in Grieks en Egyptisch ( 199 ). Deze laatste 
is in geheimschrift geschreven. Hier hebben wij dus een cryptographischen tekst, waarvan de 
vertaling vaststaat en dit is van groot belang bij de beoordeling van het feit, of de beginselen, 
die Drioton bij het lezen van andere teksten in geheimschrift heeft toegepast, juist zijn, te 
meer gezien de controverse Fairman-Drioton over het wezen van het Ptolemseische schrift¬ 
systeem. Het blijkt, dat 'het acrofonische beginsel, door Drioton verdedigd, de beste, 
zo niet de enige verklaring geeft. 

Hij wijdde nog verschillende kleinere bijdragen aan het geheimschrift, bv. in het 
boek van Piankoff over het Boek van den dag en den nacht ( 181 ) ; ook handhaafde hij zijn 
lezing, die bestrèden was geworden, van een cryptogram van Montoe-emhat ( 62 ) ; hij bestu¬ 
deerde eveneens een papyrus uit den Grieks-Romeinsen tijd met verschillende passages in 
geheimschrift ( 57 ) ; twee ervan geven tevens de transcriptie in normaal schrift, bij de beide 
andere moest uit den samenhang blijken, in welke richting de interpretatie moest gezocht 
worden; een cubusbeeldje van een priester van den god Ptah bevat een opschrift, waarvan 
een zinnetje cryptographisch geschreven is ( 68 ). De reden is in dit geval waarschijnlijk in 
den inhoud ervan te zoeken; daar deze luidt „Ik heb Ptah met mijn armen in de hoogte 
gedragen”, vond men het blijkbaar niet passend, aan iedéren lezer duidelijk te maken, welke 
rol Iwefanch bij de processies had gespeeld. VI. Vikentiev ( 236 ) behandelde enige uit¬ 
zonderlijk geschreven woorden, die in den cenotaaf van Seti I te Abydos voorkomen. Hij 
stelt eerst de beginselen der hier toegepaste spelling vast, en past deze dan toe op een 
viertal passages, dat nog niet verklaard was, evenals op een tweetal woorden, wier spelling hij 
anders verklaart dan de Buck. 

Naar aanleiding van de beroemde passage in de Stromata van Clemens Alexandrinus 
(v, 4) bespreekt Drioton ( 61 ) de manier, waarop men kan verklaren, dat bepaalde letter¬ 
tekens van het hiërogliefenschrift in den Romeinsen tijd als klinkers zijn opgevat. Dit moet 
dus ook de opvatting van Clemens geweest zijn, zodat men de uitdrukking toc irpoórx (jtoijsix 
als c voornaamste elementen 0 moet vertalen. L. Keimer ( 132 ) behandelde enkele passages van 
Horapollo (I, 27, 36, 53, 54 en II, 21, 35). 

Horapollo’s geschrift is vooral bekend wegens den geest, die eruit spreekt en die, 


na Ath. Kircher, nog steeds mede oorzaak is, dat hiërogliefen en Egypte bij velen de 
associatie van iets geheimzinnigs en mystieks oproepen. Een verwante mentaliteit vindt men 
in de brochure van A. Varille ( 232 ) ; deze geeft eerst een beschrijving van stele D 52 
te Genève volgens de bestaande archeologische gewoonten, daarna wijzend op de vele eigen¬ 
aardigheden der compositie, tracht hij den dieperen zin te benaderen. In voorwoord en 
commentaar wordt de mentaliteit der Egyptenaren geschetst, echter meer origineel dan 
overtuigend. 

Van grote belangstelling voor het Egyptische denken getuigt ook het boek van A. M. 
Frenkian (90 a). De eerste veertig bladzijden van zijn boek behandelen het probleem van 
Oosters,en invloed op de Griekse filosofie; de schrijver houdt zich in hoofdzaak aan datgene, 
wat Th. Hopfner in 1925 hierover heeft gezegd, en wijst erop, hoe de Oosterse en Helleense 
geest geheel verschillend zijn. Daarna (blz. 43-104) behandelt hij uitvoerig de schepping 
door de gedachte en het woord volgens de insqriptie van Sjabaka (zie JBOL II/7, 1940, 310 
en 9, 1944, 33, n° 34) ; hij drukt achtereenvolgens de vertaling van J. H. Breasted, G. 
Maspero, A. Erman, K. Sethe, en H. Junker af, daar deze den lezers, voor wie het 
boek bedoeld is, niet gemakkelijk ten dienste staan. Vervolgens bespreekt hij de Memphitische 
scheppingsleer en beschouwt ze in verband met de vele andere voorstellingen, die op dit 
punt bestaan hebben. Hij wijst op de zuiverheid van de Egyptische opvatting der creatio ex 
nihilo, die zich realiseert door middel van de gedachte, die in het hart wordt gelocaliseerd, 
en uitgesproken door den mond van Ptah. .De essentiële verandering, die het Platonisme 
gedurende de eerste eeuw vóór en na Christus inzake de ideeën-leer onderging, is een 
gevolg van Egyptisohen invloed. Tot slot (blz. 51-166) geeft hij nog enige beschouwingen 
over de denkwijze der Egyptenaren; ook hier is het jammer, dat schrijver alleen op verta¬ 
lingen tewerk gaat. 

Een mooie bijdrage tot het beter verstaan de,r oude Oosterse beschaving, ook der 
Egyptische, leverden H. Frankfort en Mevrouw ( 90 ; blz. 3-27). Daar de bundel, waarin 
deze voordracht verscheen voor een ruimer publiek bedoeld is, worden de verwijzingen pas 
aan het eind van elk hoofdstuk gegeven. Het fundamentele verschil tussen de geesteshouding 
van een mens in dezen tijd en in de oudheid ten opzichte van de omringende wereld is dit: 
voor een modern, wetenschappelijk mens is de wereld der verschijnselen op de eerste plaats 
een c Het°, voor den vroegere en ook nu nog voor den zogenaamden primitieve is het een 
c Gij°; er bestaat dus een relatio sui generis die tevens een persoonlijke is. Een onbezielde 
wereld bestaat dus niet. Alle waarneming van c Gij° is in hoge mate individueel, en gebeurte¬ 
nissen worden beschouwd als individuele feiten. Een verhaal van zulke gebeurtenissen en 
hun verklaring kan slechts worden opgevat als een handeling en neemt noodzakelijk den 
vorm van een verhaal aan. Met andere woorden, de ouden vertelden mythen in plaats van een 
analyse of conclusie te geven. Het speculatieve denken in onzen zin zegt zulke mensen niets, 
omdat het onderscheid tussen subjectieve en objectieve kennis niet tot hen spreekt, evenmin 
als het verschil tussen schijn en werkelijkheid. De paradox van het mythenscheppend denken 
is, dat het wel geen dode dingen kent en slechts een bezielde wereld, maar toch niet in staat 
is het concrete doel uit het oog te verliezen, en zijn ideeën weergeeft als op zich bestaande 
realiteiten. Ook de opvatting van de feitelijke oorzaken is anders, omdat men niet vraagt naar 
het c hoe° of c waarom°, maar naar Avienp; er moet een bewuste wil achter de oorzaken staan, 
geen onpersoonlijke wet. De opvatting, die men van een verschijnsel had, verschilde naar 
gelang men het benaderde; vandaar dat wij uiteenlopende beschrijvingen van hetzelfde 
verschijnsel vinden, die elkaar volgens ons uitsluiten. Op deze wijze heeft men getracht aan 
de samengesteldheid der verschijnselen recht te doen wedervaren. Ook de opvatting van 
tijd en ruimte wordt besproken, waarbij de juistheid blijkt van A. J. Wensinck’s qualificatie 
ervan als de dramatische opvatting van de natuur. Bij zulk een opvatting kan de mens niet 
louter toeschouwer blijven. Ook blijkt, dat in Egypte het verleden normgevend was; geen 
farao kon hopen meer tot stand te brengen dan een hernieuwing van den toestand zoals hij 
was in den tijd van Re. Daarna behandelt J. A. Wilson meer uitvoerig de Egyptische menta¬ 
liteit (blz. 31-121) ; hij gaat eerst na, hoe de Egyptenaren de omringende natuur en vooral 






272 


EGYPTISCHE PHILÖLOGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIÈ 194O-1947 


*7 3 


het heelal beschouwden, en verklaarden; zij waren zelfbewust en bouwden een kosmos op 
volgens hun eigen waarnemingen; deze had, zoals het Nijldal, een beperkten omvang maar 
een geruststellende periodiciteit. Dezelfde mentaliteit blijkt uit de scheppingsverhalen, waar¬ 
van de zogenaamde steen van Sjabaka het hoogtepunt vormt (blz. 55-59). Bij het function- 
neren van het staatsorganisme is het beginsel, dat de god-koning door een mens vervangen 
kón worden, van groot belang, daar de farao immers niet alles zelf kon doen. Wel is hij het 
aanrakingspunt tussen góden en mensen; zijn verantwoordelijkheid als herder van zijn volk 
eist; naast kracht een tedere zorg; hij werd verondersteld een scheppend inzicht te bezitten, 
het vermogen zelf bevelen te geven en eveneens een gerechtigheid, die meer dan wet was. 
Zijn ambtenaren waren onderworpen aan wet en gewoonte maar de koning werd door zijn 
goddelijke eigenschappen in staat gesteld te onderschrijven, wat voor zijn eigen regering 
nodig was. Daar de Egyptenaren overtuigd waren, dat het goddelijke immanent was in de 
natuur en deze laatste tén nauwste verbonden met de menselijke gemeenschap, noemt 
WiLSON hen monophysieten. In een nieuw hoofdstuk wordt de waarde, die men aan dit leven 
hechtte, besproken. Wilson constateert uitdrukkelijk, dat zijn visie op dit probleem onver¬ 
mijdelijk subjectief is. Hij onderscheidt twee grote perioden: het kenmerk van de eerste, die 
samenvalt met het Oude Rijk, was aggressiviteit en optimisme, van de laatste, die in het 
Nieuwe Rijk ontstaat, berusting en hoop; tussen beide bestaat een lange overgangsperiode, 
die het Midden Rijk omvat. Aan de hand van vele teksten, ook uit de wijsheidslitteratuur, 
wordt nagegaan, hoe men zich op dit punt uitdrukte en welke veranderingen in opvattingen 
wij nog kunnen constateren. Vaak sluit schrijver zich bij J. H. Breasted aan, maar wijkt ook 
meermalen van hem af. De revolutie van Amarna ziet hij als een verzet tegen de veranderde 
mentaliteit van dien tijd. Reeds vóór het begin van het eerste millennium zien wij, hoe men 
slechts teert op een rijk en trots verleden, want men voelde zich onzeker in het heden. Ten¬ 
slotte werd dit een soort heimwee en groeide uit tot een archaïsme, met als gevolg een blind 
en klakkeloos copiëren der vormen van een ver verleden. Persoonlijke vroomheid was niet in 
staat zich op te werken tot een duidelijk begrip van een enkelvoudigen, vaderlijken god. Het 
zoeken naar geestelijken steun in den godsdienst ging in tegendeel over tot een toevlucht 
zoeken in orakels en tot een overdreven nauwkeurig naleven der riten, totdat het godsdienstig 
leven zo leeg werd als Herodotus het zag. Onder den remmenden invloed van een beperkend 
staatssysteem werd zelfs de god-koning louter een marionet van de wetten, zoals Diodorus 
hem zag. Egypte heeft niet de gelegenheid noch de geschiktheid gehad om de verhouding 
tussen mens en god uit te werken in termen, die voor beiden bevredigend waren, of, anders 
gezegd, om de verhouding uit te werken tussen het individu en de gemeenschap in termen, 
die voor beide partijen voordelig waren. De Egyptische cultuur had haar geestelijk en intellec¬ 
tueel hoogtepunt te vroeg bereikt om een filosofie te ontwikkelen, die als cultureel erfdeel 
aan de komende tijden kon worden doorgegeven. Daardoor is haar invloed op dit punt vrijwel 
zonder betekenis. Maar doordat de Egyptische beschaving een diepen indruk heeft gemaakt 
op Joden en Grieken, is haar invloed als stimulans niet gering te achten. Op dezen grond 
vormt het naspeuren van de overblijfselen uit Egypte een onderdeel der Westerse beschavings¬ 
geschiedenis *). 

Nu een groot aantal publicaties de revue is gepasseerd, is het goed den inventaris op 
te maken en te zien, welke onderwerpen in de afgelopen jaren vooral de belangstelling 
hebben getrokken. Het blijkt, dat vooral de godsdienst bestudeerd is. Groot is ook het 
aantal studies, dat zich met het schrift bezighoudt, speciaal het geheimschrift en de hiëro¬ 
gliefen uit den. tijd der Ptolemaeen. Opvallend is, dat er zoveel geschreven werd over recht, 
terwijl daarnaast de exacte wetenschappen, met name astronomie en chronologie met een 
hele serie nummers vertegenwoordigd zijn; bij de chronologie kwam vooral het Midden 
Rijk ter sprake; de strijd om de datering van Hammoerabi is daaraan niet vreemd geweest, 
zodat weer eens te meer de samenhang van het gehele oude Nabije Oosten naar voren kwam. 
Bij de bewerking der litteraire teksten bleek, hoeveel hier nog te bereiken en soms ook te 

*) Zie verder voor dit boek het artikel van Professor Vriezen over O.T. Litteratuur (sub America). 


doen valt. Ook was er ruime belangstelling voor de taal en de grammatica en dit kan niet 
anders dan het verstaan en opnieuw vertalen van bekende teksten ten goede komen, zoals 
menig voorbeeld verduidelijkt. 

Toch ziet schrijver dezes zich liever ontslagen van den plicht een balans der Egyptische 
filologie in de laatste zeven jaren op te maken. En wel op de volgende gronden. Vooreerst 
omdat, zoals ieder lezer zelf heeft kunnen constateren, titel en inhoud van dit overzicht 
elkaar niet dekken: wat er behandeld is uit de jaren 1940-1944 is vrijwel allemaal buiten 
het continent verschenen, en voornamelijk in Egypte, Engeland en de Verenigde Staten. 
Wat betreft datgene, wat na de geallieerde invasie in Normandië verscheen, is het niet meer 
nodig, een onderscheid te maken, hoewel, zoals blijkt, de Duitse productie gedurende de 
laatste drie jaren vrijwel nihil is geweest. Het onderhavige overzicht valt dus chronologisch 
in twee delen uiteen. Het kan echter aangevuld worden met de vroeger verschenen artikelen 
in dit zelfde Jaarbericht (JEOL II/8, 1942, 586-595 en 9, 1944, 24-39). Daar echter pas 
in het laatste overzicht een nummering is toegepast, zou het zeer moeilijk worden voor 
schrijver en lezers op ondubbelzinnige wijze naar de betreffende auteurs te verwijzen. Het 
heeft echter het voordeel, dat dit toch reeds abnormaal lange artikel nu ten einde komt. 
Wanneer men bedenkt, dat in de zware oorlogsjaren en de niet minder moeilijke jaren, die 
erop volgden, meer dan vierhonderd bereikbare titels op ons gebied te vermelden zijn, dan 
is dit op zich reeds een hoopvol verschijnsel. 

Leiden, October 1947. Jozef Janssen 


LIJST VAN AFKORTINGEN 


Acta Orientalia: Acta Orientalia ediderunt Socie- 
tates Orientales Batava Danica Norvegica, Lug- 
duni Batavorum. 

Aegyptus: Aegyptus. Rivista Italiana di Egittologia 
e di Papirologia, Milano. 

AJA : American Journal of Archaeology, [New 
York]. 

AJSL : The American Journal of Semitic Langua- 
ges and Literatures, Chicago, 111 . 

Ann. Serv.: Annales du Service des Antiquités de 
TÉgypte, Le Caire. 

Antiquity: Antiquity. A Quarterly Review of Ar¬ 
chaeology, Gloucester. 

BASOR: Bulletin of the American Schools of 
Oriental Research, New Haven, Conn.. 

BI FAO: Bulletin de ITnstitut frangais d’archéolo- 
gie oriëntale, Le Caire. 

BiOr: Bibliotheca Orientalis, Leiden. 

Buil. Inst. Ég.: Bulletin de lTnstitut d’Égypte, Le 
Caire. 

CdÊ: Chronique d’Égypte. Bulletin périodique de la 
Fondation ég3^ptologique Reine Élisabeth, Bruxelles. 

CR AIBL: Comptes Rendus. Académie des Inscrip- 
tions & Belles-Lettres, Paris. 

JAOS: Journal of the American Oriental Society, 
Baltimore. 

JEA: The Journal of Egyptian Archaeology, Lon- 
don. 


JEOL: Jaarbericht van het Vooraziatisch-Egyp- 
tisch Gezelschap „Ex Oriente Lux”, Leiden. 

JNES: Journal of Near Eastern Studies, Chicago, 
111 ., continuing The American Journal of Se¬ 
mitic Languages and Literatures. 

Kêmi: Kêmi. Revue de philologie et d’archéologie 
égyptiennes et coptes, Paris. 

Kernmomenten: Kernmomenten der Antieke Be¬ 
schaving en haar moderne Beleving, Leiden, 1947 
= Mededeelingen en Verhandelingen n° 7 van 
„Ex Oriente Lux”. 

Monum. Piot: Fondation Eugène Piot. Monuments 
et Mémoires publiés par 1 ’Académie des Inscrip- 
tions et Belles-Lettres, Paris. 

Muséon: Le Muséon. Revue d’études orientales. 
Tijdschrift voor Oriëntalisme, Leuven. 

Orientalia: Commentarii periodici pontificii Insti- 
tuti biblici. Orientalia, Nova Series, Roma. 

Oudh. Meded.: Oudheidkundige Mededeelingen uit 
het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden (Nun¬ 
tii ex museo antiquario Leidensi), Nieuwe Reeks, 
Leiden. 

Revue d'égyptoL. Revue d’égyptologie publiée par 
la Société frangaise d’égyptologie, Le Caire. 

RHR: Revue de 1 ’Histoire des Religions, Paris. 

TPy/I,bï : rocyffapCTBeHHLiM 3pMHTa>K. Tpy^bi 
OTfteJia BoCTOKa, JleHHHrpa# = Musée de 1 ’Ermi- 
tage. Travaux du Département Oriental, Leningrad. 


LITTERATUUR 


1. W. F. Albright, New Egyptian Data on Pales- 
tine in the Patriarchal Age , BASOR 81, 1941, 
16-21. 

2. W. F. Albright, The Land of Damascus be- 
tween 1850 and 1750 B.C. , BASOR 83, 1941, 
30-36. 

Jaarbericht n°. 10 


3. W. F. Albright, The Egypto-Canaanite Deity 
IJaurón , BASOR 84, 1941, 7-12, met 2 afb.. 

4. W. F. Albright, An indirect Synchronism be- 
tween Egypt and Mesopotamia, cir. 1730 B.C., 
BASOR 99, 1945, 9-18, met 1 afb.; bespr. AJA 
50, 1946, 175-176. 

18 





2/4 EGYPTISCHE 

5. W. F. Albright, Cuneiform Material for 
Egyptian Prosopography, 1500-1200 B.C., JNES 

5 . 1946, 7 - 25 - 

6. M. Alliot, Les rites de la chasse au filet, aux 
temples de Karnak, d’Edfou et d’Esneh, Revue 
d’égyptol. 5, 1946, 57-ii8. 

7. A. Alt, Höfisches Zeremoniell im Feldlager der 
Pharaonen, Die Welt des Orients. Wissen- 
schaftliche Beitrage zur Kunde des Morgen- 
landes, Nummer 1, Mai/Juni 1947, Putty Ver¬ 
lag, Wuppertal, 2-4. 

8. A. Badawi, Zwei Denkmaler des grossen Gau- 
grafen von Memphis Amenophis Hwjj, Ann. 
Serv. 44, 1944, 182-206, met 9 pl.. 

9. A. M. Badawi, Die Neue historische Stele 
Amenophis’ II, Ann. Serv. 42, 1943, I_2 3 > met 
i pl.. 

10. A. el-Mohsen Bakir, A Donation Stela of the 
Twenty-Second Dynasty, Ann. Serv. 43, 1943, 
75-81, met 2 pl.. 

11. A. el-Mohsen Bakir , A Hymn to Amen-Rê c at 
Turn, Ann. Serv. 42, 1943, 83-91, met 4 plr. 

12. E. J. Baumgartel, fierodotus on Min (a reinter- 
pretation of Book II, 4; 99; and 145/6), Anti- 
quity 21, 1947 , I 4 S-ISO. 

13. C. J. C. Bennett, Growth of the IJTP-DI-NSW 
Formula in the Middle King dom, JEA 27, 1941, 
77-82; zie ook ibidem 157. 

14. F. Bisson de la Roque, Notes sur le dieu 
Montou, BIFAO 40, 1941, 1-49. 

15. A. M. Blackman, The Stela of Shoshenfc, Great 
Chief of the Meshwesh, JEA 27, 1941, 83-95, 
met 6 pl.. 

16. A. M. Blackman, The King of Egypfs Gr ace 
bef ore Meat, JEA 31, 1945, 57 ~ 73 - 

17. A. M. Blackman-H. W. Fairman, The Myth 
of Horus at Edfu -II. C. The Triumph of Ho- 
rus over his Enemies: a Sacred Drama, JEA 
28, 1942, 32-38; 29, 1943, 2-36; 30, 1944, 5-22, 
79-80. 

18. A. M. Blackman-H. W. Fairman, The Conse- 
cration of an Egyptian Temple according to the 
Use of Edfu, JEA 32, 1946, 75-96. 

19. R. A. Bowman, An Aramaic religious Text in 
Demotic Script, JNES 3, 1944, 219-231. 

20. J.'H. Breasted Jr, The Writings of George 
Steindorff, JAOS 66, 1946, 76-87; 67, 1947, 141- 
142. 

21. B. Bruyère, Le sphinx de Guizah et lesTpreuves 
sportives du sacre, CdÉ xix, 1944, 194-206. 

22. A. de Buck, Egyptische Grammatica, Tweede 
vermeerderde druk, Leiden, Ned. Instituut Na¬ 
bije Oosten, 1944 (8vo; xii en 120 blz.) ; bespr. 
BiOr 2, 1945, 29-31 en CdÉ xxi, 1946, 66-71; 
inleiding vertaald in CdÉ xxii, 1947, 23-37. 

23. A. de Buck, La composition littéraire des en- 
seignements d’Amenemhat, Muséon 59, 1946, 
183-200. 

24. A. de Buck, La littêrature et la politique sous 
la douxième dynastie égyptienne, Symbolae ad 
jus et historiam antiquitatis pertinentes J. Chr. 
van Oven dedicatae (Symbolae van Oven), Lei¬ 
den, Brill, 1946, 1-28. 

25. A. de Buck, Inhoud en achtergrond van het ge- 


PHILOLOGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94OI947 


275 


sprek van den Levensmoede met zijn ziel, Kern- 
momenten 19-32. 

26. M.-L. Buhl, The Goddesses of the Egyptian 
Tree Cult, JNES 6, 1947, 80-97, waarvan 5 in 
autographie. 

27. J. Capart, A propos du nom de Nar-Mer, CdÊ 
xix, 1944, 165. 

28. J. Capart, Sur une peinture thêbaine, CdÉ xix, 
1944, 192-193, met i afb. 

29. J. Capart, Dépot de fondation d } Aménophis II, 
CdÉ xxi, 1946, 46-47, met 2 afb.. 

30. J. Capart, Quelques observations sur la déesse 
d’El-Kab, Brussel, Fondation égyptologique Rei¬ 
ne Élisabeth, 1946 (8vo; 15 blz.). 

31. J. Capart, Je lis les hiéroglyphes, Brussel, 
1946 = Collection Lebègue, 7me série-No 74 
(kl. 8vo; 107 blz. 1 pl.); bespr. BiOr 4, 1947, 

• 5-6 = CdÉ xxii, 1947, 277-279. 

32. J. Capart, Philologie moderne et égyptologie, 
Muséon 59, 1946, 491-496. 

33. J. Cerny, tirage au sort, BIFAO 40, 1941, 
135-141, met 2 afb. 

34. J. Cerny, INN in Late Egyptian, JEA 27, 1941, 
106-112. 

35. J. Cerny, Nouvelle série de questions adressées 
aux oracles, BIFAO 41, 1942, 13-24, met 3 pl.. 

36. J. Cerny, Le caractère des OUSHEBTIS 
d’après les idéés du Nouvel Empire, BIFAO 41, 
1942, 105-133. I. — Les tablettes Rogers et 
McCullum, 105-118; IL^j— Sur un passage du 
chapitre supplémentaire 166 du LIVRE DES 
MORTS, 118-133. 

37. J. Cerny, Philological and etymological Notes. 

1. 1. On the Etymology of Coptic^Ojjtreasure” 

2. The opening Words of the Tales of the 
Doomed Prince and of the Two Brothers, Ann. 
Serv. 41, 1942, 335-338. 

38. J. Cerny, Gr eek Etymology of the Name of 
Moses, Ann. Serv. 41, 1942, 349-354. 

39. J. Cerny, Philological and etymological Notes, 
II, 3. — The Sign >J< in the Inscriptions of the 
Naos of El- c Arish. 4. — XAMTAI. 5. — King 
„Adiebis”. Ann. Serv. 42, 1943, 341-350, met 
2 afb.. 

40. J. Cerny, The Origin of the Month Tybi, Ann. 
Serv. 43, 1943, 173-181. 

41. J. Cerny, The Will of Naunakhte and the Re- 
lated Documents, JEA 31, 1945, 29-53, met 7 pl.. 

42. J. Cerny, Studies in the Chronology of the 
Twenty-first Dynasty, JEA 32, 1946, 24-30. 

43. M. Chaine, Le verbe copte. Sa conjugaison 
dans ses rapports avec 1 ’égyptien, Paris, Geuth- 
ner, 1945 (8vo; xiv en 101 blz.). D 

44. J. J. Clère, A propos du mot (ZBI) de l’inscrip- 
tion de Nékhébou, Revue d’égyptol. 4, 1940, 
113-121. 

45 - J* J. Clère, Sur un emploi parallèle des prépo- 
sitions arable littéral bi- et ancien égyptien m, 
Comptes Rendus du Groupe Linguistique d’Etu- 
des Chamito-Sémitiques, iv, Gap, 1946, 24-25. 

46. W. E. Crum, An Egyptian Text in Gr eek Char- 
acters, JEA 28, 1942, 20-31, met 2 pl.. 


47. N. de G. Davies, The Tomb of Rekh-Mi-Rë c 
at Thebes, New York, 1943, 2 delen = Publica- 
tions of the Metropolitan Museum of Art, Egyp¬ 
tian Expedition, Vol. xi (4to; deel I [tekst] : vin 
en 118 blz., 9 afb. en 5 pl.; deel II [platen] : 
vm blz. en 122 pl.) ; bespr. AJA 50, 1946, 312- 
314; JAOS 65, 1945, 65-68; JEA 31, 1945, 114- 

115- 

48. E. Delporte, Papyrus Michigan III, 150, CdÉ 
xxii, 1947, 73-83. 

49. S. Donadoni, Due testi storici egiziani, Rivista 
„Societa” 2, G. Einaudi ed., 1946, 318-339, met 2 pl. 

50. S. Donadoni, Testi geroglifici di Madinet Madi, 
Orientalia 16, 1947, 333 " 35 2 , 5 ° 6 - 5 2 4 - 

51. M. et J. Doresse, Le culte d’Aton sous la 
xvme dynastie avant le schisme amarnien, Jour¬ 
nal Asiatique t. 233, années 1941-1942, Paris 
1945, 181-199; cfr ibidem blz. 218. 

52. Ét. Drioton, Recueil de cryptographie monu¬ 
mentale, Ann. Serv. 40, 1940-1941, 305-427; 
bespr. CdÊ xix, 1944, 246-250. 

53. Ét. Drioton, Expressions prépositionelles 
d’identité, Ann. Serv. 40, 1940-1941, 619-621. 

54. Ét. Drioton, Un témoignage de conversion, 
Ann. Serv. 40, 1940-1941, 631-634, met 1 afb.. 

55. Ét. Drioton, Le Thédtre égyptien, Éd. Revue 
du Caire, 1942 (kl. 8vo, 116 blz.); bespr. CdÊ 
xix 1944, 241-244; Journal des Savants 1943, 
166-176. 

56. Ét. Drioton, La Chanson des quatre vents, 
Revue du Caire, 1942, 12 blz.; 1 afb.; bespr. 
CdÊ xix, 1944, 245. 

57. Drioton, La cryptographie du papyrus Salt 825 , 
Ann. Serv. 41, 1942, 99-134, met 3 afb.. 

58. Ét. Drioton, Une formule inédite sur un sca- 
rabée de cceur, BIFAO 41, 1942, 99-103, met 
i afb.. 

59. Ét. Drioton, Un charme d’amour ' égyptien 
d’époque gréco-romaine, BIFAO 41, 1942, 75-81, 
met 2 afb.. 

60. Ét. Drioton, Les fêtes de Bouto, Buil. Inst. Ég. 
25, 1943, 1-19, met i afb.. 

61. Ét. Drioton, ta n R n ta etoixeia, Ann. 
Serv. 42, 1943, 169-176. 

62. Ét. Drioton, A propos d’un cryptogramme de 
Montouemhêt, Ann. Serv. 42, 1943, 177-181, 
met i afb.. 

63. Ét. Drioton, Trois documents de 1’époque 
amarnienne, Ann. Serv. 43, 1943, 15 - 43 , met 3 
afb.. 

64. Ét. Drioton, Procédé acrophonique ou prin¬ 
cipe consonantalf, Ann. Serv. 43, 1943, 319-349* 

65. Ét. Drioton, Description sommaire des' cha- 
pelles funéraires de la vie dynastie récemment 
découvertes derrière le mastaba de Mererouka 
d Sakkarah, Ann. Serv. 43, 1943, 487-513, met 
i afb. en 1 pl.. 

66. Ét. Drioton, Les fêtes égyptiennes, Revue du 
Caire, 1944, 26 blz.. 

67. Ét. Drioton, La cryptographie par perturba- 
tion, Ann. Serv. 44, 1944, 18-33, met 6 afb. en 
i pl.. 

68. Ét Drioton, Une statuette-bloc de la xixe dy¬ 
nastie, Ann. Serv. 44, 1944, 91-98, met 1 pl.. 

69. Ét. Drioton, Les dédicaces de Ptolémée Êver- 


gète II sur le deuxième pylone de Karnak, 
Ann. Serv. 44, 1944, 111-162. 

70. Ét. Drioton, La religion égyptienne dans ses 
grandes lignes, Revue du Caire, 1945, 34 blz., 
waarvan 2 met afb.; bespr. RHR 131, 1946, 
202-204. 

71. Ét. Drioton, Cyrille d’Alexandrie et Vancienne 
religion égyptienne, Kyrilliana. Études variées 
a 1 ’occasion du XVe centenaire de Saint Cyrille 
d’Alexandrie, Le Caire, Editions du Scribe 
Égyptien, 1947, 1-14 (overdruk). 

72. Ét. Drioton-J. Vandier, L’Égypte, 2me édi- 
tion, Paris, Presses Universitaires de France, 
1946 — „Clio”. Introduction aux études histo- 
riques. I. — Les Peuples de 1 ’Orient méditer- 
ranéen II (kl. 8vo; xliv en 673 blz.). 

72a. Dubois-Richard, Essai sur les gouvernements 
de VÉgypte, Le Caire, 1941 = Mémoires pré- 
sentés a lTnstitut d’Égypte, t. 46 (8vo; x en 
196 blz.). 

72b. E. Edel, Untersuchungen zur Phraseologie der 
dgyptischen Inschriften des Alten Reiches, Mit- 
teilungen des deutschen Instituts für agyptische 
Altertumskunde in Kairo, 13, Berlin, 1944, 1-90. 

73. W. F. Edgerton, Egyptian Phonetic Writing, 
from its Invention to the Close of the Nine- 
teenth Dynasty, JAOS 60, 1940, 473-506. 

74. W. F. Edgerton, Chronology of the Twelfth 
Dynasty, JNES 1, 1942, 307-314. 

75. W. F. Edgerton, Stress, Vowel Quantity, and 
Syllable Division in Egyptian, JNES 6, 1947, 
1-17, met 2 tabellen. 

76. W. F. Edgerton, The Government and the Go- 
verned in the Egyptian Empire, JNES 6, 1947, 
152-160. 

77. W. B. Emery-Z. Y. Saad, Hor-Aha. Exca- 
vations at Saqqara 1937-1938, Cairo, Govern¬ 
ment Press, Bulaq, 1939 (4to; vu en 112 blz., 
51 afb. en 23 pl.) ; bespr. CdÊ xv, 1940, 221- 
223; Aegyptus 20, 1940, 257; Revue d’égyptol. 
5, 1946, 189-192. 

78. R. Engelbach, Material for a Revision of the 
History of the Heresy Period of the xvmth 
Dynasty, Ann. Serv. 40, 1940-1941, 133-165, met 
9 pl.. 

79. R Engelbach, A „Kirgipa” commemorative 
Scarab of Amenophis III presented by His 
Majesty King Farouk I to the Cairo Museum, 
Ann. Serv. 40, 1940-1941, 659-661, met 1 pl.. 

80. W. Erichsen, Processen i Siut. Et Kulturbillede 
fra det Ptolaemaeiske ZEgypten, Kobenhavn, 
1945 = Studier fra Sprog- og Oldtidsforskning 
udgivne af det filologisk-historiske Samfund, 
Nr. 197 (kl. 8vo; 66 blz.). 

81. H. W. Fairman, Notes on the alphabetic Signs 
employed in the hieroglyphic Inscriptions of the 
Temple of Edfu . With an ,Appendix by B. 
Grdseloff, Ann. Serv. 43, 1943, 193-310, met 4 
afb.; appendix 311-318 met 4 afb.. 

82. H. W. Fairman, Ptolemaic Notes, Ann. Ser.v. 
44, 1944, 263-277. 

83. H. W. Fairman, An Introduction to the Study 
of Ptolemaic Signs and their Values, BIFAO 43, 
1945 , 51-138. 

84. A. Fakhry, A Note on the Tomb of Kheruef 






276 EGYPTISCHE 

at Thebes, Ann. Serv. 42, 1943, 449-508, met 
14 pl.. 

85. R. O. Faulkner, The Battle of Megiddo, JEA 
28, 1942, 2-15. 

86. R. O. Faulkner, Had the Egyptians an Alpha- 
bet ?, Antiquity 17, 1943, 207-208. 

87. R. O. Faulkner, The Rebellion in the Hare 
Nome, JEA 30, 1944, 61-63. 

88 . R. O. Faulkner, The Euphrates Campaign of 
Tuthmosis III, JEA 32, 1946, 39-42. 

89. W. Federn, The Opening Lines of the Antef 
Song, JNES 5, 1946, 259. 

90. H. and H. A. Frankfort, J. A. Wilson, Th. 
Jacobsen, W. A. Irwin, The intellectual Ad- 
venture of ancient Man. An Essay on specula- 
tive Thought in the ancient Near East, Chica- 
go, The University of Chicago Press, [1946] 
(8vo; vu en 401 blz.) ; bespr. AJA 50, 1946, 
490-491. 

90a. A. M. Frenkian, L’Orient et les origines de 
ridêalisme subjectif dans la pensee européenne. 
Tomé I. Le doctrine théologique de Memphis 
(LTnscription du roi Shabaka), Paris, Geuth- 
ner, 1946 (8vo, vm en 168 blz.); bespr. RHR 
132, 1946, 211-213. 

91. A. H. Gardiner, Ramesside Administrative 
Documents, London, Privately printed, 1940 
(kl. 4to; I en 46 blz. in autograf ie). 

92. A. H. Gardiner, Adoption Extraordinary, JEA 
26, 1940 (Febr. 1941), 23-29, met 6 pk. 

93. A. H. Gardiner, The Wïlbour Papyrus. Edited 
by ... Vol. I. Published for the Brooklyn Mu¬ 
seum at The Oxford University Press, 1941 
(gr, folio; 72 pk, alle dubbel en 73 A) ; bespr. 
JAOS 62, 1942, 206-207. 

94. A. H. Gardiner, Ramesside Texts relating to 
the Taxation and Transport of Corn , JEA 27, 
1941, 19-73, met 2 pk. 

95. A. H. Gardiner, Horus the Behdetite, JEA 30, 
1944, 23-60, met 4 pk en JEA 31, 1945, 116; 
bespr. CdÉ xxi, 1946, 211-212. 

96. A. H. Gardiner, Regnal Years and Civil Ca- 
lendar in Pharaonic Egypt, JEA 31, 1945, H-28. 

97. A. H. Gardiner, The supposed Athribis of Up¬ 
per Egypt, JEA 31, 1945, 108-111. 

98. A. H. Gardiner, The Accession Day of Se- 
sosiris I, JEA 32, 1946, 100. 

99. A. H. Gardiner, Davies’s Copy of the great 
Speos Artemidos Inscription, JEA 32, 1946, 
43-56, met i pk. 

100. A. H. Gardiner, The Instruction addressed to 
Kagemni and his Brethren, JEA 32, 1946, 71-74, 
met i pk. 

101. A. H. Gardiner-H. I. Bell, The Name of 
Lake Moeris, JEA 29, 1943, 37-50. 

102. J. Sainte Fare Garnot, La Vie et la Mort 
d’après un texte égyptien de la haute époque, 
RHR 127, 1944, 18-29. 

103. J. Sainte Fare Garnot, Bïbliographie analy- 
tique des religions de VÊgypte, 1939-1943, RHR 
128, 1944, 94-126; 129, 1945, 101-134; 130, 1945, 
107-128; 131, 1946, 145-160. 

104. J. Sainte Fare Garnot-Cl. Lalouette, Biblio- 
graphie des êgyptologues frangais, 1940-1946, 
JNES 6, 1947, 53 - 57 , 164-168. 


PHILOLOGIË 

105. P. Gilbert, Horace et VEgypte. Aux sources 
du carpe diem>, Latomus, Revue d’études latines 
v, [Brussel], 1946, 61-74 = Mélanges M.-A. 
Kugener. 

106. P. Gilbert, La composition de Tode d la Mort 
dans le Dialogue égyptien du Désespéré, Mu- 
séon 59, 1946, 201-205. 

107. S. R. K. Glanville, The Legacy of Egypt, Ox¬ 
ford, at the Clarendon Press, 1942; in 1943 
tweemaal herdrukt (kl. 8 vo; xx en 424 blz., 
13 afb. en 34 pk); bespr. AJA 47, 1943, 249- 
252; JNES 4, 1945, 56-58. Met medewerking 
van J. W. S. Sewell (blz. 1-16), A. H. Gar¬ 
diner ( 53 - 79 ), R. W. Sloley (160-178), W. R. 
Dawson (179-197), E. Seidl (198-217), W. O. 
E. Oesterley (218-248). 

108. B. Grdseloff, Das dgyptische Reinigungszelt. 
Arqhaologische Untersuchung, Le Caire, Impri- 
merie de lTnstitut frangais d’archéologie oriën¬ 
tale, 1941 c= Études égyptiennes, Premier fas- 
cicule (4to; vm en 49 blz., 12 afb.) ; bespr. Ann. 
Serv. 40, 1940-1941, 1007-1014; BiOr 4, 1947, 
51 - 52 . 

109. B. Grdseloff, Les débuts du culte de Rechef 
en Êgypte, Le Caire, Imprimerie de lTnstitut 
frangais d’archéologie oriëntale, 1942 (kl. 8vo; 
43 blz., 8 pk); bespr. Ann. Serv. 41, 1942, 437- 
442. 

110. B. Grdseloff, Le dieu Dwjw, patron des ocu- 
listes, Ann. Serv. 41, 1942, 207-217, met 2 afb.. 

in. B. Grdseloff, Deux inscriptions juridiques de 
VAncien Empire, Ann. Serv. 42, 1943, 25-70, met 
7 afb.. 

112. B. Grdseloff, Notes sur deux monuments iné- 
dits de lAncien Empire, Ann. Serv. 42, 1943, 
107-125, met 9 afb.. 

113. B. Grdseloff, Le signe ^ et le titre du 

stoliste, Ann. Serv. 43, 1943, 357-366, met 2 afb. 

114. B. Grdseloff, Notes d’épigraphie archdique. 

I.-La tablette de Naqada et le roi Ménès. 

II.-Le nom du roi „Serpent”. 

III. -Le nom de „ Nisw. t-Bi. tj” de 1 ’Horus 
Smr-ht. 

IV. -Le roi Weneg de la He Dynastie. 

V.-La fin de la Seconde Dynastie ou „Période 
séthienne”, avec une note de J. Cerny, in- 
titulée: „La Date de lTntroduction du Culte 
de Seth dans le nord-est du Delta”. 

VI.-La valeur phonétique de la „tête d’ane”. 

VII.-Le signe jl comme équivalent de Ann. 

Serv. 44, 1944, 279-306, met 10 afb. en 2 pk. 

115. M. Guentch-Ogloueff (nu Mevr. Doresse), 
Noms propres imprécatoires, BIFAO 40, 1941, 

117-133. 

116. B. Gunn, Notes on Ammenemes I, JEA 27, 
1941, 2-6. 

117. B. Gunn, Notes on Egyptian Lexicography, 
JEA 27, 1941, 144-148. 

118. B. Gunn, Notes on the Naukratis Stela, JEA 
29, 1943 , 55 - 59 - 

119. B. Gunn, The Split determined Infinitive, JEA 
32, 1946, 92-96. 


4 







EGYPTISCHE PHILOLOGIË I94O-I947 2 77 


120. W. C. Hayes, The Burial Chamber of the 
Treasurer Sobk-Mose from Er Rizeikat, New 
York, 1939, = The Metropolitan Museum of 
Art. Papers. No. 9 (4to; 40 blz., 7 pk) ; bespr. 
AJA 44, 1940, 150. 

121. W. C. Hayes, Ostraka and Name Stones from 
the Tomb of Sen-Müt (No. 71) at Thebes, New 
York, 1942 t= Publications of the Metropolitan 
Museum of Art. Egyptian Expedition, Vol. xv 
(4to; vm en 57 blz., 33 pk) ; bespr. AJA 47, 
1943, 248; JNES 3, 1944, 107-108; CdE xxii, 
1947, 279-284. 

122. W. C. Hayes, Royal Decrees from the Temple 
of Min at Coptus, JEA 32, 1946, 3-23, met 7 pk. 

123. M. Sandman Holmberg, The God Ptah, Lund, 
C. W. K. Gleerup, [1946], (8vo; 292 blz., 75 pk, 
waarvan 64 met hiërogliefenteksten) ; bespr. 
BiOr 4, 1947, 106-107. 

124. Th. Hopfner, Gfaezisierte, griechisch-dgypti- 
sche, bzw. dgyptisch-griechische und hybride 
theophore Personennamen aus griechischen 
Texten, Inschriften, Ostraka, Mumientdfelchen 
u.dgl. und ihre religionsgeschichtliche Bedeu- 
tung, Archivum Oriëntale Pragense, Zeitschrift 
des Orientalischen Institutes Prag, 15, 1944, 1- 
64 = Archiv Orientalm 15, 1946, 1-64. 

125. G. R. Hughes-Ch. F. Nims, Some Observa- 
tions on the British Museum Demotie Theban 
Archive, AJSL 57, 1940, 244-261. 

126. Eb M. Husselman, A. E. R. Boak, W. F. Ed- 
gerton, Papyri from Tebtunis, Part II, Ann 
Arbor, The University of Michigan Press, 1944 
(8vo; xx en 446 blz., 6 pk) = Michigan Papyri, 
Vol. V £= University of Michigan Studies, Hu- 
manistic Series, Vol. xxix; bespr. BiOr 3, 1946, 
iio-in; CdÊ xxii, 1947, 363-371. 

127. J. Janssen, De traditioneele Egyptische auto¬ 
biografie vóór het Nieuwe Rijk. Eerste deel. De 
teksten, Leiden, E. J. Brill, 1946 (4to; xii en 
197 blz. [1-168 in autograf ie] ; bespr. BiOr 4, 
1947, 1-5). Tweede deel. Vertaling en commen¬ 
taar, Leiden, E. J. Brill, 1946 (8vo; xiii en 
209 blz.); bespr. BiOr 4, 1947, 135-138. 

128. J. Janssen, Over Egyptische woorden bij oude 
schrijvers, Muséon 59, 1946, 233-240. 

128a. G. JÉQUIER, Considérations sur les religions 
égyptiennes, Neuchatel, A la Baconnière, 1946 
(8vo, 248 blz., 101 afb.) ; bespr. BiOr 4, 1947, 
76-78.^ 

128b. G. JÉQUIER, Drames, mystères rituels dans l’an- 
cienne Êgypte, in Mélanges M. Niedermann, 
37 - 48 . 

129. M. Kamal, The Stela of O [I 'O’ in the 

_ I a □ | 

Egyptian Museum (verso), Ann. Serv. 40, 1940- 
1941, 209-229, met 2 pk. 

130. L. Keimer, Note sur le nom égyptien du juju- 
bier d’Êgypte ( Zizyphus Spina Christi Wildd.), 
Ann. Serv. 42, 1943, 279-281, met 3 afb.. 

131. L. Keimer, Études d’égyptologie, fase. vu, Le 
Caire, Imprimerie de lTnstitut frangais d’ar¬ 
chéologie oriëntale, 1945 (8vo; x en 52 blz., 15 
afb. en 8 pk). 

132. L. Keimer, Interprétation de quelques passages 
d J Horapollon f Le Caire, 1947 = Supplément 


aux Annales du Service des Antiquités de 1 ’Égyp- 
te, Cahier n° 5 (8vo; II en 54 blz., 41 afb. en 
2 pk). 

133. L. Keimer, Histoires de serpents dans VÊgypte 
ancienne et moderne, Le Caire, 1947, c= Mé¬ 
moires présentés a lTnstitut d’Égypte, t. 50, 
(8vo; xxi en in blz., 35 afb.). 

134. M. Korostovtsev, La main dans Vécriture et la 
langue de VÊgypte ancienne, Bulk Inst. Ég. 
28, 1947, 1-10. 

135. G. van der Leeuw, De Godsdienst van het Oude 
Aegypte, Den Haag, N.V. Servire, 1944 (kl. 
8vo; 148 blz., 71 afb.) ; bespr. BiOr 1, 1943- 
1944, 65-67. 

136. L. G. Leeuwenburg, Echnaton, Den Haag, 
N.V. Servire, 1946 = Cultuurhistorische mono¬ 
grafieën n° 5 (kl. 8vo; 131 blz., 6 afb. en 12 
pk) ; bespr. BiOr 4, 1947, 5. 

137. G. Lefebvre, Un conté égyptien: Vérité et Men- 
songe, Revue d’égyptok 4, 1940, 15-25. 

138. G. Lefebvre, Origine égyptienne d’un épisode 
d’un conté des „Mille et une Nuits”, CR AIBL 
1943 , 74 - 84 - 

139. G. Lefebvre, Encore la stele de Bakhtan, CdÉ 
xix, 1944, 214-218. 

140. G. Lefebvre, UAge de 110 ans et la vieillesse 
chez les Êgyptiens, CR AIBL 1944, 106-119. 

141. G. Lefebvre, A propos d’un nom de pyramide, 
Revue d’égyptok 5, 1946, 45-50. 

142. G. Lefebvre, Trois notes, Revue d’égyptok 5, 
1946, 247-248. 

143. G. Lefebvre, A propos de la reine Taousert, 
Muséon 59, 1946, 2.15-221. 

144. J. Leibovitch, Une amulette égyptienne au nom 
de Putiphar, Ann. Serv. 43, 1943, 87-90, met 
i afb. 

145. J. Leibovitch, Amon-Ra c , Rechef et Plouroun 
sur une stele, Ann. Serv. 44, 1944, 163-172, met 
6 afb. en 1 pk. 

146. J. Leibovitch, Le griff on (Trois Communica¬ 
tions faites a lTnstitut d’Égypte), Le Caire, 
Imprimerie de lTnstitut frangais d’archéologie 
oriëntale, 1946 (8vo, 65 blz., 77 afb. en 4 pk) 
= Bulk Inst. Ég. 25, 1943, 182-203; 26, 1944, 
231-255; 27, 1945, 379 - 396 . 

147. Fr. Lexa, Les morphèmes e e = f, a e=f, 
etc., dans la langue démotique, Archiv Orien¬ 
talm 15, 1946, 420-435, waarvan 8 blz. in auto- 
grafie. 

148. M. Lichtheim, The Songs of the Harper, 
JNES 4, 1945, 178-212, met 7 pk. 

149. J. M. Lourié, Le dialogue du Désespéré avec 
son dme (Matériaux pour servir a dater la 
révolte des paysans dans 1 ’ancienne Egypte). 
TpyAbi É 1939 , I 4 Ï-I 53 , met Frans résumé. 

150. A. Lu CAS- A. Rowe, Ancient Egyptian Mea- 
sures of Capacity, Ann. Serv. 40, 1940-1941, 
69-92, met 2 afb. en 4 pk; 41, 1942, 348. 

151. E. Lundsgaard, Aegyptisk Matematik, Schultz 
Forlag, Kobenhavn, 1945 (i2mo; 39 blz., met 
i afb. en 1 pk). 

152. M. Malinine, Une vente d’ésclave d Vépoque 
de Psammétique I er (Papyrus du Vatican 
10574, en hiératique „anormal”), Revue d’égyp¬ 
tok 5, 1946, 119-131- 










EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 


279 


278 EGYPTISCHE 

153. G. Mattha, A preliminary Report on the legal 
Code of Hermopolis West, Buil. Inst. Ég. 23, 
1941, 297-312. 

154. G. Mattha, Demotie Osiraka from the Col- 
lections at Oxford, Paris, Berlin, Vienna and 
Cairo. Introduction, Texts and Indexes with 
27 Plates, Le Caire, 1945 t= Publications de la 
Société Fouad I de Papyrologie. Textes et do- 
cuments, vi (gr. 8vo; xviii en 262 blz., 276 afb. 
op 27 pl.); bespr. Aegyptus 25, 1945 [1946], 

136-137. 

155. Ch. Maystre, Le Livre de la Vache du Ciel 
dans les tombeaux de la Vallêe des Rois, 
BIFAO 40, 1941, 53 - 115 . 

156. J. M. McGlinchey, The Teaching of Amen- 
em-Ope and the Book of Proverbs, Washing¬ 
ton, The Catholic University of America 
Press, 1939 (8vo; xn en 44 blz.). 

157. S. A. B. Mercer, Horus, Royal God of Egypt, 
Grafton, Mass., Society of Oriental Research, 
1942 (8vo; xx en 231 blz., 106 afb. en 1 pl.) ; 
bespr. BiOr 3, 1946, 82-85; RHR 131, 1946, 
200-201. 

158. R. Mond, O. H. Myers e.a., Temples of Ar- 
mant. A preliminary Survey. I. The Text. II. 
The Plates, London, The Egypt Exploration 
Society, 1940 (4to ; deel I: xii en 223 blz. ; deel 
II: vi blz. en 107 pl., waarvan 2 in kleuren) ; 
bespr. CdÊ xxii, 1947, 95-101. 

159. P. Montet, La vie quotidienne en Êgypte au 
temps des Ramsès (xme-xiie siècle avant J.- 
C.), Paris, Hachette, [1946] (kl. 8vo; 348 blz.). 

160. P. Montet, Inscriptions de Basse Époque trou- 
vées d Tanis, Kêmi 8, 1946, 29-126 (in autogra- 
fie), met 3 afb. en 27 pl.. 

161. A. Moret, La doctrine de Maat, Revue d’égyp- 
tol. 4, 1940, 1-14. 

162. G. Nagel, Le culte du soleil dans l’ancienne 
Egypte, Eranos-Jahrbuch x, 1943, Zürich, 1944, 
9-56; bespr. CdÉ xxii, 1947, 287-288. 

162a. G. Nagel, Les „my ster es” d’Osiris dans Van- 
cienne Egypte, Eranos-Jahrbuch xi, 1944, Zü¬ 
rich, 1945, 145-166. 

162b. G. Nagel, UÊgypte d la conquête de VAsie, 
Alma Mater 4, Genève, 1947, 2-16, met 2 afb. 
en i kaart. 

163. H. H. Nelson, The Identity of Amon-Re of 
United-with-Eternity, JNES 1, 1942, 127-155, 
met 23 afb. en 2 pl.. 

164. O. Neugebauer, The Chronology of the Ham- 
murabi Age, JAOS 61, 1941, 58-61. 

165. 0 . Neugebauer, The Origin of the Egyptian 
Calendar, JNES 1, 1942, 396-403; bespr. CdÉ 
xxi, 1946, 223-224. 

165a. O. Neugebauer, (i) Egyptian Planetary Texts. 
(2) On Some Astronomical Papyri and related 
Problems of Ancient Geography, Transactions 
of the American Philosophical Society, N.S., 
Vol. 32, Part 2, 1942, Philadelphia, 209-250 en 
251-263. 

166. O. Neugebauer, Demotie Horoscopes, JAOS 
63, 1943, 115-127, met 4 pl., waarvan 2-4 = blz. 
126-127. 

167. O. Neugebauer, The History of Ancient Astro- 
nomy: Problems and Methods, JNES 4, 1945, 




PHILOLOGIE 

1-38; Egypte blz. 4-8; bespr. CdÊ xxi, 1946, 
219-222. 

168. H. M. Orlinsky, An indexed Bibliography of 
the Writings of William Foxwell Albright, pu- 
blished in Honor of his fiftieth Birthday by a 
Committee of his former Students, The Ame¬ 
rican Schools of Oriental Research, New Ha¬ 
ven, Conn., 1941 (8vo; xxii en 66 blz.; Egypte 
blz. 49, 64) ; bespr. JAOS 63, 1943, 74. 

169 . Le Papyrus juridique de Touna-el-Gebel, CdÉ 
xxi, 1946, 48-49. 

170. R. A. Parker, A late Demotie Gardening 
Agreement, Medinet Habu Ostrakon 4038, JEA 
26, 1940 (Febr. 1941), 84-113, met 4 pl.; zie ook 
ibid. 27, 1941, 161. 

171. R. A. Parker, Persian and Egyptian Chronolo¬ 
gy, AJSL 58, 1941, 285-301. 

172. R. A. Parker, Darius and his Egyptian Cam- 
paign, AJSL 58, 1941, 373 - 377 - 

173. W. Peremans, Noms de personne et nationalitê 
dans VÊgypte ptolémdique, Muséon 59, 1946, 
241-252. 

174. (W. M.) Fl. Petrie, Wisdom of the Egyptians, 
London, 1940 = British School of Archaeolo- 
gy in Egypt, Vol. 63 (8vo; xvi en 162 blz., 128 
afb. op 24 pl.). 

175. K. Pflüger, The Edict of King Haremhab, 
JNES 5, 1946, 260-276, waarvan 6 blz. platen 
met hiërogliefischen tekst; Franse bewerking 
door B. van de Walle in CdÊ xxii, 1947, 
230-238. 

176. K. Pflüger, The Private Funerary Stelae of 
the Middle Kingdom and their Importance for 
the Study of Ancient Egyptian History, JAOS 

67,1947,127-135- 

177. A. PiANKOFF, Les différents „Livres” dans les 
tombes royales du Nouvel Empire, Ann. Serv. 
40, 1940-1941, 283-289, met i afb.; bespr. CdÊ 
xxi, 1946, 212-213. 

178. A. PiANKOFF, Le „Livre de la Nuit” sur les 
monum-ents de la Basse Époque, Ann. Serv. 40, 
1940-1941, 665-668, met 2 pl.. 

179. A. PiANKOFF, La descente aux enfers dans les 
textes égyptiens et dans les apocryphes coptes, 
Bulletin de la Société d’archéologie eopte vu, 
(1941), Le Caire, 1942, 33-46, met 1 afb. en 1 pl.. 

180. A. PiANKOFF, Le livre du jour dans la tombe 
(n° 132 ) de Ramose, Ann. Serv. 41,1942, 151-158. 

181. A. PiANKOFF, Le livre du jour et de la nuit, 
avec un chapitre sur Vécriture énigmatique par 
Êt. Drioton, Le Caire, 1942; bespr. JEA 29, 
1943, 80 en CdÊ xx, 1945, 111-112. 

182. A. PiANKOFF, Quelques passages du Livre du 
Jour et de la Nuit dans le temple funeraire de 
Ramsès III d Mêdinet Habou, Arm. Serv. 42, 
1943 , 351 - 353 - 

183. A. PiANKOFF, Le livre des Quererets, I er tableau, 
BIFAO 41, 1942, 1-11, met 9 pl.; Seconde divi- 
sion, ibid. 42, 1944, 1-14, met 17 pl.; Troisième 
division, ibid. 15-29, met 11 pl.; Quatrième divi- 
sion, ibid. 30-43, met 12 pl.; Cinquième division, 
ibid. 44-62, met 26 pl.; Sixième division, ibid. 
43, 1945, 1-50, met 71 pl.. 

184. H. J. Polotsky, Une regie concernant Vemploi 
des formes verbales dans la phrase interroga- 


tive en nêo-êgyptién, Ann. Serv. 40, 1940-1941, 
241-245. 

185. H. J. Polotsky, Études de syntaxe copte, Le 
Caire, 1944 = Publications de la Société d’ar- 
chéologie copte (8vo; lx en 104 blz.) ; bespr. 
BiOr 3, 1946, 105-108. 

186. G. Posener, La mêsaventure d’un Syrien et le 
nom égyptien de Vours, Orientalia 13, 1944, 193- 
204, met 6 afb.. 

187. G. Posener, Houroun: nouvelles mentions de 
cette divinitê, JNES 4, 1945, 240-242, met 1 afb.. 

188. G. Posener, Les criminels dêbaptisês et les 
morts sans noms, Revue d’égyptol. 5, 1946, 
51 - 56 . 

189. G. Posener, 

Revue d’ égyptol. 5, 1946, 252-254). 

190. G. Posener, Admonitions 3, 14, Revue d’égyp¬ 
tol. 5, 1946, 254. 

191. G. Posener, Pap. Ermitage 1116 B recto, l. 17 
(Prophéties de Neferrohou), Revue d’égyptol. 
5, 1946, 255. 

192. 1 . A. Pratt, Ancient Egypt 1925-1941. A Sup¬ 
plement to Ancient Egypt: Sources of Infor¬ 
mation in The New York Public Library, New 
York, 1925, New York, The New York Public 
Library, 1942 (8vo; vu en 340 blz.); bespr. 
RHR 131, 1946, 205-207. 

193. B. A. van Proosdij, Oudoostersche vertelkunst, 
Kernmomenten 5-18. 

194. H. Ranke, A late Ptolemaic Statue of Hathor 
from her Temple at Dendereh, JAOS 65, 1945, 
238-248, met 2 pl.. 

195. H. Ringgren, Word and Wisdom. Studies in 
the Hypostazation of Divine Qualities and 
Functions in the Ancient Near East, Lund, H- 
Ohlssons Boktryckeri, 1947 (dissertatie; 8vo; 
233 blz.) ; bespr. The Review of Religion 9, 
1945, 267-281. 

196. A. Rowe, Newly-identified Monuments in the 
Egyptian Museum showing the Deification of 
the Dead together with brief Details of similar 
Objects elsewhere, Ann. Serv. 40, 1940-1941, 1- 
50, 291-297, met 9 afb. en 10 pl.. 

197. A. Rowe, Inscriptions on the model Coffin con- 
taining the Lock of Hair of Queen Tyi, Ann. 
Serv. 40, 1940-1941, 623-627, met 1 pl.. 

198. A. Rowe, Some Remarks on A Collection of 
Hieroglyphs from the Monuments of Hor-Aha, 
forming Appendix iv of the Volume IJor-Aha, 
1939, by W. B. Emery, Ann. Serv. 41, 1942, 
342 - 345 . 

199. A. Rowe, Discovery of the famous Temple and 
Enclosure of Serapis at Alexandria, with an 
Explanation of the enigmatical Inscriptions on 
the Serapeum Plaques of Ptolemy iv by Ét. 
Drioton, Le Caire, 1946 — Supplément aux An- 
nales du Service des Antiquités de 1’Égypte. 
Cahier n° 2 (8vo; 115 blz., 14 afb. en 18 pl.). 

200. M. B. Rowton, Mesopotamian Chronology and 
the „Era of Menophres”, Iraq 8, 1946, 94-110. 

201. T. Save-Söderbergh, Einige Agyptische Denk¬ 
maler in Schweden, Uppsala, [1945] — Arbeten 
utgivna med Understöd av V. Ekmans Univer- 


sitetsfond, Uppsala, 52 (8vo; 54 blz., 5 afb.); 
bespr. en addenda BiOr 3, 1946, 103-104. 

202. T. Save-Söderbergh, The Navy of the Eigh- 
teenth Egyptian Dynasty, Uppsala, A.-B. Lun- 
dequistska Bokhandeln = Uppsala Universitets 
Arsskrift, 1946: 6 (8vo; IV en 94 blz., 15 afb.) ; 
bespr. BiOr 4, 1947, 75-76; CdÊ xxii, 1947, 
284-286. 

203. C. E. Sander-Hansen, Die phonetischen Wort- 
spiele des altesten Agyptischen, Acta Orienta¬ 
lia 20, 1946-1947, 1-22. 

203a. A. Scharff en E. Seidl, Eine dgyptische 
Schenkung sur kunde aus der 6. Dynastie, Aus 
Band II der Festschrift für Leopold Wenger, 
C. H. Beck’sche Verlagsbuchhandlung, Mün- 
chen, 1944, 168-183. 

203b. A. Scharff, Frühe Vorstufen zum „Kornosi- 
ris”, Forschungen und Fortschritte 21./23. Jahr- 
gang, n° 4/5/6, Mai 1947, 2 blz.. 

-204. K. C. Seele, „Hawrün-em-haV’ or Haremhab f, 
JNES 4, 1945 , 234-239, met 3 afb.. 

205. K. C. Seele, Hawrün-Harmachis: A Comment 
on Posener’s „Houroun”, JNES 4, 1945, 243- 
244 

206. K. C. Seele, Horus on the Crocodiles, JNES 6, 
1947 , 43 - 52 , met 3 pl» 

207. L. Speleers, Textes des cercueils du Moyen 
Empire égyptien, Brussel, Marie-Josélaan 159, 
[1947] (8vo; xciv en 413 blz.). 

208. J. Spiegel, Ptah-Verehrung in Theben (Grab 
372), Ann. Serv. 40, 1940-1941, 257-271, met 
5 PL 

209. G. Steindorff, Catalogue of the Egyptian 
Sculpture in the Walters Art Gallery, Baltimore, 
Maryland, 1946 (gr. 8vo; vi en 187 blz., 119 
pl.); bespr. AJA 51, 1947, 105-106. 

210. R. O. Steuer, Stactë in Egyptian Antiquity, 
JAOS 63, 1943, 279-284. 

211. M. Stracmans, Osiris-Dionysos et les chants 
de harpistes égyptiens, Muséon 59, 1946, 207- 

214. 

212. M. Stracmans-G. Libon, Le nom de la planète 
Vénus et ses antécédents égyptiens, Latomus, 
Revue d’étudés latines vi, [Brussel], 1947, 3-16. 

213. B. H. Stricker, De indeeling der Egyptische 
taalgeschiedenis, Leiden, E. J. Brill, 1945 (4to ; 
40 blz.) = Oudh. Meded. 25, 1944, 12-51; bespr. 
BiOr 2, 1945, 90-93; CdÊ xxii, 1947, 84-89. 

214. B. H. Stricker, Aanteekeningen op Egyptische 
littteratuur- en godsdienstgeschiedenis, Oudh. 
Meded. 25, 1944, 52-90, met 4 afb.; I (blz. 52- 
62) over den zogen, geografischen papyrus van 
Tanis; II (blz. 62-82) over het geografische 
tractaat van sectie 2 ervan; III (blz. 82-90) op¬ 
merkingen over de magische stéles. 

215. B. H. Stricker, Een antiek procesprotocol, 
Oudh. Meded. 26, 1945, 36-52. 

215a. P. Tresson, Un intéressant document religieux 
de répoque de Thoutmosis III: La stéle du 
vizir Ousir, au musée de Grenoble, Mélanges 
E. Podechard, études de Sciences religieuses 
offertes pour son éméritat, Lyon, 1945, 225-235, 
met i plaat. 

216. H. Thompson, Two Demotic Self-Dedications, 
JEA 26, 1940 (Febr. 1941), 68-78, met 2 pl.. 



28o 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE I94O-I947 


281 


217. P. C. Smither, A new Use of the Preposition 
m, JEA 25, 1939, 166-169. 

218. P. C. Smither, A Tax-Assessor’ s Journal of 
the Middle Kingdom, JEA 27, 1941, 74-76, met 
2 pl.. 

219. P. C. Smither, A Ramesside Love Charm, JEA 
27, 1941, 131-132. 

220. P. C. Smither, The Semnah Despatches, JEA 
31, 1945, 3-IO, met ii pl.. 

221. P. C Smither- A. N. Dakin, Stelae in the 
Queen’s College, Oxford, JEA 25, 1939, 157- 
165, met 2 pl.. 

222. J. Vandier, Quelques remarques sur les scènes 
de pèlerinage aux villes saintes dans les tombes 
de la XVIIIe Dynastie, CdÉ xix, 1944, 35-66, 
met ii afb.. 

223. J. Vandier, Sur une scène d’offrande de la 
tombe de OUahka II a Antaeopolis, CdÉ xix, 

1944, 182-191, met i afb.. 

224. J.Vandier, La religion, précédée d’une Intro- 
'duction a 1 ’histoire des religions. Avant-propos 

général par R. Dussaud, Bibliographie générale 
par H.-C. Puech, Paris, Presses Universitaires 
de France, 1944 ■= ,,Mana”, Introduction a 
1’histoire des religions — 1 (kl. 8vo; xlviii en 
240 blz.) ; bespr. RHR 129, 1945, 144-150; Revue 
d’êgyptol. 5, 1946, 196-197; BiOr 4, 1947, 109. 

225. J. Vandier, Les stéles frontières d’El Amarna, 
a propos d’une nouvelle acquisition du Musée 
du Louvre, Monum. Piot 40, 1944, 5-22, met 
8 afb. en 2 pl.. 

226. J. Vandier, Le Papyrus Jumilhac, CR AIBL 

1945, 214-218. 

227. A. Varille, L’Appel aux visiteurs du tombeau 
de Khaemhêt, Ann. Serv. 40, 1940-1941, 601- 
606, met i afb. en 1 pl.. 

228. A. Varille, Toutankhamon est-il fils d’Amêno- 
phis III et de Satamon?, Ann. Serv. 40, 1940- 
1941, 651-657, met 2 afb.. 

229. A. Varille, L’Hymne au Soleil des architectes 
d’Amênophis III Souti et Hor, BIFAO 41, 1942, 
31-38, met i pl.. 

230. A. Varille, La grande stéle d’Amênophis II a 
Giza, BIFAO 41, 1942, 31-38, met 1 pl.. 

231. A. Varille, Inventaire d’objets cultuels d’un 
temple thêbain de Maat, BIFAO 41, 1942, 135- 
139, met i pl.. 

232. A. Varille, Dissertation sur une stéle pharao- 
nique. Préface et commentaires de M. & Mme 
SchwalIler de Lubicz, Le Caire, Imprimerie 
Schindler, 1946 (kl. 8 vo; 33 blz., 1 afb. en 1 
Pk). 

233. J. Vergote, Phonêtique historique de Vêgyptien. 
Les consonnes, Leuven, Bureaux du Muséon, 
1945 = Bibliothèque du Muséon, Volume 19 
(8vo; iv en 150 blz., met 1 tabel) ; bespr. BiOr 
3, 1946, 80-82; JAOS 66, 1946, 316-320. 

234. Vl. Vikentiev, La Légende des Deux Frères et 
la recherche de l’immortalitê. Premier mémoire : 
L’Énigme d’un papyrus. Deuxième mémoire: 
Voyage vers File lointaine. Les nouveaux as- 
pects du conté du Naufragé, Le Caire, 1941 
(4to; vin en 76 blz., 5 pl.; xv en 108 blz., 3 
pl.) ; bespr. Ann. Serv. 40, 1940-1941, 997-1001. 

235. VI. Vikentiev, Les monuments archaiques. II. 


— La tablette en ivoire de Naqada. — Mise au 
point, Ann. Serv. 41, 1942, 277-294, met 20 afb.. 

236. VI. Vikentiev, Quelques mots énigmatiques 
dans un texte astronomique, Ann. Serv. 43, 
1943 , 115-131. 

237. A. Volten, Zwei altdgyptische politische 
Schriften. Die Lehre für König Merikarê (Pap. 
Carlsberg vi) und die Lehre des Königs Amen- 
emhet, Kobenhavn, E. Munksgaard, 1945 1= 
Analecta Aegyptiaca ..., vol. iv (4to; 132 blz. 
«in autografie, 4 pl.) ; bespr. CdÉ xxii, 1947, 
89 - 95 . 

238. G. A. Wainwright, Studies in the Petition of 
Peteêsi, Bulletin of the John Rylands Library 
Manchester 28, 1944, 228-271. 

238a. G. A. Wainwright, Zeberged. the Ship- 
wrecked Sailor’s Island, JEA 32, 1946, 31-38, 
met 2 afb.. 

239. B. van de Walle, La division matérielle des 
textes classiques êgyptiens et son importance 
pour l’étude des ostraca scolaires, Muséon 59, 

1946, 223-232. 

239a. B. A. van de Walle, Inscriptions êgyptiennes, 
in Dictionnaire de la Bible, Supplément, Jasc. 
xix-xx, Paris, 1943-1947, 417-482, met 7 afb.. 

240. B. van de Walle, Le thème de la satire des 
métiers dans la littérature égyptienne, CdÉ xxii, 

1947 , 50 - 72 . 

241. R. Weill, Le verbe d’affirmation et d’existence 
Pj. Chapitre II et III, Revue d’égyptol. 4, 
1940, 81-112. 

242. R. Weill, L’Énigme des „Instructions d’Amen- 
emhat”, Revue d’égyptol. 4, 1940, 213-215. 

d 

243. R. Weill, = , qui vaut °IT, „père”, 

depuis l’origine et d toute époque, Revue 
d’egyptol. 5, 1946, 248-249 en 259. 

244. R.WehY, Le fouetcx^j shn ou shr, l’,,épouvan- 

tail”, a 1 ’époque archaïque, Revue d’égyptol. 5, 
1946, 249-250. 

245. R. Weill, Les c pr-w du Nouvel Empire sont 
des Habiri des textes accadiens; ces Habiri 
(exactement Hapiri) ne sont pas des ,,Hé- 
breux”, Revue d’égyptol. 5, 1946, 251-252. 

246. R. Weill, U„Année dérangée” et l’„année cor¬ 
recte” dans la littérature, Revue d’égyptol. 5, 
1946, 255-256. 

247. R Weill, La danse des Mww et ce qu’elle peut 
représenter. Les Mww et le tjknw sacrificiel en 
scène pour le roi a la plus ancienne époque 
pharaonique, Revue d’égyptol. 5, 1946, 256-258. 

248. R. Weill, Remise en position chronologique et 
conditions historiques de la Xlle dynastie 
égyptienne, Journal Asiatique, t. 234 — Années 
1943-1945, Paris, 1947, 131-149. 

249. J. A. WiLSON, The Egyptian Middle Kingdom 
at Megiddo, AJSL 58, 1941, 225-236, met 3 pl.. 

250. J. A. WiLSON, Funeral Services of the Egyp¬ 
tian Old Kingdom, JNES 3, 1944, 201-218, met 
6 pl.._ 

251. J. A. WiLSON, The Assembly of a Phoenician 
City, JNES 4, 1945, 245. 

252. H. E. WiNLOCK, The Court of King Neb-He- 
pet-Rë Q Mentu-IIotpe at the Shaft er Rigal, 


AJSL 57, 1940, 137-161, met 14 afb., waarvan 
4 op pl.. 

253. H. E. WiNLOCK, The Origin of the Ancient 
Egyptian Calendar, Proceedings of the Ameri¬ 
can Philosophical Society 83, Philadelphia, 1940, 
447-464; bespr. AJA 45, 1941, .102-103. 

254. H. E. WiNLOCK, Neb-Hepet-Rë c Mentu-Hotpe 
of the Eleventh Dynasty, JEA 26, 1940 (Febr. 
1941), 116-119, met i pl.. 

255. H. E. WiNLOCK, Graffiti of the Priesthood of 
the Eleventh Dynasty Temples at Thebes, AJSL 
58, 1941, 146-168, met 2 afb. en 6 pl. (= 163- 
168). 


256. H. E. WiNLOCK, The Eleventh Dynasty, JNES 
2, 1943, 249-283, met 2 afb. en 8 pl.; bespr. CdÉ 
xxi, 1946, 73-78. 

257. L. H. Wood, The Kahun Papyrus and the Date 
of the Twelfth Dynasty (with a Chart), 
BASOR 99, 1945, 5-9; bespr. AJA 50, 1946, 
175 . 

258. A. S. Yahuda, The Osiris Cult and the Desig- 
nation of Osiris Idols in the Bible, JNES 3, 
1944, 194-197. 


DE STIJL VAN DE EGYPTISCHE KUNST VERGELEKEN MET DEN 
STIJL VAN DE EGYPTISCHE TAAL 


Vor allem darf sich niemand ertraumen, selbstandig tiefere Forschung 
zu leisten, der nicht mit Kenntnis der Sprache in das Schrifttum einzu- 
dringen vermag. Gerade beim Agyptischen genügen Übersetzungen 
durchaus nicht . 

H. Schafer, Von dg. Kunst, Leipzig, 1932, 8. 

Inleiding. — Wie deze regelen in Schafer’ s standaardwerk over Egyptische kunst 
leest, zal misschien een oogenblik denken, dat de kunsthistoricus, gedreven door het 
verlangen om den kring van de schrijvers over deze materie zoo zuiver mogelijk te trekken 
en het voor wetenschappelijke werkers vaak hinderlijke leekenoordeel te elimineeren, naar 
het middel der overdrijving heeft gegrepen, te meer daar in hetzelfde werk ter anderer plaatse 
met weinig waardeering gesproken wordt over leeken, die zich met de vraagstukken der 
Egyptische kunst bemoeien. Ik ben echter van meening, dat Schafer niet heeft overdreven 
en dat hij, toen hij deze regels neerschreef wel degelijk besefte, dat er een nauw verband 
bestaat tusschen de Egyptische taal en de beeldende kunst, beide ontsproten uit denzelfden 
Egyptischen geest. Daarom kan de kennis der taal ons helpen om de beeldende kunst beter 
te leeren begrijpen en zoo kan omgekeerd de kunst ons leeren de schoonheid der taal beter 
te verstaan. Het is dus zeer wenschelijk, dat een wetenschappelijk beoefenaar met beide 
uitingen der Egyptische beschaving vertrouwd is. 

Het is opmerkelijk, dat Schafer op het verband tusschen taal en beeldende kunst niet 
meer terugkomt. Wel schrijft hij over het verband tusschen beeldende kunst en bouwkunst, 
dichtkunst, dans, muziek en religie en natuurlijk ook over beeldende kunst en hiëroglyphen- 
schrift, maar de taal komt niet meer ter sprake. Misschien gevoelde de schrijver de waarheid 
zijner woorden meer aan en was het hem niet mogelijk deze in den breede te argumenteeren; 
van onze overtuigingen is immers meermalen de motiveering ons weinig bewust. 

De litteratuur over het onderwerp, dat ons hier bezighoudt is wel zeer schaarsch. Er 
is iets over te vinden bij Gardiner, die het verband tusschen taal en beeldende kunst 
beschreven heeft in zijn verhandeling Some Aspects of the Egyptian Languag\e, waarbij hij 
dit vraagstuk van de taalkundige zijde benaderde. Hij betoogt, dat de Egyptenaar een voorkeur 
had voor nominale en passieve constructies en dat tevens de zinsbouw uitermate logisch en 
consequent van aard was, zoodat de meer samengestelde vormen slechts vertalingen waren 
van enkele verwante oudere constructies. Voor dit alles neemt hij aan een psychische oorzaak, 
een eigenschap van den Egyptischen geest en hij vermoedt, dat dezelfde oorzaak de stijfheid 
en onbewegelijkheid der statuen en reliëffiguren tengevolge heeft. Een verdere analyse 
van deze stijfheid en onbewegelijkheid, mitsgaders een mogelijke ontwikkeling van deze 









282 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


283 


eigenschappen missen wij noode. Dit hangt echter daarmee samen, dat Gardiner zich in 
deze verhandeling bezighoudt met de constante eigenschappen der taal en niet met de ver¬ 
anderingen, welke zij in den loop der eeuwen doormaakte — het synchronische standpunt 
en niet het diachronische — en daarom ook geen aandacht schenkt aan de ontwikkeling der 
Egyptische kunst en de evolutie, welke juist deze stijfheid en onbewegelijkheid doormaakte. 

Ook de Buck heeft aan dit onderwerp in den 2den druk van zijn grammatica enkele 
beschouwingen gewijd naar aanleiding van Gardiners publicatie. De Buck acht het voor 
de hand liggend, dat er verband moet bestaan tusschen de taal en andere cultuuruitingen van 
een volk, maar overigens heeft hij enkele bedenkingen. Zoo vestigt hij er de aandacht op, 
dat tijdens de formatieve periode van de taal, dat zal dus de praedynastische tijd geweest 
zijn, de kunst niet dien typisch Egyptischen vorm vertoonde, terwijl vanaf de Derde Dynastie 
en later er juist overeenstemming was tusschen de stijl van taal en kunst. 

In de volgende bladzijden zou ik dan een poging willen doen om het verband tusschen 
de beeldende kunst en de taal nader te belichten .en voor dat doel zou ik in de eerste plaats 
de verschijningsvormen der kunst in oogenschouw willen nemen. Nu is over Egyptische kunst 
reeds zooveel geschreven, dat het zeer moeilijk is enkele kenmerkende eigenschappen aan 
te wijzen, zonder het gevoel te hebben daarbij tevens in hopelooze onvolledigheid te kort 
te schieten, terwijl men ter anderer zijde bij uitvoerige beschrijvingen gevaar loopt in on- 
noodige herhalingen te vallen. Het terrein wordt voor ons doel echter meer beperkt, omdat 
wij de aanrakingspunten in den stijl van taal en beeldende kunst zoeken, dus die eigen¬ 
schappen der beeldende kunst, die wij in een ietwat veranderden vorm in de taal terugvinden. 
Wenden wij ons daartoe tot een reeds veertig jaar oude publicatie van Spiegelberg, 
waarin deze schrijver een uiteenzetting geeft van stijlverschillen, die hij in de beeldende 
kunst heeft opgemerkt en die hij bestempelde met den naam van hofstijl en volksstijl of, 
zooals hij ook schrijft religieuze stijl en profane stijl, benamingen die in de litteratuur her¬ 
haaldelijk kritiek hebben uitgelokt. Spiegelberg vestigde er de aandacht op, dat met name 
in de reliëfs en wandschilderingen koningen en hooggeplaatsten, de dooden daarbij inbe¬ 
grepen, in een anderen stijl zijn afgebeeld als de dienaren, de arbeiders en de slaven. Latere 
schrijvers hebben de juistheid van deze opmerking in haar algemeenheid moeten beamen. 

Het is echter moeilijker om de verschilpunten van deze stijlvormen onder woorden te 
brengen en te analyseeren en de aandachtige lezer van het werk van Spiegelberg zal zich 
met de daar gegeven beschrijving niet bevredigd gevoelen. Zoo ziet Spiegelberg in den 
volksstijl „Ansatze zu richtiger perspectivischer Auffassung”, welke hij in den hofstijl 
terecht mist, al voegt hij er dadelijk aan toe, dat de volksstijl nog niet „Das Gesetz der 
wahren Perspective” heeft. Daar het begrip perspectief echter verschillende eigenschappen 
omvat, blijven deze opmerkingen vrij vaag, te meer daar de concrete voorbeelden ter 
illustratie niet genoemd worden. Als een andere eigenschap van den volksstijl in vergelijking 
met den hofstijl noemt de schrijver den grooteren rijkdom aan motieven. Verder wordt de 
opmerking gemaakt, dat allengs de volksstijl de traditie komt binnen sluipen, dat daardoor 
de tegenstellingen tusschen deze stijlvormen vervlakken, totdat de volksstijl in de Amarna- 
periode de officieele kunstrichting is geworden. Al met al blijft hier het gevoel, dat 
Spiegelberg enkele waardevolle vingerwijzingen heeft gegeven, doch dat hij er niet in 
geslaagd is meer te geven dan enkele algemeene opmerkingen.* 

Ook Erman huldigt in zijn Aegypten dergelijke opvattingen, hoewel hij de woorden 
hofstijl en volksstijl niet noemt; de wet der C richtige Zeichnung 0 — gemeend is de wijze 
waarop een hooggeplaatste staand of zittend in een reliëf of wandschildering is afgebeeld — 
geldt slechts voor vornehme Aegypter. De figuren uit het volk zijn ganz frei (sic) geteekend; 
zij keeren ons den rug toe, zijn in volledig profiel geteekend, enz. Ook wijst Erman er op, dat 
hooggeplaatsten slechts in enkele vastgestelde standen zijn afgebeeld, terwijl de kunstenaar 
# bij lieden uit het volk veel vrijer is en zich allerlei variaties kan veroorloven. In het Midden 
Rijk is er ten opzichte van de reliëfs uit het Oude Rijk in zooverre verandering gekomen, 
dat de compositie reicher und lebendiger is geworden, hetgeen o.a. gedemonstreerd wordt 


KUNST EN TAAL 

aan een scène van boomen vellen in beide tijdperken. In het Nieuwe Rijk treffen wij figuren 
aan in allerlei naturalistische houdingen onder de dienaren, slaven en gevangenen en deze 
vrijere kunstrichting dringt ook door in de tempels en in de graven, waar zooiets vroeger 
niet denkbaar was. Tijdens de Amarna periode, aldus Erman, is de vrijere stijl de officieele 
geworden, wij zien den terugslag na den val van Echnaton, doch bemerken tevens, dat deze 
vrijere stijl toch zijn sporen heeft nagelaten. Als nieuw onderwerp zien wij dan de slagveld- 
reliëfs met hun overvloed van bewogen en gevarieerde figuren naar voren komen. Zooals 
men ziet gaat Erman op de genoemde stijlverschillen veel dieper in dan Spiegelberg, ter¬ 
wijl hij tevens de ontwikkelingslijn duidelijker aangeeft. 

Terwijl Capart deze stijlverschillen eigenlijk niet vermeldt, vinden wij ze wel beschreven 
door Lunsingh Scheurleer, zij het slechts in het kort. De regels, die de juiste wijze van 
teekenen in het oude Egypte beheerschen, hangen samen met het biegrip c fatsoeri° en gelden 
des te meer voor hoogergeplaatsten. De C verachtelijke° vijanden worden in allerlei ver¬ 
wrongen houdingen weergegeven, bv. reeds op het voetstuk van het beeld van Chasechem. 
De schrijver merkt op, dat deze regels der teekenkunst in den loop der tijden aan verandering 
onderhevig worden. 

Tot slot van dit korte literatuuroverzicht, dat slechts een oriënteerende bedoeling 
heeft; vermeld ik de meening van Schafer. Ook deze haalt Spiegelberg’s onderscheiding 
van hofstijl en volksstijl aan, welke benamingen hij in de eerste plaats niet toepasselijk acht 
op de afkomst van de betreffende kunstenaars. Voorts is de onderscheiding niet gebied 
juist, wanneer wij den inhoud der afbeeldingen in het oog houden, maar „ein Teil Wahrheit 
steekt aber darin”. Voorts merkt Schafer op, dat de afbeelding der schouder en profil 
ten zeerste beïnvloed wordt door de houding en de beweging der armen. Daar voorname 
personen zich anders bewegen als lieden uit het volk, hetgeen wij nu nog in Oostersche 
landen kunnen waarnemen, zouden wij ook anders afgebeeld worden. De schrijver ziet de 
voornaamste oorzaak van de veranderde afbeeldingswijze, zooals die in den volksstijl tot 
uiting komt in den factor c beweging° in tegenstelling tot de kalme rust van den hofstijl. 
Deze laatste opmerking lijkt mij inderdaad zeer belangrijk en zij is voor mij aanleiding 
geweest om de begrippen C statisch? en C dynamisch° in de Egyptische kunst, in de eerste 
plaats bij de reliëfs en wandschilderingen nader te overdenken en uit te werken en te zien 
of deze onderscheiding ons verder kan brengen tot een nadere analyse van de besproken 
afbeeldingen. Ik vestig er de aandacht op, dat ik de begrippen C statisch 3 en C dynamisch ö 
in geheel anderen zin gebruik als Krahmer, toen hij twee soorten ruimten beschreef, een 
statische en een dynamische ruimte en betoogde, dat in de Egyptische kunst een dynamische 
ruimte niet voorkwam. Zooals ik deze woorden gebruik, zie ik in de Egyptische afbeeldingen 
statische en dynamische verschijnselen, die zich met elkander combinaeren en die in de 
verschillende tijdperken in verschillende mate naar voren komen. 

Stijlverschillen in de Kunst. — Richten wij daartoe onze aandacht op de 
reliëfkunst dan onderscheiden wij daar vooreerst de °Grundform D zooals Schafer deze 
noemt 'en welke ik hier den grondvorm zou willen noemen en dien wij in staande en in 
zittende houding kennen. Deze afbeeldingen ademen een hooge mate van rust en zijn 
daarbij in een fraai evenwicht. Waarom de Egyptenaar den mensch in deze grondvorm 
afbeeldt is een vraag, die ik hier niet verder wil aanroeren, omdat de verschillende publicaties 
over Egyptische kunst zich daarmee reeds zooveel hebben beziggehouden, ik wil er slechts 
de aandacht op vestigen, dat deze figuren door de afbeelding van het bovenlichaam de face 
zeer fraai in evenwicht komen. Rust en evenwicht zijn de typische karaktertrekken van 
den grondvorm en daarom zou ik haar een statische afbeelding willen noemen, d.w.z. niet 
geheel statisch bedoeld, maar in hooge mate statisch. Ook deze grondvorm bevat ongetwijfeld 
elementen, die als beweging bedoeld zijn, bevat dus dynamische elementen, want wanneer 
de Egyptenaar een steenen beeld, een statue in een reliëf afbeeldt, dan doet hij dat anders, 




284 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


kunst en taal 


285 


niet in den grondvorm, maar als een vrijwel zuivere profielafbeelding 1). Schafer vestigt 
op dit feit nadrukkelijk de aandacht en ook. andere onderzoekers hebben het vermeld. De 
grondvorm is dus bedoeld als afbeelding van een levend mensch, die in staat is tot beweging, 
en een levenlooze statue die geheel statisch is, wordt niet in den grondvorm afgebeeld. 
Deze laatste bevat dus reeds enkele dynamische elementen, die juist gegeven zijn in de 
eigenaardige afwijkingen die dezen grondvorm kenmerken. De grondvorm is overigens 
overwegend een statische afbeelding en bedoelt rust uit te drukken en daar het niet toevallig 
is, dat de begrippen C statisch° en c statig D samenhangen, krijgen wij van dezen grondvorm 
een statigen indruk. Terloops wil ik nog opmerken, dat een doode in een reliëf ook in den 
grondvorm wordt afgebeeld, omdat hij volgens de religieuze begrippen leeft en dat een 
figuur in mummiebanden gewikkeld geheel en profil wordt weergegeven omdat zij zich 
niet kan bewegen. Hieruit moeten wij dus de conclusie trekken, dat de eigenaardigheden 
van den grondvorm reeds eenige beweging aanduiden, casu quo de mogelijkheid van 
beweging. 

Beschouwen wij nu de figuren van de dienaren en de arbeiders op de reliëfs van 
het Oude Rijk, dan zien wij dat deze in vele opzichten van den grondvorm afwijken, doch 
daarbij is op te merken, dat de beeldhouwer wel van den grondvorm is uitgegaan of dat 
deze hem voor oogen heeft gezweefd, maar dat hij enkele veranderingen heeft aangebracht 
om de beweging, die de dienaar maakt, aan te duiden. Deze veranderingen ten opzichte 
van den grondvorm moeten wij bestudeeren en dan zullen wij zien, dat de beeldhouwer 
daarmee uiterst spaarzaam omgaat en een minimum aan veranderingen aanbrengt om een 
maximum aan beweging uit te beelden. Wij worden hier herinnerd aan een ander verschijnsel, 
dat ik in een vorige publicatie beschreef en dat daarin bestaat, dat de gebaren van de 
Egyptische beelden uiterst sober en beheerscht zijn en toch, of liever gezegd juist daardoor, 
een maximum aan psychisch uitdrukkingsvermogen kunnen uitbeelden. Zooiets dergelijks 
zien wij bij de reliëfs der mastaba’s; de afwijkingen van den grondvorm zijn soms slechts 
gering, maar toch slaagt de beeldhouwer erin om den indruk van voortdurende bezigheid 
te geven. Deze afwijkingen van den grondvorm, die dus een beweging moeten aanduiden, 
zou ik willen noemen dynamische elementen en op grond daarvan noem ik de figuren der 
dienaren meer dynamisch van stijl dan de grondvorm, welke een overwegend statischen 
stijl vertoont. 

Bestudeeren wij goede afbeeldingen van de reliëfs van het Oude Rijk, waarvoor ik 
o.a. verwijs naar den atlas van Wreszinski en wel deel III, dan krijgen wij van deze 
afwijkingen van den grondvorm een goeden indruk. Tenslotte zijn er maar weinig be¬ 
wegingen van romp en ledematen, die niet een keer aangeduid worden. Wat men om te 
beginnen in het Oude Rijk echter nooit ziet is een gebogen rug en hals. Wordt de romp 
gebogen, dan buigt deze diep in de lendenen, maar de rug en ook de hals blijven volkomen 
recht. Zelfs in een der meest dynamische reliëfs, waarop een worstelscène staat afgebeeld 
(Wreszinski, Teil III, Tafel 18 Graf van Ptahhotep) blijven de ruggen en halzen prak¬ 
tisch recht. Het hoofd is in de dienarenreliëfs ook bijna steeds rechtop, met enkele uitzon¬ 
deringen (Wreszinski, Teil III, Tafel 2 Graf van Ptahhotep, en Tafel 29, Graf van 
Mereroeka). Voorts ziet men nooit een lichaamsdeel afgebeeld in driekwart, dus anders dan 
en profil of de face. Voor het overige ziet men in het Oude Rijk reeds alle bewegingen 
van gewrichten nu en dan aangegeven, hoewel sommige zeldzaam zijn. Zoo zien wij bv. 
in het graf van Mereroeka (Wreszinski, Teil III, Tafel 5) een harpspeler met gespreide 
en licht gebogen vingers en in het graf van Ti (Wreszinski, Teil III, Tafel 30) een harp¬ 
speler met gespreide over elkaar geslagen vingers. Gebogen polsgewrichten, welke ook in 


1 ) Een uitzondering hierop vinden wij in het 
graf van Mereroeka in een afbeelding bij Wre¬ 
szinski Teil III Tafel 33. In dit zeer fijn afge¬ 
werkte reliëf zien wij tweemaal een statue van 
den doode onder een baldakijn afgebeeld, staande 


in den grondvorm maar met een en profil getee- 
kende linkerschouder, een derde maal in den vol¬ 
ledigen grondvorm. In den tekst wordt de reden 
van zulk een afbeeldingswijze bij zulk een onder¬ 
werp onbegrijpelijk geacht. 


het Oude Rijk zeer zeldzaam zijn, ziet men in het graf van Mereroeka (Wreszinski, 
Teil III, Tafel 7). Hoewel men dus schier elke beweging in de reliëfs van het Oude Rijk 
ziet afgebeeld, blijft het opvallend, dat de beeldhouwer met de veranderingen van den 
grondvorm uiterst spaarzaam omgaat en slechts zóóveel aanbrengt als noodzakelijk is, 
om de beweging aan te duiden. 

Men kan de begrippen statisch en dynamisch ook toepassen op de dierreliëfs. Nemen 
wij als voorbeeld de ezelreliëfs, dan zien wij hier gedeelten, die een overwegend statischen 
indruk maken, bv. in het ezelreliëf in het graf van Ti (Wreszinski, Teil III, Tafel 49), 
waar de ezels statig voorwaarts schrijden met de koppen even hoog, op gelijke afstanden 
en ieder dier precies in dezelfde houding. Als voorbeeld van een meer dynamisch ontworpen 
ezelreliëf zou ik willen wijzen op het bekende reliëf der Leidsche ezels (van Wijngaarden, 
pl. 19 en vele andere plaatwerken) met zijn bewogen compositie. Hier is de hoogte der 
koppen ongelijk, de afstanden der koppen is ongelijk, houding en uiterlijk der dieren is 
verschillend, een ezel bukt naar den grond en een ander dier heeft zich omgedraaid, zoodat 
de halzen en koppen van deze laatste dieren ongeveer een diagonaal vormen, welke laatste 
weer in evenwicht gehouden wordt door den stok van den drijver. De strenge maat van 
het statische reliëf uit het graf van Ti is het Leidsche reliëf tot een dynamisch rhythme 
geworden. Met de kunstige uitvoering behoeft dit niet parallel te gaan, want wij zien bv. 
in het graf van Anch-ma-Hor (Wreszinski, Teil III, Tafel 52) een ezelskudde, welke 
ongeveer volgens dezelfde dynamische compositie is opgezet, misschien naar een zelfde 
voorbeeld, maar stijf en slecht uitgevoerd. Het Leidsche reliëf is blijkbaar gemaakt door 
een uitstekend kunstenaar, het reliëf van Anch-ma-Hor door een ongeoefende. Een meer 
statisch en een meer dynamisch reliëf zijn alleen anders gecomponeerd, beide kunnen in 
hun soort uitstekend of ook slecht uitgevoerd zijn. Zoo wil ik ook nog wijzen op een reliëf 
uit het graf van Ti (Wreszinski, Teil III, Tafel 44) waar gehoornde runderen in statische 
statigheid voortschrijden en vlak daarvoor ongehoornde runderen in dynamische bewegelijk¬ 
heid zijn afgebeeld, blijkbaar door denzelfden beeldhouwer. Statisch en dynamisch zijn 
stijlverschillen, die met artistiek gehalte niets te maken hebben en het wil mij voorkomen, 
dat deze woorden de bedoeling van Spiegelberg, toen hij zijn hofstijl en volksstijl con¬ 
cipieerde, beter aanduiden. De hofstijl is een meer statische stijl, de volksstijl heeft meer 
dynamische elementen. 

Statische en dynamische stijlelementen kunnen wij ook onderscheiden bij de statuen 
en de statuetten van het Oude Rijk, en dan zien wij, dat wij de statige en rustige beelden 
tot de statische kunst mogen rekenen en dat in de statuetten der dienaren dynamische 
stijlelementen zijn toegepast. Het zou mij te ver voeren dit in den breede aan afbeeldingen 
t$ demonstreeren, doch een aandachtige bestudeering van de groote plaatwerken zal deze 
stijlverschillen wel duidelijk maken. Gaarne zou ik echter in dit verband willen wijzen op 
een meeningsverschil tusschen Schafer en Worringer, dat met deze beschouwingen te 
maken heeft. Worringer rekent in zijn Abstraktion und Einfühlung de statuen van den 
^dorpsschout 3 , Ka-aper en van den schrijver uit het Louvre tot den volksstijl, eenigermate 
tot ontsteltenis van Schafer (zie daarvoor Aanmerkingen p. 62b). Het wil mij voorkomen, 
dat in deze fraaie en indrukwekkende beelden duidelijke dynamische elementen zijn aan 
te wijzen en dat, indien men het tendentieuze woord volksstijl vervangt door %tijl met 
dynamische elementen 3 , het niet te loochenen is, dat -de bovenvermelde beelden in verge¬ 
lijking bv. met een zittend beeld van Chef ren, van een meer dynamischen stijl zijn. 

Tot nu toe beschouwden wij den grondvorm en de afwijkingen daarvan; voor een op 
de juiste wijze karakteriseeren van den stijl moeten wij echter ook de lijn van de reliëfs 
en eventueel van de wandschilderingen in oogenschouw nemen. Wij moeten dan natuurlijk 
reliëfs met reliëfs vergelijken en wandschilderingen met wandschilderingen, want de aard 
van de lijn kan beïnvloed worden door de techniek en door de technische mogelijkheden.. 
In het Oude Rijk is deze lijn strak en gespannen, zoo weinig mogelijk gebogen, zeker niet 
ongevoelig, maar de rondingen van het menschelijk lichaam worden zoo sober mogelijk 



286 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


KUNST EN TAAL 


287 


aangegeven. Met name treffen wij dit aan bij de reliëffiguren in statischen stijl, doch ook 
de meer dynamische figuren der dienaren vertoonen in het Oude Rijk nog deze strakke 
lijnen. Reeds hier kan de opmerking gemaakt worden, dat bij de reliëfs van het Nieuwe 
Rijk de lijn soepeler en bewegelijker wordt, de voorliefde voor de strakke gespannen lijn 
wordt minder en terwijl de afbeeldingen der voorname Egyptenaren nog vaak dezen statischen 
lijnenstijl bewaren, geven de reliëffiguren der dienaren een uitgesproken dynamischen lijnen- 
stijl te zien. Reeds Schafer wees hierop in andere woorden. Hij noemt dezen statischen stijl 
„scharf geometrische Linien” en den dynamischen „geschmeidige Umrissen”, waarbij de 
bedoeling hetzelfde is. 

Wenden wij ons nu tot de kunst van het Nieuwe Rijk en meer speciaal tot de reliëfs 
van de Amarna periode. Beschouwen wij de afbeelding van het Amarna reliëf in Wreszinski, 
Teil II, Tafel 133, dan zien wij daar, hoe Echnaton zich vooroverbuigt om van af een 
balcon de eerbewijzen van een menigte in ontvangst te nefmen. De houding van Echnaton 
is daarbij voor een Egyptischen koning iets nieuws, de romp is gebogen, de lijn der beide 
schouders loopt niet horizontaal, helt naar voren af. Dit zijn dynamische elementen, die bij 
een koningsfiguur voorheen niet voorkwamen. Bij de beoordeeling van deze Amarna fjguren 
moeten wij twee factoren eenigszins uit elkaar trachten te houden. In de eerste plaats 
treffen ons de eigenaardige lichaamsvormen van Echnaton, zooals zijn uitzonderlijk gelaat, 
zijn lange hals, zijn dikke buik, zijn breede heupen, zijn dunne beenen, enz., maar tevens 
merken wij op, dat de figuur meer dynamisch is afgebeeld dan de oudere koningsfiguren. 
Letten wij speciaal op deze dynamische dementen, dan zien wij, dat in de Amarna-periode 
de figuren, welke voorheen uitsluitend in een statischen stijl waren afgebeeld, nu een meer 
dynamischen stijl vertoonen. Het verschil van stijl tusschen den vorst en zijn dienaren 
wordt daardoor vervlakt. Deze dynamische elementen bij de figuren der voorname Egypte¬ 
naren zien wij in het Nieuwe Rijk nog lang na den dood van Echnaton tot uiting komen. 
Zoo geeft Wreszinski, Teil II, Tafel 133 Ramses III te zien in een overeenkomstige houding 
als Echnaton 2 ). 

Beschouwen wij nu een ontvangst van gezanten in el Amarna afgebeeld in Davies, 
Amarna 2, Plate 37, dan zien wij hoe bewogen hier verschillende groepen van personen 
zijn afgebeeld. Een ruim gebruik wordt hier ook gemaakt van oversnijdingen van figuren. 
Een speciaal dynamisch element dat in de Amarna-periode naar voren komt is de rond¬ 
gebogen rug der dienaarfiguren, welke duidelijk contrasteert met den gebogen rug der 
dienaren uit het Oude Rijk, waar immers de rug slechts in de lendenen gebogen was, doch 
overigens geheel recht bleef. Resumeerende kunnen wij in het kort van den Amarna-stijl 
zeggen, dat de dynamiek, die vroeger beperkt was tot de dienaarfiguren nu in de konings¬ 
figuren haar intrede doet en dat de figuren der minder voorname personen in deze Amarna- 
periode nog veel meer dynamisch worden, dan zij voorheen waren. De lijn is voor beide 
soorten van figuren soepel, bewogen en lenig geworden met een groote voorliefde voor het 
gebogene, sterk in tegenstelling tot de strakke gespannen lijn van het Oude Rijk. 

Zooals reeds werd opgemerkt, blijven in het Nieuwe Rijk ook na de Amarna-periode 
de afbeeldingen veel meer dynamisch dan in het Oude Rijk. Men vergelijke bv. twee afbeel¬ 
dingen van het wegvoeren van gevangenen in Erman, Aegypten, enz., Tafel 42. In de 
eerste afbeelding ziet men gevangenen uit het Oude Rijk in statige afgepaste houdingen, 
iedere figuur apart voorgesteld zonder oversnij dingen, de tweede is een reliëf uit het graf 
van Horemheb met een bewogen rhythmische compositie, oversnij dingen van figuren en 
allerlei dynamische houdingen. Treffend is ook de vergelijking van dansende figuren uit 
het Oude Rijk en uit het Nieuwe Rijk. Zoo is Breasted, afb. 201, een in statischen stijl 
uitgevoerde afbeelding, terwijl Breasted, afb. 239, een uiterst dynamische voorstelling 
geeft. Letten wij op den stijl van de lijn, dan treft in het reliëf uit het Oude Rijk de strakke 
lijn, in het Nieuwe Rijk de soepele gebogen lijn met eien voorliefde voor rondingen. 

2 ) Zie ook het reliëf in het Louvre, waar Seti I in overeenkomstige houding op een balcon staat 
afgebeeld (Boreux, pl. 34). 


Dat deze dynamiek ook wel degelijk in de echte graf figuren binnendrong zien wij 
bv. in het bekende reliëf van den begrafenisstoet van een hoogepriester uit Memphis 
(Breasted afb. 230). Een aantal hoogwaardigheidsbekleeders is hier geteekend op onregel¬ 
matige afstanden van elkaar, met meer of minder gebogen hoofd, met oversnij dingen van 
de figuren, met zeer verschillende houdingen der handen, terwijl een der personen zich 
geheel heeft omgewend. Ook zou nog gewezen kunnen worden op de reliëfs van Sai-em- 
petref, de opperste der goudsmeden onder Seti I, af gebed in de Jaarberichten no. 5 en 6. 
De kinderen van den doode brengen de offeranden in eenigszins dynamische houdingen, 
zeer verschillend van de statische figuren van dergelijke personen op de stéles uit het 
Midden Rijk en vroeger,, terwijl bij den geknielden doode, die in een biddende houding 
is weergegeven de lijn der schouders niet horizontaal is, doch naar voren af helt. Alles 
dynamische elementen, die in vroegere tijdperken niet of nauwelijks voorkwamen. 

Treffende voorbeelden van een dynamische afbeeldingswijze vindt men in de veldslag¬ 
en zeeslagreliëfs, zooals deze in het Nieuwe Rijk in zwang komen. De koning staande op 
zijn strijdwagen schiet zijn pijlen op de vijanden af, de veel kleiner afgebeelde vijanden 
krioelen dooreen in allerlei dynamische houdingen. De stijl, waarin de koning is geteekend, 
is ondanks zijn activiteit in den strijd, in groote mate statisch als uitdrukking van zijn 
groote macht. Fraaie voorbeelden van deze reliëfs vindt men in Wreszinski, Teil II, 
Tafel 96, 113 en 115, en Schafer, Tafel 26. 

Met de xxviste dynastie treedt in de Egyptische kunst een duidelijke reactie op, met 
een teruggrijpen op de statuen en reliëfs van het Oude Rijk en Midden Rijk. De stijl wordt 
wederom meer statisch. Interessant in verband met onze volgende beschouwingen over 
den samensang tusschen taal en kunst is, dat men voor de religieuze taal ook teruggrijpt op 
de pyramidentexten van het Oude Rijk. 

Stijlverschillen in de Taal. — Wij hebben in de kunst van het Oude Rijk figuren 
leeren kennen met een overwegend statisch karakter, daarnaast zagen wij figuren der lager 
geplaatsten met meer of minder dynamische elementen, met name bij die afbeeldingen, die 
Spiegelberg tot de volksstijl rekent, wij zagen hoe de dynamische tendens in de xvmde 
Dynastie sterker wordt en dat in de Amarnaperiode de dynamiek in de afbeeldingen van 
den koning haar intrede doet, terwijl de afbeeldingen der lager geplaatsten nog veel bewogener 
zijn geteekend dan in het Oude Rijk. Wanneer wij ons nu wenden tot de taal, die andere 
belangrijke uiting der Egyptische beschaving, dan kunnen wij daar soortgelijke tendenzen 
en verschilpunten waarnemen; wij zullen bemerken, dat de taal van het Oude Rijk in hooge 
mate statisch van constructie, van zinsbouw en van stijl is, dat de taal van het Midden Rijk 
meer dynamisch evolueert, dat de volkstaal steeds dynamischer is dan dé officieele schrijftaal, 
evenals de reliëffiguren der dienaren meer dynamisch geteekend zijn dan de reliëffiguren 
der hooger geplaatsten en dat ten tijde der regeering van Echnaton de dynamische ver¬ 
schijnselen op revolutionaire wijze in de officieele taal doordringen, zoodat vanaf de xixde 
Dynastie deze dynamische elementen tot een vast bezit van het Nieuw-Egyptisch zijn ge¬ 
worden. 

Wanneer wij de begrippen statisch en dynamisch op den stijl van de taal gaan toepassen, 
dan vereischt dat een zekere toelichting. Ter inleiding daarvan zou ik er de aandacht op 
willen vestigen, dat de Buck in den tweeden druk van zijn grammatica een ontwikkelings¬ 
proces der taal beschrijft, dat wij menigmaal kunnen vaststellen. Het is, dat de flexie der 
woorden van de oudere taalvormen in den loop der eeuwen achteruitgaat, uitslijt en wordt 
vervangen door een aanduiding van de functie der woorden door hulpwoordjes. Zoo is het 
Latijn een veel meer flecteerende taal dan het ermee verwante Fransch. De Buck schrijft: 
„het verschijnsel is algemeen. Ook in de Germaansche talen merken wij het op. De eene taal 
moge wat meer van de voorvaderlijke vormenschat hebben verloren dan de andere, op den- 
zelfden weg zijn zij alle”. Dit algemeene ontwikkelingsverschijnsel acht de schrijver op het 
voetspoor van O. Jespersen geen verarming, maar eerder vooruitgang, omdat nu op een 













288 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


meer gemakkelijke wijze dezelfde rijkdom aan gedachten en gevoelens kan worden uitge¬ 
drukt. Ook het Egyptisch is denzelfden weg gegaan en de Buck noemt als voorbeelden 
daarvan het verdwijnen van den dualis, van de meervoudsvormen der substantiva, het 
mogelijk zeer vroege verdwijnen der naamvalsuitgangen, de verstarring van het adjectief 
en enkele sporen bij het werkwoord, zooals de zgn. versteening van den toestandsvorm (oud- 
perfectum). 

Deze geschetste evolutie van de taal in het algemeen en van het 'Egyptisch in het 
bijzonder leidt tot een verandering in stijl, welke ook haar aesthetische zijde heeft. Een flexie 
is bijna steeds korter dan een functieaanduiding door hulpwoorden, welke de zinnen langer 
maakt en bovendien wordt de volzin door het gebruik van hulpwerkwoorden in verschillende of 
meer woorden gefragmenteerd. Wanneer het Latijnsehe laudavi in het Fransch plaats maakt 
voor fai loué heeft men niet alleen met een verlenging te maken maar ook met een ver¬ 
schijnsel, dat ik fragmentatie zou willen noemen, in dit geval het optreden van drie woorden 
in plaats van één. Ditzelfde zien wij ook in het Egyptisch, waar bv. het oude sdm.f plaats 
maakt voor het Nieuw-Egyptische praesens II iWi-f.hr sdm; ook hier verlenging en frag¬ 
mentatie. Zooals de Buck schrijft is hier geen sprake van taalverarming, doch het wordt 
ons gemakkelijker gemaakt de taal te leeren, wat ieder kind tenslotte moet doen. Maar aan 
den anderen kant leidt deze evolutie van de taal, met name in het Egyptisch tot een verlies 
aan kortheid, bondigheid en zeggingskracht in weinig woorden, welke eigenschappen aan 
de taal een zekere bekoring kunnen verleenen. Direct moet echter toegegeven worden, dat 
ook de verlenging en de fragmentatie haar bekoring kan hebben, zij is niet stijlloos, maar 
er is een andere stijl ontstaan, soepeler, bewegelijker of zoo men wil bewogener van aard. 
Dezen laatsten stijlvorm zou ik dynamisch willen noemen in tegenstelling tot den eerst ver¬ 
melden statischen stijl. Zoo is de taal van het Oude Rijk uitgesproken statisch van stijl, zij 
geeft ons korte zinnen te lezen, waar de woorden en zinsdeelen direct naast elkaar geplaatst 
zijn zonder lidwoord en zeer vaak in den directen genitief, terwijl hulpwerkwoorden zeldzaam 
voorkomen en er een voorkeur bestaat voor nominale zinnen. De taal der pyramidentexten 
met haar strakken onbewegelijken stijl en gedrongen architectuur is een goed voorbeeld van 
dezen statischen stijl en zij doet ons denken aan de statige onbewegelijke beelden, zoowel van 
rondplastiek als reliëfkunst, die wij hierboven als voorbeelden van statische kunst hebben 
herdacht. Het Nieuw-Egyptisch daarentegen mag als een voorbeeld van een taal met een 
meer dynamischen stijl gelden. De zinnen zijn langer geworden, veel langer, vergeleken met de 
taal van de pyramidentexten, bepaald en onbepaald lidwoord treden op, de indirecte genitief 
wordt algemeener, hulpwerkwoorden treden op in de plaats van korte flexies, het possessieve 
adjectief vervangt het possessieve suffix, het stijve en gedrongene van den geheelen zins¬ 
bouw gaat verloren, kortom de taal is bewegelijker en soepeler geworden en heeft haar 
strakke statigheid verloren. De dynamische stijl van de taal verhoudt zich tot den statischen 
stijl als de soepele gebogen lijn tot de strakke gespannen lijn, stijlverschillen, die wij hier¬ 
boven in de beeldende kunst bespraken en die ook Schafer beschreef 3 ). 

Een versch 1 tusschen beide stijlvormen der taal, waarop nog later gewezen zal worden 
is, dat bij den statischen stijl ieder woord zijn volledige beteekenis heeft, terwijl bij den 
dynamischen stijl in het Nieuw-Egyptisch menigmaal woorden worden gebruikt, waarvan 
de oorspronkelijke beteekenis is .afgesleten, die aan den volzin soms de een of andere 
fumctioneele beteekenis geven, maar die ten deele slechts ornamenteele waarde schijnen 
te bezitten. Als voorbeelden daarvan mag het gebruik van in, c h c en in als hulpwerkwoorden 
gelden. Zij dragen bij tot de verlenging en de fragmentatie van de volzinnen. 

De beoordeeling van de aesthetische waarde van de taal en naar men zou kunnen meenen 
ook van den stijl wortöt eenigszins belemmerd -door het feit, dat wij den klank van het 
gesproken woord niet kennen of daar slechts eenige bijzonderheden, afgeleid uit het Kop¬ 
tisch van meenen te weten. Het is echter niet juist, dat deze onbekendheid met de vocalen 

3 ) De hier besproken begrippen worden grootendeels gedekt door de woorden synthetisch en ana¬ 
lytisch zooals door Jespersen worden gebruikt. 


KUNST EN TAAL 


289 


ons oordeel over den stijl der taal ernstig beïnvloedt; wij letten hier op den zinsbouw, de 
• architectuur van de taal en den stijl van die architectuur; want zoo goed als de bouwkunst 
stijlvormen kent, zoo kunnen wij deze ook aan de architectuur der taal onderscheiden. Voorts 
heeft grammatica haar aesthetische zijde, wat nog iets anders is dan de zgn. zuiverheid van 
stijl. 

In de eerste plaats is in dit verband de genitief van belang. Wij onderscheiden een 
directen en een indirecten genitief. Bij den eersten is het verband tusschen het regeerende 
en het geregeerde, substantief zeer nauw, stijf en onbewegelijk volgen zij op elkaar; wij 
kunnen hier van een statisch element in de taal spreken. Bij den indirecten’ genitief wordt 
het verband losser, de zin wordt leniger, bewegelijker en langer, zoodat wij hier van een 
dynamisch element mogen spreken. De directe genitief is de oudste (de Buck, Eg. Gramm., 
en Erman, Aeg . Gramm.), de indirecte genitief is jongèr en zal de directe verdringen. 
Reeds in het Oude Rijk was de indirecte genitief bekend en zelfs tot in het Koptisch was 
de directe genitief nog in enkele vaste uitdrukkingen aanwezig, doch dit neemt niet weg, 
dat de directe genitief in het Oude Rijk zeer veelvuldig voorkwam, in het Midden Rijk ver¬ 
minderde en nog minder in het Nieuw-Egyptisch voorkwam. In de Amarna-periode, die ook 
in de kunst een revolutionaire tijd was, zien wij hoe de indirecte genitief in de titulatuur 
van den koning en van den god binnendringt, iets wat voorheen geen gebruik was (Behnk, 


35). Zoo kent de titel 


de varianten 


titulatuur van Aton zoowel den directen genitief in 


en Iüü, Voorts vinden wij in de 

I WAM 

/WWW 0 ^37 ft o 

C 7 Q als een m- 

X WWV ( -> 0 T O 

r\ 

,v ^ . Ook zien wij een indirecte 


directen genitief in de variant 2 /wwvs _ü . Ook zien wij een indirecte 

WWW v - 's I V-/ 

/WWW □ 

genitief in den naam Horizon des Hemels: -03 _ (Behnk). 

Ook in Erman, Neuaeg. Grammatik lezen wij hoe de directe genitief plaats maakt voor 
den indirecten. Menigmaal zou de genitivische n zijn weggelaten, waardoor een schijnbare 
directe genitief is ontstaan.* 

Een bijzonder geval van den directen «genitief is het possessieve suffix (Gardiner) 
zooals dit bv. voorkomt in Deze constructie beteekent „huis van hem” en is dus 

een directe genitief, een uiterst korte en bondige schrijfwijze. In het Nieuw-Egyptisch zien 
wij dit possessieve suffix verdrongen worden door een andere uitdrukking nl. (j (j 

of vertaald: deze van hem huis. Wellicht bevat ook deze uitdrukkingswijze een 

directen genitief, maar toch is er een verlenging, een vloeiender en bewegelijker worden 
van de woorden opgetreden en wij mogen het dan ook mijns inziens als een dynamisch 
element naast het statische possessieve suffix opvatten. 

Een fraai voorbeeld van statischen stijl bij den directen genitief vinden wij in de titula¬ 
tuur van den koning in de uitdrukking uiterst kort van woorden, twee ideogrammen 

•zonder phonetische teekens, en dus zeer antiek in schrijfwijze, zooals van een koningstitel 
te verwachten is. Deze uitdrukking roept onwillekeurig het visioen op van een statig 
onbewegelijk koningsbeeld, hooghartig en strak in zijn roerloozen, statischen stijl. De revo¬ 
lutie van Amarna behield wel in de titulatuur deze uitdrukking, maar schiep daarnaast de 

vloeiende en bewegelijke zinswending: ] > VVWV ' tj A/ 0 NA , waar naast den 

indirecten genitief het lidwoord zijn intrede doet. 

Het Middel Egyptisch kent het lidwoord niet, evenmin als de taal van het Oude Rijk. 
Vanaf de xvuide Dynastie vinden wij het lidwoord gebruikt en in het Nieuw-Egyptisch is 

het gewoon geworden. Opmerkelijk is, dat een oud woord als zonder artikel, het nieuwe 
woord ^ ^ (j j^) met het lidwoord wordt geschreven. Stylistisch draagt het ontbreken van 
het lidwoord bij tot de statische kortheid en gedrongenheid van de taal, hef lidwoord in 


Jaarbericht n°. 10 


19 







EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


KUNST EN TAAL 


29i 


29 O 

het Nieuw-Egyptisch helpt mede de taal vloeiender en bewegelijker te maken. Dit dyna¬ 
mische verschijnsel treffen wij ook aan in de volkstaal van het Middel-Egyptisch, wat dus 
weer vergeleken kan worden met den volksstijl in de beeldende kunst. 

r—1.9 ^ £> 

Ook het onbepaalde lidwoord YVP treedt reeds een enkele maal in het Middel- 

_ ü I * 

Egyptisch op (de Buck). In de Amarnatexten komt hét niet voor, wat naar de meening 

van Behnk toevallig zou zijn, maar in het Nieuw-Egyptisch is het zeer gewoon geworden, 
behalve in liederen en in officieele taal (Erman, Neuaeg u Gramm.), wederom een dynamisch 
verschijnsel in de taal, waarover dezelfde opmerkingen te maken zijn als over andere dyna¬ 
mische uitingen. 

Verdere factoren, die een grooten invloed op den stijl van de taal hebben zijn het 
gebruik van de zgn. nominale zinnen of copulalooze zinnen en de werkwoordsvormen, zoo er 
een werkwoord aanwezig is. De copulalooze zin heeft een meer gedrongen en strakke 
architectuur dan een verbale zin en juist in de copulalooze zinnen zien wij voorbeelden, hoe 
met een uiterst spaarzaam gebruik van woorden toch een maximum aan zeggingskracht 
wordt bereikt. Bij de copulalooze zinnen met substantivisch praedicaat is het duidelijk, dat 
wij hier te maken hebben met een antieke constructie, daar het substantivisch praedicaat 
slechts voorkomt in archaïseerende texten. Het Middel Egyptisch bedient zich overigens 
van het woordje pw of van de identiteits m of door de copula iw voorop te zetten, al ] le 
middelen, die een verlenging van den volzin ten gevolge hebben. Copulalooze zinnen geven 
aan de taal een statisch karakter. 

De verbale zinnen kunnen, wat betreft den werkwoordsvorm een meer statisch of een 
meer dynamisch karakter dragen. Wij kennen (Erman, Aeg. Gramm.) een oudere flexie 
van de werkwoorden, nl. het oude perfectum, de imperatief, de participia en de infinitief 
en een jongere flexie nl. de sdm.f., sdm.n.f, enz. vormen. Volgens Gardiner kan men 
yermoeden, dat de vertellende vorm in praehistorischen tijd het oude perfectum is geweest, 
welke in de praehistorische „actual formative period of the Egyptian language” grooten- 
deels vervangen is door de jongere vormen, die alle afgeleid zijn van passieve participia. 
Met dit feit brengt Gardiner in verband de .neiging van de Egyptenaren meer naar het 
verleden dan naar de toekomst te zien en voorts de onbewegelijkheid, wij zouden zeggen 
den statischen stijl der Egyptische beelden en figuren. Hoe dit zij, de genoemde jongere 
verbuigingsvormen hebben aan het statische karakter der oude Egyptische taal slechts weinig 
veranderd. Een belangrijke verandering in den stijl kwam echter tot stand met het op¬ 
treden der hulpwerkwoorden, zooals bij de volkstaal van het Midden Rijk en bij het Nieuw- 
Egyptisch. Erman karakteriseert het Nieuw-Egyptisch in enkele woorden als volgt: „Es 
hat vielfach seine alten Formen aufgegeben und begnügt sich mit Hilfsverben und andere 
Umschreibungen”. Deze hulpwerkwoorden en omschrijvingen, die een verlenging en frag¬ 
mentatie van de zinsdeelen veroorzaken, geven aan de taal een meer dynamisch karakter. 

Een dynamische stijl der taal kan men eveneens aanwijzen in de zinswending: sdm pw 
iri.w.n..f, zooals die bv. als vertellende vorm voorkomt in het verhaal van den welsprekenden 
boer. Hierboven werd reeds vermeld, dat in de oudere taal ieder woord zijn volledige be- 
teekenis en waarde in den volzin heeft en dat in de nieuwe taal dit niet steeds het geval is. 
De bovengenoemde zinswending beteekent oorspronkelijk: „hooren is het, wat hij deed”, 
met dus den nadruk op ‘diooren 3 , doch later verzwakte deze beteekenis en werd wij een 
eenvoudig vertellende vorm. Dezelfde opmerkingen zouden ook te maken zijn naar aan¬ 
leiding van de vormen c h c .n sdmn.f en c h c .n.f sdm.n.f die oorspronkelijk beteekenden: hij 
stond op en hij hoorde, later: toen hoorde hij, en daarna een eenvoudig vertellende vorm 
was. Wij zien hier, hoe verlenging en fragmentatie gepaard gaan met een verzwakking der 
eigenlijke beteekenis der woorden en in dergelijke gevallen kan men m.i. bezwaarlijk van een 
G progress in language 3 spreken. Misschien is hier meer sprake van slordigheid en vervlak¬ 
king van de volkstaal, welke later door de schrijftaal is ovërgenomen.• Er is hier nï . een 
merkwaardige parallel te trekken met de volgende zinswendingen uit het Nederlandsch. 
Wanneer ik zeg:,, Wat doet die boer daar?”, dan kan men ouderwets-deftig in statischen 
stijl antwoorden: „Hij ploegt”, doch in gewone dynamische spreektaal zal het antwoord 


luiden: „Hij is aan het ploegen”, een vorm die pjrecies gelijkt op de praesens IL Zoo heeft 
bij de zinswending „hij staat te visschen” nog ieder woord zijn volledige beteekenis, want 
het beteekent „hij staat terwijl hij vischt” of zoo men wil „hij vischt terwijl hij staat”, maar 
dit is niet meer het geval bij het vulgaire Nederlandsch van: „hjij zit te zeuren” en „hij ligt 
te donderjagen”. Immers hier zijn zitten en liggen hulpwerkwoorden geworden, die hun 
oorspronkelijke beteekenis hebben verloren, zooals ook het geval is bij het hulpwerkwoord 
c h c . Wij zien hier dys ook in het Nedelrlandsch, hoe de schrijftaal, de meer deftige taal 
een statisch karakter draagt en de vulgaire taal dynamisch evolueert, terwijl tevens duidelijk 
is, dat in dergelijke gevallen niet steeds van een c progress in language 0 gesproken mag 
worden. 

Uit bovenstaande voorbeelden zou men de gevolgtrekking kunnen maken, dat de dyna¬ 
mische verschijnselen in de taal in wezen samenhangen met een populariseering, een meer 
algemeen worden der taal, die haar exclusieve vormenschat en gedrongen statigheid prijs 
geeft en zich aanpast aan de eischen van gemakkelijkheid in aanleeren en gebruik. Waar 
deze evolutie zoo algemeen voorkomt in talen van geheel verschillende oorsprong, moet er 
wel een zeer algemeene oorzaak voor zijn. Opvallend is nu, dat wij voor de evolutie der 
beeldende kunst van statischen naar dynamischen stijl een zelfde verklaring zouden kunnen 
geven; ook hier zien wij hoe de statische kunst een bezit was van enkelen en hoe bij het 
grooter worden van den kring dergenen, die gebruik maakten van de voorwerpen der 
beeldende kunst tegelijkertijd de dynamische verschijnselen aan invloed wonnen. 

Het is hier de plaats om de koningsnamen ter sprake te brengen, die ongetwijfeld voor¬ 
beelden zijn van een zeer oude taal in statischen stijl, maar zelfs deze koningsnamen ontkomen 
in het Nieuwe Rijk niet aan de algemeene tendens om het strakke en korte te vervangen 
door een grootere uitvoerigheid. Volgens Erman komt de gewoonte den koning vijf namen 
te geven eerst met het Midden Rijk in zwang, vóór dien tijd was de titulatuur veel korter. 
Zie voor de algemeene beteekenis dier vijf namen de grammatica van Gardiner. In de gids 
van het British Museum geschreven door Hall komt een lijst voor van de cartouches der 
voornaamste koningen, dat zijn dus alleen de nsw-bit en de s*-R? namen. Wij zien daar, dat 
deze namen in het Midden Rijk nog uitermate beknopt van zinsbouw zijn, zij bevatten zeer 
korte nominale zinnen. In het Nieuwe Rijk wordt de naam langer, wat nog duidelijker wordt, 
wanneer wij alle vijf de namen beschouwen, zooals Erman in zijn chrestomathie geeft. 

Zoo hebben Amenemhet I en Sesostris I betrekkelijk eenvoudige namen, de eerste drie 
namen zijn zelfs nog geheel dezelfde en luiden respectievelijk whm mswt en c nh mswt. Bij 
Thutmosis III en bij Amenhotep III worden deze eerste drie namen reeds langer, met name 
bij den laatste, terwijl de naam van Echnaton zeer uitvoerig is. Wij zien hier tijdens de 
Amarna periode hetzelfde verschijnsel bij de koningsnamen als bij de kunst en bij de taal, 
een bewegelijker en uitvoeriger worden en een verlies van statigheid en bondigheid. Het is 
ook opmerkelijk, dat dit verschijnsel zich bij den naam van zijn vader reeds aankondigt, 
evenals dit bij de kunst het geval is. Bij Echnaton wordt zelfs aan de nsw-bit en de s*-R c 
namen nog het een en ander toegevoegd van religieuze strekking, hetgeen in andere perioden 
nooit voorkomt. Juist deze uitdrukking s^-Rc is in haar bondige statigheid zoo indrukwekkend 
en wordt door het toevoegsel bij Echnaton c levend in waarheid en heer van de verschijningen 
in glorie 3 eer verzwakt dan versterkt. Opmerkelijk is echter, dat zelfs Echnaton zich niet 
kan losmaken van den ouden naam k^-nht, welke toch zoo weinig bij zijn persoonlijkheid en 
bij zijn bedoelingen paste. Later in de xxviste Dynastie grijpt men weer terug op de kunst 
van het Oude Rijk en tracht de beelden daarvan nauwkeurig na te bootsen en het kan geen 
verwondering baren, dat ook de koningstitels in die periode weer de oude beknoptheid gaan 
vertoonen. Als voorbeeld hiervan kan gelden de titel van Psammetichus I (zooals die 
bij Erman staat weergegeven). 

Wanneer wij tenslotte de Egyptische litteratuur zelve beschouwen en daarin voorbeelden 
van statischen en dynamischen stijl trachten te vinden, dan is het verleidelijk om allerlei 
teksten hier te gaan overschrijven in zoo fraai mogelijk hiëroglyphenschrift, doch zoowel met 
plaatsruimte als met hiëroglyphen moet de zetter spaarzaam omgaan en dat zou van beide 





2 g 2 


EGYPTISCHE PHILOLOGIE 


KUNST EN TAAL 


293 


heel wat vergen. Ik wil dus volstaan met te verwijzen naar de litteratuur. Lezen wij de 
pyramidenteksten, dan vinden wij daar de meest treffende voorbeelden van een statischen 
stijl, menigmaal majestueus en geweldig van zinsbouw, terwijl deze stijl van de taal op 
harmonische wijze met de. primitieve oerkracht van den inhoud in overeenstemming is. 
Midden Rijksteksten vertoonen reeds meer dynamische trekken met name in de lengte van 
de zinnen en in de flexie van de werkwoorden, doch groote gedeelten van Sinoehe doen in 
statische statigheid en in bondige felheid van uitdrukking voor de pyramidenteksten niet 
zoo heel veel onder. Ook de inleiding van de spreuken van Ptahhotep, de zoogenaamde 
toespraak tot den koning, is uitgesproken statisch van stijl. Hoewel Erman in zijn chresto¬ 
mathie het verhaal van den welsprekenden boer terecht niet tot de vulgaire taal van het 
Midden Rijk rekent, kan men daar toch vele voorbeelden van een meer dynamische stijl in 
vinden. Dit geldt minder voor de klachten van den boer, als wel voor het verhalende ge¬ 
deelte dat daar omheen gebouwd is en waarin men typische gefragmenteerde dynamische 
werkwoordsvormen kan vinden. Opvallend is hier ook weer de overeenstemming tusschen 
stijl van taal en inhoud, waar het vertellende gedeelte meer dynamisch is dan de toespraken. 
Ook de Papyrus Westcar mag als een voorbeeld van een meer dynamischen stijl uit het 
Midden Rijk genoemd worden. Nieuw-Egyptisohe verhalen, zooals de Papyrus Har ris 
500 verso en de Papyrus d’Orbiney zijn fraaie voorbeelden van den soepelen, bewogen en 
geornamenteerden sierlijken stijl van deze periode der Egyptische beschaving. Wanneer wij 
deze taal nog eens vergelijken met de pyramidenteksten, dan krijgen wij wel een zeer 
sterken indruk van het groote verschil in stijl, vroeger monumentaal en geweldig, later 
sierlijk en bewogen. Met de kunst was het niet anders. 


Conclusie. — Wij gingen uit van de woorden van Schafer, dat de kennis der 
Egyptische taal noodzakelijk is voor hen, die in de problemen der Egyptische kunst dieper 
willen doordringen en waarin wij aanleiding vonden de samenhang tusschen kunst en taal, 
welke Schafer hier eigenlijk uitsprak, nader te analyseeren. De begrippen statisch en dyna¬ 
misch bleken bruikbaar in de waardeering en de beschrijving zoowel van den stijl der kunst 
als van den stijl der taal en konden daardoor den samenhang tusschen kunst en taal helpen 
fo.rmuleeren. In den meest eenvoudigen vorm gezegd, komt deze samenhang daarop neer, 
dat de kunst en de taal in het Oude Rijk monumentaal en geweldig, statig en strak is, en 
in het Nieuwe Rijk evolueert naar een dynamische soepelheid en een sierlijke bewogenheid. 
Zooals de volkstaal de latere officieele taal aankondigt, zoo zijn ook de volkstypen uit het 
Oude Rijk meer dynamisch geteekend dan de voorname Egyptenaren uit die periode en 
deze dynamiek kondigt in zekeren zin de dynamische elementen in de officieele kunst van 
het Nieuwe Rijk aan. Dat het begrip fatsoen (Lunsingh Scheurleer), misschien beter 
gezegd hooghartige voornaamheid, bij den statischen stijl zoowel van de kunst als van de 
taal een rol speelt is duidelijk. 

Dat de hierboven geschetste ontwikkeling en de samenhang tusschen taal en kunst 
specifiek Egyptisch zouden zijn, is a priori niet waarschijnlijk. Integendeel, reeds Gardiner 
wees er op, dat de evolutie van het Latijn tot het moderne Fransch een zelfde ontwikkeling 
te zien geeft. Beschouwen wij de West Europeesche kunst, dan zien wij hoe de opvolging 
van den Romaanschen stijl, de Gothiek, de Renaissance en de Barok eveneens een evolutie 
is van een statischen stijl tot een zeer bewogen dynamischen stijl. Tot een nadere uitwerking 
van deze problemen acht ik mij echter niet bevoegd. 

In zijn publicatie over de godsdienstige opvattingen over den slaap, maakte de Buck aan 
het einde van zijn beschouwingen een belangrijke opmerking, toen hij wees op wat hij 
noemde de eenheid en samenhang van de Egyptische beschaving. Het lijkt mij, dat dit begrip 
ruime vergezichten opent en op vele gebieden toegepast kan worden. Ook hier zagen wij een 
samenhang van taal en kunst, wellicht de twee belangrijkste uitingen der Egyptische be¬ 
schaving. Deze samenhang is ons eigenlijk de beste waarborg voor de eerlijkheid en de 
waarachtigheid van deze uitingen van den Egyptischen geest. 


Oegstgeest, Juli 1944 




geraadpleegde litteratuur en plaatwerken 


F. Behnk, Grammatik der Texte aus El Amarna, 
Parijs, 1930. 

Ch. Boreux, La sculpture égyptienne au Musée du 
Louvre, Paris, s.d. 

J. H. Breasted, Geschichte Aegyptens, Grosse II- 
lustrierte Phaidon-Ausgabe. 

A. de Buck, Egyptische Grammatica, tweede druk, 
Leiden, 1944. 

-, De godsdienstige opvatting van den slaap 

inzonderheid in het Oude Egypte, Leiden, 1939 
(Med. BOL n° 4). 

J. Capart, Leqons sur Vart égyptien, Liège, 1921. 

N. de G. Da vies, The rock tomhs of El Amarna, 
London, 1903-1908. 

A. Erman, Aegyptische Grammatik, Berlin, 1902. 

-, Neuagyptische Grammatik, Leipzig, 1930. 

-, Aegyptische Chrestomathie, Berlin, 1904. 

A. Erman & H. Ranke, Aegypten und Aegypti¬ 
sche s Leben im Alt er turn, Tübingen, 1923.. 

A. H. Gardiner, Egyptian Grammar, Oxford, 1927. 

-, Some Aspects of the Egyptian Language. 


From the Proceedings of the British Academy, 
vol. xxiii, 1937. 

-. Late-Egyptian Stories, Brussel, 1932. 

R. Hall, A general introductory Guide to the 
Egyptian Collections in the British Museum, 

1930. 

Jaarberichten Ex Oriente Lux n° 5 en 6. 

O. Jespersen, Language its nature, development and 
origin, London, 1921. 

G. Krahmer, Figur und Raum in der Aegyptischen 

Kunst. 1931. 

D. F. Lunsingh Scheurleer, Algemeene Kunst¬ 
geschiedenis. Utrecht, 1941. Deel I, Egypte. 

H. Schafer, Von aegyptischer Kunst. Leipzig, 1932. 
K. Sethe, Aegyptische Lesestücke. Leipzig, 1928. 
W. Spiegelberg, Geschichte der Aegypt. Kunst, 

Alt. Or. I. Ergb., Leipzig, 1903. 

W. D. van Wijngaarden, Meesterwerken der 
Egyptische Kunst te Lêiden, Leiden, 1938. 

W. Worringer, Abstraktion und Einfühlung. 

W. Wreszinski, Atlas zur Altdgyptischen Kultur- 
geschichte. Leipzig. 


NECROLOGIE DER EGYPTOLOGEN 

De talrijke zware verliezen, die de egyptologie in den loop van het laatste decennium 
heeft ondergaan, hebben het aanschijn van deze wetenschap dermate gewijzigd, dat wij er 
bezwaarlijk zwijgend kunnen overheen stappen. Alleen het feit, dat deze verliezen aanzienlijker 
zijn, dan in alle andere gebieden van de oriëntalistiek samen — de hieronder volgende necro¬ 
logie bevat meer dan veertig namen — noodzaakt ons er een pagina in het onderhavige Jaar- 
bericht aan te wijden. Door plaatsruimte weerhouden, moeten wij er ons toe beperken alleen 
de namen en data mede te delen; wij sluiten, in stille hulde, gaarne aan bij diegenen, die 
in diverse tijdschriften de respectievelijke verdiensten der afgestorvenen naar voren hebben 
gebracht. Alleen voor drie onder hen willen wij een uitzondering maken: J. Capart, W. M. 
Fl. Petrie, G. A. Reisner. Door hen op een speciale wijze te herdenken, wensen wij enkel 
te onderstrepen, hoezeer wij beseffen, wat de egyptologie hun verschuldigd is. 

J. Capart (1877-1947) 

Als auteur, organisator en animateur heeft Capart aan de egyptologie in België onschat¬ 
bare diensten bewezen. Zijn ondernemingsgeest en onvermoeibare ijver hebben er toe bijge¬ 
dragen de egyptologie in ruimere kringen bekend te maken: hij wist, door het uitgeven 
van talrijke werken van verschillend karakter, in de verste hoeken de belangstelling voor 
Egypte te wekken. Aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel, waar¬ 
aan hij steeds zijn beste krachten heeft besteed, en aan de Chronique d’Egypte, waarvan hij 
de stichter en voornaamste medewerker was, zal de naam van Capart ook in de toekomst 
eervol verbonden blijven. 

W. M. Fl. Petrie (1853-1942) 

Wat Petrie voor de Egyptische archseologie heeft gedaan, kan in enkele woorden gezegd 
worden: hij heeft haar in wetenschappelijke banen geleid en haar bruikbaarheid voor de 
reconstructie van de geschiedenis voldingend bewezen. Met losse scherven heeft hij voor 
het eerst de voorgeschiedenis van Egypte wetenschappelijk opgebouwd. Met Capart had hij 
gemeen, dat hij overal bezieling wekte; zijn onverdroten arbeid op de opgravingsterreinen 
ten spijt, vond hij nog den tijd een reeks werken te schrijven met het doel de egyptologie in 
bredere kringen te verspreiden. 

G. A. Reisner (1867-1942) 

In Reisner heeft de egyptologie den strengen geleerde verloren, die in technische 
artikelen en zware publicaties de vruchten van jarenlangen arbeid heeft neergelegd. Conscien- 


H. C. Jelgersma 



NECROLOGIE DER EGYPTOLOGEN 


294 


tieus tot het uiterste toe en alleen voor specialisten toegankelijk zijn zijn monumentale werken 
over den necropolis van Gize, waar hij zijn laatste levensjaren doorgebracht heeft. Zijn 
vruchtbaar opgravingswerk in Nubië en den Soedan heeft hem in. staat gesteld de geschiedenis 
van het Meroïtisch Koninkrijk te reconstrueren. 


J. Ball (1872-1941) 

Buil. Inst. Eg. 24, 1942, 69-80. 

L. Borchardt (1863-1938) 

JEA 24, 1938, 248; CdE xiv, 1939, 141-143; Am. 

Serv. 39, 1939 , 43 * 47 - 
Ch. Bo'Reux (1874-1943) 

CdE xix, 1944, 259; Revue d’égyptol. 5, 1946, 1-7. 
H. Burton (...-1940) 

BMMA 35, 1940, 165; CdE xx, 1945, 120; xxi, 1946, 
207. 

J. C APART (1877-1947) 

CdE xxii, 1947, 181-215. 

H. Carter (1873-1939) 

Ann. Serv. 39, 1939, 49-534 CdE xiv, 1939, 323-324; 

JEA 25, 1939, 67-69. 

R. Cottevieille-Giraudet 
CdE xx, 1945, 120. 

W. E. Crum (1865-1944) 

AJA 48, 1944, 367; JEA 30, 1944, 65-66; CdE xx, 
I 945 : 147-iSi; 

Bulletin de la Société d } archéologie copte 10, Le 
Caire, 1944, 209-210; Bulletin of the John Rylands 
Library 28, Manchester, 1944, 288-289. 

G. É. J. Daressy (1864-1938) 

Buil. Inst. Eg. 20, 1938, 259-261; Ann. Serv. 39, 
1939, 11-17; Bibliographie ibid. 18-41 und 783- 
774; CdE xiv, 1939, 139. 

N. de G. Davies (1865-1941) 

AJA 46, 1942, 413; BMMA 37, 1942, 43; JEA 28, 
1942, 59-60; CdE xviii, 1943, 270-272. 

K. Dyroff (1862-1938) 

ZAS 77, 1941, 1-2; CdE xvii, 1942, 253. 

C. C. Edgar (1870-1938) 

JEA 24, 1938, 133-134; Ann. Serv. 39, 1939, 3-10; 

CdE xiv, 1939, 203-205. 

R. Engelbach (1888-1946) 

CdE xxi, 1946, 206-207; JEA 32, 1946, 97-99. 

G. Farina (1889-1947) 

Cl. S. Fisher 
CdE xx, 1945, 120. 

G. Foucart (1865-1943) 

Ann. Serv. 44, 1944, 3-4; Buil. Inst. Eg. 26, 1944, 
21-30 CdE xxi, 1946, 81-87; cfr. CdE xxii, 
1947, 116. 

G. Gabrieli (1872-1943) 

Aegyptus 23, 1943, 138-142; CdE xix, 1944, 96. 

G. JÉQUIER (1868-1946) 

CdE xxi, 1946, 207-209; Revue de théologie et de 
philosophie, N.S. 35, Lausanne, 1947, 90-96. 

H. O. Lange (1863-1943) 

CdE xix, 1944, 259-261. 

V. Loret (1859-1946) 

CdE xxi, 1946, 202-205; Ann. Serv. 47, 1947, 7-13. 
A. Lucas (1867-1946) 

CdE xxï, 1946, 205-206; Buil. Inst. Eg. 28, 1947, 
163-165. 

C. W. Lunsingh Scheurleer (1881-1941) 
Buil. Ant. Besch. 16, nr 1, Juni 1941, 1-8; 18, 1943, 
33 - 34 ; 


Bibliographie ibid. 17, nr 1, Juni 1942, 30-32. 

H. Lyons (1864-1944 } 

CdE xx, 1945, 120-121; JEA 31, 1945, 98-100. 

E. J. H. Mackay (1880-1943) 

CdE xxi, 1946, 206. 

H. Mohr (1914-1945) 

CdE xxi, 1946, 210. 

R. Mond (1867-1938) 

CdE xiv, 1939, 140-141; BIFAO 38, 1939, 279-281. 

A. Moret (1868-1938) 

RHR ii7, 1938, 137-151; BIFAO 38, 1939, 273-277; 
CR \ AIBL 1938, 48-55 en 1940, 454-466. 

V. Muller (. -1945) 

Orientalia 15, 1946, 230. 

H. Munier(...-i945 ) 

Orientalia 15, 1946, 230. 

G. Ort-Geuthner (1900-1941) 

CdE xvii, 1942, 253; Kêmi 9, 1942, 107. 

J. D. S. Pendlebury (1904-1941) 

AJA 46, 1942, 312; JEA 28, 1942, 61-63; CdE xviii, 
1943, 272-273; Revue arch. 6me série, xxvi, 1946, 
I 53 -I 54 - 

W. M. Fl. Petrie (1853-1942) 

S. Smith, Sir Flinders Petrie, London, (1942) c= 
Proced. Brit. Acad., Vol. xxvm; AJA 46, 1942, 
546-547; BASOR 87, 1942, 6-8; Ann. Serv. 43, 
1943, 3-14;. JEA 29, 1943, 67-70; CdE xviii, 1943, 
267-268; xx, 1945, 121-123. 

M. Pieper (...-1941) 

CdE xvni, 1943, 273. 

B. Porter (...-1941) 

CdE xx, 1945, 120. 

D. Randall-MacIver 
AJA 49, 1945, 359*360. 

N. Reich 

CdE xx, 1945, 120. 

G. Reisner (1867-1942) 

AJA 46, 1942, 410-412; Ann. Serv. 41, 1942, 11-15; 
BASOR 87, 1942, 8-10; BMFA 37, 1939, 65; 
Antiquity 17, 1943, 122-128; CdE xvm, 1943, 268- 
270; xx, 1945, 121. 

S. de Ricci (1881-1942) 

CdE xvm, 1943, 326-330; xix, 1944, 96-97; Revue 
arch. 6me série, xxiv, 1945, 118-120. 

A. W. Shorter (1905-1938) 

JEA 24, 1938, 211-212 ;CdE xiv, 1939, 139-140. 

P. C. Smither (......-1943) 

JEA 31, 1945, 3. 

H. Thompson (1859-1944) 

AJA 48, 1944, 367-368; JEA 30, 1944, 67-68; CdE 
xxi, 1946, 210; Bulletin de la Société d’archéologie 
copte 10, Le Caire, 1944, 210-211; Bulletin of the 
John Rylands Library 28, Manchester, 1944, 289- 
290. 

A. Tulli 
CdE xvii, 1942, 253. 

Naar gegevens van Jozef Janssen 


4 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

ARCHEOLOGISCH OVERZICHT OVER DE OPGRAVINGEN 

IN EGYPTE 1938—1946 

Zie Platen xvii en xxn 
INHOUD 


I — Praehistorie 

1 — Merimde Beni Salame (Beneden Egypte) 

2 — el-Omari bij Heloean (Beneden Egypte) 

3 — Heloean (Beneden Egypte) 

4 — Soedan (Boven Nijl) 

II — Eerste en Tweede Dynastie 

5 — Sakkara Noord (Beneden Egypte) 

a) De graven van de dienaren van Hemaka 

b) Graf van koning Dj er (?) 

c) Intact graf van een edelman uit de Tweede 
Dynastie 

d) Graf van koningin Merneith 

6 — Heloean (Beneden Egypte) 

a) ie Campagne, 8 Juli-26 Nov. 1942 

b) 2e Campagne, 1 Nov. 1943-3 1 Mei 1944 

c) 3e Campagne, 22 Oct. 1944-31 Mei 1945 

d) 4e Campagne 1945-1946 

7 — Abydos (Boven Egypte), kerkhof 

III — Oude Rijk (Derde-Zesde Dynastie) 

8 — Dasjoer Zuid (Beneden Egypte), Knik pyra- 

mide 

9 — Gize (Beneden Egypte), zeven mastaba’s, enz. 

10 — Sakkara (Beneden Egypte) 

a) Opgravingen 1939, temenos.van zg. trap- 
penpyramide 

b) Opgravingen 1939-1940, opgravingen tus¬ 
sen de zg. trappenpyramide en de pyra- 
mide van Wenis 

c) Opgravingen 1942, graf van prinses Chent- 
kaoes 

d) Opgravingen 1942-1943, mastaba’s. 

e) Opgravingen 1943, daltempel van Wenis 
in Ras el-Gisr 

11 — Teil Basta (Beneden Egypte), tempel van 

Pepi I 

12 — Edfoe (Boven Egypte), mastaba’s 

IV — Oude Rijk of Eerste Tussenperiode 

13 — Medamoed (Boven Egypte), tempel 

V — Midden Rijk 

14 — Medamoed (Boven Egypte), tempel van Se- 

sostris III 

15 —• Edfoe (Boven Egypte), graven 

16 — Elephantine (Boven Egypte), beelden 

17 — Heloean (Beneden Egypte), graven 

18 — Teil Basta (Beneden Egypte), sphinx 

19 — Tanis (Beneden Egypte), sarcophaag 

VI — Tweede Tussenperiode 

20 — Kom el-FIisn (Beneden Egypte), graven 

21 —• Kom- el-Hisn (Beneden Egypte), necropolis 


VII — Nieuwe Rijk 

22 — Karnak (Boven Egypte), Montoe-tempel 

23 — Amara West (Boven Nijl, Soedan), tempel 

24 — Medamoed (Boven Egypte), beeld van Min- 

mose 

25 — Sjeik Abada (Antinoë) (Boven Egypte), 

fundamenten van Achenaten 

26 —■ Teil Basta (Beneden Egypte), granieten tem¬ 

pel 

27 — Gize (Beneden Egypte), acht stele’s 

28 — Hermopolis (Boven Egypte), Achenaten en 

Ramses II 

29 — Deir el-Medine (Boven Egypte) 

a) Noordelijke sector, verscheidene kapellen 

b) Oostelijk van de tempel, kapel van Ram¬ 
ses II 

c) Ptolemseisch gebouw met N.R. vondsten 

d) Geschiedenis van de tempel 

30 — Athribis (Beneden Egypte), enige mpnumen- 

ten 

31 — Tanis (Beneden Egypte), graf van chef der 

boogschutters 

32 — Mit Rahina (Beneden Egypte) 

a) 1940, beeld van Ramses II 

b) 1942, graven van gouverneur Amenhotep 
en prins Sjesjonk 

VIII — Saïtisch (Perzisch) en Grieks-Romeins 

33 — Sakkara (Beneden Egypte), Saïtisch graf 

34 — Mit Rahina (Beneden Egypte), offertafel 

(Saïtisch) 

35 — Aboe Jassein (Beneden Egypte), Saïtische 

sarcophagen 

36 — el-Kab (Boven Egypte). 

37 —• Siwa Oase, tempel door Amasis gebouwd 

38 — Djebel el-Mota (Beneden Egypte), graven 

39 — Hermopolis (Boven Egypte), stele van Nec- 

tanebo 

40 — Teil Basta (Beneden Egypte), beeld van Hor- 

chon 

41 — Sakkara (Beneden Egypte) 

a) en b) Saïtische en Ptolemseische sarco¬ 
phagen 

42 — Toena el-Djebel (Hermopolis West) (Boven 

Egypte) 

• a ) 1938, tempelgraf van Padykam 

b) 1939, g r af van Anch Hor 

c ) r 939"i940, galerijen en kapellen 

d) 1940-1941, galerijen en kamers 

e) 1942-1943, grafkapel van Thothefanch, de 
galerijen 

f) 1943-1944, doodkist voor aap met vaas van 
Darius 





296 EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

43 —• Athribis (Beneden Egypte), 323 v. Chr. en 47 — Edfoe (Boven Egypte), plattegrond van 

374 n. Chr. Apollïnopolis Magna 

44 — Deïr el-Medine (Boven Egypte), heiligdom 48 — Kom esj-Sjoekafa (Beneden Egypte), cata- 

van Hathor onder Ptolemaeen comben eerste eeuw. 

45 — Medinet Madi (Narmoethis) (Boven Egypte) 49 — Eïn Sjams (Beneden Egypte), Grieks-Ro- 

a) 1938, eerste en tweede eeuw n. Chr. meins graf. 

b) 1939, complex van heilige stad 50 — Kom el-Ahmar (Boven Egypte), Grieks-Ro- 

46 — Aboesir (Marioet) (Bëneden Egypte), pha- meinse baden 

ros en tempel 

ALRHABETISCHE VOLGORDE DER NAMEN DER PLAATSEN 

Aboe Jassein 35 Elephantine 16 Merimde Beni Salame 1 

Aboesir 46 Gize 9, 27 Mit Rahina 32, 34 

Abydos 7 % Heloean 3, 7, 17 Narmoethis 45 

Amara West 23 Hermopolis 28, 39, 42 el-Omari 2 

Antinoë 25 el-Kab 36 Sakkara 5, 10, 33, 41 

Athribis 30, 43 Karnak 22 Siwa Oase 37 

Teil Basta 11, 18, 26, 40 Kom el-Ahmar 50 Sjeik Abada 25 

Dasjoer Zuid 8 Kom el-Hisn 20, 21 Soedan 4, 23 

Deir el Medine 29, 44 Kom esj-Sjoekafa 48 Tanis 19, 31 

Djebel el-Mota 38 Marioet 46 Toena el-Djebel 42 

Edfoe 12, 15, 47 Medamoed 13, 14, 24 

Eïn Sjams 49 Medinet Madi 45 

I — Praehistorie 

1 — Merimde Beni Salame. (W. Delta). Oostenrijkse Opgravingen 7de campagne 

25 .HÏ 939 - 4 .Ï 2 .I 939 

De Merimde beschaving kan thans in drie perioden worden onderverdeeld. De bevolking 
en hun levenswijze veranderde niet, maar het beschavingspeil werd langzamerhand hoger. 

De eerste en onderste laag bestaat uit geel zand met duidelijk kenbare zwarte plekken 
van haarden; grijze plekken geven woon- en werkplaatsen en graven aan. De bevolking 
woonde wijd uiteen in lichtgebouwde hutten, waardoor het zand er overal tussen kon door¬ 
dringen. 

De tweede laag is van lichtgrijze kleur en bestaat uit laagjes vastgestampte grond be¬ 
staande uit vuil en zand. De woningen staan dichter bijeen en zijn van steviger materiaal 
vervaardigd, evenals de werk- en kookplaatsen. 

De derde laag heeft een zwarte kleur en bestaat hoofdzakelijk uit huisvuil. De hutten 
vormen thans een gesloten geheel. Nu verschijnen ook voor het eerst ovale huizen met 
leemen banken. De grote graankorven in de grond worden later vervangen door grote 
aarden potten in de jongere niveaux van deze laag. 

In de onderste laag vindt men talrijke typen vaatwerk, die ook in de bovenste nog aan¬ 
getroffen worden, anderen blijven echter beperkt tot een bepaalde laag en zijn dus karakte¬ 
ristiek voor die periode. Zo zijn de mooie kommen van hard leemachtig materiaal met lichte 
breuk karakteristiek voor de oudste laag. De betere specimina zijn van buiten donkerrood- 
gepolijst met een matte band waarop horizontaal een palmmotief ingekrast is. In de tweede 
laag komt dit type nog voor, maar van veel slechtere kwaliteit en veel zeldzamer, in de derde 
laag is het verdwenen en met hem ’t palmmotief. CdE xx, 1945, 74 v. 

2 —■ el-Omari bij Heloean. Opgravingen van de Service des Antiquités onder F. Debono. 

1943-1944 

Een prehistorisch dorp werd opgegraven, dat in vele opzichten overeenkomst vertoont 
met de beide andere Nederegyptische prehistorische plaatsen, Merimde en Maadi. 

Zoals deze beiden strekt ook el-Omari zich over een grote oppervlakte uit. De hutten 
waren gedeeltelijk boven, gedeeltelijk onder de grond. De ondergrondse delen bestaan uit 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, I — PRAEHISTORIE 297 

een cirkelvormige uitholling in de grond, (op sommige plaatsen in de rots), die van binnen 
bekleed werd met klei en matten. Hierin werden ook de houten posten bevestigd, die het 
bovengedeelte droegen. De kleinste van deze holten moeten als silo’s en opslagplaatsen ge¬ 
diend hebben. Tegelijkertijd werd ook nog een ander type hut gevonden, een bovenstuk van 
houten palen zonder uitgegraven holte. Waar de onderaardse holte uitgehouwen is in de rots, 
is dit gebeurd volgens, dezelfde oude methode, die o'ok in de nabije groeven van Toerah 
gebezigd werd. 

De doden werden in het dorp zelf begraven. Dit schijnt een Nederegyptische gewoonte 
te zijn, immers ook in Merimde is dit verschijnsel waargenomen. De graven zijn even oud 
als de huizen zoals uit de pottery blijkt. De doden werden in naburige hutten begraven, 
het hoofd naar het Zuiden en het gezicht naar het Westen, met opgetrokken knieën. Een 
vaas staat gewoonlijk naast het lichaam, dat gewikkeld was in dierenhuiden, matten of 
geweven stof. De skeletten zijn vaak uitstekend bewaard, sommige vertonen nog sporen 
van baard of haren. Een van de graven is zéker dat van een opperhoofd; bij de vingers 
werd nl. een scepter gevonden, een stok van ongeveer vijfendertig centimeter lengte met 
verdikkingen aan beide einden, die aan het ene einde plat was, aan het andere puntig. In 
historische tijd kent men een dergelijke scepter, Ames scepter geheten, de koninklijke staf 
van Neder-Egypte. Het skelet van de hoofdman vertoonde een groot lidteken aan het hoofd. 

De vaastypen van Opper-Egypte, zoals die van Tasa en Badari (zwartrandig, witte 
decoratie of zwart met ingekerfde versiering, wavy handled, enz.) schitteren door afwezig¬ 
heid. Daarentegen vindt 'men een mooie ceramiek, van een ontwikkeld karakter, gepolijst en 
gevernist in rood, bruin en zwart —- en ook grof aardewerk. Vele vaasvormen zijn er; 
sommige zijn nieuw, andere reeds bekend van Merimde of Maadi. Men vindt o.a. vazen 
met min of meer duidelijke hals en rond hengsel, twee vazen in de vorm van bekertjes, 
anderen met wijde of ronde wanden, vazen met twee voeten, vazen met handvaten van grof 
aardewerk, enz. 

De stenen voorwerpen vertonen twee vormen van bewerking, de bewerking van beide 
zijden en de schilferige (bifaciale en lamellaire). Tot de eerste techniek behoren pijlpunten 
van het Fayoem-type, ook bekend van Merimde en Maadi en pijlpunten van gelijkzijdige, drie¬ 
hoekige vorm, gepolijste bijlen en resten van sikkels en zagen. Tot de laatste (schilferige) 
techniek behoren messen waarvan de rug naar de punt toekromt, met een handvat, een nieuw 
type, en resten van zagen en sikkels. Verder talrijke nuclei en priemen en polijststenen. Been, 
hoorn en struisvogeleieren dienden ter vervaardiging van huishoudelijke voorwerpen; van 
been: boren, priemen en messen; vishaken van hoorn; struisvogeleieren dienden als vuur¬ 
vast aardewerk en ter vervaardiging van kralen. Van houtwerk getuigt de scepter. Vaatwerk 
vindt men in de wanden van de hutten; manden werden gebruikt; touw is ook teruggevonden 
(een stuk van 1,50 m lengte). Ruwe en fijne stukken geweven stof en matten van verschil¬ 
lende typen en materialen bedekten de wanden van de holen en omhulden de lijken. 
Dierenhuiden dienden waarschijnlijk als kleding, een huid van 80 cm lengte is gevonden. 
Voor versiering gebruikte men hangers en snoeren van schelpen van de Rode Zee, ver¬ 
schillende soorten steen en visbeenderen. Ook nummulithen komen voor als hangers. Resten 
van oker zijn teruggevonden. Graan en spelt, al dan niet verkoold vindt men overal; ook 
werd een koek teruggevonden. Sikkels getuigen van landbouw, evenals de c molenstenen°. 

Van de volgende dieren werden resten teruggevonden; ze dienden vermoedelijk als 
voedsel: zwijn, crocodil, hippopotamus, schildpad, antiloop, geit, rund, struisvogel, vis 
(claria en synodoon) en zoetwater schelpdieren. Sommige dieren waren reeds huisdieren. 
Verschillende dingen, o.a. Rode Zee-schelpen, getuigen van handel. el-Omari vertoont over¬ 
eenkomsten met Merimde (begrafenisgebruik, silo’s, bifaciale steentechniek) en Maadi (vazen¬ 
typen en lamellaire techniek). 

Wat de datering betreft plaatst de opgraver de el-Omari-cultuur tussen die van Merimde 
en Maadi. Ook hier blijkt weer duidelijk, dat er een grote tegenstelling bestaat tussen in 
Opper-Egypte heersende cultuur en die van Neder-Egypte, die langzamerhand iets duidelijker 
begint te worden. CdE xxi, 1946, 50-54. 



EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


298 

3 — Heloean 

Een klein aantal praedynastische graven werd ontdekt gedurende de 'campagne van 
1944-45. CdE xx, 1945, 77. 

Zie nu Antiquity 21, 1947, 172-181. 

4 — Soedan 

De ontdekking van een prsehistorisch dorp in het centrum van Chartoem wordt bekend 
gemaakt zonder verdere details. CdE xxi, 1945, 101 

II — Eerste en Tweede Dynastie 

5 — Sakkara Noord. Opgravingen van de Service des Antiquités onder Zaki Saad 1938 

a) De graven van de dienaren van Hemaka 

Ten Zuiden van de mastaba van Hemaka, eerste minister van Koning Oedimoe, werden 
negentien kleine rechthoekige graven ontdekt, waarvan veertien intact. Op één na bevatte 
ieder een lijk in gehurkte houding met het gezicht naar het Oosten gewend en gewikkeld in 
zeer fijn linnen in een houten doodkist, een grote aarden vaas, twee kleine en tien cylindrische 
vazen. In vijf graven stond de naam van de inhoud op de vazen (vruchten of koren). Het 
negentiende graf, ten Z.W. van de mastaba, was veel groter. In de grote doodkist lag het 
lijk op zijn linkerzijde, half gehurkt. Ten Oosten van de mastaba was een rij van elf kleine 
graven. De drie eersten bevatten houten dozen met ingewikkelde vogels; de deksel van de 
grootste doos was ingelegd met ivoor en ebbenhout. In ieder graf stond een kleine vaas. 
Zeven andere graven bevatten dozen met een ingewikkelde hond en een kleine vaas. Het elfde 
graf bevatte een menselijk, lijk, gelegd op de rechterzijde met het hoofd naar het Noorden. 
Het was slechts in linnen gewikkeld, maar lag niet in een kist. De vazen waren gelijk aan 
die in de zuidelijke rij. De mastaba van Hemaka zelf was omringd met een bakstenen plaveisel, 
bedekt met een laag aarde. Hieronder lagen de zuidelijke en oostelijke rij graven; het plaveisel 
strekt zich echter nog verder uit. De begrafenis van de personen in deze graven heeft tegelijker¬ 
tijd met die van Hemaka plaats gevonden. Het zijn dus dienaren, die vlak na de dood van 
hun heer ter dood werden gebracht. 

Ten Noorden van de mastaba liggen de resten van een grote houten boot, van meer 
dan zestien meter lengte. Dit is de oudste tot nog toe bekende van diergelijke afmetingen. 

CdE xiv, 1939, 79-80. 

b) Graf van koning Djer (?) 

Ten Zuiden van het graf van Horus Aha (= Menes?) werd een ander graf van gelijke 
afmetingen ontdekt, hoewel iets verder ontwikkeld. De bakstenen bovenbouw was 41,5 meter 
lang en 15 meter breed en van het Negade-type, precies als het graf van Horus Aha. Het 
graf had echter zeven onderaardse kamers (Horus Aha 5), deze waren bovendien veel dieper 
uitgehouwen, vooral de middelste grafkamer. Het plafond was van hout, maar het graf was 
geplunderd en het houtwerk verbrand. De grafkamer had het meeste geleden. Er werden 
verkalkte fragmenten van albasten, leistenen en bazalten vazen aangetroffen. Verder vond 
men de verkoolde hoek van de houten sarcophaag en een houten baar met stukken koper, 
waarop het lichaam in de sarcophaag rustte. Het lichaam is echter verbrand. 

De kamer ernaast was evenwel ongeplunderd. Onder het ingestorte verbrande dak trof 
men onder resten van half verkoolde bedden en houten stoelen verscheidene grote, zeer 
broze dozen van rietwerk aan, die zeer veel koperen voorwerpen bevatten: 

1) één ervan bevatte 63 koperen messen en zwaarden, 23-60 cm lang met ruwe houten 
heften ; 

2) een andere doos bevatte 68 stukken koper vaatwerk, grote kannen, vazen, borden, bekers, 
sommige van een unieke vorm; 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, II — EERSTE EN TWEEDE DYNASTIE 


299 


3) in een derde doos lagen 35 koperen dolken met houten heften, honderden koperen naalden, 
koperen rijgpennen, koperen priemen met houten heften in de vorm van zuiltjes en kleine 
koperen beitels; 

4) weer een andere doos bevatte 79 koperen beitels van verschillende vorm met houten 
handvaten en 75 koperen plaatjes voor metaalbewerking (?); 

5) in nog een doos vond men ongeveer 102 koperen dissels en 37 harken, vele met houten 
handvaten. 

In een hoek van de kamer lagen stenen paletten en resten van een houten baldakijn, een 
zeer mooi bed met koperen stukken, en stierpoten, armbanden van leer, ivoor, koper en 
schelpen en ivoren pionnen van een spel. # 

Een derde kamer, hoewel ongeplunderd, was deerlijk door de brand beschadigd. Ze 
bevatte een dodenmaal op grote aardewerk borden. 

In nog een andere kamer stonden grote wijnkruiken in twee rijen, voor het merendeel 
nog voorzien met hun kleistoppen, waarvan de meeste echter beschadigd zijn. De onbescha¬ 
digde dragen de naam van Horus Djer, de opvolger van Horus Aha. Geen andere naam werd 
in het graf aangetroffen, zodat het mogelijk is dat we hier te doen hebben met Djers graf. 

CdE xiv, 1939, 263 w. 

c) Intact graf van een edelman uit de Tweede Dynastie 

Op 22 December 1938 werd dit graf ontdekt. Het bestaat u’t een klein bovengronds 
gedeelte in baksteen, eronder bevindt zich een trap, die direct naar de deur van het graf leidt. 
De deur was versperd door blokken steen. Erachter bevond zich een nauwe anti-chambre, 
en aan beide zijden een klein magazijn met talrijke wijnkruiken en een grote massa graan 
(de zakken zijn vergaan). Dan komt een groot rechthoekig vertrek met aan de Westkant een 
tweede vertrek met een schacht, die de resten van een houten sarcophaag bevat. Op de grond 
van het rechthoekige vertrek staat een maaltijd bestaande uit kwartels, duiven, vissen, stukken 
rundvlees, groente, fruit, kleine ronde koekjes en driehoekige stukken brood op albasten 
en aardewerk borden. Verder zijn er kruiken bier en wijn, ook een verzegelde kleine kruik, 
die volgens het opschrift in zwarte inkt fruit moet bevatten. Weer andere kruiken met 
onbekende inhoud bevinden zich in de resten van een houten doos bij de sarcophaag. Men 
vermoedt, dat de spijzen warm opgediend werden op borden van aardewerk en dat de albasten 
borden als etensbord dienst deden. In het uiterste Zuiden van de zaal liggen mooie albasten 
en diorietvazen, erachter een klein vertrek met prachtige stenen vazen. De houten sarcophaag 
(1,75 X 0,90 cm) is in de put gevallen en gekraakt, het skelet ligt op de linkerzijde, gehurkt 
en met het hoofd naar het Noorden. Aan de Oost- en Zuidkant van de sarcophaag liggen veel 
vaatwerk en bekers van albast, dioriet en dolomiet. Verder vuurstenen messen en krabbers 
en koperen vazen, waaronder een waterkan en schaal, koperen messen en beitels. 

CdE xiv, 1939, 263-265. 


d) Graf van koningin Merneith. Opgravingen onder Walter Emery (1946-1947) 


Een groot bakstenen graf, 43 meter lang, werd ontdekt, dat volgens de zegels op de 
wijnkruiken toebehoorde aan koningin Merneith, de gemalin of de dochter van Dj et, de 
bekende koning c slang :> , wiens beroemde stele zich in het Louvre bevindt, en moeder of 
gemalin van koning Oedimoe. 

Het begint er thans zeer sterk op te lijken, dat de zogenaamde graven van de koningen 
der Eerste Dynastie te Abydos slechts cenotaphen zijn en dat de werkelijke graven te Sakkara 
Noord liggen, dwz. bij de oude hoofdstad Memphis. Dit veronderstelt, dat Memphis reeds 
in de Eerste Dynastie de hoofdstad was, wat overeenkomt met Manetho’s verhaal van de 
stichting van Memphis door de koning, die hij Menes noemde en die misschien dezelfde is 
als Horus Aha. Reeds voor de oorlog heeft Mr. Walter Emery het graf van Aha en 







300 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


misschien dat van zijn opvolger Dj er gevonden. Ook vele graven van zeer hooggeplaatste 
edelen uit de vroegste dynastieën, o.a. de door dezelfde Engelse archseoloog opgegraven 
graven, zo dat van de vizier Hemaka onder Oedimoe, doen het bestaan van nog meer 
koninklijke graven vermoeden. Hiermee vervalt dan ook de c Thinitische D residentie van de 
vroegste twee dynastieën. 

Het graf zelf was geplunderd, vermoedelijk binnen een eeuw na de begrafenis. In de 
grafkamer werden verbrande resten van een grote houten sarcophaag teruggevonden met 
enige halfverkoolde beenderen erin. Rond de sarcophaag stonden wijnkruiken van aardewerk, 
die de brand overleefden; de zegelafdrukken, die door de brand bijna onleesbaar geworden 
waren, gaven de naam van koningin Merneith van wie o.a. een stele uit Abydos, afkomstig 
van haar cenotaaph, bekend is. In de kamers rondom de koninklijke grafkamers vond men 
de stoffelijke resten van 23 dienaren, die bij de begrafenis van hun koningin de dood in¬ 
gingen. Deze gewoonte is ons uit vele graven van de Eerste en Tweede Dynastie bekend. 

ILN Jan. 18, 1947, 91. 

6 —■ H'elolean. Koninklijke Egyptische opgravingen 

a) iste Campagne. 8 Juli-26 Nov. 1942 

Twee km ten Noorden van Ezbet el-Walda en ten Westen van Heloean ligt een necro¬ 
polis van de Eerste Dynastie. 

735 graven werden ontdekt, waarvan sommige van grote omvang. Slechts 141 waren 
intact. Veel stenen vaatwerk wérd gevonden in albast, leisteen, gele kalksteen, breccia, 
dioriet en dolomiet, benevens aardewerk van het gewone type van de Eerste Dynastie op 
enige totaal nieuwe vormen na. 

In de intacte graven werd een groot aantal kralen colliers aangetroffen rond de hals 
van de skeletten, alsook armbanden (ook van kralen) om de polsen. 

In andere graven vond men ivoren, lei- en vuurstenen armbanden, pionnen van een 
spel, goden-emblemen, haarspelden, een kleine vaas, bootmodd, alles in ivoor. 

Andere ivoren voorwerpen stellen dieren met een lang lichaam voor: waarschijnlijk zijn 
het sikkels of rituele voorwerpen; vuurstenen messen, naalden en koperen voorwerpen 
werden ook aangetroffen. 

Het graftype en vaatwerk met ingekraste naam van koning Smerchet dateren de necro¬ 
polis in de Eerste Dynastie. 

Zie nu Annales du Service 41, 1942, 405-409; 42, 1943, 357. 

b) 2de Campagne. 1 Nov. 1943-31 Mei 1944 

In het eerste deel van de campagne werd Westeilijk van het in het vorig jaar opgegraven 
gedeelte gegraven (1 N0V.-15 Febr.). 1266 graven werden blootgelegd en enige nieuwe dingen 
werden ontdekt. 

De vondsten bestonden uit bekers en vazen van allerlei soorten gesteente, brons en 
ivoor, evenals halskettingen van faiënce, schelpivoor en halfedelsteen, zoals cornalijn, lapis- 
lazuli en haematiet. Enige armbanden van ivoor en parelmoer en van verschillende kralen, 
vuurstenen messen en werktuigen, waaronder het grootste tot nu toe gevonden vuurstenen 
mes (48 cm lang en 8 cm breed) behoorden eveneens tot de nieuwe vondsten. 

\In het tweede deel van de campagne (16 Febr.-3i Mei) werd gegraven ten Noorden 
van de boerderij van Ezbet el-Walda. 366 graven werden ontdekt; sommige daarvan waren 
van grote afmetingen. Een van de grote graven behoorde aan een beambte van koning 
Adjib, de zesde koning van de Eerste Dynastie. 

In een ander werd een stop van een vaas met de naam van koning Oedimoe aangetroffen. 

In twee andere graven vond men twee vazen ieder met de naam van koning Ka, die 
vóór de Eerste Dynastie leefde. 

Een van de grote mastaba’s had een fagade versierd met panelen en was omgeven door 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, III — EERSTE EN TWEEDE DYNASTIE 301 

een dikke ringmuur zoals de graven uit de Eerste Dynastie te Sakkara. Hier werden ook 
enorme vazen gevonden, van een bekend type, maar van tot nog toe onbekende grootte. 

Voor het eerst werden hier echte graanschuren van gebakken klei aangetroffen, waar¬ 
van sommigen nog graan betvatten, o.a. tarwe. De rest van de vondsten lijkt op die van de 
andere zones. 

Ten Westen van Heloean liggen ruïnes van aanzienlijke hoogte, gebouwen van Romeinse 
tijd op waarschijnlijk oudere resten. Vermoedelijk ligt hier de stad, waarbij deze necropolis 
uit de Eerste Dynastie behoort. 

Ten Noordwesten van Heloean liggen graven van de Eerste Dynastie, die in Romeinse 
tijd wederom gebruikt zijn. 

c) 3de Campagne. 22 Oct. 1944-31 Mei 1945 

847 graven van de Eerste en Tweede Dynastie werden ontdekt (ook een paar oudere 
en jongere), 149 ervan waren intact. De voornaamste resultaten zijn de volgende: 

1) Grote graven uit de Eerste Dynastie met onderaardse kamers gebouwd in witte kalk¬ 
steen en trappen van hetzelfde materiaal werden ontdekt. De muren van deze kamers 
bestaan uit dikke blokken kalksteen, die niet in rijen geplaatst zijn, maar naast elkaar 
gezet en bijgehakt. De vloeren zijn eveneens van steen. Dit bewijst, dat reeds in de 
Eerste Dynastie steen gebruikt werd in privé-graven. 

2) De gaten in de valstenen, die de deuren afsluiten — vaak zijn het er twee in het boven¬ 
stuk en ook één of twee, in één geval zelfs vier in het benedenstuk — dienen slechts 
voor het touw, waaraan ze werden neergelaten. In één graf heeft men gaten gevonden 
in het bovendeel van blokken steen van de wanden van alle kanten van de grafkamer. 

3) In een graf van de Tweede Dynastie, waarin treden, gehouwen in het grove zand, afdalen 
naar de onderaardse grafkamer, heeft het plafond van die kamer aan de Westkant een 
rechthoekig gat, waar de stele geplaatst was, met de voorstellingen naar beneden gekeerd 
naar de dode toe. 

Een ander graf heeft een stele in dezelfde plaats. Het gat is verticaal gehouwen 
vanaf de grond en de stele is erin geplaatst boven de dode. Dergelijke gaten werden in 
nog vier andere graven aangetroffen. Vermoedelijk ging de ziel van de eigenaar van 
het graf naar de hemel door dit gat. 

4) Een inscriptie in een graf van de Elfde Dynastie toont, dat de plaats waar de necropolis 

bijbehoorde Heliopolis was. CdE xx, 1945, 75 vlg. 

d) Over de 4de Campagne 1945-1946 en de toen in totaal bereikte resultaten schrijft Zaki 
Saad (CdE xxi 1946, 197-198) 

3850 graven zijn van 1942-1946 gevonden. In een graf uit de Eerste Dynastie ontdekte 
men dit seizoen een fraai ivoren lotuszuiltje. 

De opgravingen te Heloean zijn van zeer grote betekenis, omdat ze ons voor het eerst 
tonen, dat de stenen gebouwen rond de trappyramide te Sakkara niet iets vrijwel nieuws 
zijn, maar dat ook zij slechts een schakel vormen in de ontwikkelingsgang van de Egyptische 
architectuur. Het gebruik van steen te Heloean dateert reeds van de Eerste en Tweede 
Dynastie, terwijl men tot nu toe vóór de trappyramide met bijgebouwen uit het begin van 
de Derde Dynastie als voorbeelden van het bouwen in steen alleen op de graven van Den 
(Eerste Dynastie) en Chasechemoei (Tweede Dynastie) kon wijzen. 

Een samenvatting der verschillende campagnes, die ongeveer 5000 graven aan het licht 
brachten, is nu gegeven door Mej. U. Schweitzer in Orientalia (17, 1948, 119-122). 

♦ 

7 — Abydos. Opgravingen van de Service des Antiquités onder Labib Habachi. April 1938 

Bij het onderzoeken van een terrein ten O.Z.O. van de tempel van Sëti I stuitte Labib 
Habachi op verschillende graven, nl. zes uit de Eerste Dynastie, en drie uit de Grieks- 

Romeinse tijd, evenals op een begraafplaats van honden. 

* 



302 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


Elk van de eerstgenoemde graven bevatte een grof rechthoekige kist van ongebakken klei. 
Vergelijking van het gevonden vaatwerk met reeds bekend gedateerd materiaal overtuigde 
de opgraver ervan, dat dit kerkhof uit het midden van de Eerste Dynastie stamt. Zeer waar¬ 
schijnlijk hoort het tot de door Peet aangetroffen nederzetting naast de Z.O. hoek van de 
ringmuur. 

De lichamen zijn bijna alle zeer sterk samengetrokken ( contracted burial), terwijl het 
hoofd steeds naar het plaatselijke Zuiden is gericht. Om de kist van het derde graf bevinden 
zich twee lagen baksteen; het vierde en vijfde graf zijn geschonden. De kist van het laatste 
bevat niets, die van het vierde slechts een pot. 

Ten Westen van de kist uit het zesde graf is een beschilderde lichtrode, ongepolijste pot 
gevonden, waarop zich een kom bevond. De beschildering bestaat uit vier banen in rode 
oker, die tot en met de derde van boven op een ondergrond van witte klei schijnen te zijn aan¬ 
gebracht. De pot blijkt daarna gebakken te zijn. De vier banen geven respectievelijk driehoeken, 
twee door elkaar gewerkte zigzaglijnen, verticale kronkellijnen en een jachtvoorstelling weer. 
De drie eerstgenoemde motieven zijn, daar ze hier te zamen voorkomen, volgens Labib geen 
imitatie van rietvlechtwerk, maar beelden misschien achtereenvolgens heuvels, omheiningen 
of netten en water uit.. In de laatste schildering ziet men een beest, dat de typische ken¬ 
merken van een jakhals heeft, vijf schapen (ovis longipes Palceocegyptiacus) achtervolgen, 
waarbij het achterste dier op de voorpoten is neergestort. 

Vóór de schapen, uit loopt een klein diertje met rechthoekig gevormde oren en lange, 
puntige en smalle bek, dat zeer waarschijnlijk het dier van de God Seth is, ondanks de wip¬ 
staart, welke vermoedelijk aan een onnauwkeurigheid van de artist te wijten is. Uit andere 
afbeeldingen, weet men, dat het dier in deze tijd al bekend was. De conclusie van de opgraver, 
als zou de jachtscène, waarin dit beest hier aangetroffen wordt, bewijzen, dat het bij het begin 
van de historische tijd in Egypte geleefd heeft, waarna het verdwenen zou zijn, m.a.w. dat 
het geen fabeldier is, is voorbarig. Er zijn immers jachtafbeddingen bekend (vgl. L. Klebs, 
Reliefs des mittl. Reiches, 1922, 54) waarin naast werkelijk bestaande beesten dieren 
weergegeven worden, waarvan vaststaat, dat zij in de verbeelding ontstaan zijn. 

Ongeveer drie meter van het tweede graf bevindt zich een geplunderde hondenbegraaf¬ 
plaats, die gevormd wordt door een onderaards vertrek, opgetrokken uit bakstenen van 
hetzelfde formaat als die van graf 3. Wellicht is deze constructie even oud als de genoemde 
graven: andere begraafplaatsen van honden uit deze tijd zijn bekend. De hier aangetroffen 
beesten ( canidae) behoren tot dezelfde soort als de duizenden, die vroeger reeds in Abydos 
ontdekt werden. In dit geval is het niet uit te maken, of de honden gedood of na hun sterven 
als heilige dieren begraven werden. Aan de Abydeense god Chenti Imentioe was de hond 
reeds — zoals bij een vroegere vondst in deze stad bleek — in de Eerste Dynastie gewijd. 

De in het begin genoemde Grieks-Romeinse graven liggen tussen die van de Eerste 
Dynastie in. Ze bevatten niets anders dan de stoffelijke overschotten. 

Ann. Serv. 39, 1939, 767-774. 

III — Oude Rijk (Derde-Zesde Dynastie) 

8 — Dasjoer Zuid. Knik pyramide. Opgravingen door de Service des Antiquités onder 
Abd es-Salam Hussein (zie Plaat xvii) 

Bij het onderzoek van de knik pyramide vond men de Noordoostelijke hoeksteen met de 
Horusnaam van koning Snefroe (Nebmaat), zijn cartouche werd op een ander blok steen 
gevonden dat juist onder de vloer van de bovenste kamer lag. 

Hiermede is thans bewezen, dat de knik pyramide, waarv.an men tot nog toe vermoedde 
dat ze aan Hoeni, de voorganger van Snefroe en de laatste koning van de Derde Dynastie 
behoorde, in werkelijkheid door Snefroe, de vader van Choefoe (Cheops) gebouwd is. Dit 
vereenvoudigt het probleem van de twee stenen pyramides te Dasjoer echter niet. Immers 


archeologisch overzicht, iii 


oude rijk 


303 


tot nog toe wees men de knik pyramide aan Hoeni en de echte (Noordelijke) pyramide, de 
c Rode pyramide 0 , aan zijn opvolger Snefroe toe. 

In vorm is de rode pyramide echter later, daar hij reeds de vorm van een echte pyramide 
heeft. 

Er zijn echter twee oplossingen: ofwel men neemt aan, zoals de opgraver doet, dat de 
knik een technische verandering is om de druk boven de kamers te verlichten, waardoor 
de pyramide haar vreemde vorm verkreeg, en de knik pyramide jonger is dan de Noordelijke 
pyramide, die dan misschien aan Hoeni kan hebben behoord; of wel dat de Noordelijke 
pyramide later is, en dan kan hij slechts aan de opvolger van Snefroe Choefoe toebehoord 
hebben, die bovendien de grote pyramide te Gize liet bouwen. 

Aan de Zuidkant van de knik pyramide ligt een kleine pyramide, die behoorde aan de 
koningin van Snefroe, Hetepheres. Haar naam werd aangetroffen op de Zuidoosthoek van 
de kleine pyramide. 

Dit graf is kort na haar begrafenis beroofd en daarom liet haar zoon Choefoe haar 
grafmeubilair en albasten sarcophaag overbrengen naar Gize, waar hij het onderbracht in 
een geheim graf ten Oosten van zijn eigen pyramide, waar Reisner het in 1925 vond. De 
sarcophaag bleek bij opening leeg te zijn, hoewel het graf intact was, zodat het lichaam van 
de koningin reeds in Dasjoer verloren zal zijn gegaan. Het grafmeubilair, op prachtige wijze 
gereconstrueerd, bevindt zich thans in Cairo. 

In de knik pyramide bevindt zich een dubbel systeem van gangen, hetgeen deze pyramide 
uiterst interessant maakt. De Westelijke ingang is nog steeds geblokkeerd; men weet zelfs 
niet waar de monding van de gang zou moeten uitkomen. Deze gang wordt horizontaal en 
leidt tot de bovenste kamer. 

De gewone ingang begint aan de Noordzijde en komt na een horizontaal stuk uit in de 
benedenste kamer, die gedeeltelijk met metselwerk gevuld was. Dit is thans verwijderd. In 
de kamer was een nis voor een schacht, in de as van de pyramide gelegen. Op de bodem van 
de schacht vond men geringe sporen van wierook. De schacht is zes meter dieper dan de 
kamer, ligt 20 m hoog boven de vloer van de kamer en bevat twee schijndeuren. 

De opgraver brengt deze deuren in verbinding met de pyramidetekst: „geopend zijn de 
dubbele deuren van de horizon, losgemaakt zijn hun grendels”, en vermoedt dat de ingang tot 
de grafkamer aan het boveneinde van de schacht ligt. 

Tevens vermoedt men, dat er eertijds een verbinding bestond tussen de beide kamers, te 
meer daar de valsteen (óf zó te vertalen óf met c scheidingssteen D ) aan beide zijden sporen 
van cement vertoont; de binnenkant kon slechts besmeerd zijn als men van binnen uit de 
valsteen door een andere gang kon bereiken via de lagere kamers. De tegenwoordige gang 
is waarschijnlijk een geforceerde verbinding. De bovenste kamer was gevuld met blokken 
steen behalve aan de Zuidkant, waar er een gang was. Deze stenen omsloten een doosachtige 
constructie. Een trap leidde eertijds van de bodem van de kamer tot boven op de constructie, 
die 7,50 m hoog was. 

Men is thans bezig het plaveisel boven op te verwijderen om een schacht te vinden, 
die mogelijk naar de grafkamer leidt. 

Als er geen grafkamer in zou zijn is er een andere mogelijkheid, dat de grafkamer 
gevonden kan worden: door de blokken steen, die het dak van de schacht vormen, op te 
lichten; deze zijn namelijk abnormaal lang. De muren van de bovenste kamer vertonen 
barsten, die dichtgesmeerd zijn met gips. 

Vermoedelijk kwamen deze barsten gedurende het bouwen en concludeerde de Egyptische 
architect, dat de bovenste kamer het gewicht van een echte pyramide niet kon dragen; hij 
veranderde de hoek, zodat de pyramide zijn tegenwoordige gestalte verkreeg, waardoor de 
druk op de kamer aanzienlijk verminderde. 

Gedurende de opgravingen vond mep resten van gebroken grafmeubilair. Er is geen 
bewijs gevonden, dat Üe graf rovers erin geslaagd zijn de grafkamer te bereiken. Daarom 
vermoeden de opgravers, dat ergens in het massief de intacte grafkamer van Snefroe moet 
liggen. Er zou ook een deur liggen in de Noordwand van de bovenste kamer. 




304 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, lil — OUDE RIJK 


305 


Van de pyramide van Hetepheres werd intussen de ingang gevonden aan de Noordkant. 
Een gangsysteem in de pyramide was in de vorm van een V; iedere arm was 10 m lang en 
vormde een 'hoek van ongeveer 40° met de horizon. 

Aan het einde van de gang was een klein vertrek ongeveer 3,30 m in het vierkant met 
een dak van kraagstenen. ^ ILN, 22 Maart, 1947, 281, 303-5. 

ILN, 5 April, 1947, 344. 

Zie nu A. Varille, A propos des pyramides de Snefrou, Le Caire, 1947. 


9 — * Gize. Opgravingen van de Service des Antiquités onder Selim Bej^ Hassan 1937-38 

In twee sectoren werd er gegraven: rond de daltempel van Chafra. In de eerste sector 
werden zeven mastaba’s blootgelegd. 

1) De mastaba van de koningsgemalin Ka Wesert is 19 bij 13 meter en 4 meter hoog, ge¬ 
houwen in de rots. Aan de Westkant is een ervoor gelegen rechthoekig voorhof inge¬ 
sloten door twee muren, wier voetstuk in de rots uitgehouwen is en wier bovenstuk 
gebouwd is. Aan het einde van het graf is een schijndeur, aan iedere zijde door een 
zuiltje geflankeerd. Op het middenpaneel van de schijndeur is de eigenaresse voorgesteld 
in zeer fijn reliëf. In het voorhof ligt een blok steen (1,70 X 0,85 m) met 45 gaten, 
waarschijnlijk voor een venster in de Oostmuur van het hof. 

2) De mastaba van de paleisopzichter Khertmat is gedeeltelijk in de rots gehouwen en 
gedeeltelijk gebouwd in locale kalksteen. Van het Noorden leidt een deur naar de kamer; 
in de Westmuur is een nis in de rots; hierin is een beeld. Het lichaam is in de rots uitge¬ 
houwen, het hoofd en de benen zijn echter in Toerah kalksteen aangezet, een unieke 
techniek in het Oude Rijk. 

3) Een zeer grote mastaba gebouwd in grove blokken van een opzichter van de reiniging 
van de koning. 

4.) De mastaba van Neferhetep, grote priester van de ka, Secretaris 3 van zijn heer, gelëerd 
bij de grote god. In de Westmuur zijn 4 schijndeuren met mooie inscripties. 

5) De mastaba van Kahor-istef, die de titel draagt c hij die de koning reinigt 3 . 

6) De mastaba van Wahdewaoe, de opperoogarts van het koninklijk paleis. Bij dit graf 
werd een beeld aangetroffen in Toerah kalksteen, yoorstellend een man — Choefdewaoe 
geheten met de titel rh njswt — en een vrouw. Het bovendeel is afgebroken en verloren 
gegaan. 

7) De mastaba van Dewaoe-Re, priester van koning Menkaoere en opzichter van de domeinen 
van het grote paleis. 

Langs de Zuidmuur van de daltempel van Chafra werd een rij kamers met 2,50 m 
dikke muren uit het Oude Rijk gevonden. Er in werden aardewerk, fragmenten van beelden, 
bekers,- borden, etc. aangetroffen en ook een zeer interessant blad van dioriet en een boot- 
model van aardewerk. 

Ten Oosten van deze gebouwen waren sporen van een bakstenen tempel met muren 
van 2,50 m, aan de binnenzijde witgekalkt. Dit gebouw was later als woning gebruikt en 
in de binnenplaats waren muren gebouwd over de zuilenbases heen. 

Een weg werd ontdekt parallel aan de Oostmuur van de daltempel. Deze was 3 m 
breed. Er bij werden gevonden aardewerk en stenen vazen en fragmenten van granieten en 
diorieten beelden, o.a. een onderstuk van een beeld van Chafra, van dioriet. Op de rug 
staat een inscriptie: „Koning van Opper- en Neder Egypte, Chafra, dat hij leve in eeuwig¬ 
heid”. Een groot deel van een weg lopend langs de Westmuur van de daltempel werd 'bloot¬ 
gelegd. Deze weg loopt naar het Zuiden en is 9 m breed en bevat een goot voor het water, 
dat van het dak van de daltempel afkomt. De goot is gehouwen in kalksteen en granietblokken. 
Een gedenkstele met een sphinx erop en talrijke fragmenten van beelden werden getvonden, 
o.a. het beeld van een zittende man met roodbeschilderd gelaat en lichaam. Verder blokken 
albast en graniet. 


In de andere sector ten Zuidoosten van de pyramidetempel werden twee grote in de 
rots gehouwen graven ontdekt. In dé grafkamer van één daarvan vond men een granieten 
sarcophaag. In het andere bekers en modellen van borden in kalksteen, verspreid rond een 
kalkstenen sarcophaag. In een schacht dichtbij vond men het hoofd van een zwart granieten 
beeld van een man met edele trekken, mogelijk een familielid van Chafra. Het is 30 cm hoog. 

CdE xiv, 1939, 80 vv. 


10 •— Sakkara 

a) Opgravingen van de Service des Antiquités 1939 

Er werd gegraven in de temenos van de zg. trappenpyramide. Het Zuidhof werd bloot¬ 
gelegd, waarbij onder anderen een dertigtal grenssteles met de namen van Neteryerchet, 
Hetephernebti en Intkaës werden gevonden en een klein brokstuk van het voetstuk van 
Neteryerchet met de naam van Imhotep. Ook werd de binnenplaats van het c huis van het 
Zuiden 3 blootgelegd. Op 35 m van de massieve D een andere, symmetrisch met de eerste, * 
zoals in het grote Zuidhof de twee massieven in de vorm van B’s. Op de Zuidzijde van de 
pyramidebekleding is een lange inscriptie van Chaëmwast, de zoon van Ramses II en hoge¬ 
priester van Ptah in Memphis. Deze inscriptie is analoog met die op de Mastaba el-Faraoen, 
die te Aboe-Gorab en die op de pyramides van Sahoere en Wenis. 

Aan de voet van de pyramide werden drie kleine beeldjes van graniet gevonden (Vijfde 
Dynastie), ze waren achtergelaten door dieven. Twee van de beeldjes zijn 43 cm hoog en 
vormen een pseudogroep voorstellend tweemaal dezelfde figuur, in rosé graniet en met 
resten van polychromie: het rosé graniet stelt de huidskleur voor; de haren, wenkbrauwen, 
ogen, en nagels zijn echter beschilderd. De kleding en haardracht is eveneens geschilderd: 
het witte schort, de halskraag, de hangers en gordel zijn veelkleurig. Het voetstuk is verloren 
gegaan. Het derde beeldje is 38 cm hoog en in zwart graniet, op de rug staat „opzichter van 
de schrijvers der geweven stoffen, Her-nj-kaid”; het vertoont nog sporen van polychromie. 

Dichtbij werd een houten kopje gevonden, bedekt met beschilderd stuc. Het gelaat is 
rood. De datering is onzeker. Tot nu toe waren slechts hoofdjes in steen bekend. De uit¬ 
drukking van het gezicht is vreemd. In het oor hangt een zwarte discus. Het profiel lijkt op 
figuren in Thebaanse graven. Misschien Tweeëntwintigste-Zesentwintigste Dynastie. 

De Zuidkant van de pyramide van Wenis werd blootgelegd en de omgeving van zijn 
pyramidetempel. In de Wenistempel waren reeds tweemaal blokken gevonden met de naam 
van zijn voorganger Dedkare Isesi. Wenis vernielde het grafmonument van zijn voorganger 
om daarmee zijn eigen graf te bouwen. Op de Zuidkant op de bekledingsblokken staat de 
Horusnaam van Dedkare, Chadedoe, en een tweede blok in dezelfde stijl is zichtbaar. De 
Zuidwesthoek van de pyramide rust op een geweldige stele met paleisfagade die, hoewel door¬ 
gehakt, nog 2,90 X 3,20 m is. Tussen de inktopschriften op de blokken van de pyramide 
bevindt zich de cartouche van koning Isesi. Dit vreemde gedrag van een koning uit een zelfde 
Dynastie en dat nog wel teigen zijn voorganger lijkt sterk op usurpatie door Wenis. Als 
Wenis en niet Teti de eerste koning van de Zesde Dynastie was zou dit zowel hiervoor een 
goede verklaring zijn als ook voor het feit, dat bij Wenis voor het eerst de pyramideteksten 
in dé pyramide verschijnen, wat vóór hem niet voorkwam, maar in de hele Zeste Dynastie 
en daarna de gewoonte is. CdE xv, 1940, 67-70. 

Ten Zuiden van de weg, die loopt van de graf tempel van Wenis naar diens daltempel 
en bedekt door die weg ligt een bakstenen mastaba uit het eind der Vierde of het begin 
der Vijfde Dynastie. In de hoofdkamer was een schijndeur, de schacht was leeg, de kamers 
waren bedekt met stuc, een rechthoekig plengbassin stond voor de stele, nog in situ. 

Deze stele nu is overgebracht naar het museum te Cairo en is een uniek exemplaar van 
een grote houten gave schijndeur. De stele is 2 m hoog en 1,50 m breed, van accaciahout 
gemaakt en bedekt met een zeer fijn relief-en-creux. De stele behoort aan Eika en zijn 
vrouw Eimerit. Eika, rh-njswt, opzichter van het grote huis, priester van de koning, is 
gezeten tegenover zijn vrouw Eimerit, rht-njswt, priesteres van Hathor, meesteres van de 

Jaarbericht n°. 10 


20 





3°6 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, III — OUDE RIJK 


307 


sycomore, bij een offertafel op het bovenste paneel. Links op de deurpost staat Eika met 
stok in hand, rechts Eimerit met de hand aan een lotusbloem. Bij Eïka staat zijn zoon Abdoe, 
hoofd van de dodenpriesters, terwijl zijn vrouw wordt vergezeld door Thentit, rht-njswt 
(niet aangegeven of het de dochter is). 

Op het middelste paneel staat Eika met zijn oudste zoon Thenti, links daarvan vier 
vrouwen: Meritetefes, Nefretkaoe, dan een onzekere naam en Chentkaoes, alle vier 
rht-njswt; rechts staan vijf jongens : de schrijver Neferta, de schrijver Eïnefer, Eïka, Neferka, 
en Thenti. De schrijver Neferka is vergezeld door een vrouw in miniatuur genaamd Chenoet. 

CdE xv, 1940, 211-212. 

b) Opgravingen van de Service des Antiquités onder Zaki Saad, 1939-1940. Opgravingen 
tussen de zg. trappyramide en de pyramide van Wenis 

27 kalkstenen en één houten schijndeur werden opgegraven, alle van beambten of 
priesters en priesteressen van koning Wenis; bijna alle waren van hun oorspronkelijke plaats 
verwijderd. 

Een zestal mastaba’s werd ontdekt. 

1) De mastaba’s van Nebet. Bij de toegang van de pyramide van Wenis lag een grote 
mastaba. Volgens de inscripties behoort dit graf aan koningin Nebet, vermoedelijk de 
of een koningin wan Wenis. De mastaba lag naast de pyramidetempel van Wenis en 
zijn naam stond op een van de blokken van de mastaba. Ook werd een onderstuk van 
een steatieten beeldje van koning Wenis met naam en titulatuur gevonden in de mastaba. 
Onder de reliëfs bevindt zich een afbeelding van een vrouwelijke dwerg. 

2) De mastaba van Chemnoet. Westelijk van de mastaba van Nebet lag de mastaba van een 
dame Chemnoet, voor het grootste deel in Perzische tijd afgebroken. Misschien de moeder 
of een tweede gemalin van Wenis. In details lijkt de mastaba Chemnoet op die van 
Nebet en de plaats doet dit wel vermoeden. Ten Noorden van de mastaba van Nebet 
waren nog drie mastaba’s. 

3) Mastaba van c zoon van de koning 3 Wenisanch. 

4) Mastaba van vizier Inefert. 

5) Mastaba van hoge ambtenaar Kai. De zoon van Kai, Hatsjoef, liet de mastaba vol¬ 
tooien. 

6) De zesde mastaba behoorde aan Mehoe, die onder de eerste drie koningen van de Zesde 
Dynastie leefde. 40 namen van domeinen bewijzen, dat hij een belangrijk persoon was. 
Hij was vizier en had nog vele andere hof titels en was getrouwd met twee prinsessen 
van vorstelijke bloede, de ene, Nebet, was koningin-moeder, de andere, Nefertkaoes, 
bijgenaamd Ikoe, was koningsdochter. Twee kinderen van Mehoe zijn afgebeeld, een 
zoon Hetepka en een dochter Meroet. De muren, deuren, dakvensters en zelfs de plafonds 
zijn ongeschonden; de kleuren zijn goed bewaard en het plafond is in imitatie graniet 
geverfd. Een van de schijndeuren, een * kalkstenen monoliet van 3,10X2,05 m, is in 
imitatie graniet geverfd en heeft zeer fijne inscriptie en voorstellingen in lichtgeel om 
een goudindruk te verkrijgen. 

Een groep mastaba’s rond het graf van Ptahhotep werd blootgelegd. 

Een serie mastaba’s werd ontdekt bij het onderzoeken van de fundamenten van de 
weg, die loopt van de graf tempel van Wenis naar de daltempel. Deze mastaba's waren bij 
de bouw van de weg dichtgegooid en zijn daarom ouder dan Wenis. 

Een van de mastaba’s behoorde aan een zekere Ptahshepses met een onvoltooide kapel, 
maar met enige zeer mooie reliëfs. In de rots gehouwen graven met voorgebouwde fagade 
werden gevonden en behoorden aan een Ptahhotep en een Achethotep. De laag puin over 
deze graven verhinderde hun plundering. Zo bevatte de serdab van Ptahhotep 9 houten 
beelden, waarvan enige schitterend bewaard en op natuurlijke grootte. In Achethoteps kapel 


vond men 14 beelden in hautreliëf gehakt uit de rots zelf, maar sommigen zijn onvoltooid. 

De enige beschilderde reliëfs die het graf versieren zijn slachtscenes; Achethotep was 
o.a. hoofd van de c fris-waterverzorging 3 van de slachterij van het paleis. 

ILN, 26 Febr. 1944 
CdE xx, 1945, 78. 

Zie nu Annales du Service 40, 1940-1941, 971-972. 

c) Koninklijke opgravingen 1942 onder leiding van Zaki Saad 

Gevonden werden: 

een kleine mastaba van Sesjem-nefer (Vijfde Dynastie) (het graf was onvoltooid, maar 
is leerzaam voor de teken- en beeldhouwtechniek) en 

het graf van prinses Chentkaoes. Dit is gedeeltelijk uit de rotsen gehouwen, gedeeltelijk 
gebouwd in baksteen. De muren zijn gestuct en wit geverfd. Sommige scenes met frisse 
kleuren zijn nog bewaard gebleven. Een wit kalkstenen schijndeur, rood geverfd om graniet 
te imiteren, draagt de naam van de prinses, c de oudste dochter van de koning 3 . De grafikamer 
was intact; een witte kalkstenen sarcophaag had een inscriptie van Chentkaoes op het 
deksel. Op de rand vond men een zeer fijne houten hoofdstut en twee paar boemerangs; tien 
rieten pijlen met vuurstenen punten lagen daar eveneens. In de sarcophaag lag een massa 
linnen. Onder de eerste laag lag een dikke hputen stok en een grote boog voor de jacht. 
Om het midden van die boog waren witte cirkels waarmee de schutter de afstand kon meten 
die hem van zijn doel scheidde. Er waren 43 stukken linnen. De lengte bedroeg 50 cm tot 
5 m, de gezamenlijke breedte 1,10 m. Acht ervan droegen hiëratische opschriften. 

Hieronder lag het lichaam gewikkeld in fijne stof, op het gezicht een masker van stuc. 
De beenderen behoren aan een man, van kleine afmeting en ongeveer 40 jaar oud. De be¬ 
grafenis was gewoon, de naam van de schijndeur dezelfde als die van de sarcophaag. Men 
had dus een vrouw verwacht. Indien het een veranderde begrafenis was, had men toch 
wel verandering van naam mogen verwachten. Volgens de ontdekkers schijnt men hier te 
doen te hebben met een pathologisch geval, waarbij het geraamte zich manlijk ontwikkeld 
heeft. Bij dit graf werden monumenten aangetroffen, die lijken op het zogenaamde zuidgraf 
in de temenos van Dj eser. Reeds vorig jaar werd een gegraven gang ontdekt: dit jaar werd 
de opgraving ervan voortgezet. De gang daalt 32 m af tot op het niveau van de rotsachtige 
bodem. Naarmate men afdaalt (van ’t punt waar de opgraving begon naar het diepste punt 
waar men kwam is al 280 m) wordt de breedte van 3 m langzaam aan smaller tot 2 m aan 
het benedeneinde. Geen opening tot een grafkamer werd gevonden. Deze geweldige groeve, 
die moest dienen voor een graf, is onvoltooid gebleven. 

De wanden zijn zeer nauwgezet uitgehakt en vlak gemaakt. Dit enorme werk kan slechts 
voor een koning of zeer hoog personage uitgevoerd zijn. De plaats lijkt sterk op de groeve 
van de onvoltooide pyramide te Zawyet al-Aryan. CdE xx, 1945, 80 vv. 

d) Sakkara. Opgravingen van de Service des Antiquités onder leiding van Zaki Saad, 

1942-1943 

Zaki Saad had als taak het gebied ten N. van de mastaba van Mereroeka te onderzoeken. 
Bij het verwijderen van de bergen zand en opgravingsafYal, die de N. en W. kant van het 
graf bedekten werden enige mummies, waarvan sommige in houten kisten, gevonden. Verder 
trof men de volgende voorwerpen los aan: een door rovers vergeten kruik met 250 amuletten 
(godheden); een fraaie houten hoofdstut, waarvan het onderstel op en neer bewogen kan 
worden (vgl. het principe van onze vouwstoeltjes), terwijl het gedeelte, waar het hoofd op 
moet rusten, vastzit; een mooie bed- of stoelpoot voorstellende een leeuw, die een niet- 
Egyptenaar verslindt; drie scheepsmodellen en een aantal schijndeuren of posten daarvan. 
Eén van de laatste vertoont enkele bijzonderheden. In tegenstelling tot het gebruik, om op 
de afbeeldingen in de mastaba’s degenen, die de offers dragen, naar geslacht te scheiden, 
worden hier afwisselend een man en een vrouw weergegeven (waarschijnlijk door plaats- 





308 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, III — OUDE RIJK 


309 


gebrek). Voorts is het vaatje, dat één van deze dienaren meebrengt, in doorsnee voorgesteld, 
zodat de inhoud zichtbaar is. In het onderste register staat achter de offertafel de schrijver 
Ipi met opgeheven rechterhand. Wellicht prijse of dankt hij zijn zoon, die dezelfde naam 
draagt en die gien voor de tafel een gans ziet aanbieden, die hij met beide handen vasthoudt, 
terwijl aan zijn voeten, evenals op de tafel, ook een gans ligt: een tafreel, dat de opgraver tot 
nu toe in het Oude Rijk onbekend was. 

Na het ontmantelen van het N.W. deel en de N. muur van de mastaba bleek, dat deze 
vastgebouwd is aan die van Kagemni. Uit de wijze, waarop het metselwerk verbonden was, 
kon afgeleid worden, dat deze twee graven te gelijker tijd gebouwd zijn. Verder trof men 
ook nu op de hoeken de titels en namen der eigenaars aan, zoals dat vroeger reeds met de 
andere uiteinden der muren het geval was geweest. 

Bij het schoonmaken van het inwendige van het N.W. deel van het eerste bouwwerk 
kwam een schacht te voorschijn, die leidde naar de grafkamer van Teti, de zoon van Mere- 
roeka’s vrouw, die zich precies achter Mereroeka’s schijndeur bevindt en waarin een ge¬ 
plunderde sarcophaag aangetroffen werd. 

Een aantal uit tichelstenen opgebouwde mastaba’s, wellicht uit de Vijfde Dyn. stammend, 
werd ten W. van die van Mereroeka gevonden, benevens een zeer grote uit de Vierde. Bij 
één van de eerstgenoemde was niet alleen opmerkelijk, dat de houten schijndeur verdwenen 
was (dit was bij die uit de Vierde Dyn. ook het geval), maar verder werden vóór de plaats, 
waar de schijndeur zich bevonden heeft, in het plaveisel twee holtes om in te plengen aan- 
getroffen: misschien de oorsprong van de verdiepingen in de plengoffer-tafels ? Geheel 
alleenstaande tussen de overblijfselen van een mastaba vond men een stenen schijndeur 
met inscripties, die van de gewone afwijken. 

Ten N. van Mereroeka stuitte Zaki Saad wederom op een groep mastaba’s, ditmaal van 
steen, hetzij tichels in combinatie met steen, of tichels met tichelgewelf opgetrokken. 

a. Mereri. Dit graf heeft twee schijndeuren. Achter de eigenaar, die aan het vissen is, ziet 
men op de Z. muur van de eerste kamer o.a. een dwerg (iemand met misvormde benen) 
afgebeeld. 

Buiten de mastaba is tegen de Z. muur een kamertje van tichels opgebouwd, waarin zich 
een schijndeur bevindt voor Nebet, waarop deze vrouw anders dan gewoonlijk op schijn¬ 
deuren het geval is, staat afgebeeld. Zo staat zij onderaan de vertikale tekstregels niet weer¬ 
gegeven, terwijl zij aan een lotusbloem ruikt, maar manden dragend en met een nog onge¬ 
definieerd voorwerp, waarvan het handvat de vorm van een lotusstengel heeft, benevens drie 
lotussen in de hand. 

b. Wernoeoe. De inschriften rechts en links van de schijndeur zijn niet door dezelfde hand 
gebeiteld. Ze bevatten o.m. onbekende tekens en nog onvertaalbare titels. Enige van de voor¬ 
stellingen op de muren van dit graf treft men zelden in andere mastaba’s aan. Merkwaardig 
is het ontbreken van ossen en kalfjes. In één van de taf reien draagt een man aan een stok 
over zijn schouder een waterzak (?), bestaande uit een van de nek ontdane dierenhuid, 
waarvan de poten aan de stok gebonden zijn. 

Behalve het graf van c. Choei werd nog een graf ontdekt, waarbij de lezing van de 
naam ( d ) onbekend is (Saad: Smedenti?). In de muur (de enige, die overgebleven is van 
de laatste mastaba) tussen de eerste kamer en die, waarin de schijndeur staat, trof men een 
deur aan met ronde bovenkant. De kalkstenen schijndeur is in de kleur van donker graniet 
geschilderd, terwijl de hiëroglyphen met „goud”-geel zijn ingelegd. Sommige van de erop 
voorkomende formules zijn afwijkend van de gebruikelijke. Het enige, wat ervan beschadigd 
werd, is de naam van de eigenaar, welke zo goed als zeker om magische redenen werd uit¬ 
gekrast. Ann. Serv. 43, 1943, 449-457. Hierbij te vergelijken: o.c., 487-513. 

e) Opgravingen door de Service des Antiquités onder Abd es-Salam Hussein 1943 

De ruïnes van de daltempel van Wenis te Ras el-Gisr werden opgegraven. Het gebouw 
bestaat uit een geplaveid terras met een borstwering gebouwd tegen een stut’muur (tegen 


het zand) van mooie fijne kalksteen. Op dit terras heeft men zuilen-bases gevonden en resten 
van vertrekken, die tot de tempel of de bijgebouwen ervan hebben behoord. Alles was te 
zeer verwoest om er een goede indruk van te kunnen krijgen. In een van deze vertrekken 
vond men op het plaveisel een sarcophaag van grijsgroene leisteen met witte aderen. De 
sarcophaag is geheel glad, draagt geen inscriptie en heeft als enige versiering een torus 
op de vier hoeken en een kroonlijst rond het deksel. Een van de hoeken is afgebroken bij 
een plundering; de mummie werd beroofd; daarna is het deksel weer op de plaats gelegd. 

Van binnen was de sarcophaag tot de rand met water gevuld, rood door de opgeloste 
stoffen. De mummie was vergaan en het geraamte lag op de rug in een zwarte massa; de 
schedel lag apart; de armen lagen langs het lijk. Een lange stok lag links van het lichaam 
onder de linkerarm. Goudblaadjes schemerden door de zwarte massa rechts van het hoofd. 
De rechteronderarm droeg in het midden een grote cornalijn kraal in een gouden bies gezet, 
met vier spiralen; hogerop was een goudbandje rond de arm onder de oksel. Een prachtige 
gordel met een gouden met gekleurde steen ingelegde gesp omgaf het middel. De gordel 
en gesp zijn 4,5 cm breed; aan de achterzijde zit een gouden plaatje voor de bevestiging 
van de stierenstaart, welke vergaan is. Op de gesp wordt de overledene tweemaal voorgesteld, 
symmetrisch tegenover zichzelf gezeten, een stok in de hand; boven zijn hoofd zweeft de 
valk. In het midden een inscriptie in veelkleurige hiëroglyphen, „de vorst (rp c t), de konings¬ 
zoon, Ptahsjepses”.. De gordel bestaat uit een dikke goudband omgeven met een garnituur 
van veelkleurige kralen in ruitvormig patroon op gouddraad. Het stuk is thans in het museum 
te Cairo. Het voorkomen van een graf in een daltempel is wel zeer eigenaardig en levert nog 
een probleem op. Was Ptahsjepses een zoon van koning Wenis, stierf hij voor zijn vader 
en werd hij hiër bijgezet? 

Tweè canopenvazen van een uitgesproken Zesde Dynastie-type en een in albast gebeeld¬ 
houwde gans stonden dichtbij en behoren misschien bij deze sarcophaag. 

BIE xxvi, 1944, 77 v. 
CdE xx, 1945, 82 v. 

Onder de omstreeks 400 fragmenten van de reliëfs, die de binnenzijde van de overdekte 
weg van Wenis versierden, bevindt zich een interessante en tot nog toe onbekende voor¬ 
stelling van de slachtoffers van een hongersnood. Het blok toont ons twee rijen uitgemer¬ 
gelde mensen, allen zittend en aan het eind van hun krachten. Het zijn geen echte Egyp- 
tenaren, maar waarschijnlijk Bedja’s, wóestijnbewoners. Er is geen inscriptie bij bewaard 
gebleven, die direct op hen betrekking heeft (zie Plaat xxii). 

BIE xxv, 1943, p. 45 vv. 

11 — Teil Basta. Opgravingen van de Service des Antiquités Dec. 1939-Juni 1942 

In Maart 1939 vond men een groot blok kalksteen, dat Pepi I voor stelt, staande voor 
de godin Bastet, die hem het levensteken reikt; achter Pepi staat Hathor van Dendera. 

Vijf mijl ten Westen van de grote granieten tempel vond men een tempel gebouwd door 
Pepi I in de Zesde Dynastie. De tempel bestaat uit één heiligdom: een grote bakstenen kamer 
met acht kalkstenen pilaren, die voor het grootste deel nog staan. Een bakstenen muur 
omgeeft de tempel, doch slechts de Oostkant en delen van de Noord-Zuidkant werden 
blootgelegd. De Oostzijde was 87,5 m lang, 4,5 m dik en 3 m hoog. Het heiligdom bevond 
zich niet in het midden van de tempel, maar in de N.W. hoek. Dit is de plattegrond van de 

hiëroglief Q. 

Een grote poort van kalksteen, 4,5 m hoog, bevindt zich in de Zuidelijke muur; op de 
Zuidelijke fagade ervan is de scene: Pepi tussen Bastet en Hathor, die hierboven beschreven 
is. Op de Noordelijke fagade vindt men de grote stele met de namen van de koning, gevolgd 
door de naam v^n de tempel, die heette c Tempel van de geest van Pepi in de stad van Bastet 0 . 
In het heiligdom waren nog enige inscripties. Sommige pilaren droegen de namen van de 




3io 


MIDDEN RIJK 


3 11 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

koning met het epitheton c bemind door de (godin) Bastet 3 en de afbeelding van de koning, 
in gezelschap van enige góden. Ook een voorstelling van de koning en de godin, die in de 
hand het gereedschap houdt, dat gebruikt wordt bij de religieuze ceremonie van de tempel- 
stichting, werd gevonden. Bronzen beelden en begraven waterdieren, zoals schildpadden, 
werden gevonden. Dit is de eerste tempel uit het Oude Rijk, die in de Delta is opgegraven. 

CdE xx, 1945, 83 vv. 

12 — Bdfoe. Frans-Poolse opgravingen 1938-1939 

Een tiental mastaba’s buiten de grote muur werd opgegraven. Het zijn arme graven 
uit de Vijfde .en Zesde Dynastie. Het graf van fti had een stenen grafkamer, die met 
stuc bekleed en beschilderd was. Een grote canopen vaas met een dikke massa erin en koperen 
en stenen vaatwerk werden gevonden in kleine vertrekken af gezet met bakstenen muurtjes. 
Nog twee andere ongeplunderde graven werden gevonden met veel albasten vazen van een 
nieuwe vorm met ingeribde versiering en koperen en stenen voorwerpen. 

CdE xiv, 1939, 267 

IV — Oude Rijk of Eerste Tussenperiode 

13 — Medamoed (Tempel). Franse opgraving van C. Robichon en A. Varille 

Het monument bestaat uit een veelhoekige omheining rond een heilig bos, waarin de 
tempel staat. De omheining staat op een natuurlijke verhoging, waar niets onder is dan de 
maagdelijke bodem; hier werden slechts twee prsehistorische voorwerpen gevonden. 

De muur is 1,75 m hoog en van boven afgerond. Het eigenlijke heiligdom bestaat uit 
een binnenplaats, waar twee kronkelige gangen op uit komen, die ieder naar een klein 
onderaards vertrek lopen. Boven ieder is een kunstmatige heuvel. De gang heeft geen deur 
en is vermoedelijk gekronkeld om het naar binnen zien te beletten. 

De grond van de gangen en de kamertjes is met zand bedekt. De gangen zijn gewelfd 
en gewit, en waren niet hoger dan 1,50 m. Bij de ingang van de Zuidelijke gang ondersteunden 
twee cylindrische voetjes een offerbekken, bij de Westelijke gang slechts één. 

Later werd er een tweede voorplein met een pyloon bij gebouwd: het ronde zandstenen ^ 
voetstuk voor de matten is nog aanwezig, rechts van de ingang. De verbinding van de 
Oostelijke pyloon met de muur deed een driehoek ontstaan, die als bergplaats voor cultus- 
voorwerpen gebruikt werd- Aan de rechterkant van het nieuwe voorplein bevinden zich twee 
rechthoekige bankjes, bedekt met as. Dit gebouw werd door Sesostris III vernield, het bosje 
werd platgebrand en precies erboven werd de nieuwe tempel van Sesostris III gebouwd. Het 
aardewerk bestaat enerzijds uit laat Oude Rijk-types en anderzijds uit enige totaal nieuwe 
vormen. Waarschijnlijk was dit een Osiris-heiligdom. Ptolemseische teksten vertellen ons, 
dat ieder jaar in de maand Choiak, in ieder van die heuvels een kleine mummie, 1 el lang, 
een van zand en de ander van aarde, dadels, wierook, aromata en verpoederde mineralen 
c begraven 3 werden. Ieder jaar werden deze symbolische mummies hernieuwd, vandaar dat 
deze vertrekjes toegankelijk moesten blijven. 

De geographische lijst van de tempel van Edfoe geeft voor de Thebaanse nome twee 
heuvels omgeven door bomen voor de cultus van Osiris, nl. te Medinet Haboe en Medamoed. 
Vanaf Sesostris III werden Montoe en Osiris samen vereerd. CdE xiv, 1939, 265-267 
Zie ook C. Robichön et A. Varille, Description sommaire du temple primitif 
de Mêdamoud, Rech. d'Arch., de Phil. et d’Hist. 11, 1940. 

V — Midden Rijk 

14 — Medamoed. Opgravingen van het Louvre 1938 

De tempel gebouwd door Sesostris III werd opgegraven. Hij beslaat een groot gebied 
en is gebouwd in baksteen en zandsteen. Hij is thans gedeeltelijk bedekt door de Ptolemseische 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, V 

tempel. In de Oostelijke hoek is de eigenlijke tempel met een lange zuilenrij, allerheiligste 
en hof met twee portieken met Osiris-pilaren. In het Zuiden en Zuidoosten zijn de bij¬ 
gebouwen, graanschuren, priesterwoningen, etc. Het geheel is omgeven door een zeer dikke 
wal en maakt de indruk van een vesting, wat niet zo verwonderlijk is, want Medamoed ligt 
aan de Noordgrens van de Thebaanse nome. Zes grondsteenleggingen werden gevonden 
onder de muren. Het oorspronkelijke plan voor de tempel was nog groter met een kleiner 
gebied voor de bijgebouwen. Iedere put bevatte een kop en schouder van een rund, aarde¬ 
werk, kleine vaasjes en bekertjes en een baksteen. Vier ervan lagen onder de hoeken; de 
twee andere bevatten slechts beenderen en waren gelegen in de Noordwestelijke en Zuid¬ 
westelijke hoek van de grote binnenplaats» In de as van de portieken met de Osiris-pilaren 
is een deur naar een binnenplaats, waar misschien een belangrijk bijgebouw (paleis?) lag. 

CdE xiv 1939, 82 w. 
Zie ook Rev. d’Eg. 5, 1946, 25-44. 

15 — Bdfoe. Frans-Poolse opgravingen 1938-1939 

Op de begraafplaats uit het Middenrijk onderscheidt men thans drie types graven: 

a) gewelfde graven, gedateerd door een cartouche van Amenemhet III; 

b) onderaardse gemeenschappelijke graven; 

c) graf in de vorm van een rechthoekig blok met verschillende verdiepingen, de fagade als 
van een huis met gewelfde vensters. 

Het grafmeubilair bestond uit albasten vazen, koperen voorwerpen, kleine albastgroepen, 
concubinebeeldjes, aardewerk, en halskettingen van edelsteen. CdE xiv, 1939, 267. 

16 — Elephantine. Opgravingen van de Service des Antiquités onder Labib Habachi Jan.- 

April 1946 

Ten Noorden van de begraafplaats der heilige rammen op het eiland Elephantine werd 
in 1932 door sebakkïn op oude resten gestoten. De inspecteur E. Ghazouly vond toen o.a. 
zeer fraaie beelden uit het Midden Rijk. In 1946 bleek, dat hier een cultusplaats lag. Gouw- 
vorst Sarenpoet I had ter ere van zijn voorganger Hekaïb (eind Oude Rijk) een naos ge¬ 
plaatst, waarin een stenen altaar. Deze naos, met één, die Sarenpoet I voor zichzelf had 
geplaatst en twee andere uit iets jongere tijd, bevinden zich in een gebouw van ruwe bak¬ 
stenen. Hier omheen zijn vele naoi, beelden, steles en offertafels aangetroffen van mensen 
van Elephantine, evenals van koningen, o.a. ter ere van genoemden Hekaïb en speciaal uit 
de Twaalfde en Dertiende Dynastie. Uit artistiek, geschiedkundig (inscripties), archeologisch 
(in situ aangetroffen!) en godsdienstig oogpunt is de vondst van deze ± 100 voorwerpen 
voor de bestudering van de betreffende periode buitengewoon belangrijk. 

Mededelingen van Jozef Janssen 
CdE xxi, 1946, 200-201 

Verder nog enige secundaire opgravingen. 

17 — Heloean (1943-44). Ten Noordwesten van Heloean een Midden Rijk-graf, waarin 

men fragmenten van aardewerk en dunne goudblaadjes vond. 

CdE xx, 1945, 77 

(1944-45). In een graf, misschien uit de Elfde Dynastie, vond men een sarcophaag 
bestaande uit goed gehouwen blokken. De binnenkant droeg een inscriptie, die de naam 
van de plaats gaf waartoe de grote necropolis van de Eerste Dynastie (en ook dit graf) 
behoorde, nl. Heliopolis. CdE xx, 1945, 77 * 

18 — Teil Basta. Service des Antiquités , 1943. 

60 m ten Noorden van de tempel werd een sphinx met manen ontdekt; Amenemhat III. 

CdE xx, 1945, 85 




3 12 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, VII - NIEUWE RIJK 


313 


19 — Tanis (1940). 

In graf n° 5 Wesermare Sjesjonk werd een granieten sarcophaag ontdekt, die gehakt 
was in een blok steen van de Dertiende Dynastie, waarop de Horusnamen van koning 
Horus en koning Wegaf nog leesbaar waren. CdE xx, 1945, 86. 

VI — Tweede Tussenperiode 

20 — Kom el-Hisn. Opgravingen van de Service des Antiquités 1943 onder Prof. Abd. 

el-Hadi Hamada en Mustafa el-Amir 

Omstreeks 80 graven werden ontdekt. De meeste lijken lagen met het hoofd naar het 
Noorden en gezicht naar het Westen gekeerd. Sommige graven bevatten ongewone vondsten. 
Zo werden twee lijken met de gezichten naar elkaar toe gevonden, weer andere naast elkaar, 
ja zelfs drie of vier lijken bijeen. Sommige misten het hoofd; in een ander graf vond men 
slechts een hoofd. Een vrouw werd gevonden met voedsel tussen de armen. 

In al deze vreemde graven werd aardewerk naast het skelet aangetroffen. In sommige 
vond men koperen of bronzen wapenen, zoals dolken en strijdbijlen en ook stokken, zoals 
Flinders Petrie vond in Teil el-Jehoedije, Rifeh en Hoe. De grafvondsten bestonden 
uit colliers van cornalijn, faiënce; een van de colliers bestond uit 65 gouden eylindrische 
kralen, een ander uit 35 gouden ronde kralen, een derde uit gouden amuletten in de vorm 
van een mensenhoofd; nog een andere ketting bestaat uit minuscule ringetjes. Een gouden 
Urseus, een scarabee van de Twaalfde Dynastie en een groot aantal bronzen spiegels vormen 
de voornaamste vondsten. CdE xxi, 1946, 58-59. 

21 —• Kom el-Hisn. Opgravingen van de Service des Antiquités 1945 onder Prof. Abd 

el-Hadi Hamada en Chafch el-FARiD 

Een ander deel van de necropolis van de hoofdstad van de derde Nederegyptische nome 
werd onderzocht en ongeveer 180 graven werden blootgelegd. Sommigen zijn van baksteen 
of klei, het merendeel is echter in het zand gegraven, met of zonder stuc of houtbedekkmg 
rond het lichaam. De oriëntatie is met het hoofd naar het Noorden en met het gezicht naar 
het Westen gekeerd. Ook hier werden ongewone graven gevonden. In een bakstenen graf 
vond men twee lichamen zonder benen. Delen van een veulen werden teruggevonden, onge¬ 
twijfeld de resten van een offer. In een ander graf vond men drie lijken, een vrouw en 
twe$ kinderen; in weer een ander lagen drie doden met stuc bedekt. Ook werd een graf 
gevonden van een zwangere vrouw en normaal kind. De verminkte lijken doen vermoeden, 
dat men hier soldaten begroef, die gesneuveld waren in de grensgevechten tegen de Libyers, 
die in de Tweede Tussenperiode Egypte aanvielen. In bijna alle graven vond men aardewerk- 
vazen van verschillende vormen, sommige gemerkt, soms ook koperen of bronzen wapens. 
In andere graven is het hoofd bedekt met verguld stuc. 

De grafvondsten bestaan uit vazen van albast, porphyr en leisteen, halskettingen yan 
goud, electrum, cornalijn, amethyst, lapis lazuli en faiënce; sommigen uifheel fijne ringetjes, 
anderen uit ronde kralen. Een gouden armband met ribbelpatroon en een andere bestaande 
uit 12 stukken, ieder met 2 uraei maakten ook deel uit van de vondsten. Verder vond men 
gouden ringen, kostbare stenen, amuletten in de vorm van Egyptische góden, heilige dieren 
en vogels, en van het oog van Horus. De scarabeeën in amethyst, lapis lazuli, faiënce en 
steen zijn van het type van de Twaalfde Dynastie; een draagt de naam van de eigenaar 
Hornacht, zoon van Wahka-nefer. Onder het blootgelegde deel van de ringmuur van de 
tempel van het Nieuwe Rijk werden sommige graven ontdekt, die op opening wachten. 

CdE xxi, 1946, 59-60. 

VII — Nieuwe Rük 

22 — Karnak. Opgravingen van het Institut Frangais d’Archéologie Oriëntale (1940) 

Bij de systematische opgravingen van de Montoe-tempel kwamen interessante dingen 


aan- het licht. In de ringmuur van de tempel werden vele blokken van een tempel van 
Amenhotep II aangetroffen, o.a. deuren en talrijke zuilen in fijn kalksteen, goudgeel ge¬ 
verfd met open kapiteel, dat helrood gekleurd is. Ze dienden als fundament in de Romeinse 
tijd. Andere blokken zijn afkomstig van het heiligdom van de heilige bark van Amenhotep I 
of van een feesttempeltje, zoals dat van Sesostris I; het bevat dezelfde nome-namen, dezelfde 
góden, alleen anders genoemd. Binnen de muren werden blokken van Amenhotep III ge¬ 
vonden, die een gedeelte van een gehele muur van een kleine kapel vormden uit het einde 
van de tempel. De reliëfs stellen voor Amenhotep III voor Min in zeer frisse kleuren. Dan 
werd er een mooie groep in zwart graniet gevonden; Amon, die Amenhotep III beschermt. 
Amenhotep is gekleed in een feestmantel. De groep draagt sporen van vergulding. Een groot 
stuk van de stele Cairo 34184 (Horemheb) werd gevonden, het geeft enige nieuwe spellingen 
en de naam van Noet (r. 28), het vult het stuk Cairo 34183 aan, gevonden door ,Legrain 
in 1901. Ten Oosten van de tempel werd een klein gebouw onderzocht, dat op de Westelijke 
kant een geografische inscriptie draagt. Een basis van een zuil werd gevonden in een klein 
gebouw ten Oosten van de tempel. Een Ptolemseisch fragment met de afbeelding van de stier 
van Montoe werd ook ontdekt. CdE xviu, 1943, 90 

Zie ook: A. Varille, Karnak I, Le Caire, 1943. 

23 — Amara West. Anglo-Egyptische Soedan. Britse opgravingen 

De tempel ligt in de Noordoostelijke hoek van het ommuurde gebied- De stadsmuur werd 
gebouwd door Seti I. De ingang tot de tempel is in het Noordelijk deel van de stadsmuur; 
ter verdediging zijn bakstenen muren ervoor gebouwd. Twee zuilen staan voor de ingang 
en aan iedere kant van de ingang zijn nissen met steles. De Westelijke is een copie van de 
huwelijksstele van Ramses II en de Oostelijke een copie van de droomstele van Ramses II 
te Aboe Simbel. 

De steles zijn later dan het voorhof en het voorhof is later dan de tempel, die op zijto 
beurt ouder is dan het 35e jaar van Ramses II. De poort draagt een inscriptie van Ramses vi, 
en een figuur en inscriptie van Ramesesnacht, vice-koning van Nubië, en een inscriptie 
van Merneptah. 

Binnen de poort is een peristylum, zeer beschadigd; de colonnade loopt rond de vier 
muren. Er zijn resten van 14 zuilen. Aan het Zuidelijk einde openen twee deuren naar het 
Oosten en het Westen series van magazijnen. In de Zuidmuur is een deur naar de hypostyle 
hal. Op de muur tussen de peristyle hal en de hypostyle hal zijn een behoorlijk aantal reliëfs 
bewaard gebleven, o.a. Ramses II die zijn vijanden verslaat, en een inscriptie van Ramses ix, 
jaar 6, ie maand van de zomer, 25e dag, mogelijk de dag, waarop de tempel voltooid werd. 

De hypostyle hal bevat 3 rijen van 4 zuilen, die nog ongeveer 3 m hoog zijn. Alle dragen 
een inscriptie op de zijden, die naar de tempelas gekeerd zijn. Alle kregen later grotere 
reliëfs van Ramses II op de kleinere reliëfs van een vroegere periode van dezelfde koning. 
De kleinere oudste zijn echter veel mooier. Een paar zuilen dragen titels van Ramses III. 

De reliëfs in de Oostelijke helft van de hypostyle hal stellen scenes uit de Syrische 
oorlogen voor, o.a.: Ramses II belegert een Syrische stad. Er zijn twee kleine schrijnen voor 
beelden, één voor Ramses II, de andere voor Amenmeses. De teksten van de laagste registers 
(geografische lijsten) zijn beschadigd. De Aziatische geografische lijst in de Oostelijke helft 
van de tempel noemt 104 namen. De Afrikaanse lijst bevat 95 namen. Ten Zuiden van de 
hypostyle hal is een vestibule met fijne reliëfs en het allerheiligste bestaat uit drie vertrekken, 
waarvan het middelste met een voetstuk voor de boot. Westelijk hiervan is een trap naar het 
dak. Buiten de tempel zijn series magazijnen met inscripties van Ramses II. Alle zijn ge¬ 
welfd. 

De tempel, zoals hij is, is erg onregelmatig en heeft een bouwgeschiedenis, die dit 
verklaart: 

a) De oorspronkelijke tempel bestónd uit een hypostyle hal, vestibule en allerheiligste. De 
ingang was ten Zuiden door het tegenwoordige heiligdom. Voor de hypostyle hal lag een 
open hof (nu vestibule en allerheiligste). 




314 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, VII ■— NIEUWE RIJK 


315 


b) Reliëfs op de zuilen veranderen. 

c) Oude ingang dichtgemetseld, nieuwe ingang in de Noordmuur van de stad. De Noord- 
muur van het oude allerheiligste afgebroken, de peristyle hal gebouwd van reeds gebruikte 
steen. Het oude voorhof veranderd in vestibule en allerheiligste. 

d) De Noordmuur van peristyle hal te'ver gebouwd, nu afgebroken en herbouwd — het 
voorplein buiten de stadswal, beveiligd door bakstenen muren. 

Dit onregelmatige bouwen deed de tempel geen goed. Onder Ramses II moest een 
zuil in de hypostyle hal gestut worden. Amenmeses (inscriptie geüsurpeerd door Ramses III) 
plaatste een rij stutten tegen de Zuidmuur van de hypostyle hal om te verhinderen, dat hij 
inviel. Het is onzeker of er een oudere tempel vóór die van Ramses II was. Het is niet 
onmogelijk, daar de stadsmuur door Seti I gebouwd was en er een stele van Amenhotep II 
en zegelafdrukken van Hatsjepsoet en Thotmes III gevonden werden. 

Onder de vondsten zijn te vermelden: 

1) een zandstenen stele van Amenhotep II en de vice-koning van Nubië Wesersatet (die 
niet van koninklijke bloede was) ; 

2) stele van Ramses II; de stad was gebouwd om de beelden der góden, die de koning 
naar Nubië gebracht had, te ontvangen; de naam van de stad was toen Per-Ramessoe-Meri- 
Amoen; mogelijk droeg de stad nog een andere naam, vermeld in een inscriptie 0 van 
Ramses ix, Hnm w*s, doch dit is onzeker; 

3) historische inscriptie van Seti I over de campagne tegen Nubië in vierde of achtste ( ?) 
jaar; 

4) reliëf van een deel van een stele van Seti I; 

5) stele van Setnacht; 

6) twee steles van Ramses III, gedateerd vijfde en elfde jaar; 

7) fragment van een stele met ingekrast hiëratisch. Historische tekst gedateerd in het derde 
jaar van een koning wiens naam verloren is; de tekst spreekt over een invasie van Egypte, 
een zeeslag en een nachtelijke aanval. 

Enige beelden werden gevonden: een hoofdloos hurkend beeld van een schrijver 
Amenemhet en een cultusbeeld van de ramskoppige Chnoem, verder veel scarabeeën en 
kleinere vondsten. De vondsten maken de volgende schikking van de onderkoningen aan¬ 
nemelijk : 

1) Hori, zoon van Karna (Reisner’s Hori I) onder Setnacht; 

2) Hori (Reisner’s Hori II) stele vijfde en elfde jaar Ramses III, zijn waarschijnlijke 
opvolger ; 

3) Siëse, vice-koning onder Ramses vi; 

4) Wen-wH (Reisner’s W’en-t*wH is waarschijnlijk dezelfde) onder Ramses ix — zijn 
vader is de nog onbekende vice-koning Naheher; 

5) Ramesesnacht, vice-koning op ingang van tempel met cartouche Ramses vi, en wederom 
onder Ramses xi, tenzij men hier met twee personen van dezelfde naam te doen heeft. 

De stad lag waarschijnlijk op een eiland. Het kleine met steen beklede bouwwerk ten 
Noorden van de tempel is dan een landingsplaats. Dit verklaart ook, dat aan de Oost- en 
Zuidkant geen poorten zijn. De stad werd verlaten aan het einde van de Twintigste Dynastie, 
wat waarschijnlijk samenhangt met het opdrogen van de rivierarm tussen de stad en de 
begraafplaats. De stad lag aan het einde van een caravaanroute van Salima, controleerde 
het rivierverkeer op een moeilijke plaats en bekleedde dus een belangrijke strategische positie. 
Aan de oppervlakte van de stad en de tempel vond men zg. Saharascherven, afkomstig van 
een volk, dat in twee takken emigreerde, de ene naar Marocco, de andere naar de Nijl. Amara 
is mogelijk de plaats, waar ze de Nijl bereikten: het einde van de kortste caravaanroute 
tussen de Nijl en de Salima Oase, waar eveneens deze scherven aangetoond zijn. Myers 
dateert ze in de Zesde Dynastie. Deze scherven dateren echter uit de Negentiende Dynastie 
of later. Naar H. W. Fairman in JEA 25, 1939, 139-144. 


Volgens een bericht in Le Progrès égyptien (21 janvier 1948) heeft men kunnen vast¬ 
stellen, dat de stad inderdaad op een eiland heeft gelegen. In het begin van de elfde eeuw 
vóór Chr. is de bevaarbare Nijlarm verstopt geraakt, met gevolg dat de stad veel meer 
weid blootgesteld aan de hevige winden en zandstormen; zij werd daardoor spoedig onbewoon¬ 
baar en is dan ook verlaten. Voor ons heeft dit het voordeel, dat de gebouwen goed bewaard 
gebleven zijn. ,Het is tevens gebleken, dat de stad van groot belang was bij de exploitatie 
der goudmijnen, die zich op korte afstand in de woestijn bevonden. 

De opgraver, H. W. Fairman, schreef eveneens twee mooi geïllustreerde artikelen over 
zijn werk, t.w. The recent Excavations at Amarah West, The Connoisseur 103, London, 1939, 
322-328, 344, met 16 afb. en An Ancient Egyptian Fromtier Town, Discovery, Cambridge, 
N.S. II, No. 17, August, 1939, 385-392, met 11 afb.. 

24 — Medamoed 

In de grote binnenplaats van de tempel van Sesostris III werd een massief gevonden, 
dat door de inscriptie van een blok albast op Thotmes III gedateerd kan worden. In 1926 
werd een beeld van de architect van Thotmes III, Minmose, gevonden met een inscriptie 
die luidt: „Z.M. droeg me op de werken te leiden in de tempels van alle góden, van Montoe, 
heer van Thebe, stier die is in m^dw (Medamoed), van Wepwawet, heer van Sioet, van 
Hathor, meesteres van Atfih, etc. Wat die plaatsen, die ik genoemd heb betreft — ik heb 
er het touw der stichting gespannen” —. Thotmes III bouwde hier als eerste koning van 
de Achttiende Dynastie en veranderde de as van de tempel. CdE xiv, 1939, 86 volg. 

25 — Sjeikh Abada (Antinoë). Opgravingen van de Universiteit van Florence 1940 

In de tempel van Ramses II bij het heiligdom vond men resten van fundamenten van 
muren met vele gebeeldhouwde oudere blokken. Belangrijke resten uit de tijd van Achenaten 
werden aan het licht gebracht. De blokken zijn niet ouder dan het jaar 9 van de koning, zoals 
blijkt uit de titulatuur van Aten. Reeds heeft men een deurpost kunnen reconstrueren. 

Vele dikke blokken steen werden gevonden zonder van verder belang te zijn. 

De tempel had waarschijnlijk een crypte in later tijd, met een ingang op de hoek van de 
Zuidelijke toren van de pyloon, die bijna 7 m onder de grond afdaalde. De crypte werd 
gevormd door een nauwe gang; ze ligt vóór de tempel, niet eronder. 

Zeer veel beelden uit de periode van Ramses II werden gevonden, zowel van góden 
als van vorsten; verdere details ontbreken. CdE xx, 1945, 101. 

Zie ook: S. Donadoni in Scritti Rosellini, Firenze, 1945, 173-190; 

Annales du Service 35, 1939, 665-677; 40, 1940-1941, 715-720. 

26 — Teil Basta. Service des Antiquités 1943 

De zone rond de granieten tempel werd nauwkeurig onderzocht. Op 60 m ten Noorden 
van de tempel, op de plaats waar Naville 40 jaar geleden vier granieten zuilen ontdekte, 
bracht men enige bases met de naam van Ramses II aan het licht. 

De zuilen en bases behoren tot een gebouw, dat zeer sterk lijkt op een zg. mammisi), 
hoewel er tot nu toe niet één ouder was dan de Grieks-Romeinse periode. Het gebouw werd 
opgericht door Osorkon II in de Tweeëntwintigste Dynastie ter ere van de leeuwengod Mahes, 
zoon van Bastet. Bij de bases werden fragmenten van gepolychromeerde faiënce gevondeu, 
die dienden voor paleisdecoratie; . mogelijk duidt dit op de aanwezigheid van een paleis, 
wat de hypothese steunt, dat sommige koningen in Boebastis geresideerd hebben. 

200 m ten Noorden van de tempel verheft zich een ruïnenheuvel, waar gebouwen uit 
de bloeitijd der stad zich schijnen te bevinden. CdE xx, 1945, 85. 

27 —■ Gize. Service des Antiquités 1937-1938 

Acht steles van kalksteen werden gevonden. Ze stellen Thoetmes iv voor, staande voor 
verschillende góden van het’ Memphitische pantheon, zoals voor Horus, Thoth, Sokar, Amon, 



3 ï6 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, VII — NlËUWE RIJK 


317 


Wad jet, Sesjat en Hathor. Resten van een grote 2,15 m dikke muur werden gevonden, die 
gebouwd was door Thotmes iv om de sphinx tegen het zand te beschutten. 

CdE xiv, 1939, 81. 

28 — Hermopolis. Duitse opgravingen 1938-1939 

Blokken van de afgebroken tempel van Achnaton werden gevonden, o.a. in de funda¬ 
menten van de pyloon van Ramses II, waarvan de resten in 1939 werden onderzocht. De 
reliëfs stellen de koninklijke familie en de hovelingen voor, offerbrengende dienaars etc. 

•CdE xv, 1940, 72-73. 
MDAIK 9, 1940, 59-63, 73 

Twee uit papyrusbundels bestaande zuilen werden, evenals reliëfs van Nero, aangetroffen 
in de ruïnes van een tempel van Ramses II (1946). CdE xxi, 1946, 199-200. 

29 —- Deir el-Medine. Opgravingen van het Franse Instituut 1939-40 

a) Noordelijke sector 

In de Noordelijke sector werd een rij kapellen uit de Negentiende Dynastie gevonden. 
De belangrijkste daarvan was een tempeltje, gebouwd door Seti I voor Hathor. Het was 
20 m lang. Het is een aaneenschakeling van pleintjes en zaaltjes (alle versierd), aller¬ 
heiligste en bijgebouwen, pronaos en drie naoi; trappen verbinden nu de delen van de tempel, 
terwijl een Oostelijke pyloon de ingang aangeeft vanaf de vallei. Vóór deze tempel was er 
geen andere; op zijn ruïnes plantte men een bos sycomores in Saïtische tijd, toen de hoge¬ 
priesteressen zich lieten begraven in de rotsen boven deze plaats. Een offertafel van Haroea, 
major domus van Amenardis, stak op een platform hier boven uit. 

Een klein heiligdom gewijd aan Amenhotep I en Nefertari door de Ramessiden werd 
eveneens gevonden. Het was mooi beschilderd. De Italianen hadden hier reeds verschil¬ 
lende houten beeldjes van Nefertari gevonden en hier ook werd het beeldje van Thotmes III 
gevonden, dat hem voorstelt, terwijl hij knielt en twee ampullen wijn in de handen houdt. 

Vele fragmenten en basreliëfs werden ontdekt, voor het grootste deel afkomstig van 
de prae-Grieks-Romeinse tempel. Vermeldenswaard zijn hier: 

a) een beschilderde staande kalkstenen groep van de vizier Panehsi (onder Merneptah); hij 
legt zijn hand tegen de dubbele troon, waarop Merneptah en zijn koningin gezeten zijn; 

b) andere beelden van de viziers Paser en Nehi (?), die voor zich houden óf een Hathor- 
masker óf een ramskop, die een koning beschermt; 

c) een beeld van de heilige koe, waarschijnlijk uit de Ramessiden-naos, fragment van een 
zittend beeld van de waaierdrager Amenmose, beide beelden uit de fundamenten van de 
Noordoostelijke hoek van de ommuring; 

d) beelden van particulieren in hurkende vorm. 

b) Oostelijk van de tempel 

Het arbeidersdorp had oorspronkelijk de gehele heuvel bedekt; over de graven heen, 
die geplunderd werden, strekten zich de huizen uit. Dit dorp werd later weer door Ptole- 
maeische werklui bewoond, daarna door Christenen. 

Een groot Ramessidisch graf werd later gebruikt door een Koptische vrome en werd 
daarna een bedevaartplaats en kapel. 

Een kapel gebouwd door Ramses II voor de triade van Karaak werd gevonden. Deze 
was naar het Westen gekeerd, naar de tempel van Hathor en in dezelfde as, maar is iets 
minder majestueus dan de tempel van Seti, de plattegrond is echter voor het grootste deel 
dezelfde. De versiering is geschilderd. Amon draagt epitheta als thn-nfr, ^b-lmntt, die eigen 
schijnen aan Amon van de linkeroever als ram. De vondsten zijn voor het merendeel Rames¬ 
sidisch, ostraca, enige hiëratische documenten, etc. 

c) Tegenover de tempel van Hathor en in diens as — dus juist zoals de Ramessiden 
plachten te bouwen — ligt een Ptolemaeisch gebouw, waarvan slechts de onderbouw bewaard 


bleef. Het werd later verschoven toen Dionysos de perimeter van de temënos naar het Oosten 
verlegde. 

De belangrijkste vondsten zijn: 

1) gehavend houten beeldje, waarschijnlijk Ramses II, 70 cm hoog, draagt de blauwe kroon 
(blauwe pareltjes in stuc) ; 

2) acht hoofden van Aziaten, Nübiërs en Libyers, onbeschilderde kalksteen; 

3) twee grote votieve beschilderde kalkstenen oren; 

4) een twintigtal steles, gewijd aan Amon, Ptah, Seth, Sjed, Merseger, Hathor, Tawert, 
Thoth; 2 basreliëfs met een Hathorkoe; fragment van stele met naam van Ramses II in 
cryptographie; Ramses II die zijn vijanden bij de haren houdt om ze te verslaan; 

5) beeld van een leeuw, tussen wiens poten een Aziatisch hoofd; 

6) een incompleet beeld van een staande Ramose; 

7) beeld van Ramose, knielend; vóór hem bevinden zich twéé zittende beeldjes, Osiris en 
Nephthys, boven de vier zonen van Horus; 

8) knielend beeld van Ramose met een stele voor zich, waarop een inscriptie van een stichting 
van de tempel van Hathor, jaar 9 maand 3 van de Achet, dag 8; 

9) houten beeldje van Merseger, de slang met mensenhoofd; 

10) staand beeld van Ramose, priester van de tempel van Amon Re; 

11) bas-reliëf aan de ingang van de pyloon van de tempel; 

12) Ramses II die aan Hathor een beeldje van een koe offert; 

13) veel ramsbeelden van Amon, Noordelijk van de tempel; 

14) beelden van viziers, Paser Hori (onder Ramses III) knielend en voor zich uithoudend 
een ramskop met het beeld van Ramses III; 

15) fragmenten van meer beelden van zwart graniet van viziers, prinsen van Koesj en 
koninginnen. 

d) Geschiedenis van de tempel 

Een zeer kleine Hathorkapel, iets ten Oosten van de tegenwoordige zandstenen tempel, 
met drie kleine vertrekken en een trap voor, werd ontdekt. Deze kapel dateert op zijn 
vroegst uit het begin van de Achttiende Dynastie. Aan bouwfragmenten werden gevonden 
bakstenen met het zegel van architect Senmoet, cartouches van Thotmes (III?), enige 
beelden en een stele. 

Hathor was godin van de Westelijke oever in haar karakter van de bergtop van het 
Westen (el Kom), Maat beheerste het Zuidelijk deel van de Thebaanse necropolis.. Hathor 
werd verbonden met Amon (wiens tempel noordelijker lag en alsnog niet gevonden ï,s) en 
Maat met Ptah en waren zeer populair bij het gewone volk. 

In de Negentiende Dynastie werd deze Hathorkapel vergroot en verschillende ver¬ 
anderingen werden aangebracht. Ramses II liet er bouwen door zijn vizier Paser en de 
koningsschrijver Ramose schonk beelden en bas-reliëfs, steles en offertafels. Deze tempel 
was gebouwd op de ruïnes van die uit de Achttiende Dynastie. 

Van deze veranderingen zijn slechts twee monumentale trappen over; aan beide 
zijden van de tweede trap stonden rechthoekige zuilen als in Deir el-Bahri; voor de 
Noordelijke stond een boom. De trap leidde naar een grote binnenplaats, geplaveid met 
kalksteen; vandaar leidde een tweede trap naar het eigenlijke heiligdom. De naoi zijn 
thans juist daar waar de Ptolemseische tempel staat. Zuidelijk van de binnenplaats staat 
een rijk huis, waaraan veel veranderd is; het is een opeenvolging van zalen (as Oost- 
West). Het was gevuld met beelden en steles van de schrijver Ramose en mogelijk zijn 
huis of een deel van de tempel (een paleis?). 

Na de Twintigste Dynastie wordt niets meer gevonden tot het begin van de Grieks- 
Romeinse periode. CdE xiv, 1939, 268-76. 

CdE xvii, 1942, 95-97. 





EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, VII 


NIEUWE RIJK 


319 


SIS 


30 — Athribis. Teil Atrib bij Benha, vondsten van het Archeologisch Instituut van 

Liverpool 

Uit het Nieuwe Rijk werden enige monumenten ontdekt. Het oudste is een blok met 
de naam van Amenhotep III. Onder zijn regering werden twee grote vijvers te Athribis 
gegraven (volgens tekst op een beeld te Karnak). Een grote zandstenen stele met vier 
inscripties werd gevonden, een van de zijden droeg de naam van Ramses II, de andere 
droegen inscripties en scenes van de tijd der Dertiende Dynastie tot in die der Ptolemeeen. 

Eén zijde is in de vorm van een kapel. Een monument, het c grote huis 0 , is af geheeld. In 
het midden van de kapel ziet men een groot mensenhart (dat van Osiris natuurlijk) onder¬ 
steund door een scarabee. 

De inscriptie, die soms enigmatisch is, noemt het de c kamer der zeventig 0 of kamer 
van de 70 vormen van Re, een nummer, dat overeenstemt met de 70 genii, die de wacht 
houden om het grote huis. Deze afbeelding is later dan het Nieuwe Rijk. 

CdE xiv, 1939, 90 volg. 

Zie ook Liverpool Annals 26, 1939, 10 

31 — Tanis. Franse opgravingen onder Prof. P. Montet - 1 ) 

In Februari van dit jaar werd het graf van de chef der boogschutters Wendebawended 
ontdekt. Het graf dateert uit de tijd van koning Psoesennes I (± 1000 v. Chr.). Het graf 
bestaat uit een kleine kamer, die verstopt was in de dikte van de muur van het graf van 
de koning en had geen deur. Men trof een anthropoïde sarcophaag in graniet aan, die 
geüsurpeerd was en oorspronkelijk toebehoord had aan de derde priester van Amon, Amen¬ 
hotep, uit de Achttiende Dynastie. De sarcophaag was opnieuw bedekt met stuc en daarna 
verguld. Hierin bevond zich een vergane vergulde houten sarcophaag, die op haar beurt 
een zilveren sarcophaag bevatte. De mummie was vergaan en men trof slechts de beenderen 
aan. Op de mummie vond men echter een schat van sieraden. Op het gezicht lag een gouden 
masker. De verdere vondsten bestonden o.a. uit een armband in goud met een gebed tot de 
ram van Mendes ten behoeve van een dame Taroed, dochter van Hoeroeroe, een halfedel¬ 
steen van de hogepriester Parennefer, een massief gouden ïsisbeeldje, een Amonshoofd 
van goud gezet op zuiltjes van lapis-lazuli, een beeldje van Bastet uit bergkristal op gouden 
voetstuk, een figuurtje dat Ptah voorstelt, van lapis-lazuli in een gebouwtje met gouden 
zuilen, een kleine gouden naos met daarin de ram van Mendes, een grote scarabee van 
jaspis in goud gezet (tijd Ramses II), amuletten en sieraden van goud, zilver en comalijn, 
kostbaar vaatwerk van zilver en een prachtige zilveren schaal, waarvan de bodem een 
gouden schijf is met versiering, die bestaat uit vier zwemsters temidden van watervogels, 
lotusbloemen en vissen (een geschenk des konings aan Wendebawended). Sommige voor¬ 
werpen vertonen slijtage tengevolge van gebruik. CdE xxi, 1946, 195-196. 

Bourse égyptienne 23: 2. 1946. 

Zie ook Revue Archéol. 6e série xxv, 1946, 64-65. 

32 — Mit Rahina. 

a) Service des Antiquités 1940 

Een beeld werd bij toeval ontdekt, dat bij opgraving een in tweeën gebroken staand beeld 
van Ramses II bleek te zijn. De koning staat, terwijl hij op een lange stok leunt, waarop 
een lange inscriptie staat. De stok eindigt in een kop van Ptah. Vermoedelijk is dit beeld 
afkomstig uit de Ptahtempel van Memphis. CdE xxi, 1946, 55-56. 

b) Opgravingen van de Service des Antiquités onder A. Badawi 1942 

1) Graf van Amenhotep, gouverneur van Memphis. Een rood-granieten sarcophaag 

1) Voor de opgravingen juist voor de oorlog zie: J. Janssen in Bibliotheca Orientalis I, n°. 4 
(Juli 1944). 


werd gevonden, waarin een vergulde zilveren sarcophaag die de vergane mummie bevatte. 
Dichtbij werden 300 oesjawabti beeldjes gevonden en enige ijzeren wapens. Verder vond men 
canopen, en een zwart marmeren hoofdstut. Annales du Service 44, 1944, 182-206. 

2) Graf van prins Sj es jonk. Tweeëntwintigste Dynastie. 

Het bovendeel van de wanden van de grafkamer was bedekt met voorstellingen en 
inscripties uit het Dodenboek. Het lagere gedeelte van de wanden rondom de kist was 
bedekt met rood kwarts en was 2,80 m hoog, 1,60 m breed en 45 cm dik. De mummie lag in 
de kist; gouddraad en blaadjes lagen bij het hoofd, terwijl de nagels van handen en voeten 
met bladgoud bedekt waren. Veel faiënce werd aangetroffen. 

De lijst van vondsten in het graf is de volgende: 

1) vier canopen vazen; 

2) 309 oesjawabti’s; 

3) een marmeren plaquette; op de voorkant is Horus als kind afgebeeld staande op de 
crocodillen, met een schorpioen, een leeuw en konijn en twee slangen in de handen; op de 
andere kant staat een magische tekst om gevaarlijke dieren af te weren; 

4) een gouden armband met inscriptie; 

5) twee delen van een gouden ingelegde armband, een gouden collier, een gouden Hathor- 
buste, nog een gouden collier en 13 goudstukken tegen het c boze oog 0 ; 

6) twee haarversieringen van goud, één met 9, de ander met 5 kettinkjes; 

7) 20 kleine amuletten van roze marmer, Osiris, Isis, Nephthys, Anoebis en Taoeris voor¬ 
stellend, 2 amuletten in de vorm van een papyrusplant, 2 andere van agaat tegen het boze 
oog, 4 vierkante stenen amuletten, een ander van agaat in de vorm van een kikvors, 9 van 
saphir, 10 van leisteen, en nog 3 andere, 2 daarvan zijn van blauwgeaderd marmer en de 
derde van groen marmer; tenslotte nog 4 amuletten van leisteen in de vorm van het hart en 
9 dunne goudplaatj es; 

8) 8 gouden slangen; 

9) 2 haakjes, vermoedelijk de sluiting van een collier; 

10) een scarabee van groene steen op het hart en 2 andere kleinere scarabeeën in goud gezet. 

Verder werd een herdenkingssteen van Amenhotep II gevonden over diens Palestijnse 
oorlogen. Vermoedêlijk afkomstig uit een tempel; door prins Sjesjonk voor de versiering 
van zijn graf gebruikt. CdE xxi, 1946, 56-57 

VIII — Saïtisch (Perzisch) en Grieks-Romeins 

33 — Sakkarg. Koninklijke opgravingen 1941 onder Zaki Saad 

Een groot c Saïtisch° graf werd gevonden bij de pyramide van Wenis van het type, dat 
in 1900 bij dezelfde pyramide werd gevonden. De schacht was meer dan 20 m diep en gevuld 
met zand. De schacht gaf beneden toegang tot een gewelfde kamer, die bedekt was. met 
pyramideteksten. De eigenaar was Amentefnacht, hoofd van de koninklijke lijfwacht; hij 
leefde in de tweede helft van de Zesentwintigste Dynastie (Apriës). De grafkamer was 
geheel gevuld met een geweldige kalkstenen sarcophaag. Hoewel het graf ongeplunderd was, 
werden geen sieraden gevonden. JEA 27, 1941,; 165, CdE xxi, 1946, 54. 

Zie ook Annales du Service 41, 1942, 381-393. 

34 — Mit Rahina. Service des Antiquités 

Rechts en niet ver van de weg naar Sakkara vond men muren, waarschijnlijk van de 
Apistempel en daarbij een grote offertafel van 4,5 bij 2 m, de basis is ongeveer 5,5 m lang. 
Deze bestaat uit een enkel blok albast en is gehouwen in de vorm van een bed met leeuwen¬ 
figuren aan de beide lange zijden. Een paar treden dienen om op de ^afel 0 te komen. Niet 
ver ervandaan vond men een ronde albasten basis, die het water van de bovenkant van de 





320 


ËGYPTISCHË ARCHEOLOGIE 


archeologisch overzicht, vin 


SAITISCH EN GRIEKS-ROMEINS 


32 ï 


offertafel opving. Dichtbij is een kleiner bed. Het bestaat uit één blok albast en draagt de 
naam van koning Necho van de Zesentwintigste Dynastie met het epitheton c bemind door 
de levende apis°. Aan de Westkant van het grote c bed° is een ander, een kleiner van kalk¬ 
steen. Andere vondsten zijn een blok albast met de naam van Amasis en een grote albasten 
vaas met de naam van Darius. JEA 27, 1941, 165. 

35 — Aboe Jassein bij Zagasig. Opgravingen van de Service des Antiquités 1937 

Hier werden rosé granietblokken ontdekt met Saïtische inscripties binnen een bakstenen 
muur. Resten van grote rosé en zwart granieten sarcophagen en andere sarcophagen in 
kalksteen werden gevonden. Alle waren geplunderd. Sommige dragen een inscriptie, zijn 
aan de binnenkant met religieuze scenes versierd en hebben een onversierde buitenkant; 
resten van cement wijzen misschien op een kalkstenen bekleding. Eén van deze draagt de 
cartouche van koning Nectanebo I van de Dertigste Dynastie. De sarcophagen, die in rijen 
van drie stonden, werden neergelaten langs een glijvlak van kalksteen, waarvan de sporen 
gevonden zijn. Een kalkstenen kapel, waarvan de Zuidwestelijke hoek gevonden werd, even¬ 
als een deel van de Noordmuur met resten van de hoofdingang en een flink deel van het 
plaveisel bevatte de sarcophagen. Op een hoger niveau aan de Zuid-, West- en Noordzijde 
van de ringmuur vond men kleine rechthoekige bakstenen kamertjes, met gewelfd plafond, 
die resten van stierenskeletten bevatten; sommige waren nog compleet. De oriëntatie van 
deze vertrekken is ongelijk; ook de stieren liggen niet volgens een bepaalde oriëntatie. In 
een van de vertrekjes vond men een aantal koperen werktuigen (sommige dienden voor 
de balseming) : een soort trechter, twee tangetjes, omgebogen buisjes, twee messen, twee 
hakmessen en drie kleine zilveren buisjes om de vloeistoffen uit de mummie te verwijderen. 
Amuletten en beeldjes vormen de rest van de vondsten. Deze necropolis schijnt die van de 
heilige stieren van Horbeit, de hoofdstad van de elfde Nederegyptische nome te zijn. De 
sarcophagen noemen ook de Pa-ka-wer, heer van Horbeit; het is echter een bescheiden 
imitatie van het Serapeum te Sakkara. CdE xiv, 1939, 92-93. 

36 —• el-Kab. Opgravingen van de Belgische archaeologische missie onder Prof. J. Capart 

1945-1946; zie beneden blz. 329 

37 — Siwa Oase. Opgravingen van de Service des Antiquités 1945 

De tempel te Agoermi (Siwa), waarvan men geloofde, dat hij gebouwd was door koning 
Achoris, blijkt thans te zijn c gebouwd° door Amasis van de Zesentwintigste Dynastie, die ook 
verschillende tempels in de Bahria Oasis bouwde. De plattegrond van de tempel is niet 
zuiver Egyptisch. Er was reeds een oudere tempel, in Libysche stijl, die door Amasis ver¬ 
bouwd en veregyptischt werd. Rond de cella is een nauwe gang, die uitkomt op de binnen¬ 
plaats. Er zijn nissen in de muur van de cella en een crypte bij het plafond. Deze curieuse 
bouwwijze veronderstelt een verband met het orakel, dat men hoorde in de donkere cella. 

Zie ook A. Fakhry, The Egyptian deserts , Siwa Oasis, its 
history and antiquities, Cairo, 1942. 

38 — Dj eb el el-Mota 

Door Italiaanse bommen kwamen er verschillende graven aan het licht te Djebel el-Mota. 
Tientallen nieuwe graven werden gevonden doordat de bewoners schuilplaatsen zochten voor 
de luchtaanvallen. Vier graven waren beschilderd. Het belangrijkste is dat van Si-Amoen; 
het is in goede staat en heeft fijn uitgevoerde wandschilderingen. Het dateert van de tijd 
van Alexander of iets eerder en de eigenaar was waarschijnlijk een Griekse koopman,' die 
een Egyptische trouwde en hier kwam wonen. Ondanks zijn Egyptische manieren en religie, 
toont zijn baard, zijn golvend haar en zijn lichte gelaatskleur zijn afkomst. Zijn jonge zoon 
staat voor hem in Griekse kledij. Een ander graf heeft een korte papyrus-zuil. In weer een 
ander is op het plafond de zonneboot geschilderd met de godheden Isis, Nephthys, Thoth en 


Horus erin. Nog een ander toont ons de godin Hathor, meesteres van het Westen, die Horus 
vasthoudt. ILN, Oct 27, 1945, 471. 

Zie ook Annales. du Service 40, 1940-1941, 779. 

• 

39 — Hermopolis.. Duitse opgravingen 1939 . 

Een stele van koning Nectanebo uit de Dertigste Dynastie» werd gevonden met twee 
afbeeldingen van deze koning voor Thoth, heer van Hermopolis en de godin Nehmet-awaj 
c Die de beroofde redt 0 en een lange hiëroglyphische inscriptie, die van zijn bouwwerkzaam¬ 
heden vertelt. Een geweldig kalkstenen beeld werd bij de stele gevonden. Het vertoont de 
trekken van Nectanebo. CdE xv, 1940, 72-73. 

Zie ook Annales du Service 39, 1939, 727-747. 

40 — Teil Basta (1943). Service des Antiquités 

In de zone rond de granieten tempel werd een kalkstenen beeld van een zekere Horchon, 
een gouverneur uit de tijd van Psammetichus, gevonden. 

Ruïnes van een klein Grieks-Romeins heiligdom werden gevonden met een bakstenen 
altaar en een 6 m hoge granieten zuil. Een gouden oorring en een gouden borstsieraad met 
Griekse góden uit Romeinse tijd werden hier o.a. gevonden. CdE xx, 1945 , 85 . 

41 — Sakkara 

a ) I 939 " I 94 °- Service des Antiquités 

Tussen de trappyramide en de pyramide van Wenis werden Saïtische en Ptolemseische 
anthropoïde sarcophagen gevonden. Vele waren in slechte staat en bevatten mummies en 
sommige voorwerpen, zoals vazen, albasten aardewerk en faïence, geglazuurde scarabeeën, 
verschillende halskettingen en houten en albasten hoofdstutten. 

Zie ook Annales du Service 40, 19401941, 675-693. 

b) Opgravingen van de Service des Antiquités onder Zaki Saad 1942 

Tussen de trappyramide en de pyramide van Wenis werd een Perzisch graf ontdekt. De 
kapel lag aan de voet van een wijde schacht (15 m in het vierkant). De schacht zelf was 
25 m diep. De kapel bestond uit een vierkant voetstuk, waarop vier zuilen staan, die het dak 
dragen. De dode was Horus, priester van de necropolis van Sakkara, c heer van de mysteriën 
en chef van de begrafenisbeambten 0 . 

2 mooie groene scarabeeën werden op het hart gevonden. De nagels van handen en voeten 
waren met goudblad bedekt. De albasten canopen vazen droegen echter de naam van een 
ander en bij de begrafenis had men 2 van de deksels niet kunnen vinden en vervangen door 
2 kalkstenen deksels. Enige sieraden van lapis-lazuli, en amuletten van cornalijn en een kraal 
om de arm vormen de enige vondsten. CdE xxi, 1946, 54. 

42 —• Toena el-Djebel (Hermopolis West). Opgravingen door de Universiteit Foead x ) 
a) Opgravingen van 1938 

In de Oostelijke sector werd het tempelgraf van Padykam ontdekt. Een ander tempeP 
graf, dat zeer gehavend is en zonder inscripties, behoort, volgens de in de schacht gevonden 
sarcophaag aan een c grote der vijf 0 (priester van Thoth), die eveneens Padykam heette. 
In de schacht vond men een groot aantal amuletten en oesjawabti’s in blauwe faïence, als ook 
een mooie vaas met olifanten en éénhoorns in zwart op blauwe achtergrond. Ook in de gale¬ 
rijen werden de opgravingen voortgezet. De galerijen lopen van Noord naar Zuid in de 
richting van de grote balustrade. De drie hoofdingangen werden blootgelegd. Ieder bezit een 

1) De opgravingen van 1931-35 in vijf campagnes Rapport sur les fouilles d’Hermopolis Ouest 
zijn ondertussen gepubliceerd door Sami Gabra in ( T.ouna el Gebeï), Cairo 1941. 


Taarbericht n°. 10 


21 



32*2 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 



monumentale trap, een kapel en dikwijls een altaar met hoornen. De galerijen zijn met elkaar 
verbonden en bevatten vaak grote zalen met gemummificeerde ibissen, zo op de grond of in 
kruiken, soms ook in cellen in de vormen van een naos in de rotswand. Voor zo'n cel zijn 
drie treden tussen twee leuningen, die ieder een cylindrisch altaar dragen. Oorspronkelijk 
waren de nissen dichtgemetseld met steles, die een huisfagade voorstellen met in het midden 
één of twee ibissen. Galerij C, de zuidelijkste, werd geheel blootgelegd. De ingang is omringd 
door een kleine balustrade, die tegelijk dient als ringmuur voor de kapel onder de open lucht. 
Inscripties geven de naam van de zoon van Alexander 4 e Grote. Achter de balustrade is een 
rij bakstenen gebouwen, ieder met twee of drie vertrekken en een trap, waarschijnlijk huizen 
van de priesters, belast met de mummificatie van de ibissen. De galerij C heeft in de Oost- 
wand een deur naar rechts, die leidt naar een mummificatiekamer. De vloer is bedekt met een 
laag bitumen, dat de cylindrische vazen in de vloer vulde. Tegen de Oostmuur van deze kamer 
staat een bed met een rond gat voor het weglopen van de vloeistof aan het einde. Aan de 
voet van een trap, die naar beneden voert en rechts ervan bevindt zich een beschilderde 
kapel, die vroeger met reliëfs, gebeeldhouwd in een kalkstenen bekleding, bedekt was. Aan 
het eind van deze kapel is een naos en in de muren zijn nissen, die dichtgemetseld zijn met 
steles. Ze waren echter geplunderd ên slechts een gemummificeerde aap met gouden, en 
faience sieraden om de hals en amuletten (Anoebis) om de voeten werd gevonden. 

Bij het onderzoeken van Galerij C werd nog een nieuwe kapel ontdekt, beschilderd en 
gewijd aan Thoth door Ptolemseus I; 75 m Zuidelijker is een andere beschilderde kapel, waar¬ 
van het plafond een afbeelding van de Dierenriem draagt. * CdE xiv, 1939, 93-94. 

In een vertrek bij de mummificatiekamer bij Galerij C werd een hoge kruik gevonden, 
die een grote, zeer belangrijke, Demotische papyrus bevatte. De papyrus is 1,50 m lang en 
50 cm hoog. Het is een verhandeling over verplichtingen. De tekst is verdeeld in paragrafen, 
die alle beginnen met de formule: „als iemand doet..."; dan volgt: „dan zal hij doen". Öp 
de achterkant staan geometrische figuren. Deze papyrus is uniek. 

CdE xiv, 1939, 278-279; xxi, 1946, 48-49. 

Zie ook: BIE 23, 1941, 297-312. 


b) Opgravingen 1939 

Van Galerij C loopt een gang naar het Westen, die in verband staat met een vierde 
ingang. Na de eerste zaal, waar de grote ibissen zo op de grond stonden met de kop naar 
de deur, werd thans een andere zaal ontdekt, waar in het plafond ronde luchtgaten zijn 
gehouwen. 

Ook werd een graf ontdekt, dat behoort aan de prins en hogepriester van Hermopolis 
Anch Hor. In deze zaal stond een kalkstenen sarcophaag met vijf regels hiëroglyphische 
inscripties. 4 mooie albasten canopenvazen met inscripties stonden twee aan twee aan beide 
zijden van de sarcophaag. Rechts van de sarcophaag lagen 400 blauw faïence oesjawabti’s met 
de naam Anch Hor. Aan de Oostkant van de sarcophaag lagen verschillende faïence vazen 
met zalf en fruit, vergulde bladeren en 4 stukken albast met sporen van de mummificatie. 
Deze sarcophaag, die gesloten was met cement, bevatte een tweede, houten sarcophaag, in 
anthropoïde vorm. Daarin bevond zich de mummie, vergaan door het vocht. De mummie 
droeg een verguld zilveren masker. Op de borst lag een band van verguld leer, en aan iedere 
kant van het lichaam lagen twee vergulde bronzen bladen met de vier kinderen van Horus 
in reliëf voorgesteld. Een groot aantal faiënce kralen, de resten van een halskraag, werd 
bij de mummie gevonden. De mummie zelf lag op de rug met het hoofd naar het Westen. 
In de Noordzuidgang kon men wegens een instorting niet verder. Door een gat in de wand 
bereikte men echter een evenwijdig vertrek, dat naar een nieuwe gang voerde. De nieuwe gang 
was ongeplunderd en was gevuld met kruiken. Op die kruiken stond een totaal vergane houten 
doos, die 125 bronzen beeldjes van Osiris bevatte. Sommige beeldjes dragen nog de sporen 
van vergulding. Andere beeldjes stellen Isis of een stier voor. Dan is er een mooie groep: 
een heerser van Hermopolis staande tussen Isis en Nephthys. Tegenover hem staat Horus 
op een lotuszuil geflankeerd door de twee ursei van Opper en Neder Egypte. Dit geheel staat 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, VIII 


SA1TISCH 'EN GRIEKS-ROMEINS 


voor een Isis, die gezeten is op een voetstuk, dat versierd is met lotusbloemen in polychrome 
steen. Andere bronzen stellen menat-halskragen voor, met Hathor-hoofden erboven. Deze 
vondsten zijn Saïtisch. CdE xv, 1940, 71-72. 

Bij het uitgraven van deze gangen kwam men in een intact deel, waar de loculi nog ver¬ 
zegelde sarcophagen van ibissen en apen bevatten. Ze waren in groepen van acht (het heilige 
getal van Hermopolis) gericht naar de opgaande zon., De nissen bevatten beeldjes van apen. 
Evenals de potten waren ze verzegeld met een stuk linnen met cement en bevatten zorg¬ 
vuldig verpakte ibismummies. Sommige potten bevatten bronzen ex-voto’s, die vaak fijn 
bewerkt waren, o.a. een geknielde priester,, die offers brengt, bronzen en albasten ibissen en 
talrijke Osirisfiguren. Al deze ex-voto's droegen een gebed en de naam van de schenker. 
Een ander stelde een ibis voor met trots gelaat voor de godin Maat, weer andere ibissen, 
die een kind vasthielden, bronzen stieren, een spiegel, Chnoembeeldjes, etc. 

Deze kleine intacte galerij, die 20 m lang is, leidt naar een andere dichtgemetselde, waarin 
ongeveer 15 grote vergulde houten ibisbeelden stonden, wier snavels, achterdelen en poten 
van brons zijn. De ibissen zaten rechtop op de potten met het gezicht naar de ingang. In 
een pot vond men een hiëratische papyrus met mythologische en astronomische teksten. De 
figuren, die de sterren voorstelden, waren zeer fijn getekend en geschilderd. Andere voor¬ 
werpen droegen inscripties met de naam van Psammetichus. 

c) Opgravingen 1939-1940 

De uiterste Westgalerij eindigde niet waar de rots bezweek, maar ging ook na deze 
instorting met zijn zijgangen verder. Een van deze galerijen heeft opvallend veel nissen, die 
houten doodkisten bevatten, in sommige nissen zelfs vier of vijf. Aan de andere zijde bevat 
iedere nis een apenmummie. De deksel van de kist is van hout en draagt meestal hiëratische 
inscripties in verschillende regels met de naam van de gever, de datum van de begrafenis 
en sommige spreuken uit het dodenboek. Onder de kisten is een grote doodkist met de naam 
van Ramses II: dwz. het hout, waarvan de kist werd ^gemaakt komt van een naos van 
Ramses II. Deze gang dateert uit de Vijfentwintigste-Zesentwintigste Dynastie. 

Een der galerijen van de derde ingang werd onderzocht. Deze is 80 m lang en loopt 
Oost-West met zijgangen naar het Noorden en het Zuiden. De hoofdgalerij bevat nieuwe 
soorten ibis- en gierenmummies, gewikkeld in banden van een speciaal type, zó gerold, dat 
ze gekleurde geometrische patronen vormen. In een pot werden 8 brieven, geschreven 'in 
demotisch op papyrus, gevonden, met de kleistempels er nog aan. 

Onderaardse kapellen werden aan het licht gebracht-bij het zoeken naar een verbinding 
tussen de tweede en de derde gang. Sommigen droegen gekleurde inscripties, anderen waren 
met stenen bekleed. De opgraving werd door een instorting stopgezet. Voorbij de instorting 
gaat de gang door en één van zijn kamers aan de Oostkant was een kapel uit de tijd van 
Ptolemseus I en, hoewel geplunderd, is het een van de beste tot nog toe ontdekt. 

d) Opgravingen 1940-1941 

Bij het maken van een plattegrond vermoedde men, dat kamer 6 C/B 10 zich over slechts 
een kleine afstand in de rotsen uitstrekte; bij onderzoek op 10 m van de deur zag men, dat hij 
nog meer dan 50 m lang was. Het bleek, dat men hier met een hoofdgalerij te doen had, waar 
andere kamers en zijgangen op uit kwamen. Van de kamers aan de Zuidkant was de ingang 
van één gesloten door een muur. Na verwijdering bereikte men een lager gedeelte van de 
galerij, waar men 8 potten van bijna een meter hoogte vond. Ze bevatten gemummificeerde 
ibissen en gieren. Eén bevatte grote vergulde houten Osirisbeelden gewikkeld in fijn linnen. 

Kamer GC/D6 van de hoofdgalerij (Oost-West, gelegen onder een pas gemaakt gat 
in de rots, strekte zich over een afstand van 30 m uit. Op de kruiken vond men 67 houten 
ibissarcophagen, waarvan 3 met gekleurde afbeelding, een priester voorstellend, die 
wierook brandt voor Thot. Op bijna de helft van de kisten staan demotische opschriften. 
Een grote houten doos zonder deksel werd ontdekt, die een mooi verguld houten ibisbeeld 



324 EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

op houten onderstuk bevatte. Bek, poten en staart waren van brons. Vóór hem zit Maat 
in brons. Dit beeld was in linnen banden gewikkeld, waarvan er één 2 m lang was. 

Osiris- en ibisbeelden, als ook enige beelden van Harpocra'es werden ontdekt. Na het 
weghalen van een stel potten vond men een trap van 13 treden, in de rots gehouwen, 
die toegang gaven tot een lager niveau. In deze kamer waren links en rechts nissen met 
houten kisten voor apen; sommige waren geplunderd. De apenmummies zaten hetzij als aap 
hetzij als mens. De weg tussen de hoofd- en neveningang van de derde serdab werd opge¬ 
ruimd, waarbij een t trap gevonden werd, die voor de nissen lag. De trap bestaat uit 7 groepen 
van 3 of 4 treden. In het puin werd een stele in de vorm van een schijndeur ontdekt, die 
waarschijnlijk één van de nissen afsloot. Op haar was een ibis getekend. Fragmenten van een 
andere stele en een aantal offertafels werden gevonden. 

De deuren der kamers waren met bakstenen muren gesloten, bedekt met stuc en daarop 
werd een schildering aangebracht, die de priester voorstelt, terwijl hij wierook brandt voor 
de ibis. Helaas is nog geen enkele muur met complete voorstelling en tekst gevonden. De 
plafonds waren met astronomische en religieuze voorstellingen versierd. 

e) Opgravingen 1942-1943 

In de köms ten Noordoosten van het graf van Petosiris werden de resten van de graf¬ 
kapel van een priester Thotefanch ontdekt, die dezelfde titels en functies had als Petosiris. 
De kapel bestaat uit twee kamers; vanuit de binnenste kamer komt men in het graf door 
een niet diepe put, die in het Westen toegang geeft tot een hal, waarop twee kamers uit¬ 
komen. De kamer in het Noorden bevatte mummies van Nubische dienaren van Thotefanch; 
de andere, Zuidelijke, bevat de sarcophaag van Thotefanch, die zich normaliter in de een - rale 
hal zou moeten bevinden. In de hal werden latere mummies bijgezet. Voor de deur van het 
graf vond men een stenen gebouwtje met een albasten stele met Griekse inscriptie. Mogelijk 
hebben wij te doen met een usurpator van het graf van Thotefanch, waarbij hij de sarcophaag 
uit de centrale hal naar de Zuidelijke kamer liet vervoeren en zelf de .ereplaats innam. Ver¬ 
volgens maakte hij dan dit gebouwtje van steen, geroofd uit een tempel. Noordelijk van 
de kapel van Thotefanch vond men een geplunderde schacht, waarin de sarcophaag echter 
intac: was. Dit graf dateert uit laat-Ptolemseische tijd. Westelijk van de kapel van Thotef¬ 
anch vond men resten van een andere kapel uit Romeinse tijd; dit graf was echter geplunderd. 

De galerijen 

De kamer GC/D6 is de langste en grootste, die men tot nog toe gevonden heeft. Deze 
kamers werden bereikt door een trap met 13 treden vanaf de hoofdingang. In kamer GC/D4 
vond men werk uigen, evenals in GC/D6, die waarschijnlijk voor het uithollen der galerijen 
gediend hebben. Op meer dan 15 m van de kruising van GC/C en GC/D vond men kalk¬ 
stenen zetels, gesteund door zuiltjes van 40 cm hoogte, die waarschijnlijk voor priester- 
vergaderingen aan het einde der Ptolemseische periode gediend hebben. Bij de laatste zetels 
aan de Westkant was een nis uit de tijd van Ptolemseus I, die zijn naam draagt tezamen met 
de traditionele gebeden tot Thoth van Hermopolis. Tegenover de nis bevindt zich een om¬ 
muurde ruimte met een ingang, waarvan de muren niet hoger dan 60 cm zijn die versierd zijn 
met een motief gevormd door vogels en plan'en. Op 100 m van deze ommuurde ruimte vindt 
men een kapel van Ptolemseus I. Alle blokken steen, die de wanden bekleden zijn nog 
in situ. Het plafond en de bovenhelft der muren zijn in levendige kleuren beschilderd. Het 
lagere deel, dat bekleed is met stenen, draagt voorstellingen in reliëf-en-creux, die alle de 
koning voorstellen terwijl hij offers brengt aan Thoth, nu eens als ibis, dan weer als 
cynocephalus. 

f) Opgravingen 1943-1944 

De kamers GC/D 1 en GC/D 3 werden blootgelegd. In een nis in de laatstgenoemde 
kamer vond men een houten doodkist voor een aap, die een beschilderde naos bevatte, waar- 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, VIII — SA 1 TISCH EN GRIEKS-ROMEINS 325 

van de fa^ade op een schijndeur lijkt. Een hiëroglyphische inscriptie vermeldt, dat hij *) ge¬ 
offerd is door koning Darius. In een andere nis vond men een aap in een anthropoïde kist. 
In lengte evenaart deze kamer GC/D 6. Ze is 25 m lang, terwijl GC/D 6 30 m is. De vondsten 
bestaan als voorheen uit apen-, ibis- en Osirisbeeldjes, alle ex-voto’s. Een groot deel van 
de tempel, die het plateau domineerde, werd blootgelegd, evenals een stel bijgebouwen in 
baksteen. De tempel is erg vernield en het is moeilijk de plattegrond vast te stellen. Hij was 
gebouwd op de terrassen van het plateau en was waarschijnlijk een zonnetempel. Op de kom 
bij de saqieh vond men kleine nauwe stenen gebouwtjes, waarschijnlijk nachtverblijven voor 
de heilige apen. CdE xx, 1945, 91-98. 

De pers van medio April 1946 vermeldde de vertaling en bekendmaking van de inhoud 
van Aramese papyri uit ± 500 v. Chr., gevonden in een kruik in één der ondergrondse 
galeiijen. Het betreft hier een briefwisseling van een tot nu toe onbekende Joodse kolonie 
bij Hermopolis met andere Israëlitische nederzettingen in Boven Egypte, speciaal die van 
Elephantine. Interessant is de vermelding van de c koningin des Hemels 3 (vgl. Jeremia 7:18; 
44:17-19 en 25: Gesenius-Buhl 17 , 430). CdE xxi. 1946, 198-199. 

Zie ook BIE 28, 1947, 253-257. 

43 — Athribis. Opgravingen van het Archeologisch Instituut van Liverpool. 

Een blok met de naam van Philippos werd ontdekt, waarschijnlijk van een gebouw van 
een zekere Djed-Hor, die een nieuwe tempel ten Zuiden van die van Amenhotep bouwde. 
Naar een reeds lang bekende inscriptie gebeurde dit ± 323 voor Chr., toen Ptolemseus I nog 
satraap was. 

Een groot blok zandsteen met een Griekse inscriptie van 374 n..Chr. vertelt van de bouw 
van een triomfboog met vier deuren onder Valentinianus, Valens en Gratianus. De naam van 
de architect was Flavius Cyrus. Er schijnt hier een Romeinse tempel te hebben gestaan, 
waarvan de resten nog overal te zien zijn. Ten Zuidoosten van de tempel zijn enige Romeinse 
graven en de resten van een groot onderaards watersysteem voor de voorziening van Athribis. 
Vele voorwerpen uit deze tijd werden hier gevonden. CdE xiv, 1939, 90-91. 

44 — Deir el-Medine. Opgravingen van het Franse Instituut te Cairo 1939-40 

Alle Ptolemseen bouwden aan en vergrootten het heiligdom van Hathor en Maat. 
Ptolemseus iv Philopator bouwde een nieuwe, zandstenen tempel op de ruïnes van de 
Ramessidische tempel. De tempel staat tegen de Westelijke rots met een nauw voorhof 
ervoor. Eën ringmuur met een pyloon en trap, veel kleiner (ongeveer dan de tegen¬ 
woordige, omgeeft het geheel. Hij begint de versiering aan de beide naoi opzij en de West- 
helft van de middennaos. Philometor vergrootte de ringmuur naar het Noorden en versierde 
de rest van de middelste naos. evenals de pronaos en de scheidingsmuur tussen deze en de 
hypostylezaal. Ptolemseus ix (Euergetes II) veranderde de naos, bouwde een tussenmuur in 
de middelste naos, en bouwde tegen de Zuidelijke buitenkant een bakstenen mammisi met 
als gesculpteerde achterwand de buitenwand van de zandstenen tempel. Ptolemseus xm Neos 
Dionysos deed de pyloon en trap van Philopator verdwijnen, vergrootte de ommuring naar 
het Oosten en Zuiden en bouwde een monumentale zandstenen deur met basreliëfs. De hypo¬ 
stylezaal bleef zonder decoratie en een Caesar Autokrator liet de nTs afhakken, waar de West¬ 
kant van de tempel tegen gebouwd is. Daar liet hij reliëfs op hakken, die de verering van 
Isis voorstelden en bouwde er een Romeins Iseion bij met door de zon gedroogde tichels. 

Later werd de tempel een Christelijk klooster en een kerk werd tegen de Zuidkant van 
de tempel gebouwd. Koptische graven werden op de binnenplaats ontdekt en de poorten 
droegen nu kantelen. CdE xiv, 1939, 2 74 volg. 

*) Uit de Franse tekst is niet op te maken wie of wat met „hij” is bedoeld. 







32 6 EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

45 — Medinet Madi. (Narmoethis). Opgravingen van de Koninklijke Universiteit van 

Milaan. 

a) Opgravingen van 1938 

Er werd in vier sectoren gegraven. 

Alle gebouwen in de sector Noordelijk van de temenos dateren uit de eerste of tweede 
eeuw na Christus. De stoa blijkt veel groter te zijn dan men dacht, en een klein bouwwerk, 
een altaar of voetstuk voor een beeld werd in de hof vóór de stoa gevonden. In de temenos 
werd een kleine kapel, met haar Oostzijde tegen de Ptolemaeische bekleding van de Midden- 
rijkstempel, blootgelegd. Deze was gewijd door keizer Augustus aan Thermoethis *). De 
houten deur was nog aanwezig. Een gebouw in het Oostelijk deei van de temenos bevatte de 
archieven. 1555 ostraca werden gevonden uit de tijd van Hadrianus tot Commodus, zowel 
in Grieks als in Demotisch. Een groot deel van de heilige weg werd opgegraven en nog 8 
sphinxen werden ontdekt, gewijd door de Ptolemseen aan Sebek en Renenoetet. De kiosk en 
enige huizen links van de weg, als men naar de tempel gaat, werden blootgelegd. De bewoning 
van deze plaats hield op in het begin van de negende eeuw, toen werd ze reeds Medinet 
el-Madi, c stad van het verleden 0 . • CdE xiv, 1939, 87-89. 

b) Opgravingen van 1939 

Het monumentale complex van de heilige stad werd onderzocht. De gehele heilige weg 
is thans opgegraven. Leeuwen en sphinxen versieren de weg. De Kopten verplaatsten vele 
oude monumenten. Men verwacht, dat de heilige weg ook ten Zuiden van de kiosk doorgaat 
en dat er vermoedelijk nog een tweede kiosk is zoals in Tebtynis. Een rechthoekig platform 
met treden werd opgegraven dat waarschijnlijk diende voor de stadsomroeper. Een plein 
hier vlakbij was omgeven door een groep belangrijke gebouwen. De vondsten, papyrus, terra¬ 
cotta etc., dateren uit de tweede en derde eeuw na Chr. Verschillende litteraire papyri werden 
gevonden, o.a. resten van acht gezangen van de Ilias en het begin van zeventien verzen van 
een dichter, die noch Hesiodus, noch Apollonius Rhodius is. Men vindt er de stropheverdeling. 
Bij het Zuidodstelijke einde van de kom werden fragmenten van zuilen en andere resten van 
een monumentaal gebouw gevonden. Hierbij waren late huizen. Men vermoedt, dat het een 
poort was. Deze streek moet in de oudheid vruchtbaar geweest zijn, want een stad, waar de 
godin van de vruchtbaarheid Renenoetet aanbeden werd, kon moeilijk in de woestijn liggen, 
zoals nu het geval is. CdE xx, 1945, 80 vv. 

Zie ook Annales du Service 39, 1939, 687-695. 

46 — Aboesir. (Marioet). Opgravingen van de Service des Antiquités 1939-1940 

Het doel was het blootleggen en restaureren van de pharos van Aboesir. Plet is de enige 
vuurtoren, die nog in Egypte staat. De vuurtoren staat op een rots tussen het meer en de 
zée. De basis, die 4,75 m hoog was, was verdwenen onder het puin en is rechthoekig. Hierop 
verheft zich een achthoekige toren, waarvan één kant nog goed bewaard is, de andere kant 
is door de heersende winden zeer uitgesleten. Op dit achthoekige deel verhief zich een 
cylindrisch stuk, dat echter zeer beschadigd was. Slechts een derde hiervan staat nog nl. aan 
de Noordkant. Een trap aan de Noordelijke zijde van de achthoek werd gereconstrueerd,, 
evenals de spiraalvormige trap in het cylindrische deel en de deur daarheen. 

Het tweede object was het onderzoeken van de tempel. Overal rond de ringmuur werden 
kleine rechthoekige cellen blootgelegd. Ze vormen een geheel met een gebouw met apsis. We 
hebben hier dus waarschijnlijk met een klooster te doen. De ringmuur dateert uit Hellenis¬ 
tische tijd, zoals blijkt uit een groep vazen, die onder het plaveisel werden gevonden. De 
open trap in de Zuidelijke pyloon aan de ingang van de tempel werd blootgelegd en gerestau¬ 
reerd, evenals een deel van de Noordpyloon, benevens de neveningang en twee derde van 

de Noordelijke omwalling. CdE xx, 1945, 98-100. 

;_f^ r " y r —7 ' - ' 

*) Griekse vorm voor de naam van de godin Renenoetet. 


ARCHEOLOGISCH OVERZICHT, VIII — SAÏTISCH EN GRIEKS-ROMEINS 327 

47 — Edfoe„ Frans-Poolse opgravingen 1938-1939 

De plattegrond van de Grieks-Romeinse stad Apollinopolis magna is thans duidelijk 
zichtbaar. Langs de grote ringmuur, die verdedigd werd door twee poorten, werden vele 
ostraca, zowel Griekse en Demotische als Latijnse gevonden. Ook vond men Griekse papyri. 
Een hymne aan de koning op ostraca uit de tweede eeuw en magische en medische recepten, 
juridische stukken en belasting c papieren° werden eveneens gevonden. 

CdE xiv, 1939 , 267 - 268 . 

48 — Kom esj-Sjoekafa. Opgravingen door A. Rowe van het Museum te Alexandrië 

De opgravingen in de catacomben met graven uit de eerste en tweede eeuw na Christus 
werden voortgezet. Schitterende sieraden werden gevonden op het lichaam van een dame, 
die begraven was in een mummiekist van verguld stuc in de vorm van een godin. Ze 
bestaan o.a. uit een halsketting, waaraan een wiel met acht spaken hing, het embleem van 
Nemesis, een armband en nog veel meer gouden voorwerpen. In een gedeeltelijk beroofd graf 
vond men een vrouwelijk skelet met drie gouden ringen, ieder met een camee. De grootste 
ring had een onyx met een afbeelding van Leda en de zwaan, de andere een agaat met 
Harpocrates, die een cornu copiae vasthoudt, de derde Mars met speer en schild. In een 
minder belangrijk graf vond men doden met bronzen munten in de mond voor de veerman 
in het dodenrijk. De lijken lagen of in loculi, of op een laag zand. 

JEA 27, 1941, 165. 

49 — Ein Sjams. Opgravingen van de Service des Antiquités 1941 

Een Grieks-Romeins graf werd ontdekt. De dode lag in een sarcophaag van aardewerk, 
die beschilderd was met figuren van Osiris en andere góden, die met de doden te maken 
hebben. De hiëroglyphen waren fantasie en onleesbaar. De sarcophaag was vermoedelijk 
onmiddellijk na de begrafenis geplunderd en bevatte slechts enige beenderen en zand. Verder 
vond men slechts een blauwe kraal en een pot. CdE xxi, 1946, 60. 

50 — Kom el-Ahmar . Opgravingen van de Service des Antiquités 1943 

De Grieks-Romeinse baden van een tot nog toe onbekende stad werden opgegraven. De 
koude baden ( frigidarium ) bestaan uit een aantal bassins in de open lucht en zijn de meest 
complete van dit genre, die men tot nu toe gevonden heeft. Ook de warme baden ( caldarium ) 
werden gevonden tezamen met twee grote putten voor de watervoorziening, onderaardse rood 
bakstenen kanalen en grote stookplaatsen voor de verwarming. Lange gewelfde gangen voor 
de verwarming, enige kamers voor stoombaden ( laconicum ) en enige latrines maken de rest 
van de opgravingen uit. Geen inscripties werden gevonden, maar veel Griekse, Romeinse 
en Arabische munten bewijzen, dat de baden lange tijd in gebruik waren. Decoratieve gips- 
hoofden van Zeus of Asclepius met baard en Eros of Dionysus, lampen, parfum, vazen 
en toiletartikelen zijn de vondsten. CdE xxi, 1946, 58. 

Leiden, Augustus 1946. James Mellaart 


GEGEVENS IN HISTORISCHE VOLGORDE 

1 — Praehistorie 

Boven Egypte Neder Egypte 

Tasa 2, Fayoem 2 Merimde I, II, III 1 

Badari 2 el-Omari 2 

N agade 15 b Maadi 2 

Nagade II 







3z8 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


II — Eerste en Tweede Dynastie 

Eerste Dynastie Merneith 5 d 

Horus Aha (1= Menes ?) 5 b . Smerchet 6 a 

Djer 5 b Ka 6 b 

Oedirnoe 5 a, 6 b 


OVER DE OPGRAVINGEN TE EL-KAB* 

24 NOV. 1945-6 FEBR. 1946 
Zie Platen xviii én xxvxi, afbeeldingen 1-18 


III — Oude Rijk (Derde Zesde Dynastie) 


Derde Dynastie 
Dj eser 10 c 
Hoeni 8 

Vierde Dynastie 
Snefroe 8 
Hetepheres 8 
Cheops 8 
Chafra 9 


Ka Wesert 9 
Vijfde Dynastie 
Dedkare Isësi 10 a 
Wenis 10 a, b, e 
Nebet 10 b 
Zesde Dynastie 23 
Pepi I ii 


IV — Oude Rijk of Eerste Tussenperiode 13 


Twaalfde Dynastie 20 
Sesostris I 22 
Sesostris III 13, 14, 24 
Amenemhet III 15, 18 


V — Midden Rijk 

Dertiende Dynastie 30 
Horus 19 
• Wegaf 19 


VI — Tweede Tussenperiode 20, 21 


VII — Nieuwe Rijk 21 


Achttiende Dynastie 
Amenhotep I 22, 29 a 
Hatsjepsoet 23, 29 d 
Thotmes III 23, 24, 29 a, d 
Amenhotep II 22, 23, 32 b 
Thotmes IV 27 
Amenhotep III 22, 30 
Amenhotep IV 25, 28 
Horemheb 22 
Negentiende Dynastie 
Seti I 23, 29 a 

Ramses II 10 a, 23, 25, 26, 28, 29 b, c, d, 
42c 


Nefertari 29 a 
Merneptah 23, 29 a 
Amenmeses 23 
Twintigste Dynastie 
Setnacht 23 
Ramses III 23, 29 c 
Ramses VI 23 
Ramses IX 23 
Eenentwintigste Dynastie 
Psoesennes I 31 

Tweeëntwintigste Dynastie 10 a 
30, 32 a, Osorkon II 26 


VIII — Saïiisch (Perzisch) en Grieks-Romeins 


Saïtisch 29 a 

Zesentwintigste Dynastie 10 a 
Psammetichus 42 b 
Necho 34 
Amasis 34, 37 

Zevenentwintigste Dynastie (Perzische tijd) 10 b 

Darius 34, 42 f 

Negenentwintigste Dynastie 

Achoris 37 

Dertigste Dynastie 

Nectanebo 35, 39 

Eenendertigste Dynastie 

Alexander 42 a 

Ptolemceen 7, 13, 14, 22, 29 a, b, c, d, 30 
Ptolemaeus I 42 a, c, e, 43 


Ptolemaeus IV 44 
Ptolemaeus VI 44 
Ptolemaeus IX 44 
Ptolemaeus XIII 44 
Romeinse tijd 7 b, 22 
een keizer 44 
Nero 28 
Hadrianus 45 
Commodus 45 
Valentinianus I 43 
Valens 43 
Gratianus 43 
374 n. Chr. 43 
Kopten 29 b, 44 


Gedurende de twee vorige campagnes hadden wij de beide naast elkaar gelegen tempels 
van Nechbet en Thoth blootgelegd (Afb. 4). Beide hebben hun toegangspoort in den zuide¬ 
lijken muur, die naar onze meening, het heilige domein afsloot. Voor de meest oostelijke 
poort, die van Nechbet dus, hadden wij sporen aangetroffen van een dromos (geplaveiden 
heiligen weg) met een laan van sphinxen, die in de richting liepen van de nog altijd in aan¬ 
zienlijke resten aanwezige kade aan den Nijl (Afb. 1). Wij waren vast overtuigd, dat tusschen 
deze poort en de kade geen enkel architectonisch element bestond, dat een wezenlijk bestand¬ 
deel uitmaakte der groote tempels en op de door ons vervaardigde plattegronden loopt dan 
ook de weg van de zuidelijke poort in den grooten muur naar de noordelijk ervan gelegen 
tempels. De algemeene meening, die haar ontstaan te danken had aan het werk van Somers 
Clarke en zijn medewerkers, was de volgende: de groote muren van el-Kab zijn een stads¬ 
muur, binnen de door deze omsloten ruimte omgeven andere muren het eigen domein der 
góden (Afb. 2). 

Tusschen de zuidelijke poort en het westelijke deel van de groote muren, daar waar thans 
een groote bres is (Afb. 3), bevond zich een heuveltje van 2500 m 2 ; het was vrij regelmatig 
van vorm, maar men verkeerde in het onzekere over wat het was. Daarom wilden wij 
minstens de eerste weken van onze campagne eraan wijden. 

Somers Clarke schrijft in zijn artikel over El-Kab and the Great Wall (JEA 7, 1921, 
71), dat hij hier een min of meer rechthoekige constructie heeft gevonden, met uitspringende 
muren op de hoeken. Binnenin had men als bekleeding steenblokken gebruikt, die afkomstig 
waren van oudere monumenten en beeldhouwwerk in bas-relief vertoonden, met sporen van 
kleuren en zelfs verguldsel. Hun stijl is mollig en laat; geen enkele inscriptie is gevonden 
om een dateering te geven. Daarna heeft hij deze constructie weer met aarde bedekt om ze 
beter te bewaren. Hij meent niet, dat zij oud-Egyptisch is, maar toch ook niet, dat zij uit 
de Arabische periode dateert. & 

Zulk een beschrijving is verre van bemoedigend, maar ons is gebleken, dat de consta- 
teeringen van Somers Clarke niet altijd letterlijk moeten worden genomen en zijn proef- 
gravingen vaak luchtig en oppervlakkig waren. In elk geval was het wenschelijk, het hier 
gestelde probleem nader te bezien. Indien Somers Clarke gemeend had, deze constructie 
opnieuw te bedekken „om ze beter te bewaren”, dan hield dit volgens, hem in, dat men ze 
eens beter zou onderzoeken. 

Het blootleggen begon bij, wat wij het noordoostelijke bastion zullen noemen. Spoedig 
stootte men op een bekleeding van natuursteen, die als versterking diende van een metsel- 


*) Naar het rapport van den leider, Prof. Dr 
J. F. Capart, voor den Directeur van den Egyp- 
tischen Oudheidkundigen Dienst; zie boven blz. 
320 n° 36. 

Litteratuur : 

Een volledige lijst der litteratuur over el-Kab zou 
betrekkelijk uitvoerig worden en hier ook niet op 
haar plaats zijn. Desgewenscht raadplege men de 
studie van B. Celada, Excavaciones y e studio s de 
la antigua Capital El-Kab , Sefarad 4, 1944, 365-398. 

Voor de oudere opgravingen en vonds'en zie men 
B. Porter-R. L. B. Moss, Topographical Biblio- 
graphy of ancient Egyptian hieroglyphic Texts, 
Reliefs, and Paintings. V. Upper Egypt : Sites, 
Oxford, 1937, 171-175. 

Verder verschenen twee afleveringen der Fouil- 


les de El Kab. Documents, Brussel, 1940. Het ver¬ 
slag der beide vroegere campagnes onder leid ng 
van J. Capart vindt men in Chronique d’Égypte 
xil, 1937, 132-146 en xm, 1938, 91-219. Over de 
godin van el-Kab schreef J. Capart, Quelques ob- 
servations sur la déesse d’El-Kab, Brussel, 1946, 
terwijl hij het dagelijksche leven der opgravers 
aldaar op interessante en boeiende wijze vastlegde 
in zijn Fouilles en Egypte. El Kab, Impressions et 
Souvenirs , Brussel, 1946. 

Voor een lijst van de tot nu toe bekende copieën 
van de decreten, die door Egyptische priestersynoden 
zijn uitgevaardigd, zie men T. Save-Söderbergh, 
Einige dgyptische Denkmaler in Schweden, Upp- 
sala, 1945, 39-41 = Arbeten utgivna med Under- 
st'ód av V. Ekmans Universitetsfond, Uppsala, 52. 





330 


331 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 

werk uit gedroogde, zwartachtige steenen van kleine afmeting. Een aantal van deze steen¬ 
blokken was naar beneden gevallen en verschillende ervan vertoonden fragmenten van 
reliefs. Bij den Noordoosthoek lag bv. een gedeelte van een scène, die het aanbieden van 
de godin Maat aan den god Ptah uitbeeldde. 

Wij hebben toen het eerste bastion vrijgelegd en werkten verder in zuidelijke richting. 
Verschillende blokken vertoonden stukken van aanbiddingsformules, die, naar de cartouches 
te oordeelen, afkomstig waren van een tempel gebouwd door Nechthorhebet (Nectanebo) 
(Afb. 9). Een blok, afkomstig uit het middengedeelte van een sanctuarium, vertoonde den 
naam van den god Sebek. Uit de handschriften van vroegere reizigers, thans in het Britsch 
Museum, blijkt, dat er te el-Kab een tempel heeft bestaan van Sebek, ten Westen van dien van 
Thoth. Spoedig vonden wij onder deze slecht gebouwde constructie enkele blokken van zand¬ 
steen op hun oorspronkelijke plaats: zij verdwenen bijna geheel onder het jongere bouwsel, 
dat niet volgens dezelfde middellijn was opgetrokken. Gaarne hadden wij dit laatste hier 
afgebroken, maar het was beter eerst het geheel bloot te leggen. Toen wij na enkele dagen 
het midden van het heuveltje gepasseerd waren, zagen wij enkele onderdeden te voorschijn 
komen van een met zandsteenen blokken geplaveiden weg (Afb. 7), die in de richting van 
den tempelweg (dromos) liep; hij was echter bedekt door muren van geelachtige brikken, 
waarvan spoedig bleek, dat zij de gemiddelde afmeting hadden der in de zon gedroogde 
steenen van de groote muren van el-Kab. 

Op deze plaats stootte de hak der werklieden op een massief, bestaande uit natuur¬ 
steenen van groote afmeting, waarvan de buitenzijde niet was afgewerkt. Men kon zien, dat 
deze constructie, die zich naar het Oosten uitstrekte, zich verhief op een vloer uit natuur¬ 
steen, die eveneens regelmatig gelegd was. Op dit oogenblik was ik heusch perplex. Moest 
het oorspronkelijke plan gevolgd worden en allereerst het heuveltje worden blootgelegd, waar¬ 
van wij den zuidelijken rand bereikt hadden bij het bouwland? Of moest men eerst onder¬ 
zoeken hoever zich deze groote vloer in oostelijke richting uitstrekte? Het doorzettings¬ 
vermogen van A. Mekhitarian, die persoonlijk het werk leidde, hield rekening met deze 
aarzeling. Hij wist, met den reis Sjared, die werklieden te bezielen en met onderlingen wed¬ 
ijver te vervullen. De vloer strekte zich oostelijk uit; langzaam bleek, dat zijn breedte 10 m 
was. Het werk was bijzonder zwaar, want men moest gemiddeld 2 m doordringen in een aard¬ 
laag, die in den loop der tijden was neergeslibd uit het water van de wadi (Afb. 5). 

Op zeker oogenblik meende men, dat de moeilijkheden overwonnen waren: er was een 
onderbreking in den vloer en men meende de plaats van een poort bereikt te hebben, die 
analoog was aan die, welke Somers Clarke op eenigen afstand oostelijk in den grooten 
muur had gevonden (JEA 7, 1921, PI. xn). Toen men den volgenden dag deze ruimte had 
gezuiverd, bleek de vloer zich nog verder uit te strekken. Blijkbaar heeft men op een 
gegeven oogenblik opzettelijk den vloer plaatselijk opgebroken om er een doorloop te maken 
voor het water van plasregens (Afb. 5 en 6) en op die manier te verhinderen, dat zij de 
jongere constructie, ten Westen ervan, zouden beschadigen. Pas op 22 m afstand van de 
poortopening bleek het einde van dezen reuzenvloer te zijn (Afb. 5-8). 

Intusschen had men ook den zuidelijken en noordelijken rand vrijgelegd en geconsta¬ 
teerd, dat het hier niet een simpelen vloer ^betrof, maar een geweldige en zorgvuldige opeen¬ 
stapeling van blokken, bestaande uit acht lagen elk van ongeveer 50 cm. Wij bereikten de 
onderste laag, die iets vooruitspringt, en constateerden, dat op verschillende plaatsen, maar 
niet bij de bovenste laag, de bekende zwaluwstaartopeningen aanwezig waren; daarin heeft 
zich oorspronkelijk een stuk hout of metaal bevonden om de naast elkaar liggende blokken 
te verbinden. Bij het schoonmaken der oppervlakte bleek bovendien, dat een aantal steenen in 
een specialen vorm gekapt was, om de hoeken van regelmatige vakken aan te geven (Afb. 8). 
Men zal zich terecht af vragen, welke de bedoeling is van zulk een raffinement in de con¬ 
structie van datgene, wat ons sindsdien de basis van het oostelijk gedeelte van een reus- 
achtigen pylon bleek te zijn. 

Waar de oostelijke muur der latere constructie eindigde bevonden zich rijen opnieuw 
gebruikte blokken, waarvan verschillende de fragmenten van scènes en opschriften droegen 


over de opgravingen te el-kab 

(Afb. 9); het waren de resten van een bastion zooals dat aan den noordoostelijken hoek. 
Spoedig vond men, iets in westelijke richting, blokken, die blijkbaar deel uitmaakten van den 
dromos, die hier verder doorliep onder het bouwland. Wij moesten toen den zuidelijken muur 
der bovenste constructie onder handen nemen. Ook hier bleek een muur aanwezig te zijn 
met een bekleeding uit zwarte brikken van gemiddelde afmeting, die als steun en bekleeding 
diende van een dikkeren muur uit brikken van lichtere kleur en grootere afmeting en die 
identiek waren met die van de groote muren te el-Kab. 

Onder dit metselwerk vond men, zooals verwacht kon worden, de blokken van den 
grooten vloer, dien men het best met den Franschen term radier aanduidt; daar deze niet 
parellel liep met de tichelsteenen muren, was slechts een uitsteeksel zichtbaar, dat smaller 
werd in westelijke richting en op 22 m van den westelijken rand der poort ophield. Gaarne 
hadden wij het jongere bouwsel erboven afgebroken, maar eerst was het noodig, dit in zijn 
geheel vrij te leggen. Dit werk bracht het verplaatsen van groote hoeveelheden aarde met 
zich mede. In het algemeen hebben wij ons puin gestort achter dat der opgraving van 1937, 
om het water van de wadi te verhinderen opnieuw binnen de groote muren te komen. 

Sindsdien was het duidelijk, dat de groote pylon, waarvan wij de onderste lagen hadden 
blootgelegd, deel had uitgemaakt van den grooten muur en dat hij daarvan den monumen- 
talen ingang vormde met een poort van 5 m breedte (Afb. 7), precies in de as van den tempel 
van Nechbet gelegen. De eigenlijke pylon behoeft niet in natuursteen te zijn uitgevoerd, ten¬ 
minste niet wat de twee massieve torens betreft. Het zou onwaarschijnlijk zijn, dat er, 
wanneer men zulke aanzienlijke massa’s steen had afgebroken, geen stuk ter plaatse zou 
zijn gebleven als bewijs ervan. Bij onze werkzaamheden hebben wij slechts een klein stuk 
van een kroonlijst van zeer groote afmetingen gevonden evenals enkele kleine fragmenten 
van een torus, die deel zou hebben kunnen uitmaken van de poort, waar zij zijn gevonden. 

Wij stellen ons daarom de zaak als volgt voor: de brikken van den pylon zijn, evenals 
die van den Zuidwesthoek van den omheiningsmuur, gebruikt om het jongere bouwwerk in 
de bres te bouwen. Wij vonden zoodoende, zonder het te willen, een oplossing voor het 
probleem, dat Somers Clarke vroeger bestudeerd had zonder het te kunnen oplossen. Maar 
wie heeft dit deel der muren verwoest? 

Men moet op dit punt de gegevens in de Description de VEgypte wijzigen. Deze geeft 
ons den grooten muur om el-Kab praktisch compleet en men had geen enkele reden aan 
de juistheid van dit getuigenis te twijfelen. Men meende daarom, als iets vanzelfsprekends, 
dat de Nijl, die in de laatste jaren der 18de eeuw zijn loop ter plaatse had verlegd, een nogal 
aanzienlijk deel der muren had vernietigd. 

Ook op een ander punt kunnen wij constateeren, dat de teekenaars der Description 
haastig te werk zijn gegaan. Zij geven aan, dat de muren,- die de tempels omgeven, hetzelfde 
middelpunt hebben als de groote muren, maar dit is, zooals men weet, zeer ver van de 
werkelijkheid. 

Uit dit alles volgt een belangrijke conclusie over het doel der groote wallen van el-Kab. 
Tot op heden vatte men ze op als stadsmuren, waarbinnen zich o.a. het heilige domein der 
góden bevond, opnieuw door een temenosmiiur omgeven. Het bestaan van een grooten pylon 
in den grooten wal, waarvan hij den monumentalen toegang vormt, en dus een zelfde rol 
speelt als de groote pylon van Amon te Karnak, eischt een herziening van deze opvatting. 
Degene, die opdracht gaf de groote muren te bouwen, die Somers Clarke na een nauw¬ 
gezet onderzoek voor jong verklaarde (o.c. 67: a relatively modern work), heeft het religieuze 
domein te el-Kab willen aangeven en heeft de zeer oude begraafplaatsen, die er lagen, op den 
koop toe genomen. 

Men moet ook de opvatting herzien, die Somers Clarke had over het verband tusschen 
de oude stad en haar wallen. Men weet, dat er, in het noordwestelijk deel van den grooten 
muur, gedeelten over zijn van een dubbelen muur, die cirkelvormig, maar onregelmatig 
verloopt. Vooral ten Zuiden ervan waren resten van bewoning, die totaal geplunderd zijn 
in de tweede helft der 19de eeuw. Er waren ruïneheuvels, waarvan Somers Clarke de 
ergerlijke verwoesting heeft beschreven. Ik geloof niet, dat het op het oogenblik mogelijk is. 





33? 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


zelfs bij benadering den datum vast te stellen der huizen, die de sebachchim (gravers naar 
sebach of humusgrond) verwoest hebben. Het is waarschijnlijk, dat de stad el-Kab, die van 
zeer ouden oorsprong is, steeds op dezelfde plaats is gebleven en dat de vervallen of ingestorte 
woningen slechts vervangen zijn door nieuwe op een hooger niveau. Somers Clarke deelt 
mede, dat, volgens de vroegere reizigers, de stadsruïnes op een echten heuvel lagen. 

Wat er ook van zij, zelfs indien men alle verklaringen van dezen schrijver aannam, dan 
nog zou men getroffen worden door het feit, dat de stad el-Kab steeds Van zeer geringen 
omvang is geweest. Hier is dus de belangrijkheid d;er tempels niet in verhouding met de 
politieke rol, die een hoofdstad gespeeld heeft. Het is, voor alles, een heilig gebied, dat 
men in gansch Egypte beschouwde als de bewaarster van het palladium van het koningschap. 
Heeft er zelfs te el-K£b een stad bestaan in den burgerlijken zin van het woord? Of vond 
men er slechts de woningen der priesters, dienaren der godin, met de magazijnen en dienst¬ 
gebouwen, die noodig waren voor den normalen gang van zaken in het heiligdom? Wie zal 
ons garandeeren, dat de verzameling huizen, die zich vooral ten Noorden der tempels 
bevonden, niet even jong was als het Grieksch-Romeinsche dorp, dat in 1938 werd vrij- 
gelegd bij den Zuid westelijken hoek van den binnensten tempelwal? 

Wij weten hoezeer de farao’s der laatste dynastieën den tempel van Nechbet hebben 
willen herbouwen op een grootere schaal dan vroeger. De kroonlijsten dragen de cartouches 
der twee Nectanebo’s en de poort in den zuidelijken muur van een nieuwe omwalling werd 
gebouwd en versierd door dien Nectanebo, wiens Egyptische naam Nechtnebef luidt. De 
laatste vergrooting, die aan de godin een gereserveerd terrein van meer dan 500 m vierkant 
moest geven, dus nauwelijks kleiner dan dat van Amon te Karnak, beantwoordde aan de 
politiek van vrijgevigheid op godsdienstig gebied, die de Ptolemseen volgden en waaraan wij 
o.a. den wonderschoonen tempel van Horus te Edfoe danken. Het bouwen van dezen werd 
afgesloten onder Ptolempis iv en Arsinoë in, bijgenaamd de beide góden Philopatoren. 
Toen wij een gissing waagden naar den bouwer van den grooten pylon te el-Kab, meenden 
wij aan hen te mogen denken. Maar spoedig vonden wij, bij de graafwerkzaamheden in het 
zuidelijk deel der jongere constructie, een duidelijke aanwijzing. Eerst vond men in het 
puin, daarna in den vloer van een kamer, twee stukken, die aan elkaar pasten en een aan- 
biddingsscene der godin Nechbet weergeven; de twee cartouches waren van Ptolemseus v, 
den opvolger der Philopatoren. Eenige dagen later schonk een zandsteenen beeld ons de 
afbeelding van een priester van hoogen rang, die onder zijn waardigheden ook die van 

priester der Philopatoren vermeldt ^ *=i- Hier zal slechts het vinden van de bijgaven 

bij het leggen van den „eersten steen” uitsluitsel kunnen geven. Maar het zal zeer moeilijk 
zijn, deze te vinden;*op een plaats, ten Noorden van het oostelijke.gedeelte, hebben wij een 
put gegraven en geconstateerd, dat het geheel rustte op een laag zand, die op een dikken 
muur van brikken was uitgespreid: bij het onderzoek tot hoever deze laatste doorliep, be¬ 
reikten wij spoedig het grondwater. 

Laten wij ons thans echter bezighouden met het jongere bouwwerk, dat in den tijd van 
Christus is gebouwd, en dus niets meer te maken heeft met de Egyptische archseologie 
(Afb. 11). Stukje voor stukje werden de vier zijden van de groote vierkante constructie 
vrijgelegd; het plan is zeer regelmatig, terwijl de uitvoering en vooral het gebruik van 
blokken, die uit oudere faraonische monumenten afkomstig zijn, nogal matig is (Afb. 9, 13-15). 
De grofheid der blokken, die gebruikt zijn bij het versterken van verschillende hoeken binnen 
het gebouw en de bevloering van sommige ruimten is onbegrijpelijk (Afb. 13). Op een plaats 
heeft men, om een stevigen rand te krijgen, naast een groot aarden vat de meest uiteen- 
loopende voorwerpen gebruikt: architectuurfragmenten, stukken van steenen leeuwen, het 
hoofd van een Bes, enz. 

Hoe dient men dit gebouw te benoemen? Somers Clarke noemt het, tenminste op 
zijn plattegrond, een c fort D . Het vierkante grondplan, met de vier bastions op de hoeken 
(Afb. 15), de binnenverdeeling achter dikke muren, zoodat het geheel bijna een schaakbord 
vormt, dat met een Romeinsch kamp kan vergeleken worden,® dit alles maakt het evident, 


OVER DE OPGRAVINGEN TE EL-KAB 


333 


dat deze benaming werd gekozen. Maar ik betwijfel, of de specialisten van de Romeinsch- 
Byzantijnsche periode het bouwen van zulk een sterk fort te el-Kab kunnen verklaren, waar¬ 
van in de geschiedenis en epigraphie elk spoor ontbreekt. Er zij vooral de aandacht op 
gevestigd, dat men te dien einde een belangrijk stuk van den grooten wal, die toch 10 m dik 
is en dus een ideale verdediging vormt, zelf zou hebben afgebroken; zelfs indien men wil 
toegeven, dat een belangrijk deel toen reeds door den Nijl was vernield, blijft dit bezwaar 
gelden. 

In elk der bastions, die ter versterking dienen van het centrale gebouw, waarvan geen 
enkele buitenmuur overigens een defensieve outillage heeft, die men toch zou verwachten 
bij een vesting zonder gracht, bevindt zich een diagonaal aangebrachte gang, waarvan de 
bestemming nog niet duidelijk is. In het noordoostelijke bastion loopt hij met een rechten 
hoek verder en schijnt naar buiten te loopen door een smalle deur, die nu afgesloten is 
met brikken en eenige steenblokken. Op een gegeven oogenblik heeft met ze dus beschouwd 
als een soort bergplaats, waarin wij overigens, op elkaar gestapeld, een aantal groote potten 
hebben gevonden, die niets anders dan aarde bevatten (Afb. 12). In het zuidoostelijke bastion 
was de gang zelf geblokkeerd door een steenblok, waartegen een kruik stond. Deze verschil¬ 
lende gangen waren bedekt met gewelven in baksteen; de sporen hiervan vonden wij in 
het noordoostelijk en zuidwestelijk basdon, in het noordwestelijke is het gewelf nog intact. 
Men is geneigd in dit alles vier ingangen te zien, die men heeft gedicht, toen het gebouw 
versterkt moest worden tegen de aanvallen van het water, door het bouwen van den muui 
in zwarten steen. Misschien he^ft men terzelfdertijd den grooten ingang in het Westen 
gemaakt. 

Een verrassing wachtte ons in het midden der westelijke zijde. Hoe zou men kunnen 
aannemen, dat een constructie van militairen aard, indien zij niet radicaal veranderd 
iS voor een ander gebruik, midden* in de zijde, die naar den Nijl is gekeerd, een ingang 
bezit, dien men monumentaal kan noemen? Niets wijst erop dat meer westelijk gelegen 
constructies een bescherming ervan zouden hebben gevormd. Eerst komt een deur, bekleed 
met gedeeltelijk opnieuw gebruikte stenen, waarvoor een trede uit een enkel blok ligt. De 
gang erna is breeder en geplaveid; hier is dit zorgvuldiger gedaan dan overal elders (Afb. 14). 
De gang wordt daarna onderbroken door een dubbele’ deur, wier drempel bijna geheel uit 
een granietblok bestaat. Door een portaal van 2.80 m breedte, waarvan de hoeken, zijn 
afgerond, komt men in een dwarsgang; volgt men de as van het gebouw, dan staat men 
voor een deur, met pilasters in klassieken stijl, die toegang geeft tot een zaal, die op een 
hooger niveau ligt (Afb. 16, 10 en 11); deze wordt afgesloten door een apsis in baksteen. 
De zijwanden van deze laatste zaal zijn van zwarte brikken, die gelijken op die, welke men 
gebruikt heeft om deji grooten muur op de vier hoekpunten te versterken. 

Wij hebben gedurende onze campagne van ruim twee maanden niet dit geheele bouw¬ 
werk kunnen onderzoeken; waarschijnlijk heeft het in laatste instantie gediend voor een 
Christelijke communiteit. 

Behalve het gewone aardewerk, dat karakteristiek is voor de eerste eeuwen van onze 
jaartelling, en een afgeleid type is van de Romeinsche amphorae, eenige schalen in rood 
aardewerk, dat aan terra sigillata herinnert, eenige stukken beschilderd aardewerk met een 
vluchtige bloemendecoratie (echt Koptisch), hebben wij nauwelijks voorwerpen gevonden, 
waarop men een chronologie van de bewoning ter plaatse kan bouwen. Munten zijn zoowat 
overal in den loop der werkzaamheden gevonden; eenige zijn Ptolemseisch, maar het grootste 
deel is, alleen reeds naar den vorm te oordeelen, uit den Romeinschen en Byzantijnschen tijd. 
Wanneer zij gereinigd zijn, leveren zij wellicht bij benadering den datum der bewoning op. 
De laatste dagen der campagne is in den gang van het noordwestelijke bastion een vaas van 
rood aardewerk gevonden, die ruim 2600 munten bevatte; een aantal bleek reeds uit de 
4de eeuw n. Chr. te zijn. Een enkele speerspits is gevonden. Dit zou weinig zijn als spoor 
van een langdurige militaire bewoning. Herhaaldelijk hebben wij lampen van gebakken 
aardewerk gevonden, waarvan slechts eenige gaaf zijn. Verschillende ervan zijn van het 
type met een kikvorsch, die, zooals bekend, gold als het symbool der verrijzenis. Twee andere, 




334 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


onderling gelijk, en met hetzelfde patroon aan de bovenzijde, vertoonen op de basis een 
kruis in een cirkel. Een andere heeft als merkteeken twee kruisen in een cirkel, gescheiden 
door drie punten. Ook vonden wij in een der kamers een etensbak voor gevogelte met twaalf 
onregelmatige openingen. 

Ik heb mij'afgevraagd, waar het kerkhof der bewoners van dit monument zou kunnen 
zijn. Misschien is het goed daarom op het volgende te wijzen. De necropolis der prinsen 
van el-Kab, Oostelijk van de groote muren, is op barbaarsche wijze verwoest, o.a. doordat 
in den voorhof van vele graven loculi boven elkaar zijn uitgehakt; deze wijze van begraven 
heeft niets meer met de oud-Egyptische te maken. Waarschijnlijk zijn zij bestemd geweest 
voor de lijken der soldaten of monniken van ons bouwwerk. 

Over een aantal blokken, die afkomstig zijn van de tempels en hier opnieuw gebruikt, 
valt het volgende te constateeren. Een klein aantal dateert uit de xvnide dynastie, b.v. de 
mooie cartouches van Toethmosis III. De dorpel van een kamer is gehakt uit een boven¬ 
drempel met gevleugelde zonneschijf, en draagt den naam van Psammetichus I; toen hij 
was vrij gelegd, konden wij vaststellen, dat hij blijkens de inscriptie op den zijkant, op zijn 
beurt afkomstig was van een deurpost van Ramses II. Ik wil erop wijzen, dat in deze laatste 

inscriptie de naam der godin Nechbet duidelijk met het teeken ^ in plaats van met 

is geschreven. De verwisseling van beide, die veelvuldig voorkomt in den laten tijd, gaat 
dus reeds terug tot de xixde dynastie. 

Wij hebben slechts een gering aantal blokken gevonden van Achoris, die de hypostyle 
zaal en den hof van den tempel van Nechbet met reliëfs versierde; fragmenten met een 
processie van Hapi’s zijn zeker uit dezen laatsten afkomstig. Daarentegen bezitten wij een 
grooter aantal blokken der beide Nectanebo’s (Afb. 9). Het is hier niet de plaats te zeggen, 
dat ik meen, dat Nechthorhebet aan Nechtnebef voorafgaat. Ik constateer slechts, dat ver¬ 
schillende blokken van Nechthorhebet nog een stijl vertoonen, waaruit blijkt, dat de goede 
tradities der. xvmde dynastie nog van invloed waren. Ik geloof overigens, dat men dit reeds 
meermalen heeft opgemerkt op de verschillende plaatsen, waar Nechthorhebet heeft laten 
bouwen. 

Een der meest karakteristieke voorbeelden is verbouwd in het zuidoostelijke bastion. 
Wij hebben daar het bovenste stuk van een intronisatiescène, waar Nechthorhebet, met 
de witte kroon, zich in tegenwoordigheid bevindt van Nechbet, die zegt hem het land van 
het Zuiden te geven (Afb. 9). Boven den koning bevindt zich de zonneschijf, zonder vleugels, 
geheeten c Die van Behdet, de heer des hemels 0 . De twee beschermgodinnen hebben den 
vorm van slangen en zijn slechts door hun kroon, resp. van Boven en Beneden Egypte, 
onderscheiden. Op dit laatste détail zal ik terugkomen. 

Het blok, dat ons bezighoudt, maakte deel uit van een serie tafereelen, waarin de ont¬ 
vangst van Nechthorhebet door verschillende góden, die hij aanbidt, wordt uitgebeeld. Men 
ziet nog, links, het bovenstuk van den hoogen mijter van Osiris, met de beide veeren en 
bekroond door de zonneschijf. Dank zij de inscriptie bleek het mogelijk deze godheid te 

identificeeren J ï| ^ ^ Jj, De Zeer Krachtige, die te el-Kab zetelt. Dit epitheton is 

volgens het Wört'erbuch speciaal eigen aan Seth. Hier, te el-Kab, hebben wij het aan¬ 
getroffen in de mythologische scène van crypte B 1 . Voor de godin Nechbet, als boogschutter 
voorgesteld met zeven pijlen in de hand, ziet men den stoet der góden, die last hebben haar 
orders uit te voeren. Op het oogenblik van de ontdekking der crypte, las ik — en de geraad¬ 
pleegde collegae lazen met mij — een horizontaal teeken als en dientengevolge heb ik 
gesproken van de zeven woorden van Nechhet. De vergelijking met de parallelle teksten 
van Edfoe en Phila heeft aangetoond, dat het teeken in kwestie een pijl voorstelt, en dat 
de woorden, die Nechbet uitspreekt, werkelijk gericht zijn tot de zeven pijlen, die zij op het 
punt staat af te schieten en die elk door een god gepersonifieerd worden. De eerste is ^ phtj, 
die te Philae uitdrukkelijk de eerste pijl van Nechbet wordt geheeten. Ik herinner eraan, dat 
hij is afgebeeld als een mensch met krokodillenhoofd, loopend, en met twee messen in de 


OVER DE OPGRAVINGEN TE EL-KAB 


335 


hand. Men herinnere zich, dat op hetzelfde tafereel in de crypte B' eveneens vier genii met 
het hoofd van het dier van Seth worden afgebeeld. Indien ik hierop wijs, is dit, omdat een 
in het noordoostelijke bastion verbouwd blok een rest is van de nis van een heiligdom, gewijd 
aan Sebek-Re, den heer van Iseroe, gekwalificeerd als phtj, den eersten pijl van Nechbet 

_ n ® <><=> <* 1 n hq?i 






Het toeval wil, dat deze inscriptie compleet tot ons is gekomen, in twee teksten op 
denzelfden steen; de eerste helft naast een naos met dubbele kroonlijst, die deel heeft uitge¬ 
maakt van den achtermuur van een sanctuarium en de tweede helft, met herhaling van 
den \voorden c den eersten pijl 0 , voor het hoofd van een anthropomorphen god, die een 
coiffure draagt bestaande uit de ramshorens, de zonneschijf en de veeren van Amon met 
de twee ursei en zonneschijf terzijde. Talrijke aanwijzingen veroorloven de conclusie, dat 
Sebek-Re, beschouwd als de eerste pijl van Nechbet, te el-Kab een tempel had, waarvan de 
plaats nog valt op te graven. 

Is het vreemd, dat de krokodillengod Sebek beschouwd werd als een vorm van den god 
Seth? Men behoeft slechts het Wörterbuch na te gaan, om er de bewijzen voor te vinden. 
Wij halen slechts de woorden ihj (I, 122), ït (I, 150) en mg* (II, 164) aan. Een blok, dat 
gebruikt is bij de bevloering van een der zalen, beeldt overigens een kroningsscène van 
Achoris af, die de diademen ontvangt van Horus en van een god, die op het hoofd dezelfde 
coiffure draagt als phtj op het blok van het zuidoostelijke bastion; dit wil zeggen, dat 
Aapehti-Sebek-Re hier de rol speelt van Seth, den tegenhanger van Horus. 

Ik geloof niet, dat het interessant is, de andere blokken van Nechthorhebet te ver¬ 
melden. Vermelding verdient echter de zuiltrommel, gevonden in den zijgang van het zuid¬ 
westelijke bastion, die de twee cartouches van den koning draagt en afkomstig is van een 
gebouw, waarvan verschillende andere zuilentrommels zijn teruggevonden in den grooten 
gang, West, van het c fort-klooster° en waarvan een het beeld van Bes vertoont. 

Nechtnebef schonk ons eveneens een flink aantal reliëfs. Wij vonden ze vooral bij het 
noordwestelijke bastion en spoedig was het ons mogelijk er de oorspronkelijke plaats van 
vast te stellen. Ditmaal waren het blokken, die behoord hadden tot een versiering bestaande 
uit tafereelen van 1.50 m lengte. Elk blok geeft dus een stuk van een complete scène. Men 
ziet er, hetzij rechts, hetzij links gekeerd, een aanbidding van góden door farao Cheperkare 
Nechtnebef. Hij had de zuidelijke poort van den tempel van Nechbet gebouwd en wij hebben 
nog ter plaatse verzameld stukken van een kroonlijst, imposante fragmenten van een grooten 
bovendrempel en eenige resten van ritueele scènes. De onderlinge dispositie van farao en 
góden maakt het gemakkelijk te bepalen, of de in het noordwestelijke bastion verbouwde 
blokken afkomstig zijn van den rechter of linker deurpost. Andere blokken van veel kleinere 
afmetingen, versierden blijkbaar eveneens den ingang. Twee resten van teksten zeggen, 


dat de koning aan de godin een poort heeft geschonken in 
en ze heeft uitgevoerd als een werk, dat eeuwig zal duren | 


P*Jn Ti 3 


Bij het bestudeeren van deze verschillende fragmenten, die van de zuidelijke poort van 
Nechbet zijn weggehaald, was ik verbaasd te constateeren, dat de ursei van de zonneschijf 
varianten vertoonden, waaraan het goed is aandacht te schenken. Op het blok van Nechthor- 
hebet, dat reeds besproken is, zijn dq ursei aan de zonneschijf onderscheiden door de kroon 
van Boven en Beneden Egypte (Afb. 9); op het blok van het heiligdom van Sebek dragen 
zij beide een kleine zonneschijf; aan de westelijke zijde van het noordwestelijke bastion draagt 
de rechtsche urseus de geliefkoosde kroon van Nechbet, d.w.z. den witten mijter met de 
beide veeren ernaast, die als zoodanig reeds in de Pyramidenteksten wordt vermeld (729 b), 
terwijl de linker urseus den pschent draagt. Een blok in den noordelijken muur van hetzelfde 
bastion geeft aan de beide ursei de kroon van Nechbet, en drukt daarmede de wezenlijke 
dualiteit der tweelinggodinnen uit, die evengoed gier als slang zijn (Afb. 17). Tenslotte 
vertoont een blok in den westelijken gang een zonneschijf, waarvan de ursei niets op het 
hoofd dragen. 




336 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


Bij het noordwestelijke bastion vonden wij eveneens een zandsteenen blok, onderste¬ 
boven geplaatst, dat ongetwijfeld van de tempels afkomstig is en het graffito van een be¬ 
zoeker droeg: l. petronivs. 

Ik moet nu terugkomen op een zandsteenen beeld, waarop ik reeds gezinspeeld heb. 
Hoofd en voeten zijn verdwenen en wij bezitten niet meer het begin der inscripties van 
den rugpijler. Het personnage droeg niet de traditioneele Egyptische kleedij, maar een ge¬ 
plooid kleed van Grieksch-Romeinschen snit. De rechterarm ontbreekt geheel, de linker was 

naar voren gericht en de nu vernielde hand hield een 5 vormige vaas vast en, iets uitzonder¬ 


lijks, een pijl met de spits naar beneden gericht. In datgene, wat rest van de inscriptie, leest 
men na een lang, onzeker teeken, en twee der drie pluralisstrepen in verticale richting, . 

Moet men daarin het slot zien van een offerformule of den titel c reiniger° ( Wörterbuch I, 
175), die speciaal gebruikt wordt in verband met het pr wr, d.w.z. el-Kab? Men leest ver¬ 
volgens duidelijk \ f 1 | ' | P4 } prins, chef der priesters, schrijver der heilige 

boeken. De volgende titel is onzeker; ik zou willen voorstellen |j j| ; priester van iwn, Het¬ 
geen een naam van Osiris zijn kan. Ik zie tenminste geen andere mogelijkheid. De regel is 
zeer gedrongen en gaat met een anderen titel verder | | | ^, priester der vier van Aapehti. 

Hier hebben wij dus een personage, dat onder zijn priesterlijke titels vermeldt dien van 
c priester der vier van den Zeer Krachtige 0 , d.w.z. Seth. Wanneer wij denken aan de mytho¬ 
logische scène van crypte B', dan vragen wij ons af, of de vier in kwestie niet de vier genii 
met het hoofd van Seth zijn, die den stoet sluiten, die door Aapehti wordt geopend. 

Ik heb gelegenheid gehad in de Documents van el-Kab (blz. 65, n. 2) naar het Berlijnsche 
woordenboek een oesjebti uit Turijn (n° 990; 26ste dyn.) te citeeren, dat behoord heeft aan 
een priester van den tweeden pijl van Nechbet, verpersoonlijkt door een genius geheeten 


Jwv\ y ^ 1 £j_j h artenroover > die de eenzaamheid liefheeft. De variant van 

Philae bewijst, dat het gaat over een pijl, want de naam eindigt daar op r- in plaats van 

. Wij kunnen dus in beginsel aannemen, dat er te el-Kab kapellen waren, gewijd aan hen, 

die de tekst van Edfoe (Rochemonteix, Le temple d’Edfou, I, 511) noemt „de 7 nari van 
Weseret, de 7 daemonen ( sb ..) van Weseret, de groote moordenaars van de Moeder der 
levende góden, de dienaren van de Groote, de ... die de Witte volgen. Aapehti is aan het 
hoofd van hen, zijn broeders volgen, in totaal 7 daemonen-slagers, die hem toebehooren... Zij 
verzekeren de veiligheid van het lichaam van den koning van Boven en Beneden Egypte”. 

Onze persoon, Horemachet, czzp || , was dus verbonden aan den eeredienst van 

deze uitvoerders van de bevelen van Nechbet; vandaar,het zeldzame attribuut van den pijl. 
Hij eindigt de opsomming van zijn titels met dien welken wij reeds vroeger aanhaalden, 

c priester der Philopatoren 0 , ^ | r =*- 

Ik ben overtuigd, dat de voortzetting der opgravingen te el-Kab, ongetwijfeld zal aan- 
toonen, dat alle Egyptische góden hier hun cultusplaats hadden, naast die der groote godin. 

Wij hebben reeds een heel aantal góden gevonden met de vermelding ^ -j- ^ Jj > die zetelt te 

el-Kab. Hun lijst is nu uitgebreid door het vinden van een blok met een ritueele scène, ten 
name van Onoeris-Ihoe, zoon van Re en Tefnoet, dochter van Re, meesteres van alle góden. 

Indien de groote tempel van Nechbet, pr wr genaamd, ook (| <=z> 


Indien de groote tempel van Nechbet, y~| pr wr genaamd, ook (j <=z> Jj 

ttr-t srncj-t was, moet hij een soort synthese of verzameling geweest zijn van alle locale 
cultus. Anders kan men niet begrijpen, dat men, in den laten tijd, het geheel van alle Egyp^ 


i 


OVER DE OPGRAVINGEN TE EL-KAB 


337 


tische tempels en hun góden door het woord itrtj kon aanduiden, d.w.z. de twee nationale 
heiligdommen. De Grieken zeiden tol kxtol ryv %óopxv 'ispct. 

Tenslotte zij vermeld de toevallige ontdekking, bij de poort van Nechtnebef in den 
tempel van Nechbet, van een zandsteenen blok, dat gebroken is en zeer afgesleten, waarop de 
sporen van twee inscripties zichtbaar zijn, een in hiërogliefen, waarvan slechts enkele teekens 
leesbaar zijn, de andere in het Grieksch (Afb. 18). 

Dit steenblok is, bij'het onderzoek te. Cairo door O. Guéraud gedaan, gebleken een 
copie van het decreet van Memphis te zijn, waarvan de meest bekende copie de steen van 
Rosette is. Volgens het slot van het besluit (vergelijk K. Sethe, Hieroglyphische Urkunden 
der griechisch-römischen Z\eit, Leipzig, 1904, 198) moest zulk een copie opgesteld worden in 
alle tempels van den eersten, tweeden en derden rang. Het was dus ook te verwachten, dat 
het belangrijke tempelcomplex te el-Kab zulk een copie bezeten had. Onze vondst bevestigt 
dus de uitvoering van het besluit. Het feit, dat de verschillende versies niet boven elkaar 
staan, maar op verschillende kanten van den steen, is uniek bij meertalige inscripties in 
Egypte. 

Loeksor, Februari 1946 Jozef Janssen 

EEN BEZOEK AAN DEN GEBEL SILSILAH* 

Zie plaat xxi 

Wanneer men den Baedeker ( Egypt, 8th Edition, 1929, 359) raadpleegt, is het heel 
eenvoudig den Gebel Silsilah te bezoeken: men overnachte in Kom Ombo en neme den 
ochtendtrein naar Kagoeg. Men kan dan ’s middags naar Kom Ombo terugkeeren en ’s avonds 
doorreizen naar Loeksor. Het verdient aanbeveling den bewaker ( gafïr ) te laten waar¬ 
schuwen, zoodat een boot klaarligt. 

Nu ik zelf den tocht heb gemaakt en er, zooals wij zullen zien, van den wijzen raad niet 
veel overbleef, is er, dunkt mij, maar één conclusie mogelijk: dë gever van dezen goeden 
raad heeft nooit den tocht op de aangegeven wijze gemaakt. Men zij dus zelfs met den voor- 
treffelijken en overigens niet genoeg te loven Baedeker op zijn hoede. 

Enkele dagen geleden vertrokken wij naar Kóm Ombo en overnachtten daar als gasten 
van den Directeur der Société générale des Sucreries d’Égypte, Ir Girard. Toen hij vernam, 
dat wij naar Silsilah wilden gaan, was hij zeer verbaasd, want hij meende, dat wij alleen 
waren gekomen om den tempel van Kom Ombo te zien, en hij vroeg, of daar dan ook oude 
monumenten te zien waren. Hij kent de streek op zijn duimpje, daar hij er reeds jaren woont, 
maar van zooiets had hij daar hooit gehoord noch iets gezien, ofschoon hij er vaker ging 
visschen. Dit voorval zij hier medegedeeld, niet om onzen vjiendelijken gastheer te kleineeren, 
maar als typisch staaltje van de kennis en belangstelling in Egypte voor alles wat de oudheid 
betreft, zelfs bij personen, die er sympathiek tegenover staan. Capart vertelde hem toen van 
de geweldige steengroeven, waaruit de steenen voor de groote tempels van het Nieuwe Rijk 
gehakt waren en over de wijze, waarop wij deze dachten te bezoeken, alsook, dat de gafir. via 
den inspecteur der Oudheden te Aswan gewaarschuwd was, den volgenden morgen voor 
den ochtendtrein aan het station van Kagoeg te zijn om ons af te halen. Ir Girard deed toen 
een beter voorstel, nl., dat men naar station Kagoeg den gafir zou telegrafeeren, ons in de 

Reliefs, and Paintings._ V. Upper Egypt': Sites, 
Oxford, 1937, 220-221. 

J. Baxkie, Egyptian Antiquities in the Nile Valley . 
A descriptive Handbook, London, [1932], 670-673, 
678-681. 

G. Dijkmans, Histoire économique et sociale de 
rancienne Egypte, t. 2me, La vie économique 
sous l’Arbcien Empire, Paris, 1936, 158-169, 

226-227. 


Jaarbe richt n°. jo 


*) De nummers in den tekst verwijzen naar de 
afbeeldingen op Plaat xxi. 

Litteratuur : 

S. Clarke-R. Engelbach, Ancient Egyptian Ma- 
sonry. The building Craft, London, 1930, 12-22. 
J. Capart, UEmploi du F er en Egypte, Chro- 
nique d’Égypte xxii, 1947, 117-118. 

B. Porter-R. L. B. Moss, Topographical Biblio- 
graphy of Ancient Egyptian hieroglyphic Texts, 


22 






33§ 


EGYPTISCHE ARCHEOLOGIE 


steengroeven op te wachten ,en voor alles te zorgen. Hij zelf zou ons dan per trolley van 
de Sucrerie naar Fetirah laten brengen; op deze manier zouden wij om half negen in plaats 
van half zeven kunnen vertrekken, want er rijden maar twee treinen per dag in elke richting. 
Dit aanbod werd gaarne aanvaard, het telegram verzonden en wij vertrokken den volgenden 
morgen prompt op tijd. Met den trein zou dit niet mogelijk geweest zijn, daar er een ongeluk 
had plaats gehad en de trein naar het Noorden vijf uur te laat was, zooals wij later hoorden. 

Na ongeveer een uur waren wij in Fetirah, verlieten den trolley en spraken af, omstreeks 
half vier weer ter plaats te zullen zijn. Wij meenden dan ruimschoots gelegenheid gehad te 
hebben beide Nijloevers te bezoeken. Toen begon de tocht langs den Nijl. Daar hier iedere 
vierkante meter bouwland is, is er geen plaats voor wegen, noch .zelfs voor voetpaden en 
moet men over den hoogen kant der bevloeiingsgoten loopen, een bezigheid, die niet toestaat, 
dat men voor zich uitkijkt, maar de oogen steeds vlak voor zijn voeten moet richten om niet 
in het water of den modder terecht te komen. Toen wij na een uurtje even gerust hadden 
onder de laatste palmboomen, stonden wij voor den gebel, die hier aan weerszijden tot aan de 
rivier komt (i). Wij dachten nu elk oogenblik een gafïr te zullen ontmoeten, maar het mocht 
niet zijn. Malèsj. Intusschen klauterden wij van den eenen rotsheuvel op den andere en 
konden reeds heel spoedig inscripties en sporen van opschriften zien; de heele berg was één 
steengroeve geweest, dat was op het eerste gezicht duidelijk (2). Een der groote groeven was 
door een ijzeren hek afgesloten; daar dit echter op een kier stond, gelukte het ons, er door¬ 
heen te wringen. Door een langen gang, die van boven open was, bereikt men een nieuwe groeve, 
zoodat het geheel den vorm van een T had (3). De hoogte der rotswanden, uitgekapt door 
menschenhand, is imposant en zelfs voor oud-Egyptische verhoudingen, fantastisch. Het 
meest treft ons telkens weer de regelmatigheid, waarmee men den steenen heeft gehouwen 
(4), de wanden zijn glad en effen, alsof het geheel als openluchttempel zou moeten dienen. 
Maar wij gaan verder, meer dan een uur lang, en; onze verbazing en bewondering stijgt, 
evenals de temperatuur. Wij kunnen vanaf de hoogte prachtig de groeven aan de overkant 
van den Nijl zien, die veel minder diep zijn en zich als regelmatige inkervingen door een 
reuzenhand aan onze oogen voordoen. Wij kunnen er duidelijk enkele reusachtige stéles 
onderscheiden en den speos van Horemheb. 

Wanneer wij omstreeks den middag aan de rechterzijde van de rivier onzen tocht vol¬ 
bracht hebben, zien wij weer palmboomen en een huis, bij een pompstation. God lof, hier 
zal men ons helpen en ook zeggen, waar de gafïr is. De Egyptische ingenieur ontving ons 
zeer vriendelijk en stond ons gaarne toe, onzen meegebrachten lunch in zijn paradijselijken 
tuin te gebruiken. Aanstonds werd iemand- naar het dorpshoofd gestuurd, om den gafïr op 
te duikelen; ja, die zou gauw komen. Toen hij er om half twee nog niet was en op het 
overigens zeer modern ingerichte pompstation geen boot aanwezig bleek (een verbinding 
tusschen beide oevers bestaat hier niet; dit is de normale toestand in Egypte), besloten wij, 
naar geest en lichaam zeer voldaan, den terugtocht maar te beginnen. Een der ingenieurs 
was zoo vriendelijk ons nog enkele groeven te toonen, die wij straks niet gezien hadden en 
die al het vorige nog overtroffen (5). Daar men er pilaren had uitgespaard, maakten zij den 
indruk van rotstempels, te meer omdat hier, door de regelmatige werkwijze, trapvormige 
verhoogingen bestonden. De Thebaansche tempels zijn als het ware kant en klaar uit de 
groeven gekomen en hoefden alleen maar in elkaar gezet te worden. Vlakbij zagen wij 
enkele onvoltooide sfinxen met ramshoofden liggen, evenals een kapot gegane naos, waarop 
de naam Amon was uitgehakt (6). Een inscriptie van Achnaton, die Baedeker vermeldt, 
hebben wij helaas niet kunnen vinden. 

De terugreis verliep niet vlot, hoewel wij vóór vieren aan den trolley waren, maar zij 
was des te romantischer. In de rimboe kregen wij motorpech, waardoor wij drie uur onder¬ 
weg waren. Wij liepen het aan den haal gegane personeel na naar den dichtstbijzijnden 
telefoonpost. De avond viel en de kudden schapen spoedden zich naar huis, gevolgd door 
ezels en kamelen met suikerriet beladen. Er werd vuur gemaakt tegen de muskieten en koffie 
gedronken. Eindelijk konden wij weg, het electrische licht van Kóm Ombo tegemoet. 

el-Kab, 24 Januari 1946 Jozef Janssen 


EGYPTE 

ONDER PERZEN EN GRIEKEN — ROMEINEN 




CAMBYSES EN EGYPTE >) 

I 

Toen Cambyses in het voorjaar van 525 v. Chr. Egypte militair verslagen had, wachtte 
hem een zwaardere taak, nl. de politieke overwinning van het oude, overbeschaafde land, dat 
wel met minachting moest neerzien op het jonge volk der Perzen, waarvoor het weliswaar 
de wapenen had moeten strekken, maar waaraan het zich geestelijk superieur voelde. 

Cambyses nu miste de tact en de soepelheid van een Darius om het land innerlijk tot 
rust te brengen en de liefde en achting van het Egyptische volk te winnen, zoodat het zich 
in de Perzische suprematie zou voegen. Deze mislukking van zijn binnenlandsche politiek 
maakte, dat Cambyses, toen hij drie jaren later,dit land verliet, slechts haat en verachting 
achterliet, zoodat hij in de inheemsche traditie bleef voorttelen als de wreede tyran, de waan¬ 
zinnige vernieler van tempels en steden, de moordenaar van den heiligen Apisstier. 

Dit oordeel werd via Herodotus aan de geschiedenis overgedragen en voor het gezag 
van Herodotus moesten andere bronnen, zooals de suspecte Ctesias, die de Perzische traditie 
vertegenwoordigt, verstommen 2 ). 

Zoo werd in de oudheid en in de latere eeuwen het beeld van Cambyses steeds in zwarte 
kleuren geschilderd, totdat hiertegen natuurlijkerwijze een reactie intrad en men aan den 
anderen kant zelfs zoo ver ging den persoon van Cambyses te idealiseeren en in hem een 
miskende, door het teven bitter teleurgestelde, figuur te zien, die slechts het goede wilde, 
maar door een slechte omgeving werd bedrogen en misleid 3 ). 

Twee vondsten in Egypte hebben een grooten invloed gehad op de beoordeeling van 
Cambyses, nl. het beeld van den priester van Neith te Saïs, Oezahorresnet, met zijn historisch 
belangrijke inscriptie, en de stéles van twee Apisstieren, die resp. onder Cambyses en Darius 
zijn gestorven. Men heeft in deze vondsten zoowel een weerlegging als een bevestiging van 
de traditie gezien, of wel, om tegenstrijdige gegevens met elkaar in overeenstemming te 
brengen, heeft men een keer in de politiek van Cambyses gezocht, ingetreden na de Ethiopi¬ 
sche expeditie 4 ); ja zelfs heeft men hem waanzinnig doen worden ten gevolge van een 
zonnesteek 5 ). 

Ons doel is het, aan de hand van de ons ten dienste staande gegevens en vooral met 

1 ) Het beste werk over de geschiedenis van (1896) p. 382 vlg.; W. M. Flinders Petrie, History 

Egypte onder de Perzen is nog steeds: A. Wiede- of Egypt from the XIXth to the XXXth dynasty 

mank, Geschichte Aegyptens von Psammetichus I (1905) p. 360 vlg.; H. Gauthier, Livre des Rois 

bis auf Alexander d. Grossen (1880) met daarnaast IV, 1 (1915) p. 135 vlg. 

zijn Aegyptische Geschichte (1884) p. 666 vlg. De belangrijkste bronnen zijn uitgegeven, vertaald 
Voorts G. Maspero, Histoire ancïenne des peuples en gecommenfariseerd door G. Posener, La pre- 

de VOriënt classique T. III, les Empires (1899) P- mière domination Perse en Égypte (Recueil d’in- 

655 vlg.; J. von Prasek, Geschichte der Meder scriptions hiéroglyphiques) (1936) (Bibliothèque 

und Perser I (1906) p. 242 vlg.; Lehmann-Haupt d’Étude publiée sous la direction de P. Jouguet, 

in Pauly-Wissowa R. E., x (1919) s.v. Kambyses ; T. xi). 

D. Mallet, Les Rapports des Grecs avec VEgypte 2 ) Vgl. Ed. Meyer, III p. 189 n. 1. 

MIFAO 48 (1922) p. i vlg.; H. P. Hall, in Cambr. 3 ) Een gunstig oordeel over Cambyses reeds bij 

Ancient History III (1925) cap. xiv p. 689 vlg.; Ff. Brugsch, Geschichte Aegyptens unter den 
H. R. HalF, Ancient History of the near Easf 8 Pharaonen (1877) p. 752 vlg. Litteratuur hierover 
(1932, p. 563 vlg.; Buchanan Grey, Cambr. Anc. vindt men bij von Prasek (p. 278 n. 1) die Cam- 

Hist. iv (1926) cap. I, p. 15 vlg.; Ed. Meyer, Ge - byses idealiseert en daarin gevolgd wordt door 

schichte des Altertums (Neu bearb. von H. Stier) Posener p. 164 vlg. 

III (1937) p. 189 vlg. en iv I (1939) p. 33 vlg., 4 ) Bijv. Wiedemann, Gesch. Aeg. p. 217, 231, 
p: 150 vlg. cf. Lehmann-Haupt p. 1820. 

De Egyptische bronnen vinden wij bij E. Révi,l- 5 ) Petrie, p. 363; ook Hall, CAH III, p. 312 
lout, Notice des Papyrus démotiques archdiques gelooft aan den waanzin van Cambyses. 







340 


EGYPTE ONDER DE PERZEN 


gebruikmaking van de Egyptische bronnen, die o.i. historisch nog niet voldoende zijn uitge¬ 
buit, te trachten een lijn te vinden in de binnenlandsche politiek van Cambyses, de oorzaken 
van de mislukking van die politiek voornamelijk te zoeken in de economische en politieke 
situatie van Egypte, en, door het combineeren van schijnbaar tegenstrijdige gegevens tot een 
synthese te komen van de regeeringsjaren van Cambyses in Egypte. 

Nadat de Egyptische tegenstand bij Memphis gebroken was 6 ), richtte Cambyses zich 
naar de hoofdstad van de xxvie Dynastie, het in de Delta gelegen Saïs. Van dit bezoek 
zijn ons twee berichten overgeleverd: bij Herodotus (III, 16) lezen wij, dat Cambyses het lijk 
van Amasis uit de grafkamer haalde en mishandelde 7 ). 

Uit de boven genoemde inscriptie van Oezahorresnet vernemen wij, dat Cambyses den 
tempel van Neith betrad, zijn reverentie aan de godin bewees, door den genoemden priester 
in de mysteriën werd ingewijd, den tempel in al zijn rechten herstelde en den priester in elk 
opzicht begunstigde en ter wille was. 

Alvorens beide berichten nader te onderzoeken, willen wij eerst een vertaling van de 
inscriptie laten volgen 8 ) : 

„Geëerd bij de groote Neith, de moeder van den god, en bij de góden van Saïs, c erfprins 0 , schat¬ 
bewaarder des konings, eenige metgezel, echte bekende van den Koning, dien hij lief heeft, schrijver, 
opzichter van de schrijvers in het gerechtshof, chef-schrijver van de gevangenis (?), hoofd, van het 
paleis, chef van de koninklijke marine onder Psammetichus III, Oezahorresnet, zoon van het 
hoofd der kasteelen, hrj-p priester, rn/>-priester, sjtn wd,’:t priester, profeet van Neith, die 
aan het hoofd staat van de Saïtische gouw, Peftoeanet; hij zegt: de groote koning der koningen 
van al de vreemde landen, Cambyses, kwam naar Egypte terwijl de vreemden van alle vreemde 
landen bij hem waren. Toen hij bezit genomen had van dit geheele land, vestigden zij zich daar, 
terwijl hij de groote heerscher van Egypte werd, groot-koning van al de vreemde landen. 

Z.M. wees mij toe het ambt van opperarts, deed mij leven aan zijn zijde als metgezel, hoofd 
van het paleis, samensteller van zijn titel, zijn naam van koning Mstjw R e (zoon van Re). 

Ik maakte dat Z.M. kende de grootheid van Saïs, — d.i. de residentie van de groote Neith, 
de Moeder, die Re baarde en de geboorte invoerde, toen er nog geen geboorte was (?) — den aard 
van de grootheid van den tempel van Neith — d.i. de hemel in al zijn vormen — en den aard van 
de grootheid van de kasteelen van de roode kroon, en de góden en godinnen, die daarin zijn, en 
den aard van de grootheid van het c koningshuis° — d.i. de residentie van den vorst, den heer des 
hemels — en den aard van de groothéid van de Rs-nt en de Mh-nt, van het huis van Re en het 
huis van Atoem — d.i. het mysterium van alle góden. 

Geëerd bij den stadgod en alle góden, etc. ( titulatuur ) — zoon van Toemirdes; hij zegt: ik heb 
geklaagd bij den koning Cambyses met betrekking tot alle vreemden, die zich hadden neergelaten 
in den tempel van Neith, opdat zij daaruit verjaagd zouden worden en de tempel van Neith in 
al zijn heerlijkheid zou zijn, gelijk hij vroeger was. Z.M. beval alle vreemden te verjagen, die zich 
hadden neergezet in den tempel van Neith, al hun huizen neer te werpen en al hun ongerechtig¬ 
heden, die in den tempel waren. Toen zij [al hun bezittingen] zelf buiten den muur van den 
tempel hadden gedragen, beval Z.M. den tempel van Neith te reinigen en al zijn personeel in hem 

terug te brengen, de . en de leekepriesters van den tempel. Z.M. beval de inkomsten van de 

tempelgoederen te geven aan de groote Neith, de moeder van den god en de groote góden, die 
in Saïs zijn, gelijk het er van ouds was. ZjM. beval te vieren al hun feesten en al hun processies 
gelijk van ouds werd gedaan. Z.M. deed dit omdat ik Z.M. de grootheid van Saïs had doen kennen 
— d.i. de stad van alle góden, die daar op hun troon gezeten zijn in eeuwigheid —. 

De geëerde bij de góden van Saïs, opperarts Oezahorresnet, hij zegt: Cambyses kwam naar 
Saïs en begaf zich zelf in den tempel van Neith en wierp zich zeer diep neer voor H.M., gelijk 
elke koning had gedaan. Hij bracht een groot offer bestaande uit alle schoone dingen aan de groote 

6 ) De bewering van Buchanan Grey p. 20 dat s ) Vgl. E. de Rouge in Revue Archéol. 8, 1851, 

alleen Heliopolis nog weerstand bood, daarbij ver- 52; H. Brugsch, Thesaurus inscr. Aegypt. 4, 

wijzende naar Jamblichus Vita Pyth. iv, berust 1884, p. 636 vlg., p. 691 vlg.; K. Piehl, Inscr. 

blijkbaar op een vergissing, zie p. 345 n. 46. Wel zou hiêrogl. i° S., 1882, pl. 32-35; 39-42; F artn a' 

men kunnen wijzen op Plin. N. H. xxxvi, § 66, Bilychnis Anno xvm, vol. xxxm, 6, 1929, p. 452 

indien daar sprake is van Heliopolis en niet van vlg.; Petrie, p. 361; Posener, p. 6 vlg.; A. Tulli, 

Memphis. Vgl. A. von Gutschmidt, Beitrage zur il Naoforo Vaticano, in: Miscellanea Gregoriana 

Geschichte des alten Orients, p. 23 n. 7. 1941, p, 232-280. 

7 ) Vgl. Diodorus x fr. 13. 2. 


CAMBYSES IN EGYPTE 34 I 

Neith, de moeder van den god en van de groote góden, die in Saïs zijn, gelijk elke voortreffelijke 
koning had gedaan. Z.M. deed dit, omdat ik Z.M. de grootheid Van H.M. — d.i. de moeder van 
Re zelf — had doen kennen. 

De geëerde bij Osiris, etc. hij zegt: Z.M. deed alle nuttige werken in den tempel van 

Neith. Hij vestigde het brengen van plengoffers aan den heer der eeuwigheid in het inwendige van 
den tempel van Neith, gelijk elke koning van ouds had gedaan. Z.M. deed dit, omdat ik Z.M. alle 
nuttige dingen had doen kennen, die door eiken koning werden gedaan wegens de grootheid van 
den tempel — d.i. de plaats van alle góden, die tot in eeuwigheid duren. 

De geëerde, etc. hij zegt: ik stelde vast de inkomsten van de tempelgoederen van de groote 

Neith, de moeder van den god, volgens het bevel van Z.M. in eeuwigheid. Ik deed schenkingen 
aan Neith, de gebiedster van Saïs, bestaande uit alle goede dingen, gelijk een goede dienaar doet 
voor zijn heer. Ik ben een goed man in zijn stad. Ik redde haar bevolking bij het groote onheil, 
toen het in het geheele land losbrak zooals er geen in dit land was geschied. Ik verdedigde den 
zwakke tegen den machtige, ïk redde den bevreesde toen zijn beurt kwam, ik deed voor hen alle 
nuttige dingen, toen het oogenblik van het handelen voor hen daar was. 

De geëerde, etc. hij zegt: ik ben een man, geëerd bij zijn vader, geprezen bij zijn moeder, 

de vertrouwde van zijn broeders; ik bevestigde voor hen het ambt van priester, ik gaf hun een 
nutbrengenden akker, op bevel van Z.M. in eeuwigheid. Ik maakte een schoon graf voor hem, die 
geen graf had. Ik voedde al hun kinderen, vestigde al hun woningen en deed voor hen alle nuttige 
dingen, gelijk een vader doet voor zijn zoon, toen het onheil kwam in deze gouw, te midden van 
het groote onheil, dat in het gansche land losbrak. 

c Erfprins°, schatbewaarder des konings, eenige metgezel, z n}i-im . sn priester, profeet, opperarts, 
Oezahorresnet, zoon van Toemirdes, hij zegt: koning Darius beval, dat ik .terugkeerde naar Egypte, 
terwijl hij in Elam was en groot-koning was van alle vreemde landen, groot heerscher van Egypte, 

om te vestigen de artsenschool 9 ) . na de ruïne. 

De barbaren brachten mij van land tot land en deden mij Egypte bereiken gelijk de heer der 
beide landen had bevolen. Ik deed, gelijk Z.M. mij bevolen had. Ik voorzag haar van al haar 
personeel, dat waren de zonen van menschen van aanzien, zonder dat er zonen van kleine lieden 

onder waren. Ik plaatste haar onder de leiding van eiken wijze . van al hun werken. Z.M. beval, 

dat hun alle goede dingen werden gegeven, opdat zij hun werk zouden kunnen verrichten. Ik voor¬ 
zag hen van al hun nuttige dingen en'hun benoodigdheden, die in de geschriften staan, in over¬ 
eenstemming met hun vroegeren toestand. Z.M. deed dit, omdat hij het nut wist van deze kunst, 
om eiken zieke te doen leven en den naam van alle góden te bestendigen, (evenals) hun tempels, hun 
offers, en het vieren van hun feesten in eeuwigheid. 

Deze inscriptie stamt uit een van de eerste regeeringsjaren van Darius 10 ). Weggelaten 
werden hier slechts de stereotype offerformules in het begin en de tirade aan het slot. Op te 
merken valt daarbij, dat in de laatste Oezahorresnet zich slechts den titel van opperarts 
toekent. 

Wij lezen bij Herodotus dat Cambyses in Saïs het lijk van Amasis mishandelde 13 -). Men 
heeft aan de historiciteit van dit bericht m.i. ten onrechte getwijfeld. De geschiedenis kent 
hiervan talrijke parallellen 12 ). Dat de gedachte ook in Egypte niet vreemd was, blijkt uit 
Diodorus (I, 64 4-6), waar wij lezen, dat de Egyptische pyramidenbouwers bevalen hun lijk 
niet in de pyramiden bij te zetten uit vrees, dat zij door het woedende volk zouden worden 
mishandeld 13 ). 

In deze mishandeling van het lijk van Amasis zie men echter niet zoozeer een uiting 
van blinde wraakzucht, maar veeleer een weloverwogen politieke daad, een symbool van de 
door Cambyses te volgen politiek in Egypte. 

Amasis was door een militaire Putsch aan het bewind gekomen. Dit was mogelijk geweest 
door de dwaze buitenlandsche politiek van zijn voorganger Apriës en den haat, dien deze pharao 
door de begunstiging van de Grieken had verwekt 14 ). Toch moet Apriës, als legitiem vorst, 

9 ) Vgl. Gardiner, The House of Life, JEA 24, 

1938, 157 vlg. 

10 ) Tulli, p. 230, Posener, p. 2, 175 (derde jaar 
van Darius). 

13 -) Vgl. hierover Wiedemann, Aeg. Gesch v p. 

667 en ZAS 2i ; 1883, I2Ó, 


12 ) Ik noem hier het bekende geval van Oliver 
Cromwell, wiens lijk twee en een half jaar na zijn 
dood werd opgegraven en aan de galg gehangen. 
L3) Vgp ook Diod. I. 72, 4-6 en 92, 4. 

14 ) Vgl. HaiT in CAH III, p. 303. 











342 


EGYPTE ONDER DE PERZEN 


CAMBYSES IN EGYPTE 


343 


I 


nog een krachtigen aanhang gehad hebben, die vijandig stond tegenover den usurpator Amasis. 
Cambyses trachtte bij zijn verovering van Egypte den steun van deze partij te verkrijgen. Daarop 
wijst het bericht bij Herodotus (III, 2), dat de Egyptenaren Cambyses tot een van de hunnen 
maakten door hem te beschouwen als den zoon van een dochter van Apriës. Als zoodanig was 
hij dus de rechtmatige troonopvolger, die den usurpator Amasis van den troon stiet 15 ). Er 
bestond dus een traditie volgens welke Cambyses, met negeering van Amasis, bij Apriës aan¬ 
knoopte. Apriës was immers ook de oude vijand van Babylonië, terwijl Amasis steeds een 
bondgenootschap met Babylon had gezocht tegen het Perzische gevaar. 

Dan is er een tekst gevonden, waarin Amasis en Cambyses samen vermeld worden; de 
naam van Cambyses staat in de cartouche, in tegenstelling met dien van Amasis, die dus niet 
als legitieme koning wordt erkend 16 ). 

In de mishandeling van het lijk van Amasis zie ik dan ook een drastische damnatio 
memoriae, die wij in dien vorm niet uit de Egyptische geschiedenis kennen; veeleer placht 
de naam van een gehaten vorst door zijn opvolger van de monumenten te worden geschrapt 
en eventueel te worden vervangen door diens eigen naam. In beide gevallen is de gedachte, 
die aan de handeling ten grondslag ligt, echter dezelfde: de daden van den gestorven koning 
worden daarmede veroordeeld en de koning a.h.w. uit de annalen van de geschiedenis 
verbannen. 

' Amasis, die nog meer dan Apriës steun bij de Grieken moest zoeken — een politiek, 
die zijn voorganger noodlottig was geworden —, moet vooral oppositie hebben gevonden 
bij diegenen, die met leede oogen den toenemenden invloed van vreemden in het Egyptische 
leven aanzagen en daarin een gevaar zagen voor de nationale tradities. Dit waren vooral de 
priesters, de conservatieve dragers van de nationale gedachte in Egypte. Cambyses trachtte 
nu, door bij het oude koningshuis aan te knoopen en Amasis in zijn nakomelingschap te ver¬ 
volgen, dus door in dien zin een nationale politiek te voeren, den steun van deze klasse te 
verwerven 17 ). Wij lezen bij Herod. III, 14, dat Cambyses den zoon van Psammetichus III 18 ) 
ter dood liet brengen en zijn dochter als slavin wegvoeren, „hoewel de Perzen de zoons van 
koningen plachten te eeren” (Herod. III, 15). 

Dat Cambyses, evenals Cyrus in Babylonië, in Egypte een nationale politiek wilde 
voeren 19 ), blijkt ook nog uit enkele andere feiten. 

In Saïs liet hij zich in de mysteriën van Neith inwijden, begunstigde den tempel, verbande 
uit het tempelasyl de daar verblijf houdende vreemdelingen en liet zich door den priester den 
titel samenstellen als Egyptische pharao, zich noemend c zoon van Re 3 20 ). 

Ook bestaan er aanwijzingen, dat er in Egypte niet alleen naar de Perzische jaren van 
Cambyses werd gedateerd, maar ook naar Egyptische regeeringsjaren 21 ). 

Voorts is er een Apisstèle gevonden, waarop Cambyses is afgebeeld, in vereering neer¬ 
geknield voor den goddelijken stier (zie pag. 346 vlg.). 


15 ) Vgl. Deinon fr. 11 (— Athenaeus *m, 10, 
p. 560); Polysenus, Strateg . vin, 29; Wiedemann, 
Gesch. Aeg. p. 200; Aeg. Gesch. p. 661; von 
Prasek, p. 242 n. 3. In den Cambyses roman is 
Apriës de tegenstander van Cambyses. Ook hier 
wordt Amasis dus genegeerd, vgl. p. 348. 

16 ) De tekt is te vinden bij Sottas, Sur quelques 
pap. dêmot. provenants d’Assiout, in Ann. Serv. 23, 
19213, 45. In de uit den Ptolemsentijd stammende 
zoogenaamde Demotische kroniek (vgl. p. 344) heeft 
Amasis de cartouche, Cambyses en Darius daaren¬ 
tegen weer niet. Op de inscriptie van Oezahorresnet, 
die stamt uit een tijd van verzoening tusschen 
Perzen en Egyptenaren onder Darius hebben zoo¬ 
wel Amasis en Psammetichus III als de Perzische 
koningen de cartouche. 

17 ) Een heel andere opvatting vinden we bij 


Radet, Revue des études anc., 1909, p. 201: Amasis 
zou een afvallige Perzische vazal zijn! 

18 ) Gauthier, Livre des Rois iv, 1 (1915) p. 132 
denkt misschien een Psammetichus iv te hebben 
ontdekt. 

19 ) Vgl. von Prasek, p. 255, Hall, CAH III, p. 
311, Lehmann-Haupt, p. 1815. 

20 ) De Horusnaam van Cambyses, zooals wij 
dien op de Apis sarcophaag (zie p. 347) aantreffen, 
was „vereeniger der beide landen”. 

21 ) Zoo wordt in een papyrus tegelijk het tweede 
en achtste jaar van Cambyses vermeld. (Ann. Serv. 
23, 1923, p. 46) vgl. ook Griffith, Cal of the 
demot, pap. in the John Rylands Lihrary III, 1909, 
p. 106, Gauthier, Livre des Rois iv, 1 p. 137 n. 1, 
Spiegelberg, Demotische Denkmaler III, 42-46, 

Posener, p. 173 n. i. 


Uit Herod. III, 64 blijkt, dat Cambyses het orakel van Buto heeft geraadpleegd. 

Dan noemen wij nog een, alleen in copie bij Rosellini bewaard gebleven tekst 22 ), 
waarin Cambyses genoemd wordt c oprichter van steden 3 . Posener wil dit in verband brengen 
met de stichting van steden, zooals wij die bij klassieke schrijvers vinden vermeld 23 ). 

Saïs bleef de hoofdstad van het land, waar misschien de door Cambyses benoemde 
Perzische satraap Aryandes 24 ) zetelde. Neith bleef de godin van de Perzische dynastie 25 ). 
Er zijn aanwijzingen, dat Memphis de administratieve hoofdstad bleef 26 ). 

Gaan wij thans over tot een behandeling van de inscriptie van Oezahorresnet. Oeza¬ 
horresnet is unaniem opgevat als een vriend van de Perzen, of in elk geval als een plooibare 
figuur, die thans met den Perzischen wind mee waaide en ter belooning door de Perzen be¬ 
gunstigd werd en vele belangrijke opdrachten kreeg in binnen- en buitenland. Men zag in 
hem een verrader en verklaarde uit zijn optreden het stilzwijgen over de Egyptische vloot 
in den strijd tusschen Perzië en Egypte. Immers hij was de bevelhebber van de Egyptische 
vloot onder Amasis en Psammetichus III 27 ). Zelfs identificeerde men hem met den bij 
Ctesias 28 ) vermelden eunuch Kombapheus, die de Egyptische zaak aan de Perzen verried 29 ). 

Een nauwkeurig onderzoek van de inscriptie stelt den persoon van Oezahorresnet echter 
in een geheel ander dicht. Naast enkele eeretitels bezat hij onder Amasis en Psammetichus 
zeer belangrijke functies op het gebied van de rechtspraak en hij voerde het opperbevel over 
de vloot. Hij was toen dus een van de meest invloedrijke politieke figuren, die een groote 
werkelijke macht bezat. Hij was de zoon van een priester, maar bekleedde zelf geen priester¬ 
lijke functies 30 ). Toen kwam Cambyses met zijn Vreemdelingen 3 en bezette het land. Nadat 
de storm geluwd was, vinden wij Oezahorresnet terug als opperarts en priester van Neith, 
terwijl hij de zuiver titulaire functies behield van c metgezel des konings 3 en c hoofd van het 
paleis 3 . Als priester van Neith, de godin van de hoofdstad van het Egyptische rijk, moest hij 
Cambyses a.h.w. tot koning van Egypte kronen, door het vaststellen van zijn titel en hem 
in te wijden in de mysteriën van Neith. Bij deze gelegenheid wist hij eenige gunsten van 
den koning gedaan te krijgen met betrekking tot het verwijderen uit den tempel van onge- 
wenschte vreemdelingen 31 ), en betreffende de inkomsten van den tempel en den eeredienst. 

Zoo had Oezahorresnet dus al zijn werkelijke macht ingeboet en kreeg hij slechts enkele 
eerefuncties zonder eenige politieke beteekenis. 

Wij vragen ons hierbij af wat Oezahorresnet bewoog om na het ontslag uit zijn ambten 
zich er toe te leenen de functie van priester en opperarts te aanvaarden en in die hoedanig¬ 
heid den veroveraar als nieuwen vorst van Egypte te verwelkomen. Was dit lafheid, plooi¬ 
baarheid, verraad aan de Egyptische zaak? 32 ) Wij kunnen hierover kort zijn. Uit den tegen- 
woordigen tijd kennen wij analoge gevallen. Oezahorresnet geeft in zijn inscriptie feitelijk 

de werkelijke optvolger van Aryandes was echter 
Pherendates, zie Spiegelberg, SbAB, 1928, p. 604. 
Men heeft wel gedacht, dat de moeder van Oez. 
een dochter van Apriës was (Révillout in Revue 
Egypte I, 1880, p. 70 en Revue d. Questions histor. 
80, 1906, 379). Hiertoe bestaat echter niet de minste 
reden, vgl. Gauthier, Livre des Rois iv, 1, p. 112 
n. 3, Tulli, p. 275. 

3 '°) De bewering van Lehmann-Haupt, p. 1815, 
dat hij op aandrang van de Grieken door Amasis 
uit zijn priesterschap werd ontslagen en door Cam¬ 
byses in eere werd hersteld, berust op niets. 

,31 ) Waarschijnlijk waren dat Grieken, vgl. 
Lehmann-Haupt, p. 1816. Posener, p. 16 meent, 
dat hier sprake is van Perzen en wijst op een 
analoog geval in Ann. Serv. 18, 1918, 145. 

32 ) Vgl. het oordeel van Tulli p. 276 vlg.: Us. 
fu abile ed astuto diplomatico, incline alla bonta 
e alla difesa dei concittadini etc. (p. 279). 


22 ) Posener, p. 26, Tulli, p. 268. 

23 ) Diod. I, 33, Strabo xvn, i ; , 5: Meroë; Jos., 
Antiq. Jud. II, 102: Babylon, Ptol. iv, 7: 

TC&iJLiëïct = Plin., N.H. vi § 181; Plin., N.H. vi 
§ 165: Cambysu. Vgl. Ed. Meyer, SbAB 1915 p. 
310 (KI. Schriften II, 67) ; Lehmann Haupt, 

p. 1817. 

24 ) Herod. iv, 166. 

25 ) Zoo noemt Darius zich op een van de zooge¬ 
naamde kanaalsteles „zoon van Neith” (Ree. d. 
Trav. 13, 1890, 99). Vgl. Posener, p. 178. 

26 ) Griffith, Pap... Ryl. III, 184. Noel Aimé- 
Giron, Textes araméens d’Egypte, (1931) p. 54 vlg. 

27 ) Als verrader werd hij beschouwd o.a. door 
Révillout in Revue Egypt. 1, 1880, 70. A. Mallet, 
Le culte de Neith d Sdis (1888), p. 144. 

28 ) Ctesias fr. 29, 9. 

29 ) Zoo von Prasek, p. 251, die in Oez. daar¬ 
mede den opvolger ziet van den satraap Aryandes; 



344 


EGYPTE ONDER DE PERZEN 


een apologie van zich zelf: op deze wijze koi\ hij nog zooveel doen voor zijn stad, zijn tempel 
en zijn bedreigde landgenooten, „ik ben een goed man in zijn stad” zegt hij en deze woorden 
klinken ons maar al te bekend in de ooren. 

Over de verdere lotgevallen van Oezahorresnet, die met deze houding geheel in over¬ 
eenstemming zijn, zal later nog sprake zijn. 

Overzien wij thans het voorafgaande, dan kunnen wij concludeeren, dat Cambyses een 
nationale politiek wilde voeren. Met de vervolging van de dynastie van Amasis wilde hij bij 
de conservatieve partij in Egypte in het gevlei komen. Zelf wilde hij zich beschouwd zien 
als den opvolger van Apriës. Hij nam den Egyptischen naam aan van c vereeniger der beide 
landen 0 en c zoon van Re°. Hij dateerde naar Egyptische regeeringsjaren, eerbiedigde den 
Egyptischen godsdienst en bewees openlijk zijn hulde aan de Egyptische góden. Tenslotte 
noemde hij zich c oprichter van steden 0 33 ). 

Vragen wij ons af, waarom de politiek van Cambyses moest mislukken en de Egypte- 
naren bij de eerste gelegenheid in opstand kwamen, dan kunnen wij in de eerste plaats wijzen 
op een analogie in onzen tijd. Uit eigen bittere ervaring weten wij hoe vernederend voor een 
volk van karakter een zoogenaamde nationale politiek van een bezettende macht is. Bijna 
elke ons bekende daad van Cambyses vindt thans zijn herhaling: het vervolgen en veroordeelen 
van de heerschende dynastie en het verheerlijken van een vroeger regiem, het bevorderen 
van nationale gebruiken, het gebruik maken van figuren als Oezahorresnet om zich als vorst 
te legitimeeren. Ook toen kan dit alles slechts als gevolg gehad hebben, dat vroegere tegen¬ 
standers zich vereenigden in den haat tegen den vijand, dat aanhangers en tegenstanders van 
de dynastie van Amasis hun onderlinge geschillen vergaten en slechts wachtten op het sein 
tot den opstand, zoodat de geringste aanleiding, een ongelukkig verloopen expeditie, de door 
de hoop gevoede gedachte ingaf, dat de Perzische macht op het punt stond in te storten! 

Daar kwam dan nog bij, dat Cambyses zich gedwongen zag in te grijpen in het economische 
leven van Egypte. Op het verso van de z.g. demotische kroniek 34 ) lezen wij, dat Cambyses 
de inkomsten van de Egyptische tempels beknotte. Hetzij wij hierin een maatregel willen 
zien ten behoeve van de Perzische bezetting 35 ), hetzij om het economische leven van Egypte 
te herstellen 36 ), den Egyptenaar moest dit slechts diefstal en heiligschennis hebben toege¬ 
schenen, en zijn haat tegen den bezetter hebben vergroot, hoewel Cambyses nog zooveel 
mogelijk aan de gevoelens der Egyptenaren trachtte tegemoet te komen door enkele belang¬ 
rijke tempels te sparen 37 ). 

Men heeft in dezen maatregel den oorsprong gezien van de berichten, dat Cambyses de 
Egyptische tempels verwoestte 38 ). Uit andere bronnen weten wij echter, dat deze verwoes¬ 
tingen historisch zijn (zie pag. 345). 

Zooals wij uit Herodotus (III, 17 vlg.) vernemen, ondernam Cambyses twee expedities, 
één naar de westelijke oasen, en één naar Ethiopië. Er is geen reden aan de waarheid van dit 
bericht te twijfelen. Wel heeft Reisner op grond van archeologische onderzoekingen de 
fraaie bevestiging van Cambyses’ tocht naar Ethiopië door de inscriptie van Nastasen, den 

,33 ) Te vermelden valt, dat in een demotische van de rijkdommen in handen der priesters, volgens 

papyrus uit den tijd van Darius I sprake is van een Diod. I, 73 2 zelfs een derde van het landbezit. 

Ka-priester van Cambyses: Griffith, Pap. Ryl. Misschien wilde Cambyses aan dezen ongezonden 

III, p. 30 n. 1, cf. p. 132 n. 10. toestand een einde maken. Een analoge maatregel 

34 ) Uitg. door Sitegelberg, Die sogenannte werd getroffen door Tachos (Aristot, Econ. II, 

demot. Chr. d< Pap. 215 d. Bibl. Nat. v. Paris 25 a); ook tegen hem brak een opstand uit onder 

(1914). Vgl. hierover E. Révillout in Revue des Nectanebos II (360 v. Chr.) vgl. B. A. van Gro- 

Questïons histor. 80, 1906, p. 1-30 en 353 - 395 - Ed. ningeN, Le second livre de l’êconomique (1933), p. 

Meyer in SbAB, 1915, p. 287 (KL Schriften II, 165. 

p. 69). ,37 ) Dit waren de tempels te Memphis, Babylon 

35 ) Een oorlog met Ethiopië stond immers voor en Hermopolis Parva (?). 

de deur. 38 ) Ed. Meyer, o.c., p. 

36 ) In Egypte bevond zich immers een groot deel 


100, 


CAMBYSES IN EGYPTE 


345 


Ethiopischen koning, meenen te weerleggen 39 ), aan de historiciteit twijfelt niemand en ook 
is men het er over eens, dat de berichten van Herodotus over de resultaten van dezen tocht 
een verkeerd beeld geven. Vast staat, dat de Egyptische zuidgrens beveiligd werd en de 
aangrenzende Ethiopiërs naderhand in het Perzische leger dienden 40 ). 

Wij mogen evenwel aannemen, dat in Egypte zich het gerucht verbreidde, dat het leger 
van Cambyses voor het grootste deel was omgekomen. Toen bovendien de verschijning van 
een nieuwen Apis tot een uitbarsting van patriotisme onder de Egyptenaren leidde en men 
door de tweedracht onder de Perzen zelf de kans schoon zag, kwam het tot een nationalen 
opstand, dien Cambyses slechts met de grootste wreedheid kon onderdrukken 41 ). Wij lezen 
bij Herodotus, dat hij woedde tegen Egyptische priesters en Perzische grooten en dat hij den 
Apis doodde; uit klassieke bronnen vernemen wij, dat hij Egyptische tempels en steden ver¬ 
woestte 42 ). Dit wordt ook door de Arameesche papyri uit Elefantine bevestigd 43 ). De 
woelingen orfder de Perzen waren waarschijnlijk het gevolg van het optreden van den pseudo- 
Smerdis 44 ). 

Hier willen wij de berichten over den Egyptischen opstand nader onderzoeken. 

Oezahorresnet spreekt van een groot onheil, dat over het land gekomen was. In overeen¬ 
stemming met zijn vroegere houding trachtte hij zoo lang mogelijk c aan te blijven 0 en te redden 
wat er te redden viel. Speciaal voor zijn familie wist hij gunsten te verkrijgen. 

Dan volgt een stilzwijgen van Oezahorresnet, tot hij vermeldt, dat hij, toen Darius in 
Elam was, door dezen uit Perzië werd teruggezonden. Er is geen spoor van een belangrijke 
buitenlandsche missie 45 ); over deze geheele periode rept hij met geen woord. 

Ik twijfel er niet aan, of het verblijf van Oezahorresnet in Perzië was onvrijwillig en 
men kan hierin een bevestiging zien van het bericht van Ctesias, dat Cambyses met den Perzi- 
schen koning 6000 gijzelaars naar Susa voerde 46 ). Susa is immers de hoofdstad van Elam! 
Oezahorresnet was blijkbaar een van die gijzelaars, die na den Egyptischen opstand door 
Cambyses waren opgepakt en weggevoerd. Toen Darius in Elam kwam, gaf hij het. bevel 
Oezahorresnet naar huis terug te laten gaan en hem in zijn functies te herstellen. Zelfs 
kreeg hij de oude titels c erfprins 0 en Schatbewaarder des konings 0 terug. Dit is in over¬ 
eenstemming met de politiek van verzoening van Darius, waarvoor Oezahorresnet natuurlijk 
zwichtte. 

Hij kreeg de opdracht de artsenschool 47 ) in Saïs te herstellen en deze van het noodige 
te voorzien 48 ). 


39 ) Vgl. H. Schafer, Die Aethiopische Königs- 
inschrift d. Berl. Mus. (1901); Reisner, Harvard 
African Studies II, 1908, 64; JEA IX, 1923, 34; 
Gauthier, Livre des Rois iv, 1 p. 139 (zie ook J. 
von der Esch, Weenik, Die Karawane ruft } 1941, 
p. 230 vlg.) ; aan Reisner’s beweringen twijfelt 
echter Hall CAH III, p. 312 en Anc. Hist. of the 
Near East, p. 605. 

40 ) Herod. vu, 69 vgl. Buchanan Grey in CAH 
iv, p. 22. 

41 ) Men heeft dezen opstand in verband gebracht 
met Herod. vu, 15, waar hij zegt, dat Cambyses den 
Egyptischen koning betrapte op %o^v 7 :^y(jLo\>ésiv. 

42 ) Herod. III, 37; Strabo x, 4, 21; xvn, 1, 27 
en 46; Plin., N.H. xxxvi, § 66; Diod. I, 46; Joa. 
Antioch. frg. 27 (Muller FHG iv, 552) ; Polyaenus 
Sard. (Muller III, 522) ; Baton fr. 1 (Muller iv, 
348 ). 

43 ) E. Sachau, Aramdische Papyrus und Ostraka 
aus einer jüdischen Mtlitdr kolonie zu Elefantine 
(.1911) p. 21 z. 13-14. Ook kan men een bevestiging 
zien. in de zoogenaamde Canopus inscriptie waar 
sprake is van het terugbrengen van door de Perzen 
geroofde goederen, hoewel deze ook later geroofd 


kunnen zij'n, b.v na de herovering van Egypte door 
Ochus. K. Sethe, Hierogl. Urk. d. Griech. R'óm. 
Zeit II (1904), p. 128; Bevan, History of Egypt 
under the Ptolemies, 1927, p. 208. E. Meyer III, 
p. 190. 

44 ) In de Behistun inscriptie § 10 lezen we, dat 
er „leugen” heerschte in Perzië en Medië en de 
overige landen, toen Cambyses naar Egypte ge¬ 
gaan was. Vgl. Lehmann-Haupt, p. 1821. 

45 ) Zooals von Prasek, p. 255 e.a. meenen. 

46 ) Ctesias fr. 29. 9. Dit bericht vindt men ook 

in de kroniek van Joannes van Nikiu cap. 51. Vgl. 
Jamblichus, Vita Pyt. iv: Pythagoras verbleef in 
Egypte, sa)Q V7T0 tov Ktzgfiva-ou oilxfJLOi^oorta-^sic sic 

Ba(3v*iïvx Vgl. Synkellus (ed. Dindorff) I, 

397 - 

47 ) Vgl. hierover H. Schafer in ZAS 37, 1899, 
p. 72. 

48 ) Wij vinden hier nog een aardige bevestiging 
van Diod. I 82. 3. over het conservatisme van de 
Egyptische Geneeskunst: Alle dingen werden 
immers den leerlingen gegeven, die in de geschrif¬ 
ten staan, gelijk het vroeger was. 




346 


EGYPTE ONDER DE PERZEN 


In het middelpunt van de c wandaden° van Cambyses staat de zoogenaamde Apismoord. 

Volgens Herodotus 49 ) was er, toen Cambyses uit Ethiopië naar Memphis terugkeerde, 
juist een nieuwe Apis verschenen. Cambyses, in woede ontstoken over de feestvreugde der 
Egyptenaren ter gelegenheid van dit gebeuren, verwondde den stier, die naderhand aan zijn 
verwondingen stierf en heimelijk door de priesters werd begraven. 

In twee Apisstèles uit het Serapeum van Memphis zag men zoowel een bevestiging als 
een weerlegging van het bericht van Herodotus 50 ). 

Het zijn de volgende: 

i° van een Apis (Apis a), die begraven werd in het zesde jaar van Cambyses, de derde 
maand, tiende ( ?) dag van het seizoen smw (= Dec. 524 v. Chr.) ; 

2° van een Apis (Apis 6), die geboren werd in het vijfde jaar, eerste maand, 29e dag 
van het seizoen pr . t onder Cambyses (= eind Mei 525 v. Chr.). Deze Apis stierf in het 
vierde jaar van Darius, eerste maand (vierde dag) van het seizoen smw (= Sept. 517 v. Chr.) 
en werd bijgezet in het vierde jaar, derde maand, dertiende dag van het seizoen smw ( = 
Dec. 517 v. Chr.) 51 ) ; zijn levensduur was, zooals de inscriptie terecht opgeeft, acht jaar, drie 
maanden en vijf dagen. 

Een volledige Apisstèle pleegt de volgende data te geven: geboorte, troonsbestijging, 
dood en begrafenis (in normale gevallen 70 dagen na den dood). 

Bij een normale begrafenis van Apis a moet deze dan gestorven zijn Sept/Oct. 524 v. 
Chr. Nu is Apis b reeds geboren in Mei 525 v. Chr. Er waren dus een tijd lang twee Apis- 
stieren. Maspero 52 ) nam dan ook een coëxistentie aan. De meesten achtten dit echter in 
strijd met het Egyptische denken. 

Wiedemann 53 ) beschouwde Apis a als den door Cambyses gedooden stier en verklaarde 
de (schijnbare) coëxistentie uit het feit, dat de jaren van dezen, aldus ontwijden, stier bij 
die van Apis b waren opgeteld. Hij ziet daarin dus juist een staving van het bericht van 
Herodotus. Velen zijn hem hierin gevolgd. Anderen zagen in het bestaan van een Apisstèle, 
waarop een knielende Cambyses is afgebeeld, een weerlegging van den Apismoord. Volgens 
von Prasek 54 ) kon Cambyses in den nazomer van 524 v. Chr. nog niet teruggekeerd zijn 
van den Ethiopischen veldtocht. Weer anderen 55 ) zagen in Apis b den onder Cambyses ge¬ 
boren Apis. Blijkens de stéle leefde deze nog tot in het vierde jaar van Darius, waarmede 
het bericht van Herodotus alweer was weerlegd. 

De theorie van Wiedemann werd nu door Posener afdoende weerlegd. Hij las nl. op 
de stéle van Apis a nog: in het jaar 27 56 ). Dit kan niet anders dan het geboortejaar 
van dezen Apis in het 27e jaar van Amasis (■= 543 v. Chr.) 57 ) zijn. Apis a was dus 19 jaar 
oud, toen hij bijgezet werd en kan dus niet de door Cambyses vermoorde stier zijn. Ook Apis b 
komt niet in aanmerking. Deze stierf op achtjarigen leeftijd onder Darius. Posener verwerpt 


49 ) III. 27, 29. Vgl. Clemens Al., Protr. 4, 52. 6; 
Plut, Is. et Os. 44 c. 

50 ) De Apis-steles zijn uitgegeven door Chas- 
sinat in Ree. d. Trav. 22 vlg. Vgl. Brugsch, Der 
Apiskreis in ZAS 22, 1884, 110, en 24, 1886, p. 19. 
Over den Apiscultus in het algemeen: Hoffner, Der 
Tierkult der alten Aegypter, Denkschr. Wien. 
Akad. phil. hist. KL Bd. 57, 2 (1913) ; Eberhard 
Otto, Beitrdge sur Geschichte d. Stierkulte in 
Aegypten, Unters. z. Gesch. u. Altert. k. Aeg., Bd. 
31, (1938); H. Kees, Der Götterglaube im alten 
Aegypten, 1941, p. 72 vlg.; von Prasek, die de 
Apismoord weerlegd acht, daarin gevolgd door 
Petrie p. 363 en Posener p. 171 geeft de litera¬ 
tuur over deze kwestie p. 272 n. 1. Een bevestiging 
van den Apismoord zien o.a. Maspero, p. 668; 
Lehmann-Haupt, p. 1818, Hall, CAH III, 312, 
Ed. Meyer III, p. 19. 


51 ) Voor de data vgl. Borchardt, Die Mittel 
sur seitl. Festlegung von Punkten der Aeg. Gesch. 
und ihre Anwendung (1935), p. 64. 

52 ) III p. 668 n. 4: „un en fonction, 1 ’autre 
encore inconnu et perdu dans la foule des trou- 
peaux”. Vgl. ook E. ReviLlout in Notice des Pa¬ 
pyrus démot. p. 386. 

53 ) Gesch. Aeg., p. 227 vlg. 

54 ) p. 272. 

' 55 ) Zoo o.a. von Gutschmidt, KL Schriften I, 
p. 329; Revil,i]out, Revue des Questions hist. 80, 
•1906, p. 393. 

56 ) Dit was op de foto van deze stele, die 
Posener aan zijn werk toevoegde, duidelijk te zien. 

57 ) De vorige ons bekende Apis stierf in het 
23e jaar van Amasis, 


CAMBYSES IN EGYPTE 


347 


dan ook het bericht van Herodotus en wijst op de (na Wiedemann gevonden) sarcophaag 
van Apis a, die op een normale begrafenis van den stier duidt 58 ). 

Van het probleem van de schijnbare coëxistentie van Apis a en b geeft Posener de 
volgende oplossing 59 ) : van Apis a is wel de datum van de begrafenis bekend, maar niet de 
sterfdag. Het is nu heel wel mogelijk, dat Apis a gestorven is, nog vóór Apis b geboren 
werd, dus in eind Mei 525 v. Chr. en dat de begrafenis door den oorlog een jaar werd uit¬ 
gesteld, immers juist in dezen tijd vond de inval van Cambyses plaats. Een Apis-begrafenis 
toch vereischte aanzienlijke voorbereidingen 60 ). 

Moeten wij dus met Posener het verhaal van den Apismoord als een onjuist, tendentieus 
bericht beschouwen? Vast staat, dat noch Apis a, noch Apis b de vermoorde Apis kan zijn 
geweest. Het bericht van Herodotus is echter zoo speciaal, dat wij het niet geoorloofd achten, 
het als verzinsel van de hand te wijzen 61 ). 

Immers, in de eerste plaats is een coëxistentie van Apisstieren voor het Egyptische 
denken geheel geen onmogelijkheid, wel een gelijktijdig zetelen in den tempel van Ptah te 
Memphis. Want niet de geboorte van den Apis was belangrijk, maar wel de troonsbestijging, 
die met groote feesten gepaard ging en waardoor de Apis pas als zoodanig werd erkend 62 ). 
Zoo lezen wij van een Apisstier, die drie jaren op den dood van zijn voorganger moest 
wachten 63 ). Den Apis stond een kudde koeien ter beschikking en de daaruit geboren kalveren 
werden vereerd 64 )? Het is immers ook waarschijnlijk, dat men om practische redenen er 
zorg voor wilde dragen, dat er steeds vee van het bijzondere c Apisras° ter beschikking stond. 

Het is dus in de eerste plaats niet noodig, dat Apis a vóór de geboorte van Apis b ge¬ 
storven is, hoewel dat op zichzelf niet onmogelijk is. 

Op de stéle van Apis b is nu juist de datum van de troonsbestijging weggevallen. Deze 
heilige stier kan dus heel goed na de begrafenis van Apis a, dus na Dec. 524, zijn geïnstalleerd. 

In de tweede plaats zou ik er op willen wijzen, dat men Herod. III, 27 veelal ten onrechte 
heeft uitgelegd als een geboorte van een Apis. Herodotus gebruikt hier het woord ècpoivyu 
hetwelk, naar ik meen, veeleer duidt op een troonsbestijging, nl. een verschijning van den 
Apis te Memphis 65 ). 

De geboorte van een Apis vond immers ook zelden te Memphis plaats 66 ), veeleer was 
Memphis pas het einde van de reis van den Apis naar zijn installatie, zooals wiji bij Diodorus 
(I, 85) lezen en zooals bevestigd wordt door Egyptische bronnen 67 ). 

Zoo krijgen wij dus de mogelijkheid van een invoegen van een Apis (Apis x), die door 
Cambyses werd gedood en wiens stéle niet gevonden is, zooals men verwachten kon na het 
bericht van Herodotus, dat hij in het geheim was begraven. 

De gang van zaken zou dan aldus zijn: Apis a werd geboren in het 27e jaar van 
Amasis; zijn sterfdag is ons onbekend, maar hij werd bijgezet in Dec. 524. Een nieuwe Apis, 
(Apis x) werd gevonden en geïnstalleerd 68 ). Tijdens de groote feestelijkheden, die daarbij 
plaats vonden, kwam Cambyses terug uit Ethiopië. Dit plaatst de Ethiopische veldtocht in of 
na den winter van 524/23. Deze datum is ook waarschijnlijk, omdat hij ruimte laat voor de 
voorbereidingen tot den Ethiopischen veldtocht, terwijl ook tusschen den Ethiopischen veld¬ 
tocht en de terugkeer van Cambyses uit Egypte niet zooveel tijd schijnt te hebben gelegen. 

5S ) Vgl. Gunn, Arm. Serv. 26, 1926, p. 85; 62 ) Otto, p. 15. 

Posener; p. 35. 63 ) Otto, p. 15 n. 4. 

59 ) Feitelijk reeds gegeven door Revillout, o.c., 64 ) Otto, p. 35 ; Kees, Götterglaube, p. 155, Zoo 

p. 393. wist men dan ook later de geboortedata der tro- 

60 ) Vgl. H. Kees, Kulturgesch. Aegyptens nende Apisstieren, welke data jaarlijks werden ge- 

( 1933 ), P. 74 n. 2. vierd. 

61 ) Ik wijs hierbij nog op het bericht bij Polyaen., 65 ) Het Egyptische woord voor troonsbestijging 
Stral. vu, 11, waar Darius 100 talenten uitlooft beteekent immers juist ook Verschijning. Vgl. 
voor het vinden van een nieuwen Apis. Darius Wb. Aeg. Spr. III, p. 239. 

wilde immers de wandaden van Cambyses goed 66 ) Otto, p. 17 n. 9. 

maken. (Vgl. p. 349). Ook Ochus, op wiens rekening 67 ) Otto, p. 16. 

na de herovering van Egypte vele wandaden van 68 ) Apis b leefde toen reeds, maar werd, waar- 

Cambyses zijn gesteld, zou een Apis gedood hebben. schijnlijk als minder volmaakt, gepasseerd. 



34§ 


EGYPTE ONDER DE PERZEN 


Apis x nu werd door Cambyses gedood en in het geheim door de priesters begraven. 
Wanneer de volgende Apis (Apis b ) ten tooneele werd gevoerd, weten wij niet. Hetzij nog 
onder Cambyses, hetzij pas onder Darius, besteeg hij den troon in Memphis. Lang overleefde 
hij zijn roem niet: in het 4e jaar van Darius stierf hij in den leeftijd van ruim 8 jaar en 
3 maanden. 

Cambyses onderdrukte den opstand grondig en legde in verschillende steden Perzische 
garnizoenen 69 ). In opstand kwamen de Egyptenaren pas weer 40 jaar later (485). 

Machteloos zich met daden te wreken, uitten de Egyptenaren hun haat op subtielere, 
wijze, door toespelingen in de profane en religieuze literatuur. Zoo worden op een tekst op 
den Horustempel van Edfoe de makkers van Seth, den boozen vijand van Egypte, Meden 
genoemd, en is een van de scheldwoorden van Seth ^Mediër 0 70 ). 

Wij willen thans nog in het kort spreken over twee merkwaardige bronnen over de ver¬ 
overing van Egypte door Cambyses, nl. den Cambysesroman, waarvan een fragment bewaard 
is gebleven, en de kroniek van Joannes, bisschop van Nikiu. 

De korte inhoud van den roman is de volgende 71 ): Cambyses zendt een brief naar 
Egypte om het te verleiden zich aan hem over te geven. De Egyptische soldaten willen de 
boodschappers van Cambyses dooden, maar worden hiervan weerhouden door den wijzen 
Bothor 72 ). Zij zenden nu een brief naar Cambyses, waarin zij zich op hun dapperheid 
beroemen en Cambyses beschimpen en bedreigen indien hij iets tegen hen zal ondernemen; 
zij zullen dan o.a. zijn zoons, die blijkbaar in Egypte gevangen zijn, dooden. Cambyses, nu 
Nebucadnezar genoemd (zooals de Perzen Assyriërs), bevreesd geworden, zendt op advies 
van zijn raadslieden, boodschappers in den naam van pharao en van den Apis in Memphis, die 
de Egyptenaren oproepen zich ongewapend naar het feest te Memphis te begeven. De Egypte¬ 
naren hebben het bedrog echter door en verzamelen zich gewapend te Daphnae bij koning 
Apriës. Hier breekt de papyrus af. 

Deze roman heeft treffende overeenkomsten met het verhaal, dat wij vinden in de kroniek 
van Joannes van Nikiu 73 ). De inhoud van het 51e hoofdstuk, waarin de verovering van 
Egypte door Cambyses wordt beschreven, is als volgt: 

Cambyses, van karakter een tyran en menschenhater, verandert zijn naam in Nebucad¬ 
nezar en, nadat hij zijn troepen bij Gaza heeft verzameld, trekt hij op tegen koning Apriës ; 
hij verovert Egyptische steden, neemt in Thebe Apriës 74 ) levend gevangen en doodt hem met 
eigen hand. In de handen van de Egyptenaren bevonden zich nu te Memphis vier zoons en 
40 vrouwen van Cambyses, die de held Fousid reeds vroeger bij- een inval in Syrië en Assyrië 
gevangen had genomen. Cambyses verwoestte Saïs en geheel beneden-Egypte, bestormde 
daarop Memphis, waarbij de Egyptische koning sneuvelde. Zijn zonen zetten echter den strijd 
voort. De zonen van Cambyses worden gedood op de muren van Memphis 75 ). Als vergelding 
doodt Cambyses de koningszonen, van wie Elkad echter naar Nubië weet te ontkomen. 

69 ) Buchanan Grey in CAH iv, p. 24. 73 ) Deze bisschop leefde ongeveer 700 n. Chr. 

70 ) H. Kees, Kultlegende und Urgeschichte, Zijn kroniek werd in het Arabisch vertaald en van- 

Nachr. Gött. 1930, p. 345. K. Sethe, Spuren der daaruit in het Ethiopisch, in welke taal zij ons 
Perserherrschaft in der spdteren aeg. Sprache, alleen is overgeleverd. Uitgegeven is zij door M. H. 
Nachr. Gött. 1916, p. 112. Zotenberg (1883), en grootendeels uitgegeven en 

71 ) De tekst is uitgegeven met vertaling en com- besproken door denzelfden, Journ. Asiat. 7e série 
mentaar door H. Schafer, SbAB 38, 1899, p. 727. x, 1877, 494 vlg. Vgl. hierover Th. Nöëdeke, Gött. 
De tekst ook in de Aegyptische Urkunden d. Kön. Gel. Anz., 1881, p. 589. Over de kroniek spreekt 
Mus. zu Berlin, en wel de Koptische Urk. I (1904) verder voN Prasek, Forschungen z. Gesch. d. Alt. 
p. 33 ; vgl. G. MöliJer, Zu den Bruchstücken des I, p. 14 vlg. Een vertaling vind ik vermeld van R. 
kopt. Cambysesromans, ZAS 39, 1901, 113-117. H. H. Charles (1916). 

Grapow, Unters. über Stil und Sprache des kopt. 74 ) von Lemm, o.c., p. 84 wil hiervoor lezen: 

Cambys esromans, ZAS 74, 1938, p. 55 vlg. Apis. 

T2 ) O. von Lemm, KI. kopt. Studiën (1900) p. 64 75 ) De gezanten van Herod. III. 13 zijn dus tot 

wil voor Bothor Bokhor lezen en ziet in hem den zonen van Cambyses geworden! 
bekenden koning Bocchoris (Diod. I, 94). 


CAMBYSES IN EGYPTE 


349 


Cambyses verwoest daarna Heliopolis en geheel boven-Egypte. Elkad trekt met een leger 
uit Ethiopië, maar wordt door Cambyses met list overwonnen. Elkad wordt echter op den 
troon geplaatst en Cambyses voert 5000 gijzelaars naar Medië en Babylonië, waar zij 40 
jaar in ballingschap zullen doorbrengen. Cambyses stierf in Damascus 76 ). 

In beide, den roman en de kroniek, zien wij een weerspiegeling van dezelfde traditie 77 ). 

Tenslotte valt er nog op te merken, dat de eenige plaats in de Koptische literatuur, waar 
Cambyses nog genoemd wordt, nl. in het leven van Manasse 78 ), er sprake is van een dorp 
Perpe, dat door Cambyses werd verwoest 79 ). 

Zoo werd Cambyses de bete noire van de Egyptische geschiedenis, wiens gewelddaden op 
latere Perzische koningen werden overgedragen en van wiens verwoestingen men nog later 
alom de sporen toonde. Wij willen niet lichtvaardig over hem oordeelen. Voor een staats¬ 
man miste Cambyses de noodige tact en reageerde hij te primair op de gebeurtenissen. Verge¬ 
lijken wij hem met Darius, die de liefde en achting van het Egyptische volk wist te winnen, 
dan moeten wij niet vergeten, dat Cambyses de spits moest afbijten en dat onder hem het 
Egyptische patriotisme nog fel leefde. Ook moest hij drastische maatregelen nemen om Egypte 
van den economischen ondergang te redden. Het is geen wonder, dat hij door de gebeurtenissen 
in zijn leven — troebelen in zijn familie, opstandigheid onder de Perzen, tegenslagen bij 
zijn expedities, verzet onder de Egyptenaren — tot een verbitterden menschenhater is 
geworden. 

Darius nu wilde zooveel mogelijk het regiem van Cambyses doen vergeten en trachtte 
diens misdaden goed te maken 80 ). Zoo zond hij de gijzelaars terug, gaf de door Cambyses 
aan de tempels ontroofde inkomsten terug, herstelde oude en bouwde nieuwe tempels 81 ), 
loofde 100 talenten uit voor het vinden van een nieuwen Apis en liet het Egyptische recht 
codificeeren 82 ). Hij bezat de gave om zich bemind te maken en wist, bij het doen van 
concessies in onbelangrijke zaken, de wezenlijke macht aan zich te houden 83 ). Zoo werd hij 
als een god door de Egyptenaren vereerd en scheen de oude pharao’s zelfs in de schaduw 
te stellen 84 ). 

Leiden, September 1946 A. Klasens 


76 ) Vgl. Jos., Ant. Jud. xi, 2, 2. 

77 ) Von Lemm wijst op invloeden van Herod. en 
Jeremias, en misschien van Diod. en de Cyropaedie 
van Xenophon. Op grond van de kroniek van 
Joannes zou ik de bewering van von Lemm (p. 
112) willen bestrijden, dat in den Cambysesroman 
een nederlaag van Egypte tegen Cambyses ondenk¬ 
baar is. Ik wil nog opmerken, dat Joannes van 
Nikiu in de Egyptische geschiedenis uitvoerig wordt 
als hij de geschiedenis van Cambyses en van 
Sesostris behandelt (cap. 17). Dit wijst m.i. op het 
bestaan van een Sesostrisroman naast een Cam¬ 
bysesroman. Egypte was immers ook de bakermat 
van den Alexanderroman! Een fragment van dien 
Sesostrisroman vindt men misschien terug biji 
den Byzantijnschen historicus Menander Pro¬ 
tector (Muller, FHG iv, p. 210; Dindorff, Hist. 
Gr. Min. II, p. 17). Nog thans schijnt de Cambyses- 
traditie te leven in de Westelijke woestijnen van 
Egypte. Vgl. H. J. von der Esch, Weenak, Die 
Karawane ruft (1941), p. 226 vlg. Met betrekking 
tot het bestaan van een Sesostrisroman verwijst 
Josef Janssen mij naar Martin Braun, History 


and romance in Graeco-Oriental Literature (1938) 
p. 13 vlg. Braun wijst hier op den invloed, dien 
juist de Cambysesfiguur op den Sesostris-roman 
gehad heeft. 

78 ) Cod. Borg. clxxx, bij Zoëga, Cat. Cod. 374. 

79 ) Perpe is volgens Amélineau Geogr\ de VEg. 
d Fépoque copte, p. 322, het oude Abydos. Opmerke¬ 
lijk is, dat erpe in het koptisch c tempel° beteekent 
en perpe dus c de tempel 0 . Cambyses was immers 
de verwoester van tempels! 

80 ) Vgl. Diod. I. 95. 4 . 

81 ) Vgl. Wiedemann, Aeg. Gesch., p. 679 vlg. 
Buchanan Grey in CAH iv, p. 25. 

82 ) E. Meyer, KL Schriften II, p. 69 en Gesch. 
d. Altert. iv, 13 (1939) P- 154 - 

83 ) Vgl. hierover Spiegel'berg, SbAB, Phil. hist. 
KI. (1928), p. 604. 

84 ) Diod. I, 95, 5. Zoo kon de tijd van de Perzi¬ 
sche overheersching zelfs in zekeren zin c klassiek° 
worden voor Egypte. Hij werd althans in de romans 
van Heliodorus en Chariton als achtergrond ge¬ 
bruikt. 




PAPYROLOGIE SINDS I 94 I 


351 




PAPYROLOGIE SINDS 1941 

Vele boeken zijn er, die ons doen beseffen hoe afgesloten wij in de jaren die achter 
ons liggen hebben geleefd, en die ons nu weer te meer doen inzien, hoe weinig onze tak 
van wetenschap het voortdurend internationaal contact kan missen. Maar er zijn er twee, die 
door den papyroloog wel met bizondere vreugde begroet zijn; twee boeken, die ons jaren 
lang alleen maar van naam bekend waren, maar die nu dan eindelijk — in verheugend groot 
aantal — in de Nederlandse bibfiotheken te vinden zijn: ten eerste het xvme deel van de 
Oxyrhynchus Papyri , uitgegeven door E. Lobel, C. H. Roberts en onze landgenote E. P. 
Wegener, verschenen te Londen als uitgave van de Egypt Exploration Society , in 1941, en 
het met spanning verwachte werk van den grootsten oudhistoricus onzer dagen, Michael 
Rostovtzeff’s Social and Economie History of the Hellenistic World , in drie delen, uit¬ 
gegeven in Oxford, bij de Clarendon Press, eveneens in het jaar 1941. 

P. Oxy. xviii, dat in zekere zin is opgedragen aan de nagedachtenis van A. S. Hunt, 

van wien een uitstekend portret tegenover de titelpagina is gegeven, bestaat gedeeltelijk uit 
litteraire teksten, in een voortreffelijke editie van Lobel. Er zijn veel fragmenten bij van 
onbekende of vrijwel onbekende werken: Aeschylus’ TZoevxog UóvTiog, TKoevxog UoTviavg, 
AixtvovXxoI, Oacopol, MvpfX^óvag, EoevTpioei, van dezelfde hand als de fragmenten in P.S. I. XI, 
twee lange fragmenten van Alcaeus, waarvan het ene in de gebruikelijke Alcseische strophe, 
en ook wat zijn inhoud betreft geheel in overeenstemming met wat wij reeds van Alcseus 
bezaten: hij roept in dit gedicht de drie góden van Lesbos aan, om hem en zijn vrienden uit 
hun ongeluk te verlossen, terwijl hij hun wraak inroept tegen Pittacus, die hen in de steek 
gelaten heeft. Het andere fragment is geschreven in strophen die bestaan uit een Asclepiadeus 
minor, een Hipponacteus, en drie catalectische ionische trimetri a maiore; de dichter be¬ 
klaagt zich daarin, dat hij geheel van de wereld afgezonderd en ver van alles moet leven: 

9/ii o TÓeXoeig ayco ^0000 geolpoev a%m kypoicoTixoev lyeappoov kyópoeg* oexovcroei, en wel in de streek, 

waar de Lesbische vrouwen hun schoonheids wedstrijden houden: 24/26 blxvgsj x[óe\xoov axTog 
a%oov irddoeg, 07 T 7 T 0 U A\ar( 3 l]oeiïag xpivvópeavoei (pvocv 7 rdoXavT s\x,£<Ti 7 rs 7 rXoi . 

Na vele kleine fragmenten, aanvullingen van vroeger in de P. Oxy. uitgegeven litteraire 
teksten, volgen als nrs. 2167-2173 fragmenten van Callimachus, waaronder vier uit de 
A foioe, op zich zelf niet heel belangrijk, maar soms merkwaardig, omdat zij een aanvulling 
geven van reeds vroeger gevonden fragmenten. Belangrijker misschien is het stuk uit de 
Epoden, dat ook op grond van de Milanese Aiyyyvaig gemakkelijk te herkennen is als behorende 
tot het gedicht: ’AA alog o Zavg , oe Ta%voe 5 f waarvan de A wyyreig de inhoud als volgt 

beschrijven :yvcoplpecoi oei)TOv oe 7 T 07 rXaovTi xoeTk êaoev tov ’OA vye 77 iov A ibg alg *HA iv èivjyaÏToei (xvjxog 
v\pog 7 rXxTog t fikvaccg êpbvov v 7 ro 7 ro^lov oevTOv tov êaov xoe) oervi fj èoe 7 roevy, Syfjeiovpybv Qafèloev 
Xo&pfjtfèou ’AÓvjmïov. Jammer genoeg is de tekst zeer verminkt, zodat van emenderen eigenlijk 
geen sprake kan zijn. Nog minder is dat het geval bij de geringe resten van de volgende epode 
‘(„'E ppioeg o II aptpapoeïog AIvloov êeóg”) waarvan de inhoud volgens de Aiyyfoatg is: UepCpapoeïog 
'E ppcvjg av Ahooi T>ji ffoXai T>jg Qpoelxvjg TipexToei avTavêav * ’E rraibg 7 rpb tov èovpalov 'Ittttov 
shvjfJoiovpyvjTav 'E ppevjv ov o £j eoeyeoev^pog 7 roXvg ava%èa)g xoeTavvpav. 

Tenslotte een onmiskenbaar fragment van de B poey%og\ 22 ten dele sterk verminkte en 
altijd onvolledige regels (A niyfoeig • ’AttöAAwi/ ax AvjXov oeCpixvaÏToei alg rb rïjg MiXvjtov %ooplov 
0 xoeXaÏToei vvv Upoe vXvj hoe B poey%og) en een klein fragment, dat de uitgever nog niet aan 
een der bekende gedichten durft toewijzen. 

Na enkele fragmenten van Hipponax, en een commentaar op dezelfden dichter volgt 
als laatste van de c new classical fragments 3 een derde-eeuwse tekst behorende tot de bekende 
groep der Acta Alexandrinorum , het merkwaardige half litteraire genre, waarvan natuurlijk 
de antisemitische geschriften verreweg de bekendste zijn. Hier hebben wij, evenals in de 
Acta Appiani (P. Oxy. 53 en C. Bradford Welles, A Yale fragment of the Actd of Appian, 
in de Transactions of the American Philological Association lxvii, 2 sqq.) eerder te doen met 


anti-Romeinse dan met antisemitische litteratuur; de Joden worden niet genoemd. De grote 
merkwaardigheid van het stuk, dat waarschijnlijk een gesprek weergeeft tussen keizer 
Hadrianus (of Trajanus?) en Alexandrijnse gezanten, in aanwezigheid wellicht van senatoren 
en dus te Rome, is het nauwe verband, dat gelegd wordt tussen Alexandrië en Athene: 
col. 1, 4 sqq: Koeler oep • vyealg Tvjg oeXXoT ploeg 7rpar(iavToel avra. ’A êkpeoe[g] * ovx aergeav oeKKorploeg 7TÓXaoog 
7rpa(r(3avToel, oeXXoe llloe[g\ Koe) yoep (de tekst heeft hier xoeïvoep, maar de coniectuur xoe) ydep van 
A. H. M. Jones lijkt mij overtuigend) Tvyyavvjg $ wbxig. 

En 12 sqq: Koelvoep * rolg yoep oevrolg vóftoig %piï(v)rxt 'Aêyvoeïoi xoe) 'AXet;di[v]èpalg ; 'AUvivotupog» 
7róev[Toov\ yoep vó(jecav'j[l<r%vpèTa[poi o]vrag rijv 'avxpoe<rloe{v) \rïjg] (piXoevêpotTrloeg a%ov<n(v), van welke 
passage de uitgever, gesteund door Sir Harold Bell, de vertaling geeft: „You mean, that 
the Athenians and the Alexandrians have the same laws? Athenodorus: Yes, for they are 
stronger than all other laws and have the happy blend of clemency and strength”. Het punt 
in quaestie, hoewel het niet geheel duidelijk is, is blijkbaar de vrijlating van Alexandrijnse 
notabelen, die in Rome als gijzelaars worden vastgehouden. 

Van de fragmenten van bekende werken der litteratuur mogen genoemd worden delen 
van twaalf kolommen, behorende tot Oedipus Rex en een fragment van de Phaedo, beiden 
goede en zorgvuldige handschriften, die echter weinig nieuwe gezichtspunten opleveren. 

De niet-litteraire teksten (2182-2197) zijn te verdelen in Romeinse en Byzantijnse, waar¬ 
van m.i. de Romeinse de belangwekkendste zijn, bijvoorbeeld 2182, de brief van een strateeg 
(166 p.C.) aan den (ooeviXixbg ypoeyegeoeravg, waarnemend strateeg van de Oxyrhynchusgouw 
over te requireren ezels, waaruit nog weer eens duidelijk blijkt, hoe moeilijk en zenuwslopend 
de ambtelijke carrière in de tweede eeuw in Egypte geweest moet zijn, en hoe men voort¬ 
durend leefde tussen de dreigementen van superieuren en de stille obstructie der bevolking. 
Van de particuliere brieven is verreweg de interessantste 2190, de brief van een onbekende 
aan zijn vader Theo', uit het einde van de eerste eeuw n. Chr. Zo betrekkelijk zelden gebeurt 
het, dat particuliere brieven op papyrus zich boven het zeer alledaagse verheffen, dat het een 
ware verademing is, wanneer dit eens een enkele maal gebeurt. Niet dat de gedachten in 
deze brief zo oorspronkelijk zijn, en de stijl ook maar enigszins bizonder. Maar wij hebben 
geleerd bescheiden te zijn in onze verwachtingen. En dan zijn wij zeer dankbaar voor een 
brief als P. Oxy. 2190, die een levendig beeld geeft van de gewone dagelijkse dingen, en die 
eens een ander probleem behandelt dan prijs en qualiteit van geleverde of nog te leveren 
goederen. 

De schrijver is een student, waarschijnlijk te Alexandrië. Dat het studentenleven hem 
niet geheel voorbijgaat, blijkt wel uit het begin van de brief: de jongen toont zich nl. opge¬ 
lucht, dat zijn vader de „geschiedenis met het theater”, niet al te ernstig heeft opgenomen. 
Wat er gebeurd is, zegt hij niet (de uitgevers vermoeden dat de jongen de wagen van de 
familie heeft laten verongelukken), maar dat het een geruchtmakende zaak geweest is, blijkt 
uit de verontwaardiging van den student over de houding van een weggelopen slaaf (45,47) : 
ov yoep y<T%vvaTQ 7 rpb 7roevToov gearoe %oepkg roe 7 rap) tov óadeTpov av T$ji 7roXai (pvgjel^v xoe) \oe\m 
Tk \pavSy oe ovY oev xocTvjyopog amoi. Verder heeft hij ernstig te kampen met de moeilijkheid, 
die in Alexandrië even groot schijnt te zijn als in de provincie, om bekwame leraren te 
vinden; grote illusies maakt hij zich ook niet, maar hij hoopt met een soort „tutor” en met 
het volgen van colleges van professoren zelf een heel eind te komen („van leraren heeft men 
niets dan onzinnig hoge honoraria”) 30/34: tovto ovv alboeg otl 7tXviv tov (jeóeTviv (juorêovg 7rXaiovotg 
TaXah oeitb xoeêvjyvjTOv (leraar) ovYav oCpaZog, otXXk kir a^oevTOv a%oo .... ?£« Sf tqv A fèvpcov .... 
kal yeoi 7rp[o(r\avxoeipovvToe xoe) iroev oti §vvóeToei noepa%oyeavov. \sti 5f] toqv- a7n^aixvv(jeavcov 

f oexpokpeavog av IttIv o Ylovaiddoviog Toe%oe éaobv óaXÓvToov xoeXoog 7rpóe^o(jeoei . . Verder verkeert de 
student, die blijkbaar gedeeltelijk heeft geleefd van de verdiensten van een slaaf, in geld¬ 
zorgen. Want de slaaf is/ wat hem volgens den student toekwam ook, gearresteerd, maar er 
later van door gegaan, naar huis terug, vermoedelijk. De student oppert nu het plan, hem als 
knecht bij een timmerman te verhuren, waar een jonge kracht wel twee drachmen per dag 
kan verdienen, en dan het loon naar Alexandrië op te sturen! 




35 2 


EGYPTE ONDER GRIEKEN EN ROMEINEN 


PAPYROLOGIE SINDS I 94 Ï 


353 


2191 komt uit Puteoli, maar, hoewel de brief wel zal zijn geschreven door een beroeps¬ 
schrijver, het handschrift wijkt niet af, zoals ook de uitgevers opmerken, van de gelijktijdige 
Egyptische. Wie zal trouwens zeggen, of in de kringen der zeelieden in Puteoli niet ook 
een Egyptische briefschrijver werk genoeg kon vinden? 

2192 is jammer genoeg uiterst fragmentair, want deze brief voert ons in de kring der 
bibliophilen van Oxyrhynchus, en die ontmoeten we in de papyri ook niet al te vaak! 

De brief is in drie verschillende handen geschreven, voor ons zijn de tweede en derde 
de meest interessante: „laat een copie maken van boek 6 en 7 van Hypsicrates’ Gestalten 
in de Comedie. Harpocratio beweert, dat die onder de boeken van Polio zijn, maar misschien 
hebben anderen ze ook wel. Hij geeft ook „korte inhouden” in proza van Thersagoras’ werk 
over de „tragische mythen” ..., waarop de derde hand verder gaat: „De boekhandelaar 
Demetrius heeft ze, naar Harpocratio zegt. Ik heb Apollonius opdracht gegeven, mij een 
paar van mijn eigen boeken te zenden, maar dat hoor je op de duur wel van Seleucus zelf. 
Vind je nog boeken, behalve wat ik bezit, laat dan copieën maken en stuur ze mij. Ook 
Diodorus en zijn kring hebben een paar boeken, die ik niet heb.” 

Van de Byzantijnse documenten moeten 2193 en 2194 genoemd worden, brieven van 
Theo, een priester, aan een zekeren Pascentius, uit de vijfde of zesde eeuw. Het zijn Griekse 
brieven, maar beiden beginnen met een Latijns citaat, misschien uit de Vulgaat, of uit een 
theologisch werk, en eindigen met een Latijns c adres D : Serbo Dei tempore Pascentio. Deze 
twee brieven zijn geheel enig in hun soort. 

Met enkele Byzantijnse rekeningen en elf kleinere fragmenten uit Romeinse en Byzan¬ 
tijnse tijd sluit dit belangrijke deel der Oxyrhynchus Papyri. Het wordt verlucht door een 
aantal goede fotografieën, van de meeste litteraire teksten en van de brief uit Puteoli. 

Wat betreft de Social and Economie History of the Hellenistic World — daarvoor kunnen 
wij papyrologen niet dankbaar genoeg zijn. In de eerste plaats omdat het ons in zekere zin 
verlost uit ons gevaarlijk isolement. De papyroloog, op grond van zijn omvangrijk en onver- 
gelijktlijk materiaal, heeft zeker de neiging, Egypte te beschouwen als het centrum van de 
Hellenistische cultuur, en een boek als dit moet hem wel heel duidelijk maken, dat er in de 
Hellenistische wereld nog andere landen hebben bestaan. Natuurlijk zijn wij bij het lezen van 
dit boek ook nog wel weer eens uiterst dankbaar voor onze papyri, want wanneer wij lezen, 
hoe moeizaam de sociale en economische geschiedenis der andere Hellenistische landen uit 
onzekere en fragmentaire gegevens opgebouwd moet worden, beseffen wij eerst, hoe betrek¬ 
kelijk vast ons fundament in Egypte is. Maar voor papyrologen is de onberekenbare waarde 
van dit boek, dat het al het beschikbare vergelijkingsmateriaal geeft, en dat het de beschou¬ 
wing der diverse Hellenistische staten tot de juiste verhoudingen terugbrengt. 

Dit boek zal voor de eerste tientallen jaren het uitgangspunt moeten zijn voor ieder, 
die werkt aan de problemen van de sociale en economische geschiedenis van het Hellenisme, 
en het zal volstrekt onmisbaar zijn voor iederen onderzoeker, die zich met het Hellenisme 
bezig houdt. 

Het te bespreken en te overzien na een eerste lezing is niet gemakkelijk (het heeft twee 
delen tekst, te zamen 1312 pagina’s, en, een deel noten, excurven en registers, dat het 
geheel op 1777 pagina’s brengt). Vooral, omdat de stof, die het behandelt, zich nood- 
zakelykerwijze geweldig spreidt en zich niet licht tot een eenheid laat samenbinden. 
Het gehele enorme werk is in slechts acht hoofdstukken verdeeld: I Political De - 
velopment, II The Ancient World in the Fourth Century B.C., III Alexander and the 
Successors, IV The Balance of Power, V Disintegration of the Balance of Power and Roman 
Intervention, VI The Roman Protectorate and the First Stage of Roman Domination, 
VII Roman Domination, en VIII Summary and Epilogue. New Features in the Social and 
Economie Life of the Hellenistic World . Binnen deze hoofdstukken, die dus een in het 
algemeen historische indeling geven, is de indeling, van het IVe en belangrijkste hoofdstuk 
af, geografisch en worden achtereenvolgens behandeld: Griekenland en de eilanden, Macedonië, 
Egypte, het rijk der Seleuciden, en de kleinere monarchieën: Pergamon, Bithynië, Galatië, 


en de stadstaten van het rijk aan de Bosporus en Zwarte Zee. Van hoe buitengewone waarde 
het is, deze ten dele nog volslagen onbekende sociale en economische gegevens, mèt een 
helder overzicht van de politieke geschiedenis bijeen te hebben, zal een ieder duidelijk zijn. 
Ik noemde dit boek al eerder een basis, een uitgangspunt — en het is zeker een begin. Het 
stelt eisen aan den lezer, want het is een groots begin van ordening in de chaos, en we weten 
allen, dat de chaos zich niet gemakkelijk bevechten laat. Het is niet dikwijls, dat ons een 
werk gegeven wordt, zo duidelijk een bouwsteen der wetenschap, een goed instrument en 
betrouwbare gids bij ons werk. 

Het boek werd, ondanks zijn grote omvang, in bruikbaar formaat uitgegeven door de 
Clarendon Press. De keuze en commentariering der meer dan honderd platen, en hun functie 
ten opzichte van de tekst van het boek is zo, dat zij waarschijnlijk ook Prof. Thiel tot 
volledige tevredenheid hebben gestemd. 

Het was mij, ondanks de beperkte ruimte, niet mogelijk, de twee bovengenoemde werken 
met weinige woorden af te doen; maar het gevolg van deze betrekkelijke uitvoerigheid is, 
dat ik vele andere werken zeer kort als c news items 3 uit de papyrologie der laatste jaren 
zal moeten vermelden. Dan moet in de eerste plaats genoemd worden het Papyrologisch Leer¬ 
boek, dat in een metamorphose als Papyrological Primer zijn tweede en nu Engelse editie 
beleeft. De twee opvallendste veranderingen, afgezien van de vertaling, nl. de korte inhouds¬ 
opgaven bij elke tekst, en de opname, ter vervanging van minder belangrijke stukken, van 
een gedeelte der Revenue Lazvs en van de Gnomon van den Idios Logos, zijn zeker ver¬ 
beteringen. 

Sinds mijn laatste overzicht zijn de delen II en UIA der Lugduno-Batava voltooid. 
Deel II (P. Vind. Boswinkel, E. Boswinkel, Einige Wiener Papyri ) geeft niet heel veel 
nieuws vergeleken bij de dissertatie, die de eerste 10 van de 17 teksten bevatte. Het merk¬ 
waardigste stuk is een geldlening, uit 286/7 n - Chr., in Ptolemaeisch geld, of waarschijnlijker, 
zoals B. met Mickwitz aanneemt, in geld van Ptolemaeisch type, waarbij de hoge bedragen 
der verschillende posten opvallen, bedragen, die bepaald op inflatie wijzen. 

Ook Deel UIA, E. P. Wegener, Some Oxford Papyri, is voltooid. Deel IIIB is vér¬ 
moedelijk het deel met de fotografieën, dat schrijfster en uitgever ons in het voorwoord 
beloven. Ook deze teksten waren gedeeltelijk al in de dissertatie van Mej. Wegener uit¬ 
gegeven. De negen nieuwe zijn niet eigenlijk opmeikelijk, een van de boeiendste is nr. 14 
(1 Contract concerning an Inheritance?) , maar misschien zou het stuk minder merkwaardig 
zijn, als het compleet was. Van de brieven is de aardigste de slecht gespelde en slecht gestelde 
nr. 19, waarin een oude moeder aan een blijkbaar niet zeer oppassenden zoon enkele opdrach¬ 
ten geeft, en hem vraagt, haar „niet af te zetten met het geld van de ezel”. 

De teksten zijn, hoewel een laatste revisie van de originelen in het jaar 1941 niet mogelijk 
was, door Mej. Wegener bewerkt met de grondigheid en zorgvuldigheid, die wij van haar 
kennen. 

P. S.' I. XII ( Pubblicazioni della Societd Italiana per: la ricerca dei Papiri greci e latini 
in Egitto; Papiri Greci e Latini Vol. XII, fase. I, a cura di Medea Norsa) luidt het laatste 
deel der P.S.I. in; immers een Istituto Papirologico aan de universiteit van Florence zal 
het werk der inmiddels ontbonden Societd overnemen. Deze eerste aflevering van het laatste 
deel, in 1943 verschenen, is, zoals P. Oxy. xvin aan Hunt, opgedragen aan de nagedachtenis 
van den in September 1935 gestorven grootmeester der Italiaanse papyrologie Girolamo 
ViTELLi, van wien ook een mooi portret tegenover de titelpagina is opgenomen. 

Van de texten, die Medea Norsa op haar eigen competente wijze uitgegeven heeft, 
werden enkele reeds vroeger gepubliceerd door studenten, die haar seminaar in Florence of 
Pisa volgden. 21 van de 49 stukken zijn afkomstig van de opgravingen van Breccia, in 
Oxyrhynchus, en een van die van Anti en Bagnani in Tebtynis. 

Zij zijn allen uit Romeinse tijd. 1223/1225, een aanvrage voor opname onder de epheben 


Jaarbericht ri°. 10 


23 








354 


EGYPTE. PAPYROLOGIE SINDS T 94 I 


met bijgevoegde stukken is interessant omdat het Alexandrijns is. 1239 is een bizonder mooi 
volledig koopcontract uit 430 p.C, 1241 een particuliere brief, die ons de preciese datum 
(10 Juli 159) geeft van de aankomst van den praefect T. Furius Victorinus, en een straat¬ 
naam pvftv) 'llpiyhovg te Alexandrië, die ons nog onbekend was. 1242 is een fragment van 
een gezellig familiebrief je betreffende de eerste verj aardig van een eerste kind (tv} 7 Kpcloryi 
ysvsèx'iooi AiovihtIou KpooTOv ysvwiêsvrog Trocfèiov). Misschien is het een der grootouders die het 
schreef? De stukken 1243-1261, uit Breccia’s opgraving, gevonden te zamen met de litteraire 
teksten van P.S.I. XI, zijn waarschijnlijk afkomstig uit het huis van 'Lotpomioov o xodi ’AtoA- 
A ooviocvóg^ die in meer dan een gouw strateeg is geweest tijdens het tweede decennium van de 
derde eeuw. Wat hier gepubliceerd wordt, behoort grotendeels tot zijn ambtelijke corres¬ 
pondentie: een verzoekschrift, lijsten, brieven, etc. maar bevat ook een aardige brief van 
zijn dochter (1247), geschreven op de achterkant van een document in fraai kanselarij schrift. 
De stijl van de brief zal trouwens wel grotendeels op rekening van den beroepsschrijver mogen 
worden gezet. 6 sqq: 7rpoTp£7ro(Ahy . vyoooq ypócQsiv (jloi <rvv£%oóg wsp) rïjg (roorvipiotg vpooov, sUÓtspi 
on ioov xopcl^copcoci vpocov ypocpopcocroo, ioprvjv ocyoo. Boven het alledaagse uit komt ook de condo¬ 
léance in een verder zakelijke brief (1248) M ooprvpsg 01 êso) ég %\Aoyosvog nep) tov xvplov 
vlov vpoév ovrpog kooi i7révêqvoc ég ’fèiov rixvov k ooi yup xtgioCpiXyTOv vjv. Hier geen 

yo&lpsiv aan het begin, maar svêvposïv. Tot de laatste teksten behoort een interessant stuk uit 
de achtste eeuw, waar ik alle competentie tot oordelen mis: een rondschrijven aan de pagar- 
chen van de Thebais doov'lophocvvig, den dux Tkebaidis, een Christen onder Arabisch bewind, 
nadat reeds in 706 het Arabisch tot officiële taal in Egypte was verklaard, een rondschrijven 
dat in laatste instantie stamt uit de kanselarij rov svkXs^vt&tov) upoip en handelt over de 
vluchtelingen, die in Arabische tijd nog talrijker zijn dan onder Romeins en Byzantijns bewind. 

Michigan Papyri Vol. v ( Papyri from Tebtynis, Part II, by Elinor Mullett Hussel- 
man, Arthur E. R. Boak, William F. Edgerton), bevat louter vroeg-Romeinse, niet-litte- 
raire teksten uit de eerste eeuw, uit het yp<x(ps7ov van Tebtynis en samenhangende met de in 
het eerste deel der Tebtynispapyri van Michigan (P. Mich. II) gepubliceerde teksten. Het 
zijn grotendeels registers, contracten en onderschriften daarvan, allen afzonderlijk nu mis¬ 
schien niet heel belangrijk, maar te zamen van belang, omdat zij ons een goed inzicht geven 
van de procedure bijvoorbeeld bij koop en verkoop. Ook de carrière van den reeds in 
P. Mich. II vermelden leider van het ypocCpsïov, Cronio en van zijn collega Eutychas wordt 
nader belicht. 

De papyri van de universiteit te Erlangen werden door Wilhelm Schubart uitgegeven; 
het zijn allen vrij late, en grotendeels zeer fragmentaire stukken. Van de litteraire moge nr. 7 
genoemd worden: een fragment over Eros uit een ons onbekend, maar zeker niet onbelangrijk 
werk, en een soort astrologisch leerboek, deel van een papyruscodex, dat op hetzelfde origineel 
teruggaat als P. 2397 Londen Verso (Milne i ‘72). 

Onder de niet-litteraire teksten is misschien nr. 18, het verslag van de zitting van de 
raad van Oxyrhynchus op 27 October van het jaar 248 p.C, het merkwaardigste. De hier 
behandelde quaestie, die der gemeentelijke gymnasiarchie en eutheniarchie zal binnenkort 
door Mej. Wegener besproken worden. 

Rest mij te vermelden de uitgave van het tweede deel der Papyrus Reinach, van een 
nieuwe c Kontrarindex°, die ik nog niet heb gezien, en van een nieuw tijdschrift op het 
gebied der papyrologie, het Journal of JurisHc Papyrology onder leiding van Rafael Tauben- 
schlag, waarvan het eerste nummer, als uitgave van het Polish Institute of Arts and Science 
in America , in 1946 verschenen is. 

Amsterdam, November 1946. 


Elizabeth Visser 


EGYPTE EN HET 
AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


OVER DE FIGUUR ACHTER DEN ZEGEVIERENDEN PHARAO 

De sinds langen tijd onder den naam c Phenicische schalen 0 bekende groep van monu¬ 
menten zal waarschijnlijk tegen het einde der achtste of in de eerste helft der zevende eeuw 
v. Chr. ontstaan zijn. Het land van oorsprong echter kon tot op den huidigen dag niet met 
zekerheid worden vastgesteld. Stijl en motieven van de rijke decoratie vertonnen verschil¬ 
lende elementen, die zoowel uit de kunst van het Nabije Oosten als uit Egypte overgenomen 



Fig. 26. Zilveren schaal uit Salerno 

zijn. De Oostersche motieven zijn met die uit Egypte meer of minder samengesmolten, maar 
staan ook los van elkaar op één zelfde schaal. Een ronde, zware lichaamsbouw karakteriseert 
de Oostersche figuren, toch kan van een zuiver Assyrischen of Babylonischen stijl niet 
gesproken worden. De Egyptische motieven op de schalen vormen een zekere tegenstelling 
daarmee, maar ook zij zijn allerminst in een zuiveren stijl uitgevoerd. Het geheel geeft een 





3 5<5 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


OVER DE FIGUUR ACHTER DEN ZEGEVIERENDEN PHARAO 


357 


bewogen en bont effect, waarbij op de ééne schaal eens het Oostersche en op een andere het 
Egyptische karakter domineert 1 ). 

Een der opvallende Egyptische onderwerpen is de voorstelling van den zegevierenden 
Pharao, die zijn vijanden neerslaat. Op drie van de schalen is hij als centrale decoratie en 
op de vierde op één der concentrische cirkels te midden van andere voorstellingen geplaatst 
(Fig. 26-29). 

Alle vier voorstellingen verschillen van elkaar, toch geeft geen enkele een zuiver 
Egyptische conceptie weer. Weliswaar vertoonen de lichaamsvormen niet de Oostersche 



4 Fig. 27. Zilveren schaal uit Praeneste (Louvre) 


voorliefde voor rondheid, gedeeltelijk zijn zij strak, gedeeltelijk, zooals b.v. bij den Horus-valk 
slap van lijn. Maar de figuren missen de Egyptische verfijning van omtreklijn, en de Pharao 
zelf de groote zwaai in zijn beweging, die speciaal bij de Egyptische uitbeeldingen uit het 
Nieuwe Rijk voorkomt (Fig. 30). Ook begrepen de makers der schalen niet meer de oor¬ 
spronkelijke beteekenis van de geheele scene. 

Van Egyptische monumenten kunnen daarmee eenigszins vergeleken worden een groep 


O F. W. von Bissing, Jdl, 38/39 (1923/24), 180; 
F. Poulsen, Der Oriënt und die frühgriechische 
Kunst, 1912, fig. 20; W. Fröhner, Coll. Tyszkie- 
wicz, 1892, pl. 2; G. Contenau, Manuel d’Archéo¬ 
logie Oriëntale, I, (1927/31), p. 1345, fig. 843, p. 
1347, fig. 844; G. Contenau, Antiquités Orientales, 
pl.’ 43; G. Contenau, La civihsation phénicienne, 


1928, fig. 66/67 en p. 207; H. Mühlestein, Die 
Kunst der Etrusker, 1929, fig. 7, 8, 9; F. Winter, 
Kunstgesch. in Bildern, p. 104/5; Handb. d. Arch. 
p. 602, 610 (A. Scharff), p. 8io (K. Watzinger) ; 
W. D. van Wijngaarden, Een Phoenicische zilve¬ 
ren schaal (Oudheidk. Mededeelingen, Rijksmus, v. 
Oudh. reeks 25, 1944). 



j 




van fayence bekers en -schalen benevens een houten pyxis, die misschien in de periode van 
de xxiiste Dyn. gedateerd kunnen worden. Deze staan hunnerzijds onder Oosterschen invloed 
en vertoonen een zekere verwantschap van geest in hun decoratie 2 ). Speciaal voor de scene 
met den zegevierenden Pharao kan de eene beker in het Bton College genoemd worden 
(fig. 31). Ook hier zijn de vormen verslapt en de zin der voorstelling is vervaagd. De car¬ 
touches zijn op de beker zoowel als op de Phenicische schalen zinloos, maar op de schalen 
bovendien nog los in het vlak geplaatst, zonder als een belangrijk onderdeel van de compo¬ 
sitie gebruikt te zijn, zooals het in de Egyptische kunst de gewoonte was. 

De meest eigenaardige figuur in de scene op de schalen is de man, die achter den Pharao 



staat. Hij komt op alle vier schalen voor. Elke keer hangt een doode over zijn arm, en draagt 
hij een lans in zijn rechter hand. Ih zijn linker hand houdt hij een waaier, en in twee van 
de vier voorstellingen heeft hij met dezelfde linker hand een gevangene bij zijn haar gepakt. 

Voor deze figuur is tot nu toe nog geen analogie gevonden, niet in de Egyptische en niet 
in de Oostersche kunst. Wél vertoont de figuur verschillende elementen, die oorspronkelijk 
uit de Egyptische kunst stammen, en zelfs speciaal uit de Egyptische uitbeelding van den 
zegevierenden Pharao, toch zijn deze verschillende elementen in de Egyptische kunst niet 
gecombineerd in één enkele figuur, zooals op de schalen. De figuur achter den Pharao schijnt 
een nieuwe en unieke creatie te zijn. 

De voorstelling van den zegevierenden Pharao komt in Egypte vanaf de vroegste tijden 
voor. Bij de eerste exemplaren reeds is het schema vastgelegd en het blijft onveranderd tot 

2 ) Ch. Ricketts, JEA, vol. v, 1918, 145; H. Wal- F. W. von Bissing, o.c. p. 197/203; G. Steindorff, 
lis, Egyptian ceramic art, 1900, p. 22/25, pl. lx ; o.c. pl. 276a. 









358 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


OVER DE FIGUUR ACHTER DEN ZEGEVIERENDEN PHARAO 


359 


in den tijd van de Romeinsche overheersching. Er zijn al voorbeelden uit de periode der 
Eerste Dyn. Vooral gedurende het Nieuwe Rijk wordt de voorstelling dikwijls herhaald, 
daarna verdwijnt zij, en komt later weer op 3 ). 

Tot de vroegste voorbeelden behoort de voorstelling op de schminktablet van koning 
Narmer (Eerste Dyn.) van omstreeks 3000 v. Chr. 4 ). Hier staat een jongen achter den 
koning met des konings sandalen in zijn hand. Waarschijnlijk stelt hij een reëel mensch voor, 



een slaaf, zonder een bepaalde symbolische beteekenis. Het zijn andere voorstellingen op 
dit tablet, welke aanduiden, dat de geheele scene symbolisch opgevat moet worden. Trouwens 
het beeld van den zegevierenden Pharao draagt altijd een sacraal karakter, zelfs als daarin 
alleen de Horus-valk op de cartouche zit, zooals bv. op één van de rotsreliëfs uit het Sinaï- 
gebergte van het eind der Eerste Dyn., tegen 2900 v. Chr. De Horus-valk moet den naam van 
den koning beschermen, en op die manier den koning zelf 5 ). 

3 ) O. Koefoed-Petersen, Actes du XXe Congres 
International des Orientalistes, Sept. 19381 (1940), 

100; A. Scharff, Wesensunterschiede dgyptischer 
und vorderasiatischer Kunst (Der alte Oriënt, 43, 

1943, 19. J. Capart, Annales d’Archéologie de 

Bruxelles, 1930, p. 54. De drie laatst genoemden 
geven een kort, niet compleet overzicht over dit 
schema van voorstellingen. 

4 ) J. E. Quibell, Hierakonpolis, 1898 I, 29; H. 

Schafer-W. Andrae, Die Kunst des alten Orients, 


1923 (Prop. Kunstgesch.) pl. 189; G. Steindorff, 
o.c. pl. 192; K. Lange, Agyptische Kunst, 1939, pl. 
2; Handb . der Arck. 1939, pl. 57, I. 

5 ) Relief van Koning Semerkhet: W. M. Flin- 
ders Petrie, Researches in Sinai, 190Ó, pl. 45, 47; 
Handb. der Arch. p. 462 (A. Scharff) pl. 58, I ; 
H. Schafer-W. Andrae, o.c. pl. 191. Voor andere 
reliëfs van dit type in het Sinaïgebergte vgl. W. M. 
Flinders Petrie o.c. en A. Scharff, Wesensunter¬ 
schiede, pl. xii, 28. 


Dikwijls zijn de godsdienstige of magische krachten achter den Pharao geplaatst, om 
zoo hun invloed te laten gelden. De begrippen van achter iemand staan en beschermen com¬ 
bineert ook de Egyptische taal in sommige gevallen met elkaar 6 ). Het teeken voor de Ka 
of andere teekens van leven en eeuwigheid plegen den naam van den Pharao te beschermen. 



Fig. 30. Relief van Ramses II te Aboe Simbel (overgenomen uit W. Wreszinski, Atlas II, pl. 184) 

Ook zijn het weleens de góden zelf, die deze scene bijwonen. Zij verhoogen het machts¬ 
vertoon van den zegevierenden koning en voor dit doeleinde brengen zij een aantal ge¬ 
vangenen bij hem. Op een reliëf van Sahoere uit de Vijfde Dyn., waar hij als griffioen in een 
ander, toch niet minder dikwijls gebruikt schema, voorgesteld is, vertelt een inscriptie de 
bedoeling van deze góden: „Wij hebben U de geheele Westelijke en Oostelijke woestijnen 

6 ) F. W. S. v. Thienen, Algem. Kunstgeschiedenis , I, 1941, p. 125 (C. W. Lunsingh Scheurleer). 






















EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


geschonken samen met alle Nomaden en Beduïnen, die in elke woestijn zijn”. Door goddelijke 
hulp dus wordt de Pharao de machtigste vorst op aarde 7 ). 

Eveneens ter verhooging van het machtsvertoon schijnt de figuur op de schalen een 


Fig 31. Fayence beker uit Toene (Eton College) 
(overgenomen uit JEA, deel v, 1918, pk 24) 


gevangene en een dooden vijand te brengen. Weliswaar verschilt de voorstelling van een 
echt Egyptische, want Egyptische góden voeren geen dooden met zich mee. De doode echter 
schijnt wel belangrijk te zijn voor de figuur, daar hij hem toch eiken keer draagt, terwijl de 


7 ) L. Borchardt, Das Grabdenkmal des Sahure . 
1910, III, pl. 5 ; A. H. Gardiner, Egyptian hierö- 
glyphic writing (JEA, 2, 1915, 74). Andere voor¬ 


beelden vgl. R. Lepsius, Denkmaler cigypt. Kunst j 
1897, UI, pl- 252/53 (Sjesjonk, xxiie Dyn.). 


OVER DE FIGUUR ACHTER DÉN ZEGEVIERENDEN PHARAO 


361 


gevangene maar tweemaal voorkomt. Eiken keer komt ook de waaier voor, en zoo zijn de 
doode en de waaier vaste attributen van den man. Daarbij komt de lans, die hem als een 
krijgshaftig iemand karakteriseert, toch niet in verband zal staan met zijn functie als waaier- 
drager. 

De manier, waarop hij den waaier vasthoudt — ietwat demonstratief — doet een speciale 
beteekenis vermoeden. En inderdaad speelt in de Egyptische kunst de waaier een bijzondere 
rol in de scene van den zegevierenden Pharao. De waaier staat in sommige gevallen met 
magische en symbolische voorstellingen in verband. In zijn natuurlijke functie zorgt hij voor 
verfrissching, en frissche lucht en schaduw beteekenen in het heete klimaat opwekking van 
nieuwe kracht en leven, niet alleen physiek, maar ook voor geest en ziel. Om deze reden 
verschijnt de waaier in de Egyptische kunst ook gecombineerd met het teeken voor Anch, dat 



Fig. 32. Relief uit Deir el-Bahari (overgenomen uit E. Naville, Deir El Bahari vi, pl. clx) 


is het teeken des levens. In de scene van den zegevierenden Pharao is eenige keeren het 
Anch-teeken met den waaier in zijn handen achter den Pharao af geheeld. 

Een voorbeeld daarvoor uit de monumentale kunst geeft een relief van Hatsjepsoet uit 
de xvinde Dyn. van den tempel Deir el-Bahari (Fig. 32). De koningin is als sphinx gegeven, 
haar vijanden doodend, en achter haar staat het half vermenschelijkte Anch-teeken, zijn 
armen frontaal naar rechts en naar links uitgestrekt en in elke hand een waaier vast¬ 
houdend. 

Verder is op een pectoraal van Amenemhet III (xude Dyn.), dat tot de meest verfijnde 
kunstvoorwerpen van de Egyptische kleinkunst behoort, het Anch-teeken met den waaier 
gegeven, maar deze keer en profil, en de Pharao in hetzelfde schema als op de schalen 
(Fig. 33). ^ , 

Oogenschijnlijk is de waaier een machtig ding of teeken, dat aan een machtig persoon 
toebehoort. Weleens is de waaier ook alleen voorgesteld, zonder dat hem iemand vasthoudt, 
zoo bv. op de beschilderde houten koffer van Toet-Anch-Amon, waar hij achter den zege¬ 
vierenden konings-sphinx staat. Misschien, dat het Anch-teeken hierbij gedacht moet worden, 








3Ó2 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


OVER DE FIGUUR ACHTER DEN ZEGEVIERENDEN PHARAO 


363 


of dat hij in het bezit van den goddelijken Pharao te beschouwen is 8 ). Op dezelfde manier 
staat de waaier op de scherf van een fayence vaas achter Amon in de gestalte van een ram 
(Fig- 34 )- 

Verder kan de waaier als de plaatsvervanger van een machtig wezen gegeven zijn. Zoo 
leunt bv. op een reliëf van Hatsjepsoet, dat een waterprocessie voorstelt, een waaier tegen de 
zitting van een troon. De koningin zelf is niet aanwezig. Haar waaier vervangt haar volledig 
(Fig. 35 )- 



Fig. 33. Pectoraal uit Dasjoer (Cairo) 


Andere waaiers, die op hetzelfde reliëf voorkomen, en wel door zeelieden gedragen, 
zullen legerteekens verbeelden 9 ). Het waaiervormige legerteeken, op een lange stök ge- 



Fig. 34. Fayence scherf (overgenomenj uit L. Borchardt, Das Grabdenkmal des Sahure ) 

plaatst, schijnt één der meest voorkomende geweest te zijn. Een symbolisch karakter moet 
ook van een legerteeken verondersteld worden, misschien, dat de waaiervorm als des konings 
standaard de macht van den koning in leger en marine vertegenwoordigt. Op sommige voor¬ 
stellingen wordt de Pharao zelf van dergelijke standaarden vergezeld, hetzij voor represen¬ 
tatieve doeleinden, of eenvoudig, om frissche lucht toe te waaien en schaduw te geven, zoo 
op de reliëfs van twee votief-knotsen uit den praehistorischen tijd en in sommige scenes van 

8 ) H. Carter, The tomb of Tuth-Ankh-Amen, R. O. Faulkner, Egyptian military standards (JEA, 

1924, I, pl. 54; H. Carter-A. C. Mace, Ein dgypti- 27, 1941); E. Naville, Deir El Bahari, iv, 1908, pl. 
sches Königsgrab, 1924, pl. 44. ■ 188/91. 

9 ) H. Carter, III, o.c. Engelsche uitg. III, p. 132; 


een koning in een veldslag of op jacht 10 ). Het ambt van c waaier-drager aan de rechter (of 
linker) zijde zijner majesteit 3 gold als een van de hoogste aan het hof. Trouwens in Toet- 
Anch-Amons graf zijn er zes waaiers onbeschadigd gevonden, twee van goud, twee van ivoor 
en twee van ebbenhout. De vindplaats van twee ervan (tusschen het derde en het vierde, 
het binnenste, schrijn van den grooten sarcophaag ten Zuiden en ten Westen van dezen), 
laat den waaier als één van de vorstelijke insigniën zien, want ook kroon en kroonjuweelen 



Fig. 35 - Relief uit Deir el-Bahari (overgenomen uit E. Naville, Deir 
El Bahari vi) 


werden wel meer op de genoemde plaats gevonden. Gedeeltelijk zijn nog de origineele 
struisveeren bewaard gebleven. Op den gouden waaier uit het schrijn is wederom een waaier 
met een sacraal getinte beteekenis in de handen van Anch achter den koning afgebeeld. 
De koning namelijk is op jacht naar struisvogels om de veeren voor den waaier te be¬ 
machtigen. Hierbij wordt hij door Anch met den waaier vergezeld. Op de tweede waaier uit 
het schrijn van ebbenhout bevindt zich een inscriptie: Leven voor den schoonen Heerscher, 
dus een combinatie van leven en waaier met betrekking tot den koning. Naar analogie van 
de besproken combinatie van Anch met den waaier zal hier wel een soortgelijke bedoeling 
aan verbonden zijn 11 ). 


10 ) Voorstelling op twee prehistorische knotsen: 
J. E. Quibell, o.c. I, pl. 25, 26b en 26c, 8; H. Scha- 
FER-W. ANDRAE, O.c. pl. 189; H. SCHAFER, V OH 
dgyptischer Kunst, 1932, pl. 7, I. Bepleisterde en 
beschilderde houten koffer van Toet-Anch-Amon: 
J. Capart, Toet-Ankh-Amon, Den Haag, 1944, pl. 
33, 73 ; J- Capart, Tout-Ankh-Amon, Brussel, 1943, 
pl. 33, 73; H. Carter-A. C. Mace, Ein dg. Königs¬ 
grab, pl. 41/43; G. Steindorff, o.c. pl. 242/43; 
Handb. d. Arch. pl. 92, I. 


1X ) Gouden waaier: H. Carter II, o.c. (Engelsche 
ed.) pl. 62; H. Carter-A. C. Mace, o.c. (Ned. ed), 
1927, pl. 62;. G. Steindorff, o.c. pl. 302. Waaier van 
ebbenhout, geïncrusteerd: H. Carter, II, o.c. (En- 
gelsche ed.) pl. 63; H. Carter-A. C. Mace, o.c. 
(Ned. ed.) pl. 63. De mooie waaier van ivoor: H. 
Carter, o.c. (Engelsche ed.) III, pl. 12; J. Capart, 
Toet-Ankh-Amon, Den Haag, 1944, pl. 51; lil. Lond. 
News, 23/24, 1927. De drie overige waaiers: H. Car¬ 
ter, o.c. (Engelsche ed.) III, pl. 43. 




































3 6 4 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


OVER DE FIGUUR ACHTER DEN ZEGEVIERENDEN PHARAO 


365 


De waaier als des konings eigendom en attribuut, dat met een zekere magische kracht 
begaafd is, speelt ook in de literatuur een rol. Er is een papyrustekst bewaard van omstreeks 
1000 v. Chr., waar dit uit opgemaakt kan worden 12 ). 

Als toelichting diene, dat de kracht van de schaduw van den waaier verwant is aan de 
kracht van den waaier zelf, ja, dat dezelfde kracht van de schaduw uitgaat als van den 
waaier. 

De papyrus-tekst geeft het uitvoerige relaas van Oen Arnoen, den Egyptenaar en tempel¬ 
dienaar van Amon, die naar Phoenicië reisde, om daar cederhout voor de heilige bark van 
Amon te koopen. Onder zijn veelvuldige wederwaardigheden verhaalt hij de volgende scene: 

,,E n de vorst was verheugd en zocht driehonderd man uit en driehonderd ossen, en stelde 
opzichters aan het hoofd, opdat ze de boomen zouden kappen. En ze kapten de boomen en deze 
bleven gedurende den winter liggen. Maar in de derde maand van den zomer werden ze naar de 
kust van de zee gebracht. 

De vorst kwam naar buiten en ging erbij staan en liet mij roepen, zeggend: Kom. Toen ik 
bij hem gebracht was, viel de schaduw van zijn waaier 13 ) op mij. En Pen Amoen, een drossaard, 
die hem toebehoorde, plaatste zich tusschen mij (en hem), zeggend: De schaduw van Pharao, Uw 
Heer, is op U gevallen. En deze werd boos op hem zeggende: Laat hem met rust.” 

Oogenschijnlijk is de schaduw van den waaier hier geïdentificeerd met de schaduw 
van den Phoenicischen vorst, en de schaduw van den vorst is bovendien ten nauwste ver¬ 
bonden met den vorst zelf. In de schaduw van den vorst te staan, beteekent in zijn macht 
te zijn. 

De woorden van Pen Amoen schijnen een onderonsje aan te duiden tusschen de twee 
Egyptenaren, Pen Amoen en Oen Amoen. Onder de beeldspraak van het oude Egyptische 
geloof aan de kracht van waaier en schaduw schijnt de ééne de andere te willen waarschuwen 
voor de macht van den vreemden vorst. Dezen noemt hij met een misschien eenigszins spot¬ 
tende bedoeling den c Pharao°. De vorst echter schijnt deze toespeling niet te apprecieeren, 
want hij wordt boos en dreigt in het vervolg van het verhaal zelfs nog met moord en doodslag. 
Toch laat zich deze plotselinge boosheid niet duidelijk verklaren 14 ). 

Eén ding echter schijnt zeker: In het verhaal van Oen Amoen is de uitwerking der 
krachten vorst-waaier-schaduw in verderf dijken zin aangeduid. 

Speciale schaduw-kracht in verband met een machtig wezen zonder de waaierkracht 
als tusschenschakel, en in goeden zin, kan eveneens uit een oude Egyptische tekst opge¬ 
maakt worden. In een lofzang op koning Sesostris III uit de xnde Dyn. wordt gezegd: 
„Hoe groot is de koning voor zijn stad, als een schaduw in de overstroomingstijd is hij, om 
koelte te geven” 15 ). Dus ook hier komt het leven gevende, het vernieuwende naar voren 
zooals bij de kracht van den waaier. Met de schaduw vergeleken te worden hoort bij de 
hooge eerbetuigingen voor den Pharao. 

De uitwerking van de schaduw, die afkomstig is van iemand van bovenmate geestelijke 
kracht, kennen we ook bij andere volkeren uit de oudheid. Zoo is bv. in de Handelingen der 
Apostelen (5: 15) overgeleverd, hoe Petrus door de zieken op straat verbeid wordt, opdat 


12 ) Deze verwijzing heb ik aan de vriendelijke 
hulp van den heer Prof. Dr. A. de Buck te danken. 
Voor de text vgl. A. H. Gardiner, Late Egyptian 
stories 1932, p. 71 (Bibl. Eg. I). Voor de verta¬ 
ling: A. Erman, Die Literatur der Agypter 1923, 
p. 234; A. Erman, The literature of the ancient 
Egyptians, 1927, p. 174; ZAS, 38, (1900) p. 11 
(A. Erman). 

13 ) A. Erman geeft in zijn boven, noot 12, ge¬ 
noemd boek, een vraagteeken achter het woord 
c waaier D , terwijl hij dit in de ZAS niet doet. De ori- 
gineele tekst geeft een blad gecombineerd met de 
hieroglyph voor leder. De vorst van Byblos schijnt 
een waaier van leder bezeten te hebben. Wat de 


vormen der Egyptische waaiers betreft: er zijn er 
ten minste drie verschillende, waarvan de eene, zoo¬ 
als de waaier van koningin Hatsjepsoet, (fig. 32), 
op een gestileerd lotusblad lijkt, de tweede de vorm 
van een halven cirkel heeft (fig. 34 en 35), en de 
derde langwerpig is (fig. 36). De magische kracht 
van den waaier schijnt niet aan een bepaalde vorm 
gebonden te zijn. 

14 ) H. Bauer, Ein phönikischer Wortwitz des Un- 
Amun (OLZ 28, 1925, 571), probeert er een uitleg 
van te geven, die moeilijk geaccepteerd kan worden. 

15 ) Vertaald op grond van A. Erman, o.c. p. 181 
en o.c. p. 136. 


zijn schaduw op hen valle en zij zoo genezen zouden. De schaduw als uitvloeisel van Petrus 
wordt verondersteld vitale kracht over te brengen. Hetzelfde geloof, toch meer in psychischen 
zin komt in één van de psalmen uit: De Heere is uw bewaarder, de Heere is uwe schaduw 
aan uw rechter hand (121: 5) 16 ). 

In de voorstelling op de vier boven genoemde schalen schijnt de waaier dezelfde be- 
teekenis te hebben als in de scene van den zegevierenden Pharao, zooals hij op sommige 
Egyptische monumenten afgebeeld is (Fig. 32, 33). De symboliek van Anch met den waaier 
is verwant met die, welke op de schalen door de figuur met den waaier uitgebeeld wordt, 
zoodat deze met een dergelijke kracht moet zijn begaafd als Anch. De waaier heeft echter 
een andere vorm als in de Egyptische kunst, vandaar, dat de archeologen ook weleens 
twijfelden, of zij er een blad, boom, waaier of spiegel in zouden moeten herkennen. Maar 
juist de traditie, die in de Egyptische kunst aan den waaier met betrekking tot den zege¬ 
vierenden Pharao verbonden is, dwingt ons ook voor de schalen den waaier aan te nemen. 
Dat hij op een blad lijkt, doet een verbastering van den Egyptischen vorm veronderstellen, 
die, zooals bv. op het reliëf van Hatsjepsoet (Fig. 32), van een lotusblad afgeleid schijnt te zijn. 

Niet Egyptisch bij de figuur op de schalen is, dat het dragen van den waaier met het 
brengen van vijanden gecombineerd is. Door het eene wordt het uitstralen van kracht uit¬ 
gedrukt, terwijl het andere een krijgshaftig beginsel uitbeeldt. De combinatie van beide vormt 
een zekere tegenstelling, ofschoon wel alles ter verhooging van des konings macht dient. 

Er is nog een verder verschil met de Egyptische opvatting, en wel misschien het belang¬ 
rijkste : het type van den man met baard en veer en ook zijn kleeding, die op een niet- 
Egyptenaar wijzen. In de Egyptische kunst worden afstammelingen van vreemde stammen 
op deze manier uitgebeeld. Hij ziet er uit als een Syriër. En een vreemdeling, of zelfs een 
profaan iemand, wordt in de sacrale Egyptische overwinningsscene noch voor het dragen van 
den waaier, noch voor het brengen van vijanden gebruikt. Deze figuur achter den Pharao 
kan volgens de Egyptische traditie geen vreemdeling, zelfs niet een gewoon menschelijk 
wezen voorstellen. 

Ook de manier, waarop hij den doode over zijn arm hangend draagt, is in de Egyptische 
kunst niet bekend. Een zekere geestesverwantschap vertoonen ook hierin weer de bekers uit 
Eton College , en wel deze keer de andere beker met zijn zonderlinge plaatsing van dooden 17 ). 
Maar zelfs in de kunst van het Naburige Oosten is het motief van den over den arm 
hangenden doode niet terug te vinden, ofschoon daar in alle periodes gedoode mannen en 
krijgslieden vaak en in vele verschillende situaties uitgebeeld werden. 

De figuur achter den zegevierenden Pharao is vermoedelijk niet speciaal voor de 
zilveren schalen ontworpen. De vervaardigers der schalen zullen hem overgenomen hebben 
van een werk uit de groote kunst, en waarschijnlijk van een toen bekende Oostersche variatie 
op het Egyptische schema van den zegevierenden Pharao, waar deze figuur op voorgekomen 
zal zijn. Hij is van een streng monumentaal karakter, die een uitbeelding in grootere af¬ 
metingen volkomen waard is. Een Oostersche kunstenaar, door de Egyptische kunst geïnspi¬ 
reerd, zal hem geschapen hebben, en wel speciaal, om in de overwinningsscene te fungeeren. 
De vervaardigers der schalen hebben hem van hun kant dan weer bij het overnemen ge- 
variëerd, hij is tenminste telkens iets anders uitgebeeld, want herhalen van een voorstelling 
beteekent in de oudheid nooit zuiver copieeren. 

Het origineel, dat dus als voorbeeld voor de schalen moet worden verondersteld, mag 
in opdracht van een Egyptischen koning in Voor-Azië ontstaan zijn, in een periode, waarin 
de macht der Egyptenaren daar nog overheerschte. Het werk zal door een Oosterschen 

ie ) Een uitgebreid onderzoek over schaduw-ge- 17 )JEA, v, 1918, pl. 23; Jdl, 38/39 (1923/24), 
loof, vooral in de Middeleeuwen, vgl. I. von Nege- 198, fig. 8. 

LEIN, Bild, Spiegel und Schatten im Volksglauben 
(Archiv f. Religionswissensch. 5, 1902). 




3 66 


OVER DE FIGUUR ACHTER DEN ZEGEVIERENDEN PHARAO 


3<57 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 

kunstenaar uitgevoerd zijn, die de behoefte had, een eigen noot aan deze oude triumfaalscene 
toe te voegen. Zoo ontstond de figuur achter den Pharao: als een Oosterling voor het oog 
van een Egyptenaar, maar met magische kracht begaafd, om het machtsvertoon van den 
Pharao te verhoogen. Als een Oosterling is hij door zijn uiterlijk gekenschetst, als magische 
krachtdrager door den waaier. Hij zal er geplaatst zijn als een eerbetuiging van het Oosten 
tegenover den Egyptischen overheerscher. 



>vïadem a, . 


Fig. 36. Relief uit Meroë (overgenomen uit JEA, 1917, pl. V) 

Het oude Egyptische schema van den zegevierenden Pharao is in het Naburige Oosten 
door origineele Egyptische werken al van den oudsten tijd af bekend. Wij kennen er bv. 
de boven reeds genoemde rotsreliëfs van de 'Sinaï-Bergen uit de Eerste Dyn. Buitendien 
verdient een plaats in Noord-Syrië de aandacht, die ten Noorden van Beyrouth aan de 
uitmonding van den Nahr el-Kelb ligt 18 ). Daar hebben in den loop der tijden zes Assyrische 
koningen, te beginnen met Tiglath Pilezar van omstreeks 1100 v. Chr. en eindigend met 

18 ) De heer C. Kern was zoo vriendelijk mij daarop attent te maken. 




/ 









Assarhaddon van omstreeks 680/70 v. Chr. hun stele met hun eigen beeltenis in de rotsen 
van den berg Atalur in de nabijheid van drie reliëfs van Ramses II laten uithakken. Deze 
streek van het land was de meest Zuid-Westelijke grens van het gebied van de Assyrische 
veroveringen, en had vroeger tot het Egyptische wereldrijk behoord. Twee van de Assyrische 
koningen, Salmanassar III en Assarhaddon lieten hunj beeltenis zelfs onmiddellijk naast 
die van Ramses II plaatsen 19 ). Ramses II verschijnt zegevierend in het oude Egyptische 
schema, terwijl de Assyrische koningen op de bekende Assyrische wijze als een rustig staande 
figuur voorgesteld zijn, dus de beide voorstellingswijzen artistiek volkomen onafhankelijk. 

Dat de Assyrische koningen met zich daar te laten afbeelden een vaste bedoeling na¬ 
streefden, daarvan getuigt een inscriptie op de stele van Salmanassar III, in 842 v. Chr. 20 ) 
opgericht, waar dit feit herdacht is: „Ik beklom den (berg) Atalur. Waar de stele van 
Ramses II staat, daar richtte ik de stele vlak naast de zijne op” 21 ). 

Later, in de eerste helft der zevende eeuw v. Chr., waarschijnlijk in het jaar 671 v. 
Chr. 22 ), plaatste dan Assarhaddon zijn eigen beeld zij aan zij met één der twee andere reliëfs 
van Ramses II. Dit zal eveneens niet zonder bedoeling gebeurd zijn. De Assyrische koningen 
drukten hierin hun trotsche gevoelens uit tegenover de tanende macht der Egyptenaren in 
deze gebieden van het land. 

Het beeld van den triumfeerenden Egyptischen koning speelde dus in het Oosten een 
bepaalde politieke rol, en dat nog in de tijd van Assarhaddon, dus in de periode, die voor 
de vier zilveren schalen in aanmerking komt. 

Dit zou een aanwijzing kunnen zijn, waarom deze Egyptische voorstelling nog altijd 
leefde in de fantasie der Oostersche kunstenaars. Toch kan niet aangenomen worden, dat 
juist deze reliëfs van Ramses II op den Atalur op directe wijze ingewerkt hebben op de 
schalen. Op de Ramses-reliëfs slaat de koning een enkelen vijand neer, op de schalen een 
geheele troep van vijanden. 


Een onderling tijdsverschil tusschen de vier schalen zal niet bestaan. Er laat zich geen 
speciale ontwikkeling van den stijl vaststellen. Als geheel beschouwd vertoont de ééne schaal 
meer Egyptische motieven dan de andere. Zij kunnen in twee groepen verdeeld worden: 
twee zijn er met meer Egyptische, en twee met meer Oostersche elementen. De schaal met 
de barken'(fig. 27) en diegene met de papyrusstengels (fig. 26) zijn overwegend Egyptisch 
beïnvloed en hebben bovendien de ééne breede concentrische cirkel gemeen. Hier is de figuur 
achter den Pharao het meest compleet gegeven, met den levenden gevangene erbij. Misschien 
is dit de conceptie, die het Oostersche voorbeeld het meest benadert. De schaal, waar de 
voorstelling niet als centrale decoratie gebruikt is (fig. 29), maar om zoo te zeggen meer 
verdwijnt in de rij der overige voorstellingen, en waar deze figuur achter den Pharao zich 
omwendt, zal om deze reden geenszins voor jonger aangezien moeten worden. De onderlinge 
verschillen van de uitbeeldingen zijn .overigens van minder belang dan het feit, dat de figuur 
op alle vier schalen voorkomt. Want deze figuur is het, die de hypothese van een monu¬ 
mentale typisch-Oostersche conceptie van den triumfeerenden Egyptischen koning in leven 
roept en steunt. 

Ten slotte moet nog op een late voorstelling van den zegevierenden Pharao gewezen 
worden. Weer is het geen zuiver Egyptisch werk, waar het om gaat. Het is een reliëf uit 
Meroë, dat in Graeco-Romeinschen stijl gewerkt is, en waarop de koning een negroïd type 
vertoont (fig. 36). De dateering staat niet vast, zij wordt door den ééne op grond van de 


19 ) H. Winckler, Das Vorgebirge am Nahr-El- 
Kelb und seine Denkmaler, 1909; E. Unger, Ein 
Stammbuch des Orients (ZA 34, 1922, p. 96); 
E. Unger, Das Bild des Gottes Hirbe auf dem 
Atalur (Festschr. f. Meissner, MAOG 4, 1928/29, 
212); J. M. Penuela, Las inscriptiones da Sal¬ 
manassar III (Seferad 1943, Fase. 2); A. Scharff, 


We'sensunlerschiede, p. 9, pl. ia, ib). 

2 ?) E. Unger, Das Bild des Gottes Hirbe , p. 218. 

21 ) „Me incaminé al (monte) Atalur, adonde esta 
levantada la imagen de A.N. Hl. IR. BI (y) coloqué 
mi estela junto a la suya”. (Penuela, o.c. p. 261). 

22 ) E. Unger, Ein Stammbuch des Orients, p. 97. 






3 68 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


cartouche van koning Arikcharêr op omstreeks Christus’ geboorte gesteld, door den andere 
op grond van de boortechniek bij de oogen van den hond in het tweede kwart der tweede 
eeuw na Christus, of later 23 ). 

Ook op dit reliëf is de plaats achter den Pharao van een bijzondere beteekenis. Ditmaal 
is daar een Nike of Victoria gegeven, die haar vleugels op de Grieksche wijze, d.w.z., om 
te vliegen — of hier om te zweven — gebruikt, en niet op de Egyptische wijze van be¬ 
schermen. Zij is in een lang Egyptisch gewaad gekleed. Maar in plaats van de klassieke krans, 
tak, of het wollen overwinningslint houdt zij een langwerpigen waaier boven den Pharao. 
Hierin ligt nog weer een verwantschap met de oude Egyptische gedachte van den machtigen 
invloed van den waaier in deze scene. 

Eveneens een oud idee is uitgedrukt in de kleine Anch-teekentjes, welke van de Nike 
uitgaan en op den koning toevliegen. Van de andere zijde komt nog een tweede groep van 
Anch-teekentjes op den koning af, die van góden uit moeten gaan, welke gevangenen vast¬ 
houden, die in hetzelfde schema gebundeld zijn als die van den koning (de góden zijn op 
het fragment niet bewaard). Het aanbrengen van gevangenen en het uitbeelden van den 
magischen waaier zijn dus hier op dit reliëf als twee verschillende elementen op de oude wijze 
afzonderlijk van elkaar afgebeeld. 

Nike heeft, wat den waaier betreft, de rol van de figuur op de schalen op zich genomen, 
of van Anch in de Egyptische voorstellingen. Zij staat echter dicht bij de symboliek van Anch, 
want door de Anch-teekentjes is zij ook in verband gebracht met het begrip c leven°, en zij 
vertoont daardoor een versmelting van het klassieke beeld der overwinning met het Egyp¬ 
tische idee der opwekking van de vitale kracht des konings. 

Zoo kon dus van de artistieke uitbeeldingen afgelezen worden, dat en hoe enkele oor¬ 
spronkelijk Egyptische denkbeelden in den loop der tijden in de geest van andere volkeren 
of volksstammen voortleefden en een reeks variaties ondergaan hebben. 

Oegstgeest, September 1945 G. Schneider-Herrmann 


THE MAN BEHIND THE PHARAOH TRIUMPHANT 

SUMMARY 

The portrayal of the Pharaoh triumphant, well known in Egyptian art, occurs on four of the so 
called c Phenician bowls 0 , which originate from the Near East and are supposed to have been made about 
the end of the eighth or the beginning of the seventh cent. B.C. (fig. 26-29). It is a picture with dements of 
Egyptian as well as also of Eastern character. The man behind the Pharaoh triumphant, who brings up 
a prisoner and a dead man, and at the same time hol/ds a fan and a lance in his hands, is not known in 
Egyptian art. He will be an invention of an Eastern artist. The bringing up of foes and the holding of 
a fan behind the Pharaoh triumphant are both motives, which can be found in Egyptian art, but which 
never have been combined in one single person, like on the Phenician bowls. Egyptian representation of 
bringing up foes, according to an inscription on a relief of King Sahure (Fifth Dyn.) intend to exalt the 
king’s power (A. H. Gardiner, Eg. Hierogl. Writing, JEA, 1915, vol. II, p. 74). Egyptian gods bringing 
up dead men are not known. The man of the bowls like the gods will have to emphasize the power of 
the king. The fan also plays a part in the Egyptian scene of the Pharaoh triumphant. There the emblem 
of Ankh, that is the emblem of life, is holding a fan in a protecting gesture above the king (fig. 32-33). 
The fan gives refreshment of air and shadow. That means new life for body and soul in a hot climate. 
in the hands of Ankh the fan gets a magical power. Fig. 34 and 35 represent examples of magical fan- 
working. The power of the fan is also known to us by literary tradition (A. Erman, The Lit. of the 
ancient Egyptians, 1927, p. 174; I am indebted to Prof. Dr. A. de Buck for this reference). People, who 
stand in the shadow of the prince’s fan, will get under the power of the prince. Shadow-working itself, 
without the fan as a link, is known by a hymn of praise to King Sesostris III (i2th Dyn.) (A. Erman, 
o.c. p. 136), and in the tradition of other peoples (Acts of the Apostles, 5 15; Psalms, 121 5). Fans as 

23 ) F. L. Griffith, Meroitic Studies III (JEA, fer-W. Andrae, o.c. pl. 456; Handb. der Arch. p. 
4, 1917) ; L. Curtius, Handb. der Kunstwissensch. 630 (A. Scharff), pl. 105, 4. 

1913 (Antike Kunst), I, p. 213, pl. 156; H. Scha- 


OVER DE FIGUUR ACHTER DEN ZEGEVIERENDEN PHARAO 


369 


an appurtenance of the king for agitating air or for representative purpose as a royal Standard, are 
often occurring in Egyptian art, and are as well found in reality e.g. in the tomb of Tut-Ankh-Amon 
(H. Carter, Tut-Ankh-Amen, 1924, II, pl. 62, 63; III, pl. 12, 43). For the fan as a military Standard, 
used in army and navy in Egypt, see R. O. Faulkner, Eg. Military Standards, JEA, xxvii, 1941. The 
fanshaped Standard will have a symbolic significance, which represents the king’s power in battle. The 
fan, held by the man on the Phenician bowls, although showing a certain degeneration of form, will 
also have to procure vital power to the Pharaoh, like in the Egyptian scenes where Ankh is holding 
the fan (fig. 32-33)- But this man is characterised as a foreigner, a Syrian likely. It is only the magical 
fan, which makes him appear as a demon. Being a monumental and strong figure, he will not be invented 
especially for the bowls, but he 'will be taken over from a nowadays lost and therefore unknown Eastern 
picture of the Pharaoh triumphant, executed in big size. He is only of value in connection with the king 
and will be created by an Eastern artist, who wanted to give a homely touch to the Egyptian scene of 
triumph, as a compliment of the East to the Egyptian ruler. Finally there must still be mentioned a very 
late representation of a Pharaoh triumphant, and once more a product of not genuine Egyptian art. It is a 
relief of Meroe (fig. 36), showing a negroid type of the king and worked out in Graeco-Roman style 
(F. L. Griffith, Meroitic Studies, III, JEA, iv, 1917)- Behind the king the figure of a Victory is given, 
holding a longshaped fan over the king. Thus the Greek-Roman spirit shows still a special affinity to the 
ancient Egyptian idea of the powerful influence of the fan in this scene, as also Ankh is connected with it. 
The bringing up of foes is separately represented like on the old Egyptian pictures. It is on the silver. bowls 
only, that the man behind the Pharaoh shows the combination of bringing up enemies with the act of 
fan-emanation. So the idea of war, still accentuated by the lance, is connected with the idea of vital 
power, both slightly opposed to each other, yet both exalting the king’s triumph. 

EEN NIEUWE GESCHIEDENIS DER KUNST 
VAN HET NABURIGE OOSTEN 

A. W. Byvanck, De Kunst der Oudheid. Eerste deel, met 282 afbeeldingen 
op 80 platen en 80 figuren in den tekst. Leiden, E. J. Brill, 1946, xii, 
486; Tweede druk, 1947. 

Kort na de bevrijding liet de Leidse hoogleraar in de Archeologie het eerste deel van 
zijn De Kunst der Oudheid het licht zien. Toen hij, zoals J hij in het Woord Vooraf schrijft, 
„in de oorlogsjaren een taak zocht die hem geheel bezig hield en niet te omvangrijke en diep¬ 
gaande onderzoekingen eiste” rijpte bij hem het plan tot dit ondernemen. Maar ook zonder 
de oorlog ware toch een dergelijk plan wel van deze auteur te verwachten geweest. Wie zijn 
rede bij het openen zijner lessen als privaat-docent opslaat* 1 ) weet dat „hij de oudheid be¬ 
schouwt als een geheel”, d.w.z., dat hij de antieke en classieke beschavingen als wederzijds 
complement en supplement ziet. Wel zegt hij aan het slot van zijn inaugurele rede 2 ) : „Wij 
zoeken den Grieksen geest in zijn ongebroken vermogen”; maar hoe deze woorden te verstaan 
zijn, is ons duidelijk als wij zijn voorafgaande woorden ons herinneren: „willen wij haar (nl. 
de classieke oudheid) waardeeren, dan kunnen wij niet volstaan met de studie van Hellas 
en het Hellenisme, maar wij zullen ook aandacht moeten geven aan de zoo mysterieuze en 
overweldigende beschaving van het Oosten”. In die zin zal men dan ook de volgende aan¬ 
haling van het Woord Vooraf moeten verstaan: „Men kan dit deel niet juist beoordeelen, 
wanneer men de volgende deelen, waarbij het aansluit, niet kent. Vooral is van belang de 
samenvatting, die eerst aan het slot van het Derde deel een plaats kan krijgen, ter voor¬ 
bereiding van de bespreking der kunst gedurende den Romeinsen keizertijd”. 

Als wij het toch wagen een afzonderlijke bespreking aan dit deel te wijden, dan moge 
dit zijn verontschuldiging vinden in het feit, dat de ontvangst van dit begin bij het publiek 
van die aard is geweest, dat reeds Binnen korte tijd een tweede druk moest verschijnen. Het 
is in handen van vele kenners en liefhebbers der Oudheid een onderwerp van hun studie. 
Evenwel, al kunnen we op grond van boven vermelde oraties wel vermoeden in welke geest 
de verdere ontwikkeling zal zijn, we menen toch het verschijnen der volgende delen te moeten 
afwachten, alvorens een meer principiële bespreking op te nemen. 

Hoewel het werk dus is bedoeld als onderdeel, heeft het publiek niet geaarzeld het als 
een zelfstandig werk op te vatten. Dit is uit verschillende oogpunten te verklaren. Tot 1941 

1 ) A. W. Byvanck, De ondergang der antieke 2 ) A. W. Byvanck, Het Hellenisme en zijn strijd 
kunst, ’s-Gravenhage, 1917. in de antieke wereld, ’s-Gravenhage, 1922. 

Jaarbericht n°. 10 


24 




370 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


had de auteur een dubbele leeropdracht, naast de archeologie doceerde hij ook de Oude 
Geschiedenis. De scholing als historicus heeft hem bij zijn schrijven goede diensten bewezen; 
zo is het plaatsen van de kunst in het kader der geschiedenis op bijzondere wijze gelukt. 
Legt men het werk naast het analoge werk van Lunsingh Scheurleer (zie JEOL II/8, 
623) dan valt het onderscheid terstond op. Lunsingh Scheurleer behandelt de geogra- 
phische eenheden stuk voor stuk, Voor-Azië, Egypte, Griekenland. De indeling door zijn 
collega is dat na het Eerste Hoofdstuk Inleiding als Tweede volgt De oudste Kunst de?' 
Menschheid (tegen welke titel men bezwaar zou kunnen maken, omdat de onderdelen alleen 
op Europa en het Naburige Oosten slaan). Daarna worden in een Derde en Vierde hoofd¬ 
stuk Oude en Midden Rijk (Bijvanck spreekt van Middel-Rijk) en Voor-Azië in de gelijk¬ 
tijdige periode ondergebracht. Evenals Eduard Meyer de periode van 1600-1200 in zijn 
Gesckichte des Altertums 3 ) vanuit de Egyptische hoek benaderde, doet ook onze auteur en 
noemt het Vijfde hoofdstuk De tijd van de XVlilde en XlXde Dynastie. Het Zesde hoofd¬ 
stuk behandelt de periode van 1200 v. Chr. tot het midden der zesde eeuw. Op deze wijze, 
een middenweg tussen syn- en diachronische behandeling, wordt het doel van de schrijver 
de Kunst der Oudheid als geheel te zien wel zeer gediend. Persoonlijk voel ik als een gemis, 
dat de Minoïsche beschavingen in haar uitingen van paleizen op Creta in dit deel niet zijn 
opgenomen. Men kan deze toch niet van haar achtergrond, Egypte, losmaken. Maar wellicht 
weet de schrijver ons over dit bezwaar te doen heenstappen in zijn behandeling van dat 
gedeelte in het tweede deel. Tevens meen ik, dat velen het zeer op prijs zouden stellen, als 
over de principes van de Egyptische Kunst nog uitvoeriger en meer subjectiever zou worden 
gesproken als tot nu gedaan, dus niet enkel een weergave van Curtius’ opvattingen 4 ). 

Zo getuigt de opzet van de compositionele gave van de auteur, ons uit zijn andere werken 
trouwens ook bekend. Aan de drang tot compositie meen ik, is ook wel toe te schrijven, dat 
hij dit deel a.h.w. in crescendo afsluit met de behandeling van de torenbouw in Babel onder 
Nebukadnezar. Daar dit slechts een herbouw was, hoezeer in grote stijl, had kunsthistorisch 
bezien de behandeling eerder moeten plaats hebben; niet in de tijd der herschepping, wel 
in de tijd der schepping zelve, dus in de Hammurabi-periode. 

Het Nederlandse publiek heeft alle reden de auteur dankbaar te zijn voor dit ondernemen. 
Deze dankbaarheid is in de eerste plaats gerechtvaardigd, doordat hij met zijn kennis en 
smaak, zijn gaven van hoofd en hart, objectief het feitenmateriaal en subjectief zijn affecten 
onder de indruk der kunstwerken ondergaan (cf. de beschouwingen over het Assyrische 
reliëf) heeft gegeven. Maar ook nog om een andere reden. Het schrijven en publiceren van 
zulk een werk, vooral in een periode als waarin dit tot stand is gekomen, eist van een auteur 
zelfverloochening en zelfoverwinning. Men weet toch van te voren, dat een gedeelte der 
feiten bij het beschikbaar zijn van de ^orlogslitteratuur 3 zal moeten worden herzien; zo 
blijkt bv. de tweede pylon te Karnak niet van Ramses II, maar van Horemheb te zijn 5 ). 
Verder riskeert men, doordat men niet op alle gebieden specialist kan zijn, onnauwkeurig¬ 
heden in details te geven of met zichzelf in tegenspraak te komen; zo is bv. Ramses II 
p. 299 1292-1229 gedateerd, maar 1300-1233 op p. 319; het koningsbeeld in Turijn van 
Sethi I (door B. met de hybridische vorm Sethos I genoemd) staat bij hem nog op naam 
van Ramses II, die het usurpeerde; de „ivoren pyxis te Ugarit” werd niet te Ras Sjamra 
maar in Minet el-Beida gevonden. De tempel ,in de temenos van Ur (door B. volgens mij 
minder gelukkig burcht genoemd, zulks wel in navolging van de Acropolis) heet gi-par-ku, 
en niet gi-park-ku met anticipatie van de k 6 ); p. 249 wordt per abuis van de Mitanni als 
„veroverd” volk gesproken in plaats van over het „veroverende”. Als de auteur in aansluiting 
aan de val van Nineve in 612 spreekt over „den laatsten koning, die daar zijn einde vond”, 

3 ) Eduard Meyer, Die Zeit der dgyptischen 5 ) K. C. Seele, The coregency of Ramses II with 

Grossmacht (Geschichte des Altertums, II. Bd. 1. Seti I and the date of the great hypostyle hall at 
Abt.) Gotha, 1926. Karnak, O. I. Chic., Std. Anc. Civ. no. 19, 1940. 

4 ) Zie nu ook V. Muller, Progress and reaction 6 ) Deze verschrijving is ook bij een c specialist D 

in Ancient Egyptian Art, JAOS 63, 1943, 144-149. te vinden, cf. Handbuch der Archdologie I, 687. 


EEN NIEUWE GESCHIEDENIS DER KUNST VAN HET NABURIGE OOSTEN 37 1 

negeert hij de regering van Assur-uballit II (612-606). Ook de transcriptie, het zorgenkind 
ook van onze Redactie, speelt de auteur soms parten 7 ). 

Ook, het is waar, moet men bij hét schrijven van zulk een werk soms van diepgaander 
studies van detail af zien; maar is het gerechtvaardigd na een stijlstudie als die van Mevrouw 
Roes (zie JEOL deel II, 766) over de Koningskop van Nineve (zie ook Kernmomenten 
platen I-III bij p. 192) te spreken als „zonder twijfel” de kop van Sargon van Akkad? Over 
de functie van het beeld sprekend zegt de auteur treffende woorden, maar op het meest 
principiële, nl. de identiteit van persoon en beeld, legt hij geen nadruk. 

Aan het slot van deze voorlopige bespreking gekomen, mogen wij eindigen met de wens 
uit te spreken, dat de schrijver tijd en leven worden gegeven dit werk tot een gelukkig einde 
te voeren; een werk, dat door eenheid van conceptie, vaardige compositie, en fraaiheid van 
stijl een moment van betekenis belooft te worden in de geschiedenis der archaeologie en 
kunst in Nederland. 

Leiden, 12 Januari 1948 B. A. van Proosdij 

7 ) De s transcribeert hij met sch, dj wordt echter responderende Turkse g weer met dsch (Adla dsche) 
zowel gebruikt voor de dentaal in Dj oser, als voor weergeeft. Het register telt bovendien het Arabische 
de gemouilleerde gutturaal in Dje mdet Nasr. Even- lidwoord onder de vorm van el- als trefwoord mee. 
wel schrijft hij Gebel el-Arak, terwijl hij de cor- 

THE SOCIAL AND ECONOMIC HISTORY OF THE HELLENISTIC WORLD *) 

by M. ROSTOVTZEFF, Oxford, 1941 

Dit werk van den schrijver, wiens Social and Economie History of the Roman Empire 
als een standaardwerk geldt, is zeker een der belangrijkste waarmede degene, die in de 
historie van het Hellenistische Oosten belang stelt, na de bevrijding heeft kunnen kennis 
maken. In twee zware deelen, vergezeld van een derde deel Aanteekeningen, wordt hier 
vrijwel het geheele materiaal saamgevat en de stand der wetenschap weergegeven, op een 
wijze, zooals die nog niet bestond. 

Rostovtzeff waarschuwt in zijn Inleiding uitdrukkelijk, dat hij geen economische 
geschiedenis van de wereld in de Hellenistische tijd wil geven; hij bepaalt zich tot de Helle¬ 
nistische wereld, de landen en rijken, ontstaan uit Alexanders wereldrijk, en de daarmede 
onmiddellijk saamhangende randgebieden. Ook met deze beperking blijft het gebied groot 
genoeg, waarvan bovendien het materiaal ver verspreid en ten deele nog vrij onbekend is, 
zoodat deze poging tot synthese reeds een reuzenarbeid onderstelt. 

De nadruk valt op het woord History in de titel. Hij wil uitdrukkelijk geen antieke economie 
of sociologie schrijven, doch slechts de geschiedenis van de phaenomena op deze terreinen 
in het gegeven tijdperk. Evenmin, zegt hij met zekere nadruk, beschouwt hij economische 
geschiedenis als de echte of wezenlijke geschiedenis, hoezeer hij deze achter- en ondergrond, 
zeker te recht, als belangrijk beschouwt ook voor de andere levensgebieden. 

Het eerste hoofdstuk geeft een betrekkelijk kort, doch zeer inhoudrijk overzicht over 
de politieke ontwikkeling na Alexander. Men is veelal geneigd het zwaartepunt in deze tijd 
te verleggen naar de groote monarchieën. R. wijst echter op de voortdurende belangrijkheid 
van het Grieksche en Aegseische gebied. M.i. terecht: de zee en het zeeverkeer bleef het 
middelpunt van deze oekoumenè vormen, en daarmede bleef het gebied rondom de Aegaeis 
van buitengewoon strategisch en economisch belang, wat zijn terugwerking had op de 
politiek. Dit is zeer wel te vereenigen met de even juiste stelling, dat de Grieksche isteden 
hun zelfstandig politiek belang verloren hadden: zij werden stukken in een grooter spel. 
Veelal niet tot hun eigen heil. 

R. onderscheidt de periode der Diadochen, die, waarin de strijd om de macht nog 
heen en weer golfde, en waarin de grondslagen der ontwikkeling werden gelegd; daarna 
de tijd van de Balance of Powers (280-200), de tijd van de opbouw; daarna de daling en 
tenslotte de ondergang, eerst onder de inmenging, dan het protectoraat en tenslotte het 
dominaat van Rome. 

Was het Rome, dat deze aanvankelijk zoo bloeiende en veelbelovende wereld te gronde 
*) Zie ook p. 352. 








37 * 


EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 


THE SOCIAL AND ECONOMIC HISTORY OF THE HELLENISTIC WORLD 


373 


richtte? Of verviel zij door oorzaken van binnenuit? R. miskent het verwoestend karakter 
van het Romeinsch imperialisme niet. Maar reeds voordien en buitendien leed de Hellenis¬ 
tische wereld aan zware inwendige gebreken, die tot voortdurende oorlogscrises leidden, 
waaronder de structuur der maatschappij, ook zonder inmenging van buitenaf, zou zijn 
bezweken. Uitteraard blijven dergelijke beschouwingen altijd speculatief: R. toont het 
werken zoowel van inwendige als uitwendige krachten overtuigend aan. Terwijl ik persoonlijk 
geneigd zou zijn (op grond van hetzelfde materiaal) aan de uitwendige de grootste werking 
toe te schrijven, laat zich dat tenslotte evenmin bewijzen als het tegendeel, daar het hier in 
laatste instantie gaat om de vraag van het vertrouwen in. the Greek Genius om zich, aan 
zichzelf overgelaten, te redden uit zelfs zeer moeilijke omstandigheden. 

In zijn tweede hoofdstuk werpt de schrijver een blik op de situatie aan Alexanders Ver¬ 
overing voorafgaande; allereerst op Perzië. In onze gewone voorstellingen, die van Hellas 
plegen uit te gaan, komt Perzië gewoonlijk te kort: het verkeerde c in verval 3 . Politiek 
gesproken moge dit juist zijn, R. wijst erop, dat economisch gezien toch wel een belangrijke 
correctie op dit oordeel noodig is. Economisch was de toestand niet ongezond. Het rijk om¬ 
vatte velerlei stammen met velerlei structuur en hulpbronnen; het was selfsupporting, terwijl 
een vérgaande decentralisatie aan plaatselijke krachten vrij spel liet en sterke spanningen 
wist te vermijden. 

Toch vormde het rijk een zekere eenheid, die bewust bevorderd werd door wegen¬ 
aanleg en een centrale munt. Met de westelijke provincies, niet alleen Klein Azië, maar ook 
Phoenicië en Egypte stond Hellas in nauwe handelsverbinding. 

In de vijfde eeuw was de bloei van Hellas zeer groot geweest, een bloei, die berustte 
op uitvoer van kwaliteitsproducten naar technisch minder gevorderde landen. In de vierde 
eeuw zien wij Hellas kampen met overbevolking en pauperisme. Deze moeilijkheden schrijft 
R. er aan toe, dat de gunstige handelspositie van de vijfde eeuw bezig was te verdwijnen. 
Alom in afzetgebieden toonen de vondsten een vermindering van Grieksche producten, terwijl 
een inheemsche industrie van vervangende artikelen opleeft. De markten waren bezig zich 
van Hellas te emancipeeren, welks handelsbalans passief dreigde te worden, daar de behoefte 
aan invoer, door het stijgen van de levensstandaard eer toe dan afnam. 

Aan deze verhouding maakt Alexanders verovering een einde, althans voorloopig. Het 
valt niet te betwijfelen, dat alom de opening van Azië, het stichten van steden en het onder¬ 
houd van groote legers (die feitelijk nooit ontbonden werden) groote bedrijvigheid en winst¬ 
kans medebracht. Groote hoeveelheden buit stroomden in allerlei vorm naar het gebied 
rondom de Aegseis terug. De prijzen stegen, doch het geld schijnt overvloedig geweest te 
zijn. Athene beleefde onder Macedonische protectie een hernieuwde bloei, die zich weer¬ 
spiegelt in de werken van de nieuwe Komedie. De opbloei van Rhodus is bekend, doch ook 
vele andere steden volgden op een afstand. De kleine stad Priëne, die zorgvuldig onder¬ 
zocht is, toont een hoog levenspeil en aanzienlijke rijkdom. 

Doch ongetwijfeld was in deze bloei een groot element van oorlogseconomie; de welvaart 
was waarschijnlijk zeer ongelijk verdeeld. Er vormde zich een welvarende bourgeoisie, doch 
waarschijnlijk ook een proletariaat. Want de dorlogsomstandigheden hielden, vooral op het 
vasteland van Hellas, niet op. Daar bestreden de Diadochen elkander voortdurend, gebruik 
makend van de ingewortelde neiging tot onafhankelijkheid en verzet tegen overheerschers bij 
alle Hellenen. Deze oorlog werd in zeer verbitterde vormen gevoerd. Verwoesting van het 
platteland en genomen steden, waarbij de bevolking in slavernij werd verkocht, was steeds 
meer regel. De onveiligheid te land en ter zee bleef zeer groot. Snelle winst stond onmiddellijk 
naast plotselinge ondergang. Na gewezen te hebben op de beloften van prosperity alom, 
besluit R. met de omineuze woorden: But this appearance was illusory (p. 187). 

Ook tijdens het tijdperk, dat hij the Balance of Powers noemt, duurden de oorlogen in 
Hellas en de systematische plundering voort. Polybius wijt deze rampen aan de Aetoliers. 
Doch de waarheid schijnt dat alle partijen deze practijken overnamen. Ondanks het feit, 
dat de publieke moraal het verkoopen in slavernij van vrije Grieken scherp veroordeelde en 
vele steden in verdragen dit euvel trachtten tegen te gaan, door besluiten van loskoop of in 


vrijheidstelling, blijkt juist uit de voortdurende herhaling van deze maatregelen, dat de 
practijk voortduurde. Vooral de piraterie werd een plaag, die alle eilanden; en kuststeden 
bedreigde. De steden, die buiten het strijdgebied lagen profiteerden zeker van hun betrek- 
këtijke neutraliteit. Delphi bloeide onder bescherming van de Aetoliërs, Athene was meestal 
afzijdig. De handel van Rhodus nam steeds hooger vlucht. Doch zelfs voor deze betrekkelijk 
voorspoedige streken geldt, dat de welvaart niet voor alle klassen gelijk gold. 

Onderwijl consolideerden zich de groote mogendheden. 

Het minst week Macedonië af van de oude paden. Reeds Philippus was begonnen de 
natuurlijke hulpbronnen van het land, bosch en mijnen, systematisch te ontginnen. De 
Antigoniden zetten deze politiek actief voort. Met Delos onderhielden zij levendige betrek¬ 
kingen. Thessalonica groeide tot een groote havenstad. Een zware slag waren de invallen 
der Galaten, die het pacificeerings- en civiliseeringswerkl op de Balkan van Lysimachus 
grootendeels teniet deden. Macedonië had sedert te rekenen met een permanent bedreigde 
noordgrens. 

Het best bekend zijn natuurlijk de toestanden' in Egypte. Daar heeft Euergetes het 
systeem voltooid, dat waarschijnlijk reeds aangevangen was door Soter en Philadelphus. De 
Ptolemseen stonden voor het probleem hun leger en bestuur te onderhouden in een staat, 
waar geld wel niet vreemd was, , maar toch tot nu toe een betrekkelijk geringe rol had 
gespeeld. Tegelijk moesten zij een modus vivendi scheppen tusschen de verschillende ele¬ 
menten waaruit hun staat was gebouwd. Zij knoopten aan aan de bestaande toestanden, doch 
hun wijze van organiseeren was die van de Grieksche particuliere vermogensorganisatie. Zelfs 
de titulatuur van hun bureaucratie is ontleend aan het Grieksche particuliere leven. 

Eenerzijds moesten zij bestaande productie verhoogen, om daaruit inkomsten te trekken 
in geld, anderzijds nieuwe bronnen van inkomsten scheppen. 

Onder deze gezichtspunten bespreekt R. de welbekende organisatie van Egypte als het 
huis des Konings. Een reeks van onderwerpen, die het zelfs onmogelijk is in kort bestek weer 
te geven: waterverdeeling, landregistratie, koningsland, tempelland, klerouchiën, veeteelt, 
boschboüw, industrie, de monopilies. Tallooze lasten en belastingen op personen en trans¬ 
acties, zoodat men zich afvraagt, waarin de bevolking, die nominaal vrij was, eigenlijk nog 
onafhankelijk mocht worden genoemd. De eigenaardige Egyptische belastingpacht, waarbij de 
pachters slechts instonden voor een bepaalde opbrengst, doch zelf deze niet inden, zoodat hun 
bedrijf meer een soort verzekering van risico's gelijkt. Handel in binnen- en buitenland 
worden besproken alsmede de munt en geldpolitiek. 

Het geheel geeft een indrukwekkend beeld van de geperfectioneerde staats- en belastings- 
machine der Ptolemseen. 

Hoe de reactie der verschillende bevolkingsgroepen is geweest, laat zich bij gebrek 
aan gegevens niet exact vaststellen. Het maakt de indruk, dat de Hellenistische elementen, 
die met deze staatsexploitatie ten nauwste waren verbonden en wier kansen op persoonlijke 
winst ten nauwste samenhingen met de staatsbedrijven, het systeem accepteerden; bij hen 
overwon de homo economicus den homo politicus, die anders zoo sterk in den Griek naar 
voren trad. Over reactie der inlandsche bevolking is niets bekend; aanvankelijk schijnt, zoo¬ 
lang het systeem correct werkte, de toestand dragelijk geweest te zijn en niet tot tegenstand, 
hetzij actief of passief, te hebben geleid. Ongetwijfeld een groot succes voor het bestuur 
van Euergetes en zijn ambtenaren. 

Het rijk der Seleuciden is veel minder bekend. Bronnen ontbreken vrijwel geheel, en de 
plaatselijke verschillen moeten veel groter geweest zijn, zoodat de gegevens niet zonder meer 
op het geheele Rijk betrokken kunnen worden. 

Het probleem was in wezen hetzelfde als voor de Ptolemseen: het scheppen en onder¬ 
houden van een regeering over een zeer heterogene bevolking. In vele opzichten schijnen 
zij zich bij het Perzische voorbeeld te hebben aangesloten: opvallend is het wederopleven van 
plaatselijke cultuur in Mesopotamië. Maar toch hadden zij ook een zeer bewuste economische 
pulitiek: de handel van het Oosten passeerde hun rijk en daarom trachtten zij ook de uit-, 
voerhavens naar het Westen in handen te hebben of te houden. De felle strijd met Egypte 




374 EGYPTE EN HET AZIATISCH NABURIGE OOSTEN 

om Zuid Syrië hangt zeker ook samen met het feit, dat daar de handelswegen door Arabië 
de kust bereikten. 

Algemeen bekend is, hoe zij een uitgebreide kolonisatie bevorderden, waardoor het 
eigenlijke Syrië werd gehelleniseerd. Vele van deze steden bereikten een groote bloei (Antio- 
chië, Apamea, Seleucië). Een kleine kolonie, Dura-Europos, is door opgraving goed bekend 
geworden. Naast de steden en hunne gebieden bleven, vooral om de tempels, vele uitgebreide 
domeinen bestaan, deels in het bezit van gunstelingen en familieleden van het heerschende 
huis. 

De Grieksche steden beschouwden zichzelf zeker als vrij en autonoom en waren naar 
Grieksch model georganiseerd. Maar zeker is, dat de bevelen van den koning toch in feite 
de voorrang hadden boven alle plaatselijke wetten en verordeningen. Ook werden in allerlei 
vorm belastingen aan den koning opgebracht. In tegenstelling tot de Ptolemaeen, die hun 
muntgebied van het buitenland afsloten, schijnen de Seleuciden gestreefd te hebben naar 
aansluiting van hun munt aan die der omliggende landen, blijkbaar ter vergemakkelijking 
van de handel en verkeer. Bithynië, Pontus, Paphlagonië en andere kleinere randstaten 
volgden min of meer de ontwikkeling. 

Het meest kwam onder die kleine staten op den duur Pergamum op den voorgrond. 
Onder de bekwame leiding van de Attaliden werd ook daar een bewuste welvaartpolitiek 
gevoerd, die voor zoo ver mogelijk het voorbeeld der Ptolemaeen volgde; Pergamum groeide 
tot een rijk centrum van handel, industrie en cultuur. 

Zoo scheen, ondanks gevaren en de bittere onderlinge strijd, de toekomst niet zonder 
hoop, dat een blijvend evenwicht zou ontstaan, dat ruimte zou bieden voor verdere gunstige 
ontwikkeling. Doch deze hoop werd verstoord door de inmenging van Rome, samenvallend 
met de pogingen van Philippus v en Antiochus in om, gebruikmakend van dynastieke moeilijk¬ 
heden in Egypte, zich de hegemonie in de Aegaeis en Syrië te veroveren. 

De schade van de zgn. bevrijdingsoorlog van Rome tegen Philippus en Antiochus moet 
enorm geweest zijn en leidde niet tot een heldere en geregelde toestand na afloop. Fantas¬ 
tische hoeveelheden buit en slaven werden volgens de officieele opgaven der Romeinen weg¬ 
gesleept, doch nog veel meer werd zeker door de afzonderlijke soldaten en ambtenaren 
privatim geroofd. De schade aan steden en landerijen laat zich zelfs niet begrooten. Ook na 
afloop van de oorlogen bleef in deze streken zonder krachtig centraal bewind rooverij te 
land en ter zee tieren. De rooversstaat van Nabis is er het bekende voorbeeld van. 

Athene bleef vrijwel onbeschadigd en verheugde zich in de gynst en bescherming van 
Rome. Rhodus en Pergamum erfden het gebied van Antiochus in Azië en stegen sterk in 
rijkdom, totdat zij na 168 in ongenade vielen. Toen begon de bloei van Delos, de vrijhaven, 
waar zich de Italische en verdere buitenlandsche handelaars vestigden. Doch ook daarna 
wisten zij zich althans te handhaven. 

In het eigenlijke Hellas begint in deze periode de catastrophale ontvolking. Kinderloos¬ 
heid en het te vondeling leggen werden regel. 

Syrië was in 189 zwaar gehavend, maar nog niet dood. Antiochus in en iv trachtten hun 
rijk, ten koste van Egypte, en toen Rome dit in 168 verbood, ten koste van het Oosten te 
herstellen. De dood van Antiochus iv maakte aan deze pogingen een einde. Vanuit het 
Oosten begonnen de Parthen steeds meer op te dringen, binnenlandsche stammen kwamen 
in opstand (de Maccabaeen), terwijl hevige oorlogen om de troon, door Rome bevorderd en 
aangestookt, de vernietiging voltooiden. 

Ook Egypte, hoewel buiten de noodlottige sfeer van Rome, daalde snel. De modus 
vivendi tusschen ingeborenen en Hellenen ( c.q . Macedoniërs), waarop de vlotte werking der 
staatsmachine rustte, werd verstoord. In de oorlogen tegen de Syriërs moesten de Ptolemaeen 
Egyptenaren in hun legers opnemen. Zij vormden sedertdien een kern, waarom de ontevre¬ 
denheid van de onderdrukte volksmassa zich kon verzamelen. Heftige opstanden, staking 
van arbeid, lijdelijk en actief verzet verschijnen chronisch in onze bronnen, hoewel we van 
omvang, aanleiding en resultaat vrijwel niets weten. In de felle familietwisten van de 
Ptolemaeen onderling boden deze spanningen gelegenheid voor de pretendenten zich een 


THE SOCIAL AND ECONOMIC HISTORY OF THE HELLENISTIC WORLD 375 

aanhang te verschaffen. Dat hierdoor de vlotte werking der gecentraliseerde planeconomie 0 
van de eerste Ptolemaeen vast liep en wat er van restte als zware druk en tyrannie werd ge¬ 
voeld, spreekt wel vanzelf. Deze dalende lijn, zich ook uitend in toenemende verslechtering 
van de munt, heeft zich tot het einde toe voortgezet. Ondanks het feit, dat de handelsgeest 
der Alexandrijnen het verlies van Syrië en van het protectoraat over de Aegaeis wist te 
overkomen o.a. door de opening van de handel over zee met Indië 

In Hellas en Klein Azië zou men kunnen verwachten, dat de betrekkelijke vrede van 
168-88 v. Chr. een tijdperk van opleving geweest zou zijn. Ten deele is dit ook juist. De 
bourgeoisie herstelde zich van de ergste oorlogsverliezen. Athene, Delos, Rhodus, Pergamum, 
.Thessalonica bleven voorspoedige havensteden. Herhaaldelijk merkt R. op dat er nog zeer 
rijken waren. Maar betrekkelijk weinigen: het bezit concentreerde zich in steeds minder 
handen en een voornaam deel van deze bezitters waren buitenlanders, de bekende Italische 
negotiatores , meer en meer, al naar mate Rome’s direct bestuur zich uitbreidde, gevolgd 
door de publicani. 

Plet moge juist zijn, dat Rome geen zwaardere lasten (officieel) oplegde dan de eigen 
vorsten vroeger. In feite was de rechteloosheid van, de ingezeten bevolking en de corruptie 
van de inning zwaarder last dan de officieele tributen. Dat de situatie van de onderste laag 
der bevolking desperaat werd blijkt uit de opstanden, waarin slaven en proletariërs gelijkelijk 
begonnen deel te nemen. R., die m.i. aan de verdeeling van de rijkdom naar verhouding te 
weinig aandacht schenkt en daarom nu en dan rijkdom van enkelen gelijk stelt met welvaart 
van het geheel, karakteriseert niettemin de toestand als: economie oppression and corrupt and 
unfair administration. 

De Mithradatische oorlogen brachten de uiteindëlijke ruïne. Het was de laatste maal, 
dat het Hellenislme zich trachtte te ontrukken aan het overwicht van Rome en daarbij al 
zijn sinds eeuwen opgetaste rijkdom in het vuur bracht. Zonder resultaat. Niet alleen keer¬ 
den negotiatores en publicani terug, doch, behalve de ontzaggelijke sommen, die de oorlog 
en de requisities van beide zijden hadden verteerd, bleef het probleem van de nog te 
betalen oorlogslasten. Hoezeer hier niet alleen de absolute hoogte van de gevraagde lasten, 
doch vooral de wijze van administratie en inning van belang was, blijkt uit wat we weten 
omtrent het optreden van Lucullus, Pompejus en Caesar. Cicero betuigt herhaaldelijk, dat 
onder eerlijke administratie een herstel vrijwel onmiddellijk placht in te treden. 

Pompejus bracht tenslotte rust te land en ter zee. Doch deze duurde niet lang. De Helle¬ 
nistische landen werden medegetrokken in de Romeinsche burgeroorlogen en nogmaals 
grondig geplunderd en belast, nu voor doeleinden, die hunzeif geheel vreemd waren. Brutus, 
Cassius, Antonius behielden een zeer slechte reputatie in het Oosten. Uit sommige uit¬ 
barstingen blijkt hoezeer de ongelukkigen tot vertwijfeling werden gebracht. 

Wanneer R. aldus het einde van de te bespreken periode heeft bereikt, vat hij zijn 
resultaat nog eenmaal samen in een Summary and Epilogue. 

Een uiterst nuttige en noodzakelijke saamvatting, hoewel de schrijver terecht zegt, dat 
hij alle materiaal en alle gezichtspunten reeds in het voorgaande heeft vermeld. Immers de 
massa stof en de veelheid der vraagpunten is zoodanig, ondanks het meesterschap waarmede 
zij door den schrijver worden beheerscht, dat toch de lezer dankbaar is voor een overzicht 
van den auteur zelf. 

R. zegt, dat het Hellenisme, ondanks een aanvankelijk succes, zijn hoofdprobleem niet 
heeft kunnen oplossen. Hoewel wij juist van de massa der bevolking nagenoeg geen ge¬ 
tuigenis over hebben, spreken de latere ontwikkelingen toch duidelijk genoeg. In Egypte 
bleef het eigenlijke volk vreemd tegenover de heerschende klasse. In Syrië liep dei scheidslijn 
tusschen de gehelleniseerde steden en het platteland en de steppe, die Arameesch bleven. 

Hellas werd verdeeld in een welvarende klasse der bourgeoisie en een proletariaat, 
dat tenslotte een revolutionair element in de polis vormde. Deze innerlijke verscheurdheid 
werd gecumuleerd door de verwoestingen van oorlog van buitenaf, waarbij tenslotte alleen 
die zijn bestaan wist te redden, die zich tijdig de bescherming van den overwinnaar wist te 
verwerven. 





376 


THE SOCIAL AND ECONOMIC HISTORY OF THE HELLENISTIC WORLD 


Ook in de theorie, d.w.z. de philosophie, wist niemand een oplossing te geven voor het 
probleem van de rechten en positie van het volk. Zeker gaven de philosophen voorschriften 
over politieke moraal, die somtijds misschien ook wel invloed op vorsten en machtigen gehad 
hiebben. Zeker bewerkten zij de publieke opinie ten opzichte van het onnatuurlijke van 
slavernij, vooral van Hellenen. Maar een leidraad voor politiek en sociaal leven vermochten 
zij niet te geven; zij hebben die vraagstukken, voor zoo ver wij weten, ternauwernood aange¬ 
roerd. Hoogstens wordt het voorbeeld geprezen van Rhodus, dat zich in die exceptioneele 
positie bevond, dat het rijk genoeg was zijn proletariaat op gemeene kosten te onderhouden 
en te bewaren voor honger. 

In de bouw van de maatschappij treft als nieuwe factor voornamelijk het professionalisme. 
Het leven werd meer en meer ingedeeld in seotoren, die door beroepsmenschen werden be¬ 
hartigd. Dit geldt zoowel voor de Staat (leger en ambtenaren) als voor het privaatleven, waar 
steeds meer de beroepen zich gingen afteekenen. Toch bleef zoowel het economische als het 
sociale leven nog beheerscht door de afstammelingen van de oude politai, een leisured class , 
die de eigenlijke drager bleef van welvaart en cultuur. 

Gegevens omtrent dichtheid van de bevolking en de hoeveelheden kapitaal bezitten 
wij niet. Slechts laat zich in het algemeen zeggen, dat aanvankelijk de bevolking toegenomen 
zal zijn, terwijl zeer aanzienlijke kapitalen werden verzameld en bespaard, die in de crisis¬ 
tijden ernstig werden aangetast. 

Eigenlijk nieuws vinden wij in structuur en outillage van de maatschappij zeer weinig. 
Doch wel overal verbetering van methoden en intensiveering van de arbeid. De slavernij 
bleef in het Oosten een ondergeschikte rol spelen. Des te belangrijker en noodlottiger werd 
de slavenjacht en slavenuitvoer naar het Westen. 

De calculeerende en reglementeerende geest van de Hellenistische volkshuishouding, 
zooals die in Egypte tot het uiterste werd doorgevoerd, maar in wezen overal werd gevonden, 
is het eigenlijk Grieksche in de nieuwe structuur, die daaraan het uiterlijk van kapitalisme 
geeft; de instellingen echter bleven bij het oude. De ontwikkeling van de geldhuishouding 
deed het bankbedrijf opkomen. 

De oorzaken van deze betrekkelijke onvruchtbaarheid, na veelbelovend begin, zoekt R. 
in de mentaliteit der Hellenen, die zich bleven vastklampen aan ideeën van autarkie en vrij¬ 
heid, en aan de neiging tot meedoogenloos uitvechten, die den Hellenen immer eigen is ge¬ 
weest. Rome heeft met zijn imperialisme een noodlottige werking geoefend, het heeft de 
laatste en beslissende stoot gegeven, maar de oorzaken lager dieper en zouden op den duur 
zeker ook tot ondergang hebben geleid. Rome heeft tenslotte orde en eenheid gebracht, doch 
het is er evenmin in geslaagd een verbinding tot stand te brengen tusschen de staatkundige 
ordening en het leven van de massa. 

Vanzelfsprekend heb ik bij dit overzicht tallooze gegevens moeten weglaten. Het werk is 
zoo compact opgesteld, dat het alleen in zijn geheel en met bestudeering van de aanteekeningen 
en litteratuur verbonden tot zijn recht kan komen. Niet altijd ook zal de lezer het met den 
schrijver eens zijn. Maar daarbij dient gezegd, dat R. bijna altijd deze aanvechtbare meeningen 
geeft als persoonlijke indruk, die uit de (meestal fragmentarische) gegevens gelezen kan 
worden. Juist deze beheerschtheid, die niet als bewezen geeft, wat slechts vermoed wordt, 
geeft aan heit boek zijn rustig en overtuigend karakter. Dit is objectieve wetenschap in de 
beste zin des woords. 

Persoonlijk zou ik gaarne iets meer economische theorie hebben gehoord: de vraag 
hoe de gevonden feiten zich verhouden tot de algemeen geldende regels op economisch 
gebied. Speciaal wat betreft de verhouding van geldkapitaal en welvaart in de verhoudingen, 
zooals die door R. worden gevonden. Maar R. geeft alleen History en dat is tenslotte zijn 
volle recht. 

Hij heeft ons een werk gegeven, dat zeker voor vele jaren uitgangspunt zal zijn 
voor verdere studie. 

Hilversum, Augustus, 1946 


K. Sprey 


V OOR AZIATISCHE PHILOLOGIE 

BEZINNING OP HET OUDE TESTAMENT 


INLEIDING — SCANDINAVIË — DUITSLAND — ZWITSERLAND — BELGIË — 
NEDERLAND — ZUID AFRIKA — FRANKRIJK — ENGELAND — AMERIKA 

De redactie vroeg een bijdrage over de studie van het Oude Testament in de afgelopen 
jaren. Het is natuurlijk onmogelijk alle publicaties, die in de oorlogsjaren en daarna 
zijn uitgekomen op het gebied van het O.T., volledig te overzien. 

Er zijn nog steeds uitgaven, die niet bereikbaar zijn, sommige boeken, reeds lang 
besteld, zijn nog niet aangekomen uit de betreffende landen; van enkele zijden, met name 
Duitsland, komt niets door. Vandaar, dat met de redactie overeen is gekomen, dat dit artikel 
niet zozeer een objectief verslag zal zijn van alle litteratuur, die is verschenen, maar een 
meer subjectieve beschouwing over de studie van het Oude Testament in de laatste jaren. 
De schrijver mag zich dus persoonlijk wat meer laten gaan in zijn beschrijving van de 
beweging, de wetenschappelijke activiteit rondom het Oude Testament. Hij heeft daarom 
ook de subjectieve titel gekozen, die boven dit opstel staat. Dit kan te gereder, daar als 
nevenloot naast het Jaarbericht van E.O.L. de Bibliotheca Orientalis opgekomen is, dat 
zich op voortreffelijke wijze ontwikkelt van een klein begin tot een leiding gevend biblio¬ 
grafisch en kritisch tijdschrift, en door een grote staf van medewerkers van internationalen 
huize wordt gesteund. Dit maakt daarom bibliografische jaaroverzichten, zoals zij tot nog 
toe gegeven werden, niet overbodig voor de lezerskring van het Jaarbericht, maar stuwt 
anderzijds dichter in de richting van systematische beschouwingen over bepaalde litteratuur- 
gebieden, een lijn, die trouwens in enige Jaarberichten al eerder is gevolgd. 

Wanneer wij de wetenschappelijke activiteit, die er is rondom het O.T. van de laatste 
zeven jaar volgen, dan valt de grote verscheidenheid van beweging daarin op. Toch is er 
in deze beweging een zekere constantheid — er is in datgene, wat wij onder ogen kregen, 
niet een sterke afwijking van de probleemstellingen, die in de vorige decennia de aandacht 
trokken. Wel mag men spreken van een zekere bezinning, die aan de dag is getreden. Zeer 
schokkende nieuwe gezichtspunten zijn niet toegevoegd, al handhaven zich extremistische 
uitersten op godsdiensthistorisch en op theologisch gebied en keren zij in sommige gevallen 
in nieuw gewaad terug, waarbij ik denk enerzijds aan wat van de zijde der Uppsalaschool 
geschreven wordt en anderzijds aan wat door dogmatische theologen van protestantsen huize 
over het O.T. wordt verkondigd. 

Er is behalve een zekere constantheid van beweging ook een zekere regressie, een 
bezinning, vooral als wij de afgelopen jaren vergelijken met een grotere periode, die daar¬ 
achter ligt en die zich laat typeren door het woord c expansie°. Na de ontdekking van de 
Egyptisch-Vooraziatische culturen wilde men het O.T. zien in zijn relaties met die culturen, 
de grote verbanden waar Israël historisch, vooral geesteshistorisch, in stond; de aandacht 
was allereerst cultuur- en godsdiensthistorisch ingèsteld. Nu is er een sterkere neiging dan 
toenmaals om tot de bestudering van Israëls beschaving en godsdienst zelf terug te keren ; 
men laat de verschijnselen niet meer in hun samenhangen opgaan, maar zoekt de eigen geest 
en ontwikkeling van Israël te verstaan in het besef, dat men nog lang niet aan een werkelijk 
begrijpen van de teksten en het geestelijk leven, waaruit zij zijn voortgesproten, toe is 
gekomen. De afgelopen eeuw van ontdekking der oude wereld heeft verrijkt, men zoekt 
nu naar verdieping der kennis. Tegenover de opvatting, dat Israëls religie en cultuur zuiver 
synkretistisch is, waarbij de Babylonische, Phoenicisch-Kanaanietische, Arabische, Egyp¬ 
tische, Kleinaziatische, Perzische en Hellenistische wereld of gezamenlijk of meer een voor 
een, de donor waren van levensbloed, staat een terugkeer naar de erkenning van het eigene 
in de Israëlietische geestesbeschaving, zoals die speciaal in het Oude Testament tot uitdruk- 





3 7 S 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


BEZINNING OP HET OUDE TESTAMENT 


379 




king komt. Israël is wel een nabij-oosterse factor, maar heeft tevens een'eigen type; het 
heeft een echt eigen geestesmerk; dit wil men benaderen en onder woorden brengen. 

Het feit dat Buber voor Mozes als historisch benaderbare figuur {Moses, 1946) kan 
pleiten, ja zelfs een uitvoerige tekening geeft van zijn werk, is hier evenzeer kenmerkend 
als de grote belangstelling, die er ontstaan is voor O.T.ische theologische vragen en als de 
voorzichtigheid, welke door Ras Sjamra-kenners wordt betracht in hun conclusies bij de 
vergelijking van de Ugaritische cultuur en de O.T.ische gegevens (bv. R. de Langhe, Les 
Textes de Ras Shamra-Ugarit, 1945, 2 dln, en W. Baumgartner, Ugaritische Probleme, 
Theol. Zeitsch. Basel, 1947). 

Wij willen trachten de beweging rondom het Oude Testament in haar onderscheidenheid 
nader te ontleden. Er is een sterk verschil in de betoonde activiteit. Men kan de bewegelijke 
stroom van litteratuur, die er is, in verschillende groepen splitsen. Men kan het Oude Testa¬ 
ment vergelijken met een magnetische staaf, die dus een positieve en negatieve pool bezit. 
Hier omheen is een heel krachtveld, en op dit veld zijn velerlei krachtlijnen aan te wijzen. 
De beide polen zijn het menselijke en het goddelijke, het nationale, historische, ethnischè, 
sociale, psychische èn het geestelijke, religieuze, cultische, maar vooral het profetische 
element. In dit magnetisch veld zijn de onderzoekers als kleine staafjes, die op zeer ver¬ 
schillende punten liggen en door de magnetische kracht getrokken worden, zodat ieder een 
eigen beweging naar de negatieve of positieve pool uitvoert. Daardoor zijn allerlei kracht¬ 
lijnen aan te wijzen in de richting van de beide polen. Vandaar de grote activiteit rondom 
het O.T. en het verschil van benadering ervan. Vooral het standpunt en de belangstelling 
van den onderzoeker zijn hierbij van enorme betekenis; of men als linguist, godsdiensthisto¬ 
ricus, litterator, historicus, psycholoog, archeoloog, volkenkundige, Joods of Christelijk 
theoloog, etc. het O.T. benadert, maakt een geweldig verschil. Hoe de onderzoeker zelf 
c geladen° is, of niet-geladen, neutraal, is daarbij evenzeer van betekenis, als het doel, dat 
hij heeft en zijn standpunt ten opzichte van het object van onderzoek. De grootte en vorm 
van het staafje, de geladenheid, de ligging ten opzichte van de grote magnetische staaf, 
afstand tot de staaf en haar positieve of negatieve pool, alles werkt mee om een bepaalde 
beweging te bevorderen, een bepaalde krachtlijn te volgen. 

Wij moeten het beeld loslaten, want evenals elke vergelijking gaat ook deze mank. Er 
is een groot stuk waarheid in, want als Coppens uit Leuven over het paradijsverhaal schrijft, 
of Humbert uit Neuchatel, of B. Jacob, komen er verschillen te voorschijn; of Buber 
Mozes behandelt of Volz of Gressmann maakt een groot onderscheid. Zo wanneer Eerd- 
mans, Engnell of Böhl de psalmen bespreken; en wanneer Albright, Meek, Johnson 
of Eerdmans het gionotheïsme in Israël benaderen, leidt dit tot grote divergenties. De 
voorbeelden kunnen met talloze vermeerderd worden. In zover is het gebruikte beeld juist. 
Vooral waar het gaat over de bewegingen naar wat wij de c positieve pool 0 zouden kunnen 
noemen, het geestelijk-godsdienstig leven van Israël, is een diepgaand onderscheid in be¬ 
nadering steeds merkbaar. Ieder doet dit van een bepaald standpunt uit. Een studie over 
een bepaald godsdienstig phsenomeen leert evenzeer den auteur in zijn geestelijke structuur 
als het beschreven phsenomeen kennen. Met de beweging naar de negatieve pool is het 
enigszins anders gesteld (en in zover gaat de vergelijking dus niet op), aangezien hier het 
persoonlijke gezichtspunt niet zo sterk overweegt; ik zou echter niet willen ontkennen, 
dat het niettemin een rol speelt. 

Ook bv. het woordonderzoek hangt mede af van bepaalde presupposities en zal niet — 
althans lang niet in alle gevallen — tot volledig objectieve resultaten komen. Men zie de 
kritiek van Dr van der Ploeg in BiOr Juli 1947, blz. 85 vv. op Snaith’s The distinctive 
ideas of the O.T. 1944, welke begint met te constateren, dat het een echt Protestants 
boek is. Vandaar dat de philologisch-historische methode van onderzoek van het O.T. 
niet de volstrekte zekerheid geeft voor absoluut geldige oordelen. Daar komt bij, dat men 
bij gebrek aan historisch materiaal ook bij deze methode telkens tot hypothesen zal moeten 
komen, die aan de volstrekte geldigheid van de resultaten afbreuk doen. Inzover staat het 


O.T.isch onderzoek ten achter bij dat van de Babylonisch-Assyrische wereld, al laten ook 
daar persoonlijke inzichten zich gelden. 

Wij zeiden echter, dat het gebruikte beeld, ondanks de waarheid die het uitdrukt, mank 
gaat; en dit is juist, omdat het de bewegingen te mechanistisch-deterministisch beschrijft. Het 
wetenschappelijke bedrijf is, ook op dit terrein, meer dan een slechts voortgedreven worden 
door eigen kracht in een bepaalde richting. 

Er is ten eerste de mogelijkheid bij den wetenschappelijken onderzoeker van een zekere 
distanciëring ten opzichte van zijn eigen veronderstellingen en ten tweede is er de invloed, 
die van het voorwerp van zijn onderzoek uitgaat op den onderzoeker. 

De mogelijkheid van het (althans tot bepaalde graad) uitschakelen van de vooronder¬ 
stellingen, die in zijn eigen gedachten- en gevoelswereld liggen opgesloten, maakt dat hij 
min of meer onbevangen de teksten op zich kan laten inwerken. Naarmate dat geschiedt, 
en hij werkelijk luisteren kan naar het object, de tekst tegenover hem, zal het tweede plaats 
vinden en zal er invloed van de verschijnselen, de teksten, op hem uitgaan. Het grote geheim 
is inderdaad het kunnen luisteren, de teksten kunnen laten spreken. Hier moet openheid 
zijn, deze krijgt men alleen langs de weg van grote zelfdiscipline, en is te vergelijken met 
het geduld van den vogelliefhebber, die de dieren in hun leven wil bestuderen. Zonder dit 
geduld kan geen enkele vogelliefhebber werkelijk zijn vogels in de natuur gadeslaan en ze 
leren kennen. Het geduld moet de liefde in bedwang houden, één onvoorzichtige beweging, 
die te grote hartstocht om te leren kennen doet maken, kan de gehele onderneming voor 
een bepaalde tijd doen mislukken. Natuurlijk is liefde tot het dier ondersteld, want alleen 
deze maakt het mogelijk, dat de mens een stuk van zijn tijd, of genot, eigenlijk een stuk van 
zijn leven opoffert. Maar geduld, d.i. discipline, methodisch onderzoek, èn liefde moeten 
samengaan. 

Zo is het op het terrein van het wetenschappelijk onderzoek, in het bijzonder bij geeste¬ 
lijke verschijnselen als oude litteraire gegevens, niet het minst bij een zeer omstreden en 
gewild (omstreden, omdat het door velen gewild is, omdat velen het willen accapareren voor 
hun eigen geestelijke opvattingen) boek als het O.T. Om dit te kennen in zijn werkelijke 
hoedanigheid wordt niet alleen liefde, d.i. geestelijke belangstelling, een zekere algemene 
affiniteit, verwantschap, gevraagd, maar ook discipline, scholing, methodisch onderzoek; 
hoe strenger dit laatste is, hoe meer men kan verwachten, dat de benadering van het object 
zuiverder zal zijn. De liefde alléén maakt blind, verhindert de zuivere beschouwing en 
waardering; al is er anderzijds in de blinde liefde ook een intuïtief schouwen, dat één bepaald 
element op ongeëvenaarde wijze kent en naar voren brengt; aan de liefde wordt dus niet 
alle kennis ontzegd, integendeel, maar haar kennis is uiteraard eenzijdig. Het wetenschap¬ 
pelijke onderzoek kan deze liefde, de intuïtieve kennis, niet missen, maar anderzijds deze 
nooit in haar eenzijdigheid als alleen beheersende factor erkennen, maar moet het geschouwde 
ïn relatie stellen tot de overige opgemerkte factoren en zo tot een inzicht komen in de 
gecompliceerdheid van het gehele organische wezen en haar verschillende relaties. Er is in 
het Nederlandsch Theologisch Tijdschrift een interessante discussie ontstaan tussen twee 
classici, over de betekenis van wat ik de intuïtieve kennis in de wetenschap zou willen 
noemen (vgl. N.T.T. 1947, blz. 129 vv., 321 vv.), waarin van de ene zijde op de gevaren, 
van de andere zijde op het onvermijdelijke van de subjectieve benadering der oude literatuur 
wordt gewezen. Ik denk er niet over hier als scheidsrechter op te treden, maar meen, dat 
met de opmerkingen van beide zijden rekening gehouden moet worden; naar mijn gevoelen 
vullen beide opvattingen elkaar aan: de erkenning van het subjectieve element, dat voert tot 
erkenning van de beperktheid der wetenschappelijke praktijk, is de ene zijde van de waar¬ 
heid; het stellen van de eis van exact philologisch onderzoek en het ideaal ener objectief zich 
instellende wetenschap, is de andere zijde. Beide elementen behoren samen, zoals geduld en 
liefde bij den onderzoeker van de levende natuur. Enerzijds blijft er een subjectief element 
in elk wetenschappelijk waarderingsoordeel, anderzijds de noodzakelijkheid van voort¬ 
durende kritische controle. Naarmate het object van wetenschap meer geestelijk van aard 
is, zal het subjectieve een grotere rol spelen en de mogelijkheid om volstrekt objectieve 




3 8 ° 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


resultaten te bereiken kleiner zijn. Maar daarnaast is ook waar, dat elk verschijnsel, naar¬ 
mate het meer geestelijk van aard is, veelzijdig is van structuur en meer dan één benadering 
toelaat. Dat betekent niet, dat er meer dan één waarheid is, maar dat de waarheid omtrent 
een bepaald verschijnsel in meer dan één oordeel — soms zelfs in paradoxale oordelen -— 
zal moeten worden samengevat. Bv. in # het O.T. kan men het boek Job of een figuur als 
Prediker van meer dan een zijde belichten; Prediker is als mens van zijn tijd en wereld nu 
eenmaal meer met een palimpsest dan met een eenzijdig beschreven papyrusrol te ver¬ 
gelijken. En zo is het wezenlijk met elk litterair document, dat een persoonlijkheid of (en) 
een geestelijke beweging achter zich heeft. Zoals men een organisme chemisch, biologisch, 
enz. kan bezien, zo nog meer een geestelijk document. De Jesajaanse geschriften zijn philo- 
logisch te beschouwen, maar ook historisch, godsdiensthistorisch, sociologisch, psychologisch, 
en evenzeer theologisch, christelijk theologisch, joods-theologisch, etc. Een verhaal als 
Gen. 2 v. biedt, is Vieldeutig 0 , het heeft een godsdiensthistorische achtergrond, ook een 
sociale, historische, etc., maar ook een bepaalde theologische: vanuit een- bepaalde verhouding 
van God en mens is het geschreven en een bepaalde Godsverkondiging gaat er van uit. 

Het is wel typisch voor een beschouwing als R. H. Pfeiffer geeft in zijn Introduciion 
to the O.T . p. 162, die „the connection between the tree of knowledge and death entirely 
spurious” noemt. Hij ziet slechts een verwarring van mythologische gegevens in plaats van 
een geestelijk idee, een prediking, die de mythologische gegevens in haar dienst neemt en 
ze tot een nieuwe eenheid samensmelt. Pfeiffer doet erin, wat men niet mag doen: uitgaan 
van een bepaalde analyse van oorspronkelijke elementen zonder te trachten den auteur, 
die deze tot een eenheid heeft verbonden, werkelijk te verstaan. De schrijver of uitgever 
leverde z.i. zulk vals maakwerk, dat het zinloos is. Dit bordeel valt m.i. als een oordeel op 
Pfeiffer zelf terug. Er is door hem niet naar den schrijver, die deze combinatie schiep, 
werkelijk geluisterd, hij is geheel van zijn godsdiensthistorische analyse uitgegaan; inderdaad 
is het juist, dat andere oud-oosterse godsdiensthistorische parallelen het begrip dood in ver¬ 
band brengen met de levensboom (-plant, enz.); als de auteur van Gen. 2 v. dat niet doet, 
maar de dood in verband brengt met de boom van de kennis van goed en kwaad, is daarom 
deze verbinding nog niet spurious, misschien curious, maar deze ongewone verbinding kan 
juist een diepe zin hebben, die werkelijk door den schrijver bedoeld is. De afwijking van 
de godsdiensthistorische phsenomena is hier sprekend en betekenisvol; daardoor krijgt het 
verhaal zijn bijzondere inhoud. Wat philologisch en godsdiensthistorisch niet redelijk is, 
kan in geestelijk verband zeer zeker zinvol zijn. Ook dit verhaal heeft meer dan één kant, 
het heeft een setiologische achtergrond; het heeft godsdiensthistorisch een heel eigen karakter, 
het is sociaal bepaald, en heeft een eigen diepe theologische zin, ook al is men het over 
die zin nog helemaal niet eens in de tegenwoordige exegese. Pas wanneer men met al deze 
aspecten rekening houdt, kan men tot een verstaan komen. De philologie zal hierbij steeds 
moeten helpen, maar zij alleen kan niet alles doen; behalve allerlei andere hulpwetenschap¬ 
pen is zelfs ook intuïtie niet ontbeerlijk. 

Bij het overzien van de weer stromende vloed van litteratuur over het O.T. overheerst 
de indruk van de veelzijdigheid en gecompliceerdheid van dit wetenschappelijk terrein, en 
men mag zeggen, dat de verschenen boeken meestal niet ijdel zijn geschreven; in het meren¬ 
deel is toch wel een bepaalde zijde van het O.T. belicht; er worden allerlei krachtlijnen 
getrokken, die toelaten de krachten van het O.T. opnieuw te leren schatten. De baan. die 
velen beschrijven, komt wel bij het O.T. uit. Dit zelf is krachtens zijn veelzijdigheid de 
oorzaak van zoveel benaderingspogingen; voor allerlei denkwijzen heeft het O.T. betekenis, 
historisch of actueel. Door al deze bewegingen rondom het O.T. kunnen wij iets leren over 
het O.T. zelf, zelfs van de meest extreme beschouwingen; een kern van waarheid bevatten 
ze bijna alle. De fout, die echter in vele geschriften gemaakt wordt, is dat de auteurs de 
krachtlijn, die zij beschrijven, gaan beschouwen als de beschrijving van het O.T. zelf; zij 
vergeten, dat zij slechts nu een klein lijntje hebben aangegeven, een van de krachtlijnen, 
die er van het O.T. uitgaan. Als men iéts bescheidener was in de opvatting van de eigen 
verkregen resultaten, zou de veelheid van conceptie niet de indruk geven van verwarring, 


BEZINNING OP HET OUDE TESTAMENT 381 

die nu zo vaak wordt veroorzaakt door de bonte verscheidenheid van stromingen in de litte¬ 
ratuur over het O.T. 

Het O.T. is een machtig bergmassief, een alprug, met zeer verschillende zijden en 
levensvormen, verschillende gesteenten, stroompjes, flora en fauna, gletschers, wouden en 
weiden, waarin van alles leeft en tiert; het heft zijn top in de ijlste luchtlagen en zijn voet 
verliest zich in de omringende bergketenen. Ieder ziet hier wat schoons en nieuws, maar 
ieder — de geoloog of bioloog, toerist of zelfs aviateur — ziet slechts een enkele zijde en 
mogelijkheid. 

Dit is een der belangrijkste dingen, die ik — als men mij vraagt, naar wat ik geleerd 
heb over het O.T. in de laatste jaren — steeds meer zie: het massale en einheitliche en toch 
anderzijds het samengestelde en talloze aspecten biedende van het O.T. Hiermee rekening 
te houden is een der eerste eisen voor een wezenlijk leren kennen van het O.T. 

è Het gezicht op het O.T. is heel anders, of men in Zweden woont of in Zwitserland, 
in Amerika of in Duitsland, in Nederland of in Engeland; en dan nog weer anders in 
Uppsala en in Lund, Kopenhagen of Oslo, Leiden of Utrecht, Basel of Zürich, Oxford of 
Edinburgh, en zo zouden wij voort kunnen gaan. Van landen komen wij op scholen, van 
scholen op individuele onderzoekers. 

Merkwaardig voor onze periode is, dat het Duitse gezichtspunt bijna geheel ontbreekt 
en daarvoor sommige kleine landen veel meer op de voorgrond treden en vooral naar 
Engeland en Amerika sterker het oog moet worden gericht. 

Scandinavië. — Toch heeft ieder van die landen weer een bijzonder charisma. Scan¬ 
dinavië is de wereld, die vooral de cultische gedachten gelanceerd en godsdiensthistorisch 
uitgewerkt heeft, met name Mowinckel en de Uppsala school, terwijl Lindblom in Lund 
met zijn leerlingen veel meer philologisch, psychologisch en theologisch heeft gewerkt; de 
philologie was door Nyberg in Uppsala trouwens ook sterk vertegenwoordigd. In Dene¬ 
marken denkt men eerst aan het grootse, psychologische werk van Pedersen, terwijl het 
godsdienstvergelijkende boek van Hvidberg, Wenen en Lachen in het O.T. in het Deens 
verscheen en daardoor minder de aandacht trok; ook Bentzen van Kopenhagen publiceerde 
het meest in het Deens zijn verschillende exegetische studies (Jesaja, de Psalmen, PredikeV) 
en zijn uitvoerige inleiding (die spoedig in het Engels te verwachten is); hij neemt in Scan¬ 
dinavië een middenpositie in. Een uitvoerig litteratuuroverzcht over Scandinavië verscheen 
in BiOr, 1946, en ik zal dit daarom niet herhalen. Slechts enkele studies kan ik op dit 
ogenblik toevoegen aan het toenmaals gegeven overzicht. Vooraf ga de vermelding van het 
werk van den Fin A. T. Nikolainen: Der Auferstehungsglauben in der Bib el und ihrer 
Umwelt. Helsinki I (1944), II (1946), waarvan I zich, behalve met de wereld rondom 
Israël, ook met het O.T. bezig houdt. De Israëlietische opstandingsgedachte is wat erg 
positief getekend, hetgeen enerzijds samenhangt met de zeer ruime begripsbepaling van het 
woord opstanding, anderzijds met een al te positieve exegese van bepaalde teksten. Men 
legge er naast: Chr. Barth : Die Brrettung vom Tode, een gedegen godsdienst-vergelijkende 
studie. 

Van Mowinckel zijn een paar korte studies verschenen, beide in 1946. De eerste is 
een studie over Jozua 13-19: Zur Trage nach den dokumentarischen Quellen in Josua 13-19 , 
Oslo (Avhandlinger Norske Videnskaps-Akademi), waarin hij Alt’s reconstructies der 
geografische documenten in Jozua aan een kritiek onderwerpt en pleit voor een terugkeér 
naar de oudere beschouwing, dat de P. schrijvers deze verzameling uit de traditie hebben 
bijeengebracht. In een ander boek, in dezelfde serie Avhandlinger verschenen: Prophecy 
and Tradition, verdedigt hij tegenover Engnell e.a., die sterk wijzen op de mondelinge 
overlevering bij het ontstaan der boeken van het O.T., het litteraire karakter der bronnen, 
met name bij de profeten. Er is een parallel te trekken tussen wat hij hierover schreef en 
de kritische bespreking dezer zelfde materie door Dr J. van der Ploeg in de Revue 
Biblique van 1947, p. 5 ss: Le röle de la tradition orale dans la transmission du texte de 
ïAncien Testament . 




382 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


Een werk van een geheel ander karakter, meer liggend op het gebied van de theologie 
en de godsdienstpsychologie is de uitvoerige studie van I. P. Seierstadt, Die Offenbarungs- 
erlebnisse des Ptopheten Amos, Jesaja und Jeremia, 1946 (Skrifter Norske Videnskaps 
Akademi). Het schijnt mij (de lezing ervan heb ik nog niet volbracht) een belangrijk werk, 
waarvan het thema —• althans gedeeltelijk — parallel loopt aan het kleine boekje van 
J. Ridderbos, Profetie en Ekstase, Aalten, 1941. Seierstadt, die reeds in 1934 in de 
ZAW over dit onderwerp schreef en ook in zijn eigen land opstellen publiceerde, legt sterk 
de nadruk op het persoonlijke element in de prophetische religieuze ervaringen. 

Een goede studie is B. Leivestad, Guds straffende Rettferdighet (1946, Beiheft tot 
het Noorsch Theologische Tijdschrift), waarin hij het gebruik van de woordstam sdq onder¬ 
zoekt in verband met het Godsoordeel over Israël. Slechts op drie plaatsen ziet hij een ver¬ 
binding Jes. 5 : 16; 10 : 22 en Zef. 3:5; eigenlijk steeds heeft de sedaqa van Jahwe te 
maken met het rechtsherstel van het volk; hij concludeert, dat het begrip saddiq géén equi¬ 
valent is van het latijnse justus, het heeft geen forensische betekenis en is niet juridisch 
van aard. 

Niels Messel, Bzechielfragen , Oslo, 1945, verdedigt de stelling dat Ezechiël in Jeru- 
salem werkte onder de uit Babel teruggekeerde ballingen zh 400 v. Chr. en zijn woorden 
werden verzameld door een redactor ongeveer een halve eeuw daarna. 

Tot onze spijt konden wij geen kennis nemen van de bijbelstudies van A. S. Kapelrud 
over Het auteurschap in het Ezra-verhaal (1944; onlangs besproken door Humbert in 
BiOr), van Gerleman’s Zephanja (diss. Lund, 1943), van A. Haldar, Studies in the book 
of Nahum (Uppsala, 1947), waarvan wij dus alleen de titels geven. Er is nog meer uit 
Zweden, dat de vermelding waard zou zijn, zoals de Keret-studies van Engnell, maar we 
moeten het hierbij laten. 

Uit Duitsland kwam tot 1944 steeds het Zeitschrift für Alttestamentliche Wissenschaft, 
zeker het belangrijkste orgaan der O.T.ische wetenschappelijke studie, dat wij node missen. 
Wel gaven de laatste jaargangen enige opstellen en opmerkingen van den uitgever (o.a. 
een gericht tot de redactie van de O.T.Studiën), die aantoonden, dat de politieke ideologie 
van het nazisme zich gelden deed in de redactie van het tijdschrift en die het daardoor minder 
aannemelijk maakten voor Nederlanders. Wij denken aan het opstel van R. Walz over Die 
rassenpsychologische Deutung prophetischer Berufungserlebnisse en de Chr onik van den uit¬ 
gever, Prof. Hempel, beide ZAW 1942/3. 

Daar de beide laatste jaargangen (1942/3, en 1944), met name de laatste, niet algemeen 
bekend blijken te zijn noem ik kort de voornaamste inhoud. Lindblom schrijft in de eerst¬ 
genoemde jaargang over Ps. 8 en 17; Möhlenbrinck over Josua in den Pentateuch (buiten 
het boek Jozua dus), Sellin over de steen van Zacharia (3: 8-11, 4: 6 v; 4: 8-ioa), waarin 
hij een schenkingsoorkonde ziet, een bezitssteen zoals de Babylonische kudurru. Over de bron 
van Ezra publiceert F. Ahlemann een bijdrage en een uitvoerig opstel van M. Johannes- 
sohn behandelt die biblische Einführungsformel kol) s<ttou ] tenslotte volgen nog drie korte 
opstellen, waarvan wij noemen Rudolph’s beschouwing over de plaats van het Hooglied in 
de Kanon en een artikel van A. Ungnad over het getal der door Sanherib gedeporteerde 
Judseers (men leze in het Sanheribprisma niet dat 200 150, maar 2150 Judseers gevangen 
genomen zijn). In de laatstverschenen jaargang 1944 stonden enige belangrijke opstellen van 
J. Begrich over Berit, van M. Noth Israëlitische Stamme zwischen Ammon und Moab, van 
E. Sellin Juda-spreuken in Gen. 49:8-12 en Dt. 33:7. Alt schreef over Megiddo in den 
overgangstijd tussen de Kanaanietische en Israëlietische periode, W. Rudolph behandelde 
de litterair-kritische problemen van het Jeremiaboek, een voorstudie tot zijn Jeremia-commen- 
taar, die inmiddels verschenen moet zijn (volgens de Book-list 1944 van The Society for 
O.T.Study), maar mij nog niet toegankelijk was, in het Handbuch zum A.T. van Eissfeldt; 
er staan in dit opstel enige belangrijke opmerkingen o.a. over Jer. 51: 59-64. 

Tenslotte eindigt deze aflevering met een studie van J. Ziegler over de Septuaginta - 


bezinning op het oude testament 383 

text in het Dodekapropheton, en een beschouwing van F. Büchsel over het Grieks bij de 
Joden in de laatste eeuwen voor en de eerste eeuw na Christus. 

De belangrijkste studies tijdens de oorlog in Duitsland verschenen, zijn reeds in BiOr 
besproken; ze liggen op het gebied van de inleidingsvragen en dragen meer een synthetisch 
dan analytisch karakter; het zijn Hölscher, Die Anfange der hebrdischen Geschichts- 
schreibung, 1942, waarin hij de eenheid van den Jahwist van Gen. tot 1 Kon. 12 bepleit; en 
de beide studies van M. Noth, Die Gesetze im Pentateuch, 1940, en vooral zijn Überliefe- 
rungsgeschichtliche Studiën I (1943), 1 waarin hij de beide grote geschiedwerken van den 
Deuteronomist en den Chronist beschrijft in hun eigen aard. 

Het Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament kan ook sinds 1942 niet meer 
verschijnen, zodat het nog incompleet ligt; het kwam tot vaêpog. Er schijnen, naar mij 
werd meegedeeld, plannen te bestaan de eerste delen weer te herdrukken en dan het laatste 
deel daarna af te werken. Vele medewerkers zijn in de oorlogstijd omgekomen en de 
problemen van studenten en studiemateriaal zijn van die aard, dat van belangrijke weten¬ 
schappelijke publicaties in Duitsland in de eerste jaren nog niet veel zal komen. 

De Zwitserse O.T.ische wetenschap belooft op allerlei terrein van betekenis te worden 
met name door het werk van L. Köhler. Over het algemeen staat in Zwitserland de theolo¬ 
gische bestudering van het O.T. op de voorgrond, al zijn Köhler, Baumgartner, en Stamm 
van de jongere garde, minstens evenzeer (of meer) philologisch ingesteld. Het blijft merk¬ 
waardig, dat de beide belangrijkste theologieën van het O.T., die van Eichrodt en Köhler, 
hier vandaan komen. Geen wonder in het land van Barth en Brunner. Wilhelm Vischer 
liet in 1942 het tweede deel van zijn Christuszeugnis des A.T. verschijnen, waarin het O.T. 
in zijn betrokkenheid op het Christelijk geloof wordt behandeld. Er verscheen ook een nieuwe 
praktisch-populaire commentarenreeks Prophezei, waarin o.a. Zimmerli van Zürich een 
goede behandeling gaf van I Mose 1-11, 2 dln, 1943, het praktisch-theologische op zuivere 
wijze verbindend met het wetenschappelijke. Balscheit richtte zich met Der Gottesbund 
(in het Ned. vertaald door Dr. H. Brongers, Het verbond Gods, 1947), een boekje dat 
een algemeen theologische inleiding wil zijn, ook tot een groter publiek. Met Eichrodt 
samen schreef hij een studie over Die soziale Botschaft des A.T. für die Gegenwart, z.j., 
waarin vooral de bijdrage van Eichrodt zeer lezenswaard is. Van W. Eichrodt, Das 
Menschenversïdndnis des A.T., kwam juist een 2de druk uit, 1947; het bevat een boeiende 
beschouwing over het eigen karakter van de O.T.ische anthropologie, waarbij de nadruk 
valt op de persoonlijke waardering van den mens. 

Ook de philologie is in Zwitserland voortreffelijk vertegenwoordigd door L. Köhler 
en W. Baumgartner. Van de eerste zijn gedurende vele jaren in allerlei periodieken reeds 
publicaties bekend op het gebied der lexicographie. Daaruit kwam o.a. voort het aardige 
boekje, met enige populaire opstellen over enkele woorden uit het O. en N.T.: Kleine 
Lichter, 1945. Het was reeds lang bekend, dat Köhler plannen had voor de uitgave van 
een nieuw Hebreeuws woordenboek; hij is nu zover met de voorbereiding gevorderd, dat 
het spoedig het licht zal zien bij Brill in Leiden als Lexicon in Veteris Testamenti Libros ; 
hiervoor heeft Baumgartner meegewerkt door het Aramese materiaal voor zijn rekening 
te nemen; de onderneming dwingt respect af voor de activiteit van den bewerker en de be¬ 
tekenis van de Nederlandse Uitgeversmaatschappij Brill. Baumgartner heeft zich in de 
laatste jaren zeer veel bezig gehouden met vergelijkende studies over Ras Sjamra en het 
O.T., e.d. Wij noemden reeds Ugaritische Probleme u.s.w. (Theol. Zeitschrift Basel 1947, 
s. 81 ff) ; men vergelijke vooral ook van hem het belangrijke artikel in Theol. Rundschau 
1940/1: Ras Schamra und das A.T.., en sommen verder op: Israelitisch-griechische Sagen- 
beziehungen (Schw. Archiv. f. Volkskunde 1944), Das Nachleben der Adonisgarten auf 
Sardinien und im übrigen Mittelmeergebiet (id., 1946); Was wir heute von der hebrdischen 
Sprache und ihrer Geschichte wissen (Anthropos 1940/1, 593 ff). 

Tussen beide richtingen in, de theologische en de philologisch e, met belangstelling voor 




3^4 


VOORAZIATISCHE, PHILOLOGIE 


en gebruikmaking van beide staan ieder op hun wijze J. J. Stamm en in Frans Zwitserland 
Paul Humbert. De eerste onderzocht begrippen: verlossen en vergeven in het O.T. (1940.) 
en publiceerde enige studies, o.a. een vergelijking tussen Job en een Babylonische dialoog 
in het vorige Jaarbericht E.O.L. Een dergelijke vergelijkende studie, maar dan op breder 
terrein uitgewerkt, verscheen in 1946, Das Leiden des Unschuldigen in Babylon und Israël, 
terwijl ons verder van hem onder ogen kwam La prophétie d’Emmanuel (Rev. de Theologie 
et de Philosophie, 1944), waarin de messiaanse interpretatie van Jes. 7 wordt ontkend. 
Stamm’s belangstelling ligt voorlopig blijkbaar het meest in godsdienstvergelijkende richting, 
hoewel in zijn laatste boekje hier en daar duidelijk een theologische streep niet is te ontkennen. 

Het werk van P. Humbert draagt een zeer bezonken karakter, in alle opzichten; hij 
werkt methodisch zeer veel met woordvergelijkende studies, dus litterair-critisch, waarvan 
niet alleen Études sur le récit du Paradis et de la chute dans la Genese (1940, hierin ook 
een opstel over het beeld Gods) de kenmerken vertoont, maar vooral zijn uitvoerig Problèmes 
du Livre Habacuc (1944; dit boek wordt door hem als een liturgie van een cultische profeet 
beschouwd), en La Terouca, analyse d’un rite biblique, 1946 (de terouca is een religieuze 
rite van magische oorsprong, maar geeft later aan de persoonlijke religieuze gevoelens, met 
name in de Psalmen, uitdrukking) en twee korte studies over de woorden Simcha en gil 
(R . H. et Ph. R,) Zar en nokri en de vreemde vrouw in Proverbia ( Mélanges syriens I 
off erts d M. R. Dussaud) dragen daarvan de sporen. 

De dissertatie uit Zürich van Hans Wildenberger, Jahwewort und prophetische Rede 
bei Jeremia, 1942, is te onzent weinig bekend geworden, hoewel ze het wel verdient. De 
vraag, die onderzocht wordt, is in hoever de profeet naast het woord van Jahwe ook eigen 
woord tot uitdrukking heeft gebracht in zijn profetieën, en hoe deze beide tot elkander 
staan. Het antwoord is, dat formeel de profeet ook een eigen woord laat gelden, maar dat 
men daarom geen materieel onderscheid mag construeren; de profeet is als drager van het 
Godswoord tegelijk de hermeneut daarvan. ^ ^ 

In België hebben de Leuvense hoogleraren J. Coppens en R. de Langhe de studie 
van het O.T. ieder op eigen wijze bevorderd. Het magistrale werk van den laatste noemden 
wij. reeds (zie boven); hoewel het slechts een deel der R. Sjamrateksten behandelt, is het 
wegens zijn zelfstandigheid en bezonnenheid van grote waarde voor de verdere ontwikkeling 
van de vergelijkende studie tussen Ras Sjamra en het O.T. In een bijdrage over Het Uga- 
rietisch K er et-gedicht, Legende, My\thus of Mysteriespel (Miscellanea historica Alberti de 
Meyer, Leuven, 1946) verdedigt hij de historisch-legendarische opvatting van de tekst tegen¬ 
over Engnell's verklaring van het gedicht als mysteriespel. 

Ook J. Coppens begaf zich op het gebied van R. Sjamra met een kleine studie 
Les Parallèles du Psautier avec les Textes de R. Schamra-Vgarit, Louvain, 1946 (Mélanges 
Lefort, Muséon, 1946). Maar voornamelijk hield hij zich in verschillende publicaties bezig 
met verschillende motieven in het Paradijsverhaal (bv. Miscellanêes bibliques III-IV, Leuven, 
1941, Ephemerides Theologicae Lovanienses, 1943). Een min of meer samenvattende studie 
gaf hij in een der Mededeelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Weten¬ 
schappen, 1944 over De kennis van goed en kwaad in het Paradij sverhaal. 

In het te Leuven verschijnende tijdschrift Muséon 1946 publiceerde J. van der Ploeg 
een studie over het woord scheppen in het O.T., Le sens du verbe hébreu bard. 

In Nederland is de studiebelangstelling het meest gericht op de exegese en de gods¬ 
dienstgeschiedenis. Met name B. D. Eerdmans heeft in zijn krasse ouderdom veel van 
zich laten horen; behalve de Psalmenstudies, die hij reeds publiceerde in O.T. Studiën I 
(1942) gaf hij onlangs (1947) zijn grote Psalmencommentaar The Hebrew Book of Psalms 
in O.T. Studiën iv, een kloek deel van 614 pp. Na een uitvoerige inleiding, welke algemene 
problemen ter sprake brengt, waarin de schrijver zich o.a. kant tegen een eenzijdige cultische 
verklaring der Psalmen en tegen de Gattungsforschung van Gunkel, en waarin nieuwe 
ideeën worden gelanceerd betreffende de oorsprong, titels en technische termen, volgt de 


bezinning op het oude testament 


385 



eigenlijke commentaar; hierin wordt steeds eerst een vertaling gegeven van de Masoretische 
tekst met slechts heel weinig correcties van het Hebreeuws en daarna de verklaring vers 
voor vers toegevoegd. Bovendien gaf Eerdmans een nieuwe bewerking van zijn Godsdienst 
van Israël (1947) : The religion of Israël. 

Van geheel andere zijde uit besprak F. M. Th. Böhl de Psalmen in Tekst en Uitleg 
(deel I-IÏ Ps. 1-89) ; in tegenstelling met Eerdmans wordt het cultische karakter ervan 
sterk naar voren gebracht en worden de Psalmen op den koning als sacrosant figuur be¬ 
trokken. Ook de nadruk op de godsdiensthistorische parallelen, op metriek en strophiek doet 
de Psalmen bij Böhl in een geheel ander licht verschijnen dan bij Eerdmans. 

Brongers’ dissertatie over De scheppingstradities bij de profeten, 1945, waarin aange¬ 
toond wordt hoe weinig de profetische prediking leeft uit de scheppingsidee (maar alles 
baseert op de geschiedenis van de redding uit Egypte) behoort hier vermeld te worden bij 
de grotere geschriften. 

Deze boeken zijn de belangrijkste aanwinst van de paar laatste jaren. De publicaties op 
O.T.-isch gebied verschijnen nog niet vlot. Wel zijn er enige kortere of langere opstellen 
gepubliceerd in de Kernmomenten (1947) : Phasen uit de Geschiedenis van het joodse, histo¬ 
rische bewustzijn (Seeligmann), en een vergelijking van het Tragische levensgevoel in 
Babel en Israël (Vriezen); in Revue Biblique 1947: Le role de la tradition orale dans 
la transmission du texte de VAncien Testament (J. van der Ploeg verzet zich daarin tegen 
de te grote betekenis toegeschreven aan de mondelinge overlevering door Nyberg en Birke- 
land; althans in de koningstijd is een spoedige schriftelijke fixatie van de liederen, verhalen 
en profetieën te verwachten), in het Nederlandsch Theologisch Tijdschrift'. Prediker en de 
achtergrond van zijn wijsheid (Vriezen), Genesis 32: 23-33 (P- A. H. de Boer), De ver¬ 
ering van de rol van Abisa door de Samaritanen (A. van Selms) en De profetie van 
Obadja (A. H. Edelkoort). Van den laatste verscheen een stichtelijke commentaar op 
Zacharia (1946), waarin uitgegaan wordt van de eenheid der profetie. 

De inaugurele rede van M. A. Beek, Het twistgesprek van de mensch met God, 1946, 
wees op het persoonlijk karakter van de verhouding van God en mens in Israëls godsdienst, 
waardoor deze zich steeds onderscheidt van de omliggende religies. 

Het nieuwe Gereformeerd Theologische Tijdschrift 1947; 48-87 bevatte in zijn eerste 
aflevering een opstel van A. de Bondt, De uitdrukking „hij ontsliep met zijn vaderen”, 
waarin deze het betoog van B. Alfrink, Uexpression sakab cim cabotdw in O.T. Studiën II, 
1943, aanvalt. In dezelfde aflevering schreef F. J. Bruyel een waardevol artikel over 
Roofvogels in de Bijbel (112-124). 

In een weinig bekend geworden bundel, die aan wijlen Prof. Dr. W. J. Aalders werd 
aangeboden na zijn aftreden als hoogleraar (in 1944 in Assen verschenen) getiteld Geschie¬ 
denis gaven de beide reeds overleden hoogleraren J. de Groot en L. H. K. Bleeker een kort 
opstel, resp. over Archeologie in het O.T. en De geschiedenis in het O.T. ; in het laatste wordt 
de betekenis der geschiedenis voor de O.T.ische religie ges-dhetst en aangetoond, hoe de 
OT.ische Godsidee historisch is bepaald. Van R.K. zijde schreef A. van den Born in De 
Katholieke Kerk, III, 1947, een vrij uitvoerige theologische behandeling over De prophetie. 
Van denzelfden auteur kwam ons juist in handen Profetie metterdaad, een studie over 
de symbolische handelingen der profeten, het onderwerp waarop de schrijver voor 12 jaar 
promoveerde. 

Zeer waardevol is het Bijb\elsch Woordenboek, onder redactie van Dr. B. Alfrink e.a. 
verschenen en onlangs gecompleteerd. Het is een goede samenvatting van de gegevens op het 
terrein der O.T.ische wetenschap in zijn volle breedte. 

Populair-theologisch zijn twee boeken van Ph. Kohnstam, Het Oude Verbond (1946) 
en Staat in de vrijheid, Brieven over het O.T. (1947), het laatste meer van c religionspada- 
gogische 0 aard. Nu toch telkens de theologie van het O.T. is genoemd, is het wenselijk even 
te wijzen op het werk van A. A. van Ruler, die min of meer in de theologische lijn van den 
Kohlbrugge, het O.T. en het N.T. zo sterk op elkaar betrekt, dat zij een volstrekt ondeel¬ 
bare eenheid vormen. In een opstel in de Vox Theologica 1943 (zie ook Religie en Politiek, 



Jaarbericht n°. 10 


25 






3*6 


VOORAZIATISCHË ËHILOLOGIË 


1945) en in zijn dissertatie De vervulling der Wet, 1947, heeft hij zijn theologische gedachten 
daaromtrent uitgewerkt. 

Bij het Nederlandse taalgebied sluit aan het Afrikaanse van Zuid-Afrika. De theolo¬ 
gische Faculteit van Pretoria gaf sinds 1943 een nieuw tijdschrift uit, De Hervormde Teo- 
logiese Studies, waarin B. Gemser enige bijdragen over Amos publiceerde. Ook gaf deze in 
het Tijdskrif vir Wetenschap en Kuns, 2e band, 1941^ blz. 197 vv. een studie over het 
Hebreeuwse perfectum en imperfectum, onder de titel Die merkwaardigste verskijnsel in die 
Hebreeuse taal en sij verklaring. Onlangs publiceerde A. van Selms in het eerstgenoemde 
tijdschrift een beschouwing over Die Getalle-Trap-spreuk: ’n semitiese stijlfiguur. De ver¬ 
melding waard is, dat onder leiding van Prof. Gemser in Pretoria promoveerde 
S. du Toit met een godsdienst-vergelijkend-theologische dissertatie Bijbelse en Babilonies - 
Assiriese Spreuke, Johannesburg, 1942. 

Voor wij het vasteland van Europa verlaten nog een enkele opmerking over het franse 
taalgebied. Behalve de Revue Biblique, die nu in volle omvang verschijnt, is ons uit Frankrijk 
niet veel onder ogen gekomen op het directe O.T.isiche gebied. In R.B. 1947 vindt men 
behalve het genoemde opstel van J. van der Ploeg een beschouwing van J. Magne, Le texte 
du Psaume XXXV et Vhypothese de sa transcription primitive sur deux colonnes, waarin 
hij tracht enkele moeilijkheden te verklaren uit het feit, dat de psalm tekstcritisch moet 
worden verdeeld over oorspronkelijk twee kolommen, die later op niet juiste wijze werden 
samengevoegd. 

Uit Frans-Zwitserland is, behalve de reeds genoemde studies van P. Humbert, te wijzen 
op de boeiende, samenvattende voordracht van M. A. van den Oudenrijn, Les fouilles de 
Lakis et Vétude de VAncien Testament, 1942, zojuist in het Nederlands verschenen in een 
vertaling verzorgd door J. Cools. 

De belangrijkste studie in de Franse taal op ons gebied, voorzover ik het materiaal kan 
overzien, schijnt mij het werk van E. Jacob, den opvolger van Causse in Straatsburg, La 
tradition historique en Israël, 1946, waarin de ontwikkeling van de historiebeschrijving in 
Israël in verband met haar theologische waarde wordt besproken. E. Jacob, die eerst in 
Montpellier was, werd in het vorige jaar opgevolgd door W. Vischer uit Basel: zijn vrij 
populaire inaugurale rede vindt men in Études théologiques et religieus es, Montpellier, 1946 
en handelt over La langue sainte source de la théologie, een adstructie van de waarde van 
de kennis van het Hebreeuwse taaleigen voor het jfuiste verstaan van het O.T. door den 
theoloog 1 ). 

Engeland is het land van de bijbels-theologische studies. Er verschijnen nu aldaar 
veel onderzoekingen van exegetische-dogmatische aard, die zowel het O. als het N.T. be¬ 
treffen. Ook wat de O.T.ische studies aangaat, hebben de Engelse O.T.ici een sterk uitge¬ 
sproken theologische belangstelling. Wij verwijzen gaarne naar het beredeneerde bibliogra¬ 
fische overzicht, dat in het Ned. Theol. Tijdschrift 1946/7, blz. 110 vv. van de hand van 
P. A. H. de Boer verscheen. Wij kunnen het overzicht beginnen met te wijzen op de ver¬ 
schillende publicaties van H. H. Rowley, die een zeer vruchtbare pen heeft en zich vooral 
interesseert voor de geestelijke betekenis van het O.T. en zijn aparte boeken; uitvoerig daar¬ 
over zijn zijn boeken The relevance of the Bible, 1941, in zijn The rediscovery of the O.T., 
1945; over bijzondere kanten van het O.T. handelen The relevance of Apocalyptic (waarin 
zowel de Joodse als Christelijke apocalyptiek wordt geschetst), 1943, en The missionary 
message of the O.T\ 1944. Een godsdienstvergelijkende studie Submission and Suffering, a 
comparative study of Eastern Thought, 1943, betrekt ook het O.T. in de vergelijking. The 
unity of the O.T. is een opstel in the Bulletin of the John Rylands Library, 1946, waarin o.a. 
het probleem van de cultus in het O.T. wordt besproken en de eenheid van het O.T. ook 

*) W. A. Goy gaf in het gedenkboek van het wikkeling, onder de titel: Israël a la recherche de 
100-jarig bestaan van de Theol. Fac. van Lausanne Dieu (blz. 15-50). (Noot bij 'correctie). 

(Centenaire de la Fac. de Theol. 1947) een opstel Men zie verder de aankondigingen in BiOr 3, 
over de hoofdperioden van Israëls religieuze ont- 1946, 22, en 4, 1947, 116. 


BEZINNING OË HET ÖUDË TESTAMENT 


387 


op dit gebied wordt gehandhaafd. In de Harvard Theol. Review 1947 verscheen Rowley’s 
lezing op het O.T.ische congres te Cardiff van 1946 over The m,arriage of Ruih, waarin o.a. 
tegenover M. David de mening wordt verdedigd, dat de plicht van het leviraatshuwelijk niet 
beperkt was tot den broeder van den overledene. Deze boeken zijn meest populair- 
wetenschappelijk, met volle aanvaarding van het litterair- en historisch-critische standpunt, 
maar met een in hoofdzaak theologisch gerichte belangstelling geschreven. Bij Rowley dreigt 
enigszins het gevaar, dat deze belangstelling meebrengt, nl. het reconstructieve element, 
dat aan theologische beschouwingswijzen betreffende het O.T. spoedig inhaerent is; de 
gedachte van de eenheid kan al te sterk overheersend worden. 

Eveneens theologisch geïnteresseerd is het werk van C. B. North, The O.T.inter- 
pretation of history, 1946, die de verschillende étappes van de Israëlietische geschiedbeschou¬ 
wing, zoals die in de verschillende O.T.ische bronnen voorkomt, beschrijft en de betekenis 
dezer O.T.ische geschiedbeschouwing voor het heden naar voren brengt. Het boek vormt met 
dat van E. Jakob en het opstel van Seeligmann in Kernmomenten een waardevolle reeks 
monografieën over dit zo belangrijke onderwerp. 

De theoloog-O.T.icus van Engeland was vooral wijlen H. Wheeler Robinson, die tot 
in zijn laatste levensjaren zeer veel heeft gepubliceerd. Prachtige hoofdstukken over het 
profetische bewustzijn en de verlossingsgedachte in het O.T. bevat het meer algemeen theolo¬ 
gisch beschouwelijke werk Redemption and revelation, London, 1944 (o.a. worden de termen 
pada en ga'cd besproken). Helaas was zijn grote theologische inleiding van het O.T., posthuum 
uitgegeven in 1946, Inspiration and revelation in the O.T. zo spoedig uitverkocht in Enge¬ 
land, dat wij er alleen nog maar recensies over konden lezen, maar het boek niet meer 
konden betrekken. Ook Engeland zucht over een groot tekort aan boeken. Wel is nu weer 
te krijgen de 7de druk van zijn reeds lang verschenen boek Religious Ideas of the O.T. 
Onder zijn leiding werd in 1940 uitgegeven een verzamelwerk The Bible in its ancient and 
English version, 1940, dat voor de geschiedenis van de Bijbelvertaling van grote waarde is. 

Ook van theologisch gezichtspunt uit is geschreven The distinctive ideas of the O.T. 
door N. H. Snaith, 1945, dat een onderzoek bevat naar verschillende, voor het religieuze 
denken van Israël en voor het bijbelse getuigenis in haar geheel belangrijke woorden en be¬ 
grippen; met name de idee der heiligheid, gerechtigheid, verlossing, liefde, gunst en geest 
Gods. Van dezelfde auteur zijn een aantal korte uitgaven onder de titel Study notes on 
Bible Books, hulpboekjes voor studenten, o.a. introductie op Job, Psalmen, Amos (ook 
Hebr. tekst). 

Bij Wheeler Robinson’s Redemption sluit zich, ook theologisch, dicht aan C. Ryder 
Smith, die een goed boek schreef over The Bible doctrine of salvation, waarin hij de ver¬ 
zoeningsgedachte van O. en N.T. haar terminologie en ontwikkeling beschrijft. 

Het werk van A. G. Hebert is geheel door theologische belangstelling beheerst, in zijn 
The throne of David, 1941, wordt de eenheid van O. en N.T., met name in de messiaanse 
prediking naar voren gebracht; de auteur, die het litterair-critische standpunt ten volle wil 
delen, wil anderzijds de theologische betekenis van het O.T. ten volle tot zijn recht laten 
komen. In een juist verschenen boek The authority of the O.T., 1947, gaat de schrijver diep 
in op het theologische probleem aangaande het geestelijke gezag van het O.T. in verband met 
het gehele historisch-critische onderzoek. Het schijnt mij voor de christelijke theologie een 
werk van fundamentele betekenis. 

Een sterk theologische gerichtheid, zij het in een geheel andere zin dan de tot hiertoe 
opgesomde boeken, beheerst ook M. Buber’s Moses, Oxford, 1946, dat wij reeds eerder 
noemden; het gebruikt veel van de tot nu toe voor legendarische gehouden bronnen als uit¬ 
gangspunt voor een schets van de geestelijke ontwikkeling en taak van Moses ten aanzien 
van de Israëlietische religie; het is een werk van grote geestelijke diepte, brede educatie en 
met verrassende litteraire en godsdiensthistorische expbsé’s, maar niet vrij van constructies 
op grond van wat wij in het begin van onze beschouwingen aanduidden als het intuïtieve 
standpunt. 

Als overgang tot een reeks andere geschriften kan het beste dienen de waardevolle 
bijbelintroductie, uitgegeven door den N.T.icus R. W. Manson, A companion to the Bible, 




3 88 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


BEZINNING OP HET OUDE TESTAMENT 


389 


Edinburgh, 1945, met uitvoerige litteraire, geografische, archeologische, historische en gods¬ 
diensthistorische samenvattende schetsen op O.T.isch gebied, o.a. van Rowley, Introduction 
to the O.T.; Oesterley, Apocrypha; Phythian Adams, Geografie ; T. H. Robinson, Ge¬ 
schiedenis ; Wheeler Robinson, Godsdienst. 

Ook voor breder publiek, maar veel meer godsdiensthistorisch en niet-theologisch gericht 
is het boek van J. N. Schofield, The religious background of the Bible, 1944; het is hier en 
daar wat wild, maar zeer vlot geschreven en goed geïllustreerd. Stanley Cook gaf in de 
bekende goedkope serie Pelican Books An Introduction to the Bible, 1945, waar heel veel in 
kort bestek in staat, ook dingen, die men niet verwacht, bv. over heilige boeken in het 
algemeen; het behandelt niet alleen het O.T., maar ook het N.T. en niet alleen het ontstaan, 
maar ook de geestelijke ideeën van de Bijbel. 

Een populair overzicht over de geschiedenis, litteratuur en het geestelijk leven van het 
Jodendom in het hellenistische tijdvak geeft W. O. E. Oesterley in zijn The Jews and 
Judaism during the Gr$ek period: the Background of Christianity, 1941. Door zijn vele 
publicaties op dit gebied was hij de autoriteit voor een dergelijke samenvatting voor een 
breder publiek. 

A. R. Johnson gaf twee interessante korte studies: The one and the many in the 
conception of God, 1942, waarin hij op grond van de door Wheeler Robinson geformu¬ 
leerde idee van de corporate personality het probleem van het polytheïstische element in 
Israëls monotheïsme beziet; en een tweede studie: The cultic prophet in Ancient Israël, 1944, 
waarin hij opkomt voor het cultische karakter van het profetisme en de hand reikt aan de 
Skandinaafse geleerden, die hun ideeën in dezelfde richting lanceerden. In the Expository 
Times van 1946 (Dec.) en 1947 (152; 305) komt een discussie voor over het onderwerp 
De O.T.ische profeten en de cultus tussen Snaith en Rowley. 

Op het gebied van het recht voeren ons de studies van E. Neufeld, Ancient Hebrew 
marriage laws, 1944, dat de huwelijkswetgeving van Israël behandelt mede in verband van 
de verdere Oud-oosterse rechtsinstituten (het boek is belangrijk, maar moet desniettegen¬ 
staande met voorzichtigheid gebruikt worden) en van D. Daube, Studies in biblical law, 
1947, waarin bepaalde juridische begrippen worden onderzocht (o.a. loskoping, vergoeding, 
verantwoordelijkheid), niet alleen naar hun oorspronkelijke betekenis en naar het woord¬ 
gebruik, maar in het brede verband van de hele antieke wereld. De schrijver begeeft zich 
daarmee op heel glad ijs; hoewel hier en daar merkwaardige parallellen worden aange¬ 
wezen, is het geheel van het boek te weinig kritisch opgebouwd en nogal rijk aan fantasie. 

Van de zuiver archeologische litteratuur hebben wij nog slechts weinig onder ogen gehad; 
wij noemen de artikelen van A. Guillaume, The Habiru, Hebrews and the Arabs, waarbij 
de eenheid van stam van deze drie woorden en van deze volkeren wordt bepleit (Palestine 
Exploration Quarterly 1946). D. Winton Thomas schreef in hetzelfde tijdschrift over 
Jerusalem in the Lachish Letters. Deze auteur behandelde in The Prophet in the Lachish 
Ostraca, 1946, de vraag, of de profeet in deze brieven te identificeren is en komt daarbij 
terecht tot een negatief resultaat. 

Amerika neemt in allerlei opzicht de wereldleiding, en ook, wat de studie van 
het Oude Oosten en ten dele zelfs wat het Oude Testament betreft, de plaats van Duitsland 
in. Vooral de archeologie en studie der Semietische talen staan hierbij op de voorgrond; 
maar daarnaast wordt een grote belangstelling getoond voor de religieuze en theologische 
zijde van het Oude Testament. Gedurende de oorlogstijd is in Amerika, naast de Skandi¬ 
naafse landen, het wetenschappelijk werk ten aanzien van het Oude Testament het best 
doorgezet. Dit is natuurlijk te danken aan de bijzondere positie, die Amerika in de oorlog 
innam als een land, dat op geen enkele wijze direct door de oorlog bedreigd of beschadigd 
werd — de Amerikaanse boeken zijn naar het uiterlijk wel bijzonder gaaf —, maar toch 
ook aan een zekere bewustheid de leiding te moeten nemen, daar zoveel andere landen uit¬ 
gesloten waren van rustige wetenschappelijke arbeid. Dit laatste blijkt wel uit de openings¬ 
voordracht, die* J. Morgenstern in 1941 hield voor The Society of Biblical Literature and 


Exegesis (gepubliceerd J.b.L. 194 2 ), waarin hij wijst op de achterstand van de wetenschap¬ 
pelijke bijbelstudie in Amerika, vooral in vergelijking met de ontwikkeling der overige, speciaal 
technische en physische wetenschapsgebieden. Van de Europese landen verwachtte hij alleen 
iets belangrijks van Zwitserland en Zweden. Hij laat dan volgen (a.w., p. 5) : „It follows 
from all this, that, for the present and the immediate future, America, i.e. the U.S. and 
Canada, must become the major centre of biblical research”. Men kan inderdaad zeggen, 
dat hieraan, tot op zekere hoogte, gevolg is gegeven, al heeft Morgenstern de toestand 
in Europa althans wat Engeland en de bezette gebieden betreft, enigszins te donker ingezien. 
Trouwens, Duitsland heeft tot 1944 toe nog steeds meegewerkt; al verscheen niet zoveel, 
er werden toch wel enige heel waardevolle geschriften gepubliceerd, al zou ik alleen de 
naam van Martin Noth in herinnering brengen; een boek van het gehalte van diens Über- 
lieferungsgeschichtliche Studiën kan de vergelijking met alles wat in de Angelsaksische 
landen verscheen, glansrijk doorstaan. 

De belangrijkste Amerikaanse boeken op ons terrein zijn geschreven door Albright 
en Pfeiffer. Albright is gekomen met een paar voortreffelijke overzichtswerken, waarin 
hij zijn meesterschap op archeologisch terrein toont; hij blijft echter niet bij zijn enge vak- 
terrein, maar stelt zijn geweldige kennis ten dienste van een meer religieus-theologisch doel; 
de belichting van de eigen aard van het O.T. Met name zijn eerste werk, dat in 1940 ver¬ 
scheen (4e dr. 1046), Erom the Stone age to Christianity draagt dit stempel zeer sterk; hij 
komt hier krachtig op voor het eigen karakter van Israëls godsdienst, dat in het Mozaïsche 
monotheïsme zijn oorsprong en betekenis vindt. Er is tegen dit, vooral op archeologisch 
gebied zoveel bevattende werk, van meer dan één zijde een aanval gedaan. Heel scherp 
deed dit T. J. Meek in J.b.L. 1942 blz. 21-43 m een artikel Monotheism and the religjpn 
of Israël, die het niet minder dan „a strange compound of orthodoxy and liberalism, of 
old-time traditionalism and modern criticism” noemt. Hoe men ook over de hoofdstelling 
denke — ondergetekende meent, dat Albright niet ver van de waarheid is in dit opzicht, 
daar hij immers de inhoud van dit woord zeer begrenst, maar acht het gebruik van het woord 
monotheïsme niet houdbaar: er kan ten aanzien van het Mozaïsme zelf alleen van een mono- 
jahwisme gesproken worden, al impliceert dit het latere monotheïsme dat in Israël niet 
toevallig het eindpunt der ontwikkeling werd — en hoezeer men ook bezwaren mag hebben 
tegen sommige constructies, men kan niet anders dan het boek als een grote aanwinst 
beschouwen door de geweldige hoeveelheid materiaal, die de auteur hier in kort bestek 
bijeengebracht heeft en door de opgave van zo goed als alle nieuwe litteratuur. 

Van niet minder betekenis is Albright’s Archaeology and the religion of Israël, 1942, 
waarin een schets wordt gegeven, op grond van de jongste vondsten, van het Kanaanietisch- 
godsdienstige leven en Israëls ontwikkeling te midden daarvan, en het conflict, dat daaruit 
voortkwam; de samenhang van Israël met zijn omgeving en de eigen religieuze zelfstandig¬ 
heid worden hier op voortreffelijke wijze getekend. Ook al moge men hier en daar wel weer 
eens vraagtekens zetten, men kan zich niet losmaken van bewondering voor de ongelooflijk 
veelzijdige kennis van den schrijver. 

Op het gebied der Bijbelse Archceologie heeft Amerika verschillende bijdragen gegeven. 
Wij denken behalve aan BASOR aan het kleine goedkope tijdschriftje Tfie biblical Archaeo- 
logist (New Haven) met zijn voor niet-vakmensen zo waardevolle bijdragen op allerlei 
terrein der bijbelse archseologie, aan Nelson Glueck’s boeken The other side of the Jordan, 
1940, en The river lordan, 1946 (zie bespr. BiOr Mei 1947), aan populaire mooie uitgaven 
als J. Finegan, Light from the ancient past, 1946, C. H. Gordon, The living past, 1941, 
C. C. McCown, The ladder of Progress in Palestine, maar vooral ook aan de door G. G. 
Wright en F. V. Filson uitgegeven The Westminster historical atlas to the Bible, 1946, 
met uitvoerige archeologische besprekingen. Na Guthe’s atlas, die reeds lang niet meer te 
krijgen is, is dit een over het algemeen zeer betrouwbaar studiemiddel, alhoewel het kaarten- 
materiaal zeker niet tegen dat van Guthe opweegt. Daarentegen zijn de breedvoerige 
beschrijvingen en prachtige platen zeer waardevol, 






390 


BEZINNING OP HET OUDE TESTAMENT 


391 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

Een interessante studie betreffende de Palestijnse godinnen figuren is J. B. Pritchard, 
Palestine FiguAnes in relation to certain goddesses known through literature, 1943, welke 
ook de Ras-Sjamra litteratuur in het onderzoek betrekt. 

Bijzonder de vermelding waard, naast de boeken van Albright, is het werk van H. and 
H. A. Frankfort, John A. Wilson, Thorkild Jacobsen and William A. Irwin, The 
intellectual adventure of Ancient Man, Chicago, 1946 dat nog juist bijtijds kwam om het 
in dit overzicht op te nemen; de studies over Egypte, Mesopotamië en the Hebrews staan 
op buitengewoon hoog peil, terwijl Prof. en Mevr. Frankfort algemene godsdienst- en 
cultuurvergelijkende beschouwingen bieden als inleiding en slotbeschouwing, welke gedragen 
worden door een uitgesproken humanistische geestesbeschouwing: tegenover de geestelijke 
moed der Hebreeën, die door hun kennis van een absoluten God de oude Oosterse mythe 
van immanente góden overwon, maar tevens de nieuwe mythen schiepen van de wil Gods 
(het Koninkrijk God der toekomst) stellen zij als de hoogste vorm van geestesleven de 
intellectuele moed der Grieken, die in het denken de mythe geheel overwon (blz. 373). Er 
is ten aanzien van Israëls godsdienstbeschouwing, zoals deze op blz. 370 v. wordt gesteld, 
welke volgens deze schrijvers als complement heeft de verkiezing Israëls (Dt. 32:10b), 
nog wel iets op te merken; alleen dit: het hoogtepunt van het O.T. is niet Ex. 19 of Dt. 32, 
maar Deuterojesaja cap. 42, 49, 52 v. Van hieruit ware nog iets meer te zeggen dan alleen, 
dat de mens in het O.T. kreeg c een nieuwe vrijheid en een nieuwe last van verantwoorde¬ 
lijkheid 3 en dat het O.T. morele moed toont. In Deuterojesaja wordt heengewezen naar een 
moed der uiterste zichzelf voor de zonde offerende liefde, waar Oosterling noch Griek 
ooit over heeft gepeinsd. Jammer, dat in dit diepe veelzeggende boek dit ladtste niet gezegd 
werd. Dan zou waarschijnlijk ook niet gezegd zijn, dat de Hebreeuwse gedachte God alleen 
kende als strenge vader en de diepte en intimiteit miste,, die in het oude moeder-godin- 
symbool aanwezig was. Want hierin bestaat o.i. juist het geheim der Hebreeuwse religie, 
dat de kracht èn de intimiteit (of hoe men het ook anders zeggen wil) beide volkomen 
zuiver bewaard zijn. 

Van A. Heidel zijn er twee boeken, die ook voor den O.T.icus waarde hebben, nl. 
The Babylonian Genesis, 1942, en The Gilgamesh epic and O. T. parallels, 1946. Hij geeft 
hierin een nieuwe vertaling van het volledige tekstenmateriaal uit Babel, en een uitvoerige 
bespreking van de parallele bijbelse teksten. Bij de vergelijking van het materiaal is hij niet 
altijd even gelukkig, daar hij door dik en dun de zelfstandigheid van de Bijbelse gegevens 
(ook van het Zondvloedverhaal) ten opzichte van de Babylonische wil handhaven. In het 
laatstgenoemde werk is de verzameling van het Babylonische materiaal over de dood en het 
leven na dit leven wel het belangrijkste; wat Israël betreft, mag zelfs uSam. 28 niet als 
bewijs gelden voor het geloof van Israël aan een onderwereld (blz. 189 vv.). 

Met de Canaanite Parallels in the Book of Psalms houdt zich de dissertatie van J. H. 
Patton (1944) bezig, hij somt verschillende parallele verschijnselen in versificatie en woord¬ 
gebruik op, en komt tot de conclusie van een directe invloed van het Canaanietisch van 
Ugarit op de compositie van de hebreeuwse Psalmen (blz. 48). 

Een groots opgezet werk, de eerste wetenschappelijk kritische Amerikaanse Inleiding 
in het O.T., is R. H. Pfeiffer, Introduction to the O.T., 1941; het mag na Kuenen’s 
Onderzoek en Steuernagel’s Einleitung wel de eer hebben het uitvoerigste boek 
over dit onderwerp te zijn (916 blz.). Het draagt een heel eigen karakter onder de 
Amerikaanse boeken, daar het zo goed als alle archseologische en litteraire gegevens van 
buiten-israëlietische oorsprong weglaat en zich tot het O.T. zelf beperkt. Er is een rijkdom 
aan materiaal door den auteur bijeengebracht, zoals bv. blijkt uit het rijke hoofdstuk over 
de oude vertalingen. Een van de typerende opvattingen van den schrijver is de — reeds 
eerder in de Z.A.W. verdedigde — conceptie van een S- (= Seïr, dus Zuid-israëlietisch- 
Edomietisch) document, dat voor het grootste deel overeenkomt met de z.g. L.-bron ( Laien - 
quelle ) van Eissfeldt of de oudste J. bron van andere critici. Voor een uitvoerige bespre¬ 
king van dit boek zij verwezen naar een der volgende nummers van BiOr. In elk geval 
kan de verschijning van dit werk voor Amerika een evenement genoemd worden. 


Voor de geschiedenis der exegese en der vertalingen is van belang het onderzoek van 
C. T. Fritsch, The anti-anthropomorphism of the Greek Pentateuch, 1943, waarin aange¬ 
toond wordt, hoe de neiging tot opheffing van anthropomorfismen in het O.T. — reeds 
begonnen in de latere Israëlietische wereld — in de Griekse vertaling doorwerkt, en wel 
zeer versterkt door de invloed van het Hellenisme. 

De innerlijke ontwikkeling van de wijsheid in het O.T. tot in Jodendom en Christendom, 
wordt in Revelation in Jéwish Wisdom Literature door J. C. Rylaarsdam, Chicago, 1946, 
verdienstelijk geschetst, maar brengt niet veel nieuws. 

Met de wijsheid in Israël hield zich ook R. Gordis bezig, in HUCA 1944, p. 77 ss. 
(Social background of Wisdom Literature), die uit de politiek-sociale gezichtspunten besluit 
tot het (niet verrassende) resultaat, dat de wijsheidslitteratuur voortkomt uit de hogere 
klassen van de maatschappij; zij verraadt een geest, die zich later als Sadduceïsme kristalli¬ 
seert ; hierdoor wordt verklaarbaar, dat verschillende karakteristieke inzichten van de bijbelse 
prediking worden gemist, als de opvatting van God als God der geschiedenis, de hartstocht 
voor het recht in het leven der gemeenschap en de onvoldaanheid met de wereld, zoals zij is. 

Van de theologische werken (hoewel meer verschenen is) kunnen wij slechts een enkele 
noemen; het is met groot genoegen, dat wij de titel van G. E. Wright, The challenge of 
Israël’s Faith, 1944, dat heel populair, maar tevens zeer zuiver is geschreven, theologisch 
en wetenschappelijk volkomen verantwoord, noemen. Vooral voor jongere theologen en 
belangstellende c leken 3 is dit een fijn suggestief boekje. 

Uitvoerige artikelen, die in een enkel geval zelfs tot boek uitgroeiden, op godsdienst¬ 
historisch en exegetisch gebied bood de HUCA. Vooral J. Morgenstern heeft een wel¬ 
versneden pen en leverde verschillende boeiende studies, die van even grote kennis als 
combinatievermogen getuigen, maar over welker zo welsprekend voorgedragen conclusies 
men zich nog wel eerst bezinnen moet; allereerst noemen wij zijn Amosstudie van 1940, 
voortzetting van vroegere studies, welke ook apart zijn uitgegeven in Amos Studies, 1941, 
waarin o.a. de gedachte wordt uitgewerkt, dat Amos zijn profetieën sprak op een bepaald 
feest in Bethel in 651 v. Chr. Een ander uitvoerig onderzoek is gewijd aan The ark, the 
ephod and the tent of Meeting (1942/3; 1944); volgens hem zijn de in de titel genoemde 
heilige voorwerpen verschillende voorstellingen van eenzelfde verschijnsel in Israëls religie: 
de behuizing van de betyien, welke door de kohen werden ondervraagd voor orakelgeving 
en welke in de oorlog werden meegenomen. 

Interessant, maar stout in zijn conclusies, is ook J. Lewy’s studie The old West-semitic 
Sungod Hamma, oorspronkelijk thuis in Coele-Syrië, waar ook de Hammurabi-dynastie van 
stamde en Cham (Gen. 10) oorspronkelijk mee in verband stond. 

Van betekenis (hoewel sommige bronnen wel zeer laat daterende) is het opstel van 
S. H. Blank, The dissident Laity in early Judaism (1945/6), waarin een schets wordt 
gegeven van de verschillende bewegingen, die zich verzetten in de eerste tijd na de balling¬ 
schap tegen een overheersing van de Jerusalemse tempel en priesterschap. Dit verzet kwam 
van degenen, die vasthielden aan de rechtmatigheid der landelijke heilige plaatsen, van 
degenen in wie de profetische cultuskritiek doorwerkte en van degenen die in hun religieus 
leven demokratisch voelden en niets wilden weten van vaste godsdienstautoriteit. 

Het is natuurlijk niet mogelijk alle belangrijke tijdschriften de revue te laten passeren, 
omdat dit artikel te lang zou worden en de schrijver dezes niet in staat was van alle volledig 
kennis te nemen. Enkele opstellen, die hem opvielen en boeiden om de nieuwe inzichten of 
althans nieuwe wegen die zij trachten in te slaan, kan hij evenwel noemen, maar het is een 
vrij willekeurige keuze. Over de Filistijnen schreef G, Bonfante een zeer geleerd, maar voor 
een niet-philoloog moeilijk controleerbaar artikel Wo where the Philistines (Am. Journal of 
Archaeology 1946, p. 251-62) ; van het leviraathuwelijk en daarmee samenhangende kwesties 
zijn waardevolle studies van Burrows, Levirate Marriage in Israël (oorspronkelijk idee van 
het leviraat is het verwekken van een zoon voor een zonder kinderen overledene) en The 
marriage of Boaz and Ruth (het huwelijk van Boaz en Ruth vertegenwoordigt een stadium 
yan volksgewoonte in Israël, die ouder is dan de wetten in de Pentateuch betreffende erving, 








39 2 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


RECENTE PESITTA-STUDIES 


393 


lossing en leviraatshuwelijk), beide J.b.L. 1940 (23 en 445). In hetzelfde tijdschrift staan 
enige studies van H. G. May, The patriarchal Idea of God (1941, 113 ss., de patriarchen 
vereerden El, hèt west-semiet. hoofd van het pantheon: terafim = elohim uit Ex. 21:6; 
22: 6-8) en Towards an objective approach to the book of Jeremiah: The biographer (1942, 
139 ss.; de Jeremia-biograaf leefde niet voor de eerste helft van de vijfde eeuw). Th. H. 
Gaster bespreekt de mysteriën, waarop Ezeehiël 8 v. zinspeelt, in verband met wat de oud- 
oosterse, met name de Ras Sjamra-litteratuur over de vruchtbaarheidsmysteriën zegt ( Ezechiel 
and the Mysteries, J.b.L. 1941, 289 ss.). Zeer belangrijk is Albrecht Goetze, The Nikkal 
Poem from Ras Shamra (id. 353), die een prachtige, vloeiende vertaling van dit gedicht laat 
volgen. Tenslotte nog W. F. Albright (J.b.L. 1944), The oracles of Balaam<, waarin de 
authenticiteit van de orakels van Bileam (een profeet uit Noord Syrië, die zich eerst bij 
Israël had aangesloten, maar later met de Midianieten tegen de Jahwisten streed) wordt 
verdedigd; en twee opstellen over maten in de Joodse wereld: H. Lewy, Assyro-Babylonian 
and Israelitic measures of capacity (JAOS 1944) en A. Segre, A documentary analysis of 
ancient Palestine units of measure (J.b.L. 1945) (de bat-epha 21.8 1 ). 

Vooral ten aanzien van de Amerikaanse litteratuur draagt dit overzicht een vrij wille¬ 
keurig karakter. Maar dit kan bij de huidige omstandigheden nog niet anders. Er wordt heel 
wat belangrijk en minder belangrijk studiemateriaal geboden door de Angelsaksische wereld. 

Aan het einde gekomen van de taak dit overzicht te schrijven, komt Pred. 12: 12 voor 
den geest. Het zou echter van weinig vitaliteit getuigen, om hier te zeer de nadruk op te 
leggen. Er is een reden tot dankbaarheid, dat zoveel op het O.T.-isch gebied in verschillende 
richting gewerkt wordt. Het spijt den overzichtschrijver, dat hij wegens tijdsgebrek en door 
de overladen stof niet in staat was zijn opstel meer systematisch te rangschikken, zoals men 
na de Inleiding mocht verwachten. Daarbij waren de richtingen van onderzoek beter 
tot hun recht gekomen. Nu is de aandacht soms wat meer gevallen op de onderzoekers dan 
op de stof. De kennis van vele nieuwe gezichtspunten moge vooral een prikkel zijn tot zelf¬ 
standig onderzoek in ons eigen land. 

Groningen, Aug.-Nov. 1947. Th. C. Vriezen 

RECENTE PESITTA-STUDIES (SINDS 1927) 

De vertaling van het Oude Testament in gebruik bij de Syrische Kerk heet in het 
Syrisch Pesitta (door de West-Syriërs Pesitto uitgesproken). Dit woord beteekent ofwel 
c Eenvoudige (vertaling) 0 , versio simplex, ofwel c Verbreide (vertaling) 0 , versio vulgata. 
Welke van deze twee verklaringen de voorkeur verdient, is nog steeds niet met zekerheid 
uit te maken. Een kritische uitgave van den geheelen tekst bestaat niet (W. E. Barnes gaf 
den Pentateuch en het Psalterium uit, resp. in 1904 en 1914) en alles wijst er op, dat deze 
voorloopig ook niet is te verwachten. Het Pauselijk Bijbelinstituut te Rome schijnt het voor¬ 
nemen te hebben gehad voor een zoodanige uitgave te zorgen, maar daarbij is het tot dusver 
gebleven. Ook het Oriental Institute der Universiteit van Chicago heeft groote plannen 
(gehad?) met betrekking tot de Pesitta. Het Pesitta-project 1 ) van W, Cr. Graham, later 
grootendeels overgenomen door M. Sprengling, beoogde een reconstructie van den tekst 
die ten grondslag heeft gelegen aan de huidige Pesitta, o.a. door het verzamelen en colla- 
tionneeren van alle bij kerkelijke schrijvers gevonden citaten. Al wat in verband hiermee 
door Graham en Sprengling is uitgegeven, zijn Bar Hebraeus’ Scholia op Genesis en 
Samuel, met uitleg, in één deel. Men zie verder nog W. C. Graham, Harvard codices of the 
scholia of Barhebraeus, in AJSL 41, 1924/25, 102-135; 42, 1925/26, 26-63. 

Later zijn nog vijf Phil. Doct.-dissertaties in het kader van dit project geschreven, die 
nooit zijn uitgegeven, doch in handschrift in Chicago te vinden zijn. Het zijn de volgende 
vijf studies over Dionysius Bar Salibi: 

1 ) Voor het Pesitta-project zie men M. Sprengling in AJSL 45 1928/29, 146. 


1. Dion. B. Sal. op bet boek Job, door Thorkild Jacobsen (1929) ; 

2. Dion. B. Sal. op Genesis, door Watson Boyes (1930); 

3. Dion. B. Sal. op een aantal historische boeken (Recht., Jozuë, I-II Sainuel), door Daniël Schulze 
(1930). 

4. Dion. B. Sal. op het boek Micheas, door Shlomo Marenof (1932) ; 

5. Dion. B. Sal. op de Psalmen, door Walter Roehrs (1937). 

Voor het oogenblik heeft men het heele Pesitta-project opgegeven, en er schijnt weinig kans 
te zijn, dat het wordt hervat 2 ). 

In 1927 heeft L. Haefeli een samenvattende bibliographische studie doen verschijnen, 
die oorspronkelijk bedoeld was als een voorstudie op de kritische uitgave van de Pesitta: 
Die Peschitta des Alten Testaments mit Rücksicht auf ihre textkritische Bearbeitung und 
Herausgabe (= Atl. Abh. xi, 1), 1927. Ondanks de onvolkomenheden, die aan een boek 
van een dergelijk formaat vanzelf eigen zijn (het is o.a. niet geheel volledig, en vermeldt in 
hoofdzaak slechts studies die ex professo over de Pesitta handelen), is het toch een zeer 
goede samenvatting en een onontbeerlijk hulpmiddel voor ieder, die zich in de stof wil 
inwerken. De bedoeling van den schrijver is geweest, alle studies te bespreken, die hij 
over den tekst van de Pesitta van het Oude Testament heeft kunnen vinden. Zijn conclusie 
met betrekking tot de uitgave van een kritischen Pesitta-tekst luidt niet zeer gunstig; een 
dergelijk werk is volgens hem zeer moeilijk tot stand te brengen, terwijl het bereikbare resultaat 
de groote moeiten, om van de kosten niet eens te spreken, niet zal loonen (blz. 113-116). 
Met deze conclusie zijn. recensenten van het boek het eens geweest, en het lot van de 
Pesitta-projeeten, zoowel van het Pauselijk Bijbelinstituut, als van het Oriental Institute, 
schijnt haar wel te bevestigen. A. Baumstark heeft er echter tegen geprotesteerd; hij 
is van meening dat een kritische uitgave van de Pesitta een der belangrijkste en dringendste 
desiderata van het Oud-Testamentisch tekstonderzoek is, dat den er aan te besteden tijd en 
moeite ten volle waard is (Or. Christ. 1933, blz. 218). Daarom heeft hij, en later ook zijn 
leerling C. Peters, in den loop der jaren een aantal studies over de Pesitta het licht laten 
zien, terwijl ook andere onderzoekers zich niet hebben laten afschrikken. De bedoeling van 
dit artikel is, de litteratuurlijst van Haefeli aan te vullen met de belangrijkste studies, die 
sinds het verschijnen van zijn boek (1927) zijn verschenen, voor zoover zij tenminste binnen 
mijn bereik hebben gelegen. Ik ben mij bewust, dat ik hierbij geen volledigheid heb kunnen 
bereiken; oorlogs- en na-oorlogsweeën mogen hiervoor als verontschuldiging gelden. 

De auteurs die zich sinds Haefeli het meest met het Pesitta-vraagstuk hebben bezig 
gehouden zijn zonder twijfel A. Baumstark en zijn leerling C. Peters 3 ). Beiden beroepen 
zich herhaaldelijk op het werk van P. Kahle, die er naar heeft gestreefd te bewijzen, dat de 
Arameesch-Joodsche Targums oorspronkelijk geen eenheid, maar een veelheid hebben ge¬ 
vormd, waaruit onze tegenwoordige Targumteksten zijn voortgekomen. Kahle bespreekt 
het Pesittaprobleem nergens breedvoerig en ex professo ; in zijn Masoreten des Westens 
(= BWANT, L, 1930), blz. 3* geeft hij als zijn meening te kennen, dat de Pesitta, zelf 
Oost-Arameesch, terug gaat op een West-Arameeschen grondvorm. De verbindingsschakel 
tusschen beiden, d.w.z. tusschen Targum en Pesitta, heeft mogelijk wel te Adiabene gelegen, 
een gebied dat nauwe betrekkingen onderhield met Jerusalem, daar* zijn vorsten tot het 
Jodendom waren overgegaan. 

Over het Pesitta-vraagstuk heeft Baumstark de volgende studies geschreven: 

1. Pesifta und Paldstinisches Targum, Bibl. Zeitschr. 1931, blz. 257-270; 

2. Das Problem der Bibelzitaten in der syrischen Übersetzungsliteratur, Or. Chr. 1933, blz. 208-225; 

3. Neue orientalische Probleme biblischer Textge schicht e, ZDMG 1935, blz. 89-118 (speciaal blz. 91-95) ; 

4. Das Problem des christlich-paldstinischen Penfiateuchtextes. Or. Chr. 1935., blz. 201-224; 

5. Pseudo-Jonathan zu Dt. 34, 6 und die Pentateuchzitate Afrahats, ZAW 1942/43, blz. 99-111. 


2 ) Bovenstaande mededeelingen kreeg ik, op ver¬ 
zoek, van mijn confrater Prof. R. T. Murphy O.P., 
River Forest, Illinois (U.S.A.), dien ik hiervoor 
hartelijk dank. 


3 ) Gefusilleerd op 7 Dec. 1943 in de duinen te 
Scheveningen, wegens zijn poging zich aan den 
Duitschen krijgsdienst te onttrekken. Peters was 
Duiitscher, 



394 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


RECENTE PESITTA-STUDIES 


395 


In al deze artikelen, alsook in de artikelen van Peters, die straks zullen worden aan¬ 
gehaald, wordt, hier en daar genuanceerd, één hoofdstelling verkondigd: de onderzochte 
teksten der Pesitta blijken alle terug te gaan op een West-Arameeschen, Joodschen Targum, 
die later aan den Oost-Arameeschen taalvorm is aangepast en zoo door de Syrische 'Christen- 
hield, zij het na eenige accomodaties en vereenvoudigingen, is overgenomen. 

In het eerstgenoemde artikel wijst Baumstark er op, dat men reeds vroeg de nauwe 
betrekkingen tusschen Pesitta en Targum heeft ontdekt, doch dat men later met deze ont¬ 
dekking geen rekening schijnt te hebben gehouden. Inzooverre is dus zijn these niets nieuws. 
J. Perles had reeds soortgelijke opvattingen verkondigd in zijn Meletemata Pesckittoniana, 
Breslau, 1859, en J- Plager had in zijn dissertatie De Veteris Testamenti Versione quam 
Peschitto vocant, Göttingen, 1865, verkondigd dat de Reisitta een Joodsche Targum is uit de 
eerste, of zelfs tweede eeuw vóór Christus. In zijn bekende Geschichte der Syrischen Literatur 
(Bonn, 1922) had Baumstark deze opvatting, als te ver gaande, verworpen, maar kort 
daarna heeft hij minstens zeer verwante ideeën verkondigd in de Bonner Zeitschrift für 
Theologie und Seelsorge 1927, blz. 24-34. De bekende publicaties van P. Kahle (vooral diens 
•Masoreten des Westens II) hebben volgens Baumstark met volkomen zekerheid het bestaan 
van een volledigen Palestijnschen Targum van den Pentateuch aangetoond, die onder¬ 
scheiden was van dien van Onkelos. Deze Targum had een neiging tot haggadische 
(d.i. moraliseérende, enz.) paraphrase, en hieruit is de Pesitta van den Pentateuch voort¬ 
gekomen. Hierbij zijn volgens schrijver drie phasen te onderscheiden: a. een nog vlot¬ 
tende, geen vasten vorm aangenomen hebbende Ar ameesch-Palestijnsche overlevering ; 
b. —- een recensie van dezen oer-Targum kwam in het Mesopotaamsche Oosten terecht en 
werd daar met inheemsche Arameesch-Syrische letters (estrangelo?) geschreven; hiervan 
ontstonden twee nieuwe, uiteenloopende bewerkingen of tekstvormen, waarbij de neiging tot 
paraphrase werd onderdrukt; de oudste dezer vormen is de Pesitta, de jongste Onkelos; c. — 
in het Westen ontwikkelde de oertekst zich verder; de door Kahle bestudeerde fragmenten 
van de genïzah van Kairo vertegenwoordigen een vroegeren, de Targum Jerusalmi een lateren 
vorm van deze ontwikkeling. Targum Pseudo-Jonathan is een laatste bewerking, verwant 
met Onkelos. Schrijver merkt ten slotte op, dat hij heel deze ingewikkelde theorie voorloopig 
met de noodige reserve voordraagt en dat zij slechts betrekking heeft op den Pentateuch, 
d.w.z. op de teksten, die door hem zijn bestudeerd. 

In het tweede artikel, Das Problem der Bib el zit at e in der syrischen Übersetzungsliteratur , 
behandelt Baumstark de vraag of de Syrische vertalers van Grieksche werken ook de Bijbel¬ 
citaten, die zij in deze werken aantroffen, zelfstandig in het Syri'sch vertaalden, of dat zij 
daarvoor een bestaanden tekst gebruikten, d.w.z. de Pesitta. In een aantal gevallen is volgens 
schrijver het laatste geschied, in een aantal andere gevallen zijn de vertalers sterk door den 
Pesitta-tekst beïnvloed. Deze twee soorten citaten zijn dus belangrijk voor de kritiek van 
den Pesittatekst. 

In het derde artikel Neue orientalische Probleme biblischer Textgeschichte houdt Baum¬ 
stark zich bezig met het probleem van het Diatessarron, maar ook met dat van ontstaan en 
overlevering der Targums. Met een beroep op Kahle betoogt schrijver, dat aan het begin 
der Targum-overlevering een veelvoud van teksten moet hebben gestaan. De Pentateuch 
van de Pesitta is niets anders dan de codificatie, in het Oost-Arameesch, van een bepaald 
stadium van de Palestijnsche Targum-overlevering. 

In het vierde artikel Das Problem des christlich-paldstinischen Pentateuchtextes wordt 
dezelfde opvatting omtrent het ontstaan van de Pesitta van den Pentateuch gehandhaafd. 
Op soortgelijke wijze zou ook de Christelijk-Palestijnsche tekst van den Pentateuch zijn 
ontstaan; ook deze zou op een vorm van Targum-overlevering teruggaan. Het behoeft dan 
ook niet te verwonderen, aldus schrijver, dat de Pesitta en de Syrisch-Palestijnsche tekst 
veel gemeen hebben; zeer veel daarvan gaat zeker terug op een gemeenschappelijken oor¬ 
sprong (Targum). 

In het vijfde artikel Pseudo-Jonathan zu Dt. 34, 6 und die Pentateuchzitate Afrahats, 
schrijft Baumstark: Dass die P(eschitta) zum Pentateuch aus einem — etwa auf dem 


1 


Boden der Adiabene in der Zeit der Bekehrung ihres Fürstenhauses zum Judentum — in 
ostaramaische Sprachform umgegossenen altesten palastinischen Targum hervorgegangen ist, 
kann heute keinem Zweifel mehr unterliegen (blz. 101). Wat aanvankelijk nog theorie was, 
is voor schrijver dus, na ongeveer tien a elf jaar, tot zekerheid geworden. Afrahat (midden 
4de eeuw) citeert het Oude Testament zeer nauwkeurig, en dus volgens B. niet uit het 
geheugen. Bij de citaten van den Pentateuch is echter c Wildheit° van den aangehaalden tekst 
de regel. Een onderzoek van enkele citaten bewijst, dat Afrahat een Pentateuchtekst moet 
hebben gebruikt, die afwijkt van de tegenwoordige Pesitta. Deze tekst vertoonde Targumische 
eigenschappen, d.w.z. veel c vulgaire 3 lezingen, aanvullingen overgenomen uit parallelplaatsen, 
dubbele vertalingen, enz. 4 ). 

C. Peters is in de voetstappen van zijn meester getreden en heeft over het Pesitta- 
vraagstuk de volgende studies geschreven: 


1. Targum und Praevulgata des Pentateuchs , Or. Chr. 1935, blz. 49-54; 

2. Peschitta und Targumim des Pentateuchs , Le Muséon 1935, blz. 1-54; 

3. Pesitfta-Psalter und Psalmentargum , Le Muséon 1939, blz. 275-296; 

4. Vom Palastinischen Targum und seiner Geschichte , Palastinahefte des deutschen Vèreins vom Heiligen 
Lande, 24/27 1940, blz. 9-22 ; 

5. Zur Herkunft der Pesitta des er sten Samuel-Buches , Biblica 1941, blz. 25-34. 


In het eerste artikel begint hij met te verwijzen naar Baumstark, die in een artikd 
Aramdischer Einfluss im altlateinischen Text von Habakuk 3 (Or. Chr. 1931, blz. 163-181) 
heeft willen aantoonen, dat ook in de Vetus Latina de invloed van de Joodsch-Targumisdhe 
overlevering zou zijn te bespeuren. Deze invloed moet dan uitgeoefend zijn via een Griek- 
schen tekst, die nog sterker targumischen inslag vertoonde dan de ons bekende teksten der 
Septuaginta. Zoo wordt ook het targumische, d.i. interpreteerende en paraphraseerende 
karakter van de Septuagint steeds meer duidelijk, en dit is weer een frappante analogie 
van de menigvuldigheid der vormen van den Arameeschen Targum, waarvan de Pesitta dan 
weer een uitlooper zou zijn. 

In het tweede artikel, Peschitta und Targumim des Pentateuchs , tracht Peters aan te 
toonen, dat de Pesitta op een aantal plaatsen overeenstemt met de geheele targumische over¬ 
levering, en daarmee afwijkt van den Hebreeuwschen tekst (blz. 3-21), terwijl zij op een 
aantal andere plaatsen met enkele targumvormen overeenstemt, tegen den Hebreeuwschen 
tekst. Hieruit volgt dan, dat de Pesitta van den Pentateuch oorspronkelijk een Arameesche 
Targum is geweest, in later tijd bewerkt en van zijn targumisch karakter ten deele ontdaan, 
waardoor hij weer werd aangepast aan den Hebreeuwschen tekst. Van een constante betrek¬ 
king van de Pesitta tot een specialen Targum kan echter geen sprake zijn. In sommige 
gevallen is de afhankelijkheid als door onderstaand schema wordt voorgesteld (p. 46) : 


omgezet in Oost-Arameesch 
dialect: PeSitta 


Palest. Targ. I 


Onkelos Gecorrigeerd naar Hebr. T. 

Pal. Tg. n (— E Fragmenten 
van Kahle, genizah v. Kairo ) 

1 

Pseudo-Jonathan 


In andere gevallen liggen de verhoudingen echter anders. 

In zijn derde artikel, P esitta-P salter und Psalmen-Targum, haalt schrijver een aantal 
voorbeelden aan die moeten bewijzen, dat er oorspronkelijk verschillende Psalmentargums 
hebben bestaan, of minstens verschillende vormen van dezen Targum; uit een daarvan is 
de Pesitta voortgekomen. De talrijke paraphraseerende afwijkingen van het Hebreeuwsch, 
die we in de Pesitta van Psalmen aantreffen, zijn derhalve resten van een oudere targumische 


4 ) Baumstark’s artikelen over den Armenischen sitta (Or. Christ. 1925-1927) zijn voor ons onder- 

Psaltertekst en zijn verhouding o.a, tot de Pe- werp van geen belang. 




39 ^ VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

overlevering. De Psalmentekst van Efrem wijkt soms op zoodanige wijze af van de Pesitta, 
als door de Septuagint niet is te verklaren; ook hier hebben wij dus weer te maken met 
resten van een ouden Targum. Hetzelfde is te zeggen van twee Psalmcitaten bij Arabische 
auteurs. 

De vierde hierboven genoemde studie van Peters, Vom Paldstinischen Targum und 
seiner Geschichte is geen technische studie. Schrijver houdt er in vast aan zijn reeds vroeger 
uiteengezette opvattingen omtrent de Pesitta van den Pentateuch en spreekt van een ,,an 
die Sicherheit mathematischer Beweisführung erinnerender Evidenz” van zijn opvatting 
omtrent het ontstaan van deze Pesitta uit een West-Palestijnschen Targum (blz. 15). Deze 
Targum zou waarschijnlijk reeds in de eerste eeuw vóór onze jaartelling naar Oost-Syrië 
zijn gebracht (l.c.). De Pesitta der Psalmen is zeker op dezelfde wijze ontstaan en mogelijk 
ook die van andere boeken. Niet overal is dit echter te bewijzen, bij Amos is dit b.v. 
geheel onmogelijk. 

Het vijfde artikel, Zur Herkunft der Pesitta des er sten Samuelbuches, is onder meer een 
reactie op de kritiek door P. A. H. de Boer in diens nog te noemen dissertatie op Peters' 
artikelen uitgeoefend. Peters vindt de Boer’s (voorloopige) schets der Pesitta van 
I Samuel (zie beneden) onbevredigend, daar deze volgens hem geen helder en scherp beeld 
van het eigen karakter van den Syrischen tekst doet ontstaan. De Boer heeft herhaalde 
malen overeenstemming van Pesitta en Targum, in afwijking van den Hebreeuwschen tekst 
vastgesteld, hetgeen echter niet op samengaan en onderlinge onafhankelijkheid zou wijzen. 
Peters is ervan overtuigd, dat die afhankelijkheid wèl bestaat, al geeft hij toe, dat het 
bewijsmateriaal nu niet juist overweldigend is. Het komt volgens hem echter niet aan op 
het aantal der parallelplaatsen, maar op hun kwaliteit. De Targum van I Sam. is volgens 
hem in later tijd c in allerstarkstem Masse 0 naar den Hebreeuwschen tekst bewerkt (sic). 
Het valt moeilijk te zeggen, in welken graad der zijlijn Pesitta en Targum van I Samuel 
verwant zijn; waarschijnlijk is de verwantschap slechts van dien aard, dat beide teruggaan 
op verschillende vormen van oud-Joodsche Targums. 

Sch. Wohl, een leerling van P. Kahle, heeft in zijn dissertatie Das paldstiniscke Pen- 
tateuch-Targum, Untersuchungen zu den Genizahfragmenten und ihrem Verhdltnis zu den 
übAgen Targumen und der Peschitta (1935, 30 blz.) de Resultaten van Kahle’s onderzoe¬ 
kingen willen bevestigen. Schrijver citeert een aantal teksten ten bewijze dat de Pesitta van 
den Pentateuch een West-Arameesche Targum is, in Oost-Arameeschen taalvorm omgezet. 
Hij onderscheidt: 

blz. 9-10 een aantal gevallen, waarin Pes. = letterlijk geniza-fragmenten 

10- 11 een aantal gevallen, waarin Pes. = letterlijk Pseudo-Jonathan 

ii enkele gevallen, waarin Pes. + Ps. Jon. = Palest. Targ. 

11- 12 enkele gevallen, waarin Pes. wat den inhoud betreft overeenkomt met Pal. Targ. 

12- 13 enkele gevallen, waarin Pes. afwijkt van de Halacha. 

Schrijver meent te hebben bewezen, dat de Pesitta nog dichter bij den Palestijnschen Targum 

staat dan Baumstark heeft aangetoond. 

In zijn bekende werk Die aramdistische Forschung seit Theodor Nöldekes Veröffent- 
lichungen (1939) heeft F. Rosenthal kritiek uitgeoéfend op de theorieën van Baumstark- 
Peters (blz. 199-206). Hij meent, dat o.a. twee taalkundige bewijzen van Baumstark, 
genomen uit Dt. 1, 19, 31 (vgl. BZ 19, 1931, 257-270) c glatP weerlegd kunnen worden, en 
dat ook het argument, dat P. Kahle in zijn Masoreten des Westens II (1930), blz. 3 vv. 
naar voren heeft gebracht, geen steek houdt. Kahle had n. 1 . gewezen op de merkwaardig¬ 
heid, dat in Gen. 1, 1 in den Syrischen tekst de nota accusativi jat (= Hebr. JTIX ) gebruikt 
wordt, terwijl zij verderop niet meer voorkomt; het woord zou slechts zijn te verklaren 
als een relict van een ouderen Targum, waarin dit jat nog wel werd gebruikt. Volgens 
Rosenthal kan het woord echter even goed van een oorspronkelijken Syrischen vertaler 
afkomstig zijn, die het gebruik ervan nog kende en het eerste vers van Genesis plechtstatig 
wilde doen klinken. Dit lijkt zeer wel mogelijk. Het probleem der Bijbelvertalingen is 


recente pesitta-studies 397 

vogens Rosenthal c derart überladen 0 dat de hoop op een mathematisch zekere oplossing 
zeer gering is. Al moet men in deze uitspraak bezwaar maken tegen het woord mathematisch 
(vroeger reeds door Peters gebruikt), toch geloof ik, dat Rosenthal het hier bij het rechte 
eind heeft. Ook lijkt het juist, dat hij wijst op de mogelijkheid van parallele ontwikkelingen 
ter verklaring van de opvallende overeenstemming van sommige plaatsen van Targum en 
Pesitta. Het taalgevoel der Oost-Arameërs was nauw verwant aan dat der West-Arameërs, 
en ook heeft de exegetische overlevering van het Westen natuurlijk die van het Oosten 
beïnvloed. Wat wonder dus, indien hier en daar overeenkomsten zijn te constateeren tusschen 
beide teksten. In het algemeen gesproken lijkt de theorie van Baumstark en Peters te 
ingewikkeld: West-Arameesch werd Oost-Arameesch en dit werd weer sterk besnoeid 
naar het Hebr-eeuwsch, hetgeen slechts uit een betrekkelijk gering aantal relicten van het 
Oud-Arameesch zou blijken. Hoe ingewikkelder een hypothese, hoe moeilijker zij te bewijzen 
is, vooral op het gebied van de philologie. Een zekere samenhang van de Pesitta van sommige 
boeken van het Oude Testament met een Targum is niet altijd te loochenen, men denke b.v. 
aan dien van Spreuken. Maar daar is de samenhang ook voor iedereen evident en zijn de 
bewijsplaatsen niet enkele, maar vele. In menig ander geval lijkt het echter de moeite waard 
zich af te vragen of een bepaalde overeenstemming, indien zij niet aan het toeval of aan 
parallele ontwikkeling kan worden geweten, niet eenvoudig toe te schrijven is aan een 
beïnvloeding van den Syrischen vertaler door Joodsche traditie. Het zelfde kan men b.v. 
ook in de Vulgaat van S. Hieronymus constateeren, zonder dat deze daarom terug gaat op 
een Joodschen Targum. Dat men in het Syrische Oosten vooral gedurende de eerste eeuwen 
sterk Joodsche invloeden heeft ondergaan, lijdt geen twijfel; men leze er maar eens de 
Demonstrationes van Afrahat op na (midden ivde eeuw), en bestudeere de geschiedenis 
van het Christendom in deze streken, die een tijd lang het cultureele centrum van het Joden¬ 
dom zijn geweest. 

In een artikel Peschitta und Onkelos , in Jewish Studies in Memory of G. A. Kohut 
(New York 1935), blz. 554-64 geeft A. Sperber, een der voorstanders van de oorspronke¬ 
lijke veelvuldigheid van de Grieksche vertalingen van het Oude Testament, toe dat een 
Joodsche Targumtekst later met Syrische letters kan zijn geschreven; hij heeft echter 
bezwaren tegen de theorie, dat men niet alleen het schrift, doch ook de taalvorm zou 
hebben gewijzigd en den tekst ook nog zou hebben aangepast aan het Hebreeuwsch. In 
zulk een geval, meent hij, zou een oorspronkelijke vertaling het eenvoudigste zijn geweest. 
Toch meent ook hij enkele plaatsen te kunnen aan wij zen, waar de Onkelostekst bestaat uit 
een samenvoeging van twee afwijkende recensies, waarvan dan soms een enkele, en niet 
toevallig, overeenkomt met de Pesitta. 

C. Moss schreef over The Peschitta Version of Ezra in Le Muséon 1933 blz. 55-110. 
Schrijver heeft in een handschrift uit de vmste eeuw (Brit. Mus. Or. 8732) een zeer interes¬ 
santen Syrischen tekst van Esdras-Nehemias gevonden. Hij sluit zich aan bij de opvatting 
van Barnes en Pinkerton, die hebben bewezen, dat in de Syrische Kerk twee hoo'fdtypen 
van Pentateuch-teksten hebben bestaan: een tekst, die gekenschetst is door getrouwe repro¬ 
ductie van den Hebreeuwschen tekst, en een andere, die zich onderscheidt door groote vrij¬ 
heid van vertaling, door uitvoerigheid en door c gladheid D (vgl. JTS xv, blz. 33). Het ge¬ 
noemde handschrift uit het Britsche Museum levert nu het bewijs, aldus schrijver, dat het 
met de Pesitta van Esdras-Nehemias evenzoo was gesteld. De vollere Syrische tekst van 
dit boek is blijkbaar een verder ontwikkelde vorm van een ouderen tekst, die vrijwel over¬ 
eenkwam met den Hebreeuwschen tekst. Schrijver besluit met twee conclusies. 1 — Codex 
Ambrosianus (Ceriani) en Br. Mus. Or. 8732 zijn twee verschillende recensies van de 
Pesittavertaling van Esdras-Nehemias; 2 — * Cod. 8732 vertegenwoordigt het meer letter¬ 
lijke teksttype, overeenkomend met onzen Masoretischen tekst, vertoont echter ook enkele 
toevoegingen en afwijkingen van M die de andere handschriften kenschetsen. Tot slot voegt 
schrijver een kritisch apparaat toe (blz. 101-110). 

P. A. H. de Boer heeft in zijn dissertatie Research into the Texi of I Sam. I-XVI 
(1938), en in het vervolg hierop I Sam. XVII, Notes on the Text and the Ancient Versions 






398 


VOORAZIATISCHE RHILOLOGIE 


(OTS I, 1942, 79-103) een groot aantal varianten uit verschillende vertalingen, o.a. uit de 
Pesitta, naast elkaar gezet en naast den Masoretischen tekst gezet, zonder zich te veel aan 
conclusies te wagen. Ten opzichte van de Pesitta vindt men er echter enkele op blz. 40-43 
van het proefschrift. De Pesitta van I Sam. I-XVII, aldus schrijver, tracht voortdurend ver¬ 
klarend en verhelderend te zijn. Ten aanzien van verschillen, weglatingen en toevoegingen, 
is er herhaaldelijk overeenstemming met den Targum. De reden van de overeenstemming 
schijnt te liggen in het feit, dat zoowel Targum als Pesitta vertalingen zijn in nauw verwante 
dialecten, beide veel jonger dan het Hebreeuwsch van I Samuel. Wat de verschillen aangaat, 
meent de Boer, dat de Pesitta meer dan de Targum haar best doet om moeilijke teksten 
in vertaling weer te geven, hoewel de vertaler het niet noodig heeft gevonden letterlijk en 
precies te zijn. De Pesitta is een eenvoudiger vertaling dan de Targum; achter beide staat 
een oude mondelinge overlevering 5 ), die gebonden was aan een vasten vorm, beter gezegd 
vaste norm, namelijk de Hebreeuwsche tekst, die den mondelingen Targum altijd heeft 
vergezeld, daar deze oorspronkelijk niets anders was dan een vertolking van het Hebreeuwsch 
in de synagoge. Er is geen spoor van een Arameeschen tekst, waaruit de Pesitta is voort¬ 
gekomen ; de targumische elementen liggen in het karakter van de Pesitta en zijn niet ontleend 
aan eenigen ons bekenden Targum. De Pesitta van I Samuel is een christelijke vertaling, 
ten behoeve van Christenen gemaakt. 

Over Pesittakwesties hebben zich ook uitgesproken H. S. Nyberg, in zijn Studiën zum 
Hoseabuche (1935), en G. Gerleman in zijn Zephanja, textkritisch und literarisch unter - 
sucht (1942). De laatste heeft ook de verschillende uitgaven van de PEsitta op Zephanja 
onderzocht en zich niet^ tevreden gesteld met het alleen maar citeeren van b.v. Lee. 
Hij kon echter tusschen Lee, de polyglotte van Walton en den bekenden codex Ambrosia- 
nus (vide eeuw) maar weinig afwijkingen constateeren, die dan bovendien nog slechts zelden 
van belang zijn voor den tekst. Dit wijst op de zorgvuldigheid waarmee de Syriërs dezen 
hebben overgeleverd. Nyberg en Gerleman zijn beiden van meening, dat dé Pesitta, gelijk 
ook de Septuagint, een c vulgaire° versio is, vergeleken met den als regel, hoewel natuurlijk 
lang niet altijd, beteren en veel zorgvuldiger overgeleverd en Hebreeuwschen tekst in de 
recensie der Masoreten. Gerleman meent zelfs, dat de Syrische vertaler (dus niet: bewerker) 
herhaaldelijk de Septuagint heeft geraadpleegd voor het verklaren van moeilijke plaatsen in 
den Hebreeuwschen tekst. Vaak is zijn vertaling een compromis van M. en G. Men kan dit 
alles vinden op blz. 87-93 van het aangehaalde werk van Gerleman, waarin ook een collatie 
wordt gegeven van den Syrischen tekst. De Targum wordt niet ter sprake gebracht. 

Juist na het beëindigen van dit artikel deelde Prof. J. Voste o.p. mij nog mede, dat 
hij twee artikelen ter perse had, die van belang zijn voor de Pesitta, n.1. een in den zes- 
deeligen Feestbundel voor kardinaal Mercati, inmiddels verschenen in de Studi 
e Testi van de Vaticaansche bibliotheek, getiteld La Pesitta de Mossoul et la révision catho- 
lique des anciens versions orientales de la Bible en een ander in Bihlica 1947, 281-286, 
Pr o jet d’une êdition critico-ecclésiastique de la Pesitta sous Léon XIII. Beide artikelen, maar 
vooral het zeer uitvoerige eerste, zijn van bijzonder belang vanwege de officieele positie 
van den schrijver, die al vele jaren lang in speciale relatie staat tot verschillende groepen 
van geünieerde Syriërs, en die tevens secretaris is van de Pauselijke Bijbelcommissie. 

Noemen wij hier ten slotte nog enkele studies van minder belang, die voor mij helaas 
niet alle bereikbaar waren. 

J. Bloch schreef een artikel over'O ZTPOZ and the Peschitta, in 7 ewish Studies in 
Memory of Israël Abrahams , New York 1927. 

M. Raggi schreef in het Arabisch een artikel over het Psalterium van de Pesitta , uit¬ 
gaven van Qozbayya en van Cambridge, in El Masriq 1934, blz. 337-361. 

N. Pigoulewski beschreef in de Revue Biblique 1937 vv. een aantal Syrische Bijbelhand- 

5 ) Over de mondelinge overlevering vergelijke la transmission du texte de VA.T ., Rev. Bibl. 1947, 
men mijn artikel Le róle de la tradition orale dans blz. 5-41. 


recente pesitta-studies 


399 

schuiten, onder welke zich zeer belangrijke moeten vinden, en enkele artikelen, getiteld 
Les manuscrits Syriaques bibliques de Leningrad . 

R. Abramowski schreef over Eine spdtsyrische Überlieferung des Buches Ruth > in 
In piam Memoriam A. von Bulnverincq, Riga. 1938. 

O. Löfgren voegde aan zijn Studiën zu den arabischen Danielübersetzungen mit beson¬ 
der er Berücksichtigung der christlichen Texte (1936) een Beitrag zur Kritik des Peschitta- 
textes toe (blz. 84-88), uitsluitend bestaande uit collatie. 

M. J. Wijngarden schreef een kleine dissertatie over The Syriac Version of the Book 
of Daniël (Pennsylvania Universitas, 1923), die volgens het boven aangehaalde werk van 
Löfgren geen bijdrage levert tot de C innersyrische Textkritik 3 (Löfgren, blz. 84). 

In het boek van H. Wh. Robinson, The Bible in its Ancient and English Versions (1940), 
komt een hoofdstuk voor over The Syriac Bible (blz. 83-99), dat van geheel algemeenen aard 
is en voor de studie der Pesitta van geen belang. Schrijver maakt geen gewag van de studies 
van Baumstark c.s., en gaat blijkbaar van de veronderstelling uit, dat de Pesitta een oor¬ 
spronkelijke vertaling is uit de eerste of tweede eeuw a.d., echter niet van één hand. 

Het is duidelijk, dat in het vraagstuk der Pesitta het laatste woord nog niet is gezegd en 
het is de vraag of het wel ooit gezegd zal kunnen worden. Litteraire teksten zijn nu eenmaal 
geen scheikundige stoffen die men door middel van bepaalde bewerkingen zuiver van elkaar 
kan scheiden. Daarom is het bij litterairie en tekstkritiek zoo moeilijk om tot zekerheid te 
komen als de zaak waarom het gaat niet heel duidelijk is. Bij de Pesitta is zij dat niet. Het 
vraagstuk wordt bovendien nog gecompliceerd door het feit, dat elk Bijbelboek afzonderlijk 
moet worden behandeld, daar lang niet alle boeken van één hand zijn. Dit neemt echter niet 
weg, dat iedere nieuwe studie te begroeten is, daar ons inzicht er in den regel door wordt 
verrijkt, zelfs in het geval dat de stelling, die er in wordt verkondigd, onjuist is. 

Rome, 26 November 1946 J. van der Ploeg o.p. 


ACADEMIE DES INSCRIPTIONS & BELLES LETTRES 

DÉCHIFFREMENT DES INSCRIPTIONS PSEUDO-HIÉROGLYPHIQUES 

DE BYBLOS 

Le 2 aoüt 1946. .— Je suis heureux de présenter a 1’Académie des Inscriptions la primeur 
d’une découverte qui fera époque dans 1’histoire de 1’écriture, de 1’alphabet, de toute la 
civilisation du Proche Oriënt. Je veux parler du déchiffrement des inscriptions qualifiées 
de pseudo-hiéroglyphiques par M. M. Dunand dans le docte ouvrage qu’il a publié, a Beyrouth, 
en 1945, sous le titre de Byblia Grammata, Documents et recherches sur le dêveloppement de 
Fécritur'e en Phênicie. Ces inscriptions sont ainsi annoncées: „La découverte la plus inattendue 
faite au cours des fouilles de Byblos. fut celle d’une série d’inscriptions en écriture d’aspect 
hiéroglyphique, indépendante, autant qu’on en puisse juger, de tout système d’écriture 
connue. Ces inscriptions, gravées sur pierre ou sur bronze sont au nombre de dix. Pour sim- 
plifier le jeu des références, nous les désignerons par les dix premières lettres de 1’alphabet, 
selon 1’ordre de leur découverte” (p. 71). L’inscription a (stéle première) avait été publiée 
dans Syria, 10, 1929, p. 1-10. Les inscriptions c et d, petite et grande tablette de bronze avaient 
fait 1’objet d’une communication de 1’auteur au congrès des Orientalistes, a Rome, en septembre 
1935. Les autres textes se trouvent sur des spatules (b, e , ƒ, i) ou sur des fragments de pierre 
(g, h , ƒ). Les inscriptions sont reproduites en excellentes copies et phototypies. C’est ainsi 
qu’elles me sont tombées sous les yeux au printemps dernier, quand M. Dunand a eu la 
délicate pensée d’offrir a son ancien maitre un exemplaire de sa publication. Ajoutons que 
ces inscriptions ont été longuement étudiées par 1’auteur qui nous donne une analyse des 
caractéristiques de chaque texte, une liste des signes groupés en catégories (animaux, végé- 
taux, ciel, eau, batiments, etc....), une minutieuse comparaison de ces signes avec les écritures 





400 


VOORAZIATISCHE RHILOLOGIE 


égyptienne, minoenne et chypriote, sinaïtique, pour conclure a „ITnfluence directe de 1 ’Egypte” 
(p. 130). Le nombre de caractères en usage dans les inscriptions pseudo-hiéroglyphiques 
est de 114. Dunand les a 'tous repérés, il en a examiné les fréquences et les séquences, pour 
chercher a arracher le secret de ces images mortes, mais il déclare, en fin de compte, que 
„dans nos recherches nous avons retenu le postulat du caractère sémitique du langage exprimé 
par cette écriture. Cest peut-être la une des causes de 1’insuccès de nos efforts de déchiffre- 
ment” (p. 121). De la un regard interrogateur vers 1’Egyptien, 1’Accadien, et même le 
Khourrite (suprème ressource des causes désespérées) pour savoir si ce n’est pas „un de ces 
groupes étrangers” qui, s’inspirant du système égyptien, aurait „créé une écriture pour 1’ex- 
pression de sa langue” (p. 121). 

Eh bien! J’affirme aujourd’hui, et je suis en mesure d’en donner la preuve irrécusable: 
la langue des inscriptions pseudohiéroglyphiques est du phénicien le plus pur, proche parent 
de celui de Ras Shamra, de Byblos, de toutes les anciennes villes de Phénicie, étroitement 
allié a 1 ’hébreu, au cananéen, a 1 ’araméen, aux autres idiomes ouest-sémitiques. Les inventeurs 
de 1’alphabet utilisent, dans ces textes, une écriture a la fois alphabétique et syllabique; 
mais ils ne recourent a aucun système idéographique. Ces signes, précurseurs, non par leur 
forme, mais par leur mode d’emploi, de 1’alphabet dont nous avons hérité, sont une mani- 
festation nouvelle, et imprévue, de ce besoin qu’éprouvaient les Sémites de 1’Ouest, du Sinaï 
a la Phénicie septentrionale, d’arriver a un système moins compliqué que les hiéroglyphes 
ou fes cunéiformes pour sauver de 1’oubli leurs faits et gestes, pour exprimer aux dieux leurs 
besoins et leur reconnaissance, pour suppléer a la parole dans les relations entre les individus 
et les peuples. Cest pourquoi je me suis dit, de prime abord, que ces textes de Byblos 
devaient sauvegarder le langage du pays. Je ne m’étais pas trompé. Je n’ai eu pour me guider 
ni inscription bilingue ni texte dont les mots ,sont séparés par des barres ou des points. 
J’ai travaillé sur des textes en écriture continue et ce qui m’a sauvé, c’est que je ne me 
suis pas laissé guider pa t 1’aspect des signes pour en fixer la valeur syllabique ou 
alphabétique. 

Je m’attachai a 1’un des textes les mieux conservés, a la tablette c, que je pourrais 
appeler Ja tablette „cobaye” ainsi décrite par M. Dunand : „Tablette de bronze rectangu- 
laire, aux angles trés adoucis. Longueur: 0,155; largeur: 0,11; épaisseur moyenne: 0,001. 
Quinze lignes de texte, treize au recte, deux sur le verse... Le texte est gravé parallèlement 
aux longs cötés et se lit de droite a gauche et de haut en bas.... Le texte compte 217 signes 
dont 53 différents et se termine pas le signe 1 sept fois répété” (p. 74 ss.). La tablette est 
reproduite en phototypie a la pl. IX, en copie a la p. 75 (fig. 28). 

Je me suis arrêté a cette tablette non seulement a cause de son état de conservation, 
mais aussi paree qu’elle ne comptait que 53 signes différents, alors que la tablette de bronze 
d, plus grande et tout aussi bien conservée, compte 64 signes différents sur 461 qu’elle 
comporte. Je m’empresse d’ajouter qu£ j’ai reporté au fur et a mesure de mes découvertes, 
les valeurs obtenues pour chaque signe et que ces valeurs se sont avérées exactes. J’aurar 
1’occasion de donner de ce texte une traduction continue quand j’aurai identifié les signes 
qui lui sont propres. 

Revenons a la tablette c. La demière ligne de cette tablette se termine par un signe répété 
sept fois. En réalité, les trois premiers de ces sept signes sont plus courts que les quatre sui- 
vants, en allant de droite a gauche. J'ai supposé qu’il ne pouvait s’agir que d’un chiffre. Comme 
les Sémites ont toujours usé du système décimal, j’ai attribué la valeur I aux trois premiers 
signes, la valeur 10 aux quatre suivants, ce qui me donnait 3 + 40 = 43. Les quatre carac¬ 
tères qui précédent ce nombre, m’ont semblé devoir exprimer la date. plus précisément 
„en 1’année”. Comme les Phéniciens employaient le pluriel pour exprimer les datations, 
j’obtenais ainsi la formule b-s-n-t „dans les années”. J’avais donc ainsi quatre consonnes, 
plus exactement quatre syllabes, abstraction faite de la voyelle. Or dans les anciens textes 
phéniciens, comme dans les autres textes sémitiques, hormis 1’accadien, les valeurs con- 
sonantiques sont les seules exprimées et nous traduisons ces inscriptions sans le secours des 
voyelles, puisque dans les langues sémitiques 1’essence du mot est représentée par la racine 



DECHIFFREMENT DES INSCRIPTIONS DE BYBLOS 


composée de consonnes. Je me suis dit qu’il me suffirait de retrouver dans les inscriptions 
le substratum consonantique, en attendant de le vocaliser. En d’autres termes, je devais 
rencontrer plusieurs syllabes commenQant ou finissant par b (ba, bi , bu ou peut-être ab, ib, 
ub) mais il fallait déterminer avant tout la consonne et cela ne pouvait se faire qu’en 
reportant partout la valeur consonantique du signe identifié et en la confrontant avec les 


Fig- 3 7 - Tablette de bronze c. Copie de 1 VL Dunand, p. 75 


autres valeurs. Pour éviter toute confusion, j’ai marqué d’un indice la consonne dotée d’une 
valeur syllabique propre et chaque fois que se présentait une hypothèse, j’insérais cette 
hypothèse dans les séries déja acquises. Je ne dirai point par quels avatars a passé chacun 
des signes avant d’arriver a sa valeur définitive. Armé d’une gomme et d’un crayon, je me 
suis livré a un labeur obsédant de jour et de nuit sur cette toile de Pénélope, certain 
d’aboutir paree que mon point de départ s’avérait chaque jour plus sur. La ligne 15 marquait 
bien 1’année de la tablette. 

En effet, en transportant les valeurs b } s, n, t dans les autres lignes de la tablette, j’eus 
le bonheur de rencontrer dans la première ligne les signes n et s encadrant un signe que je 
supposai être le h, le mot attendu étant nhs „cuivre” ou „bronze”. Cette lettre ou cette 

Jaarbericht n°. 10 26 





402 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


syllabe nouvelle me foumit le mot mzbh „autel” aux lignes 6 et io. Quelle ne fut pas ma 
joie, en reportant la valeur m a la ligne 14, avant Tindication d’année, d’obtenir btmz „en 
Tammouz^, c’est a dire la fixation du mois. Au début de cette ligne 14, j’avais deux s sépa- 
rés par un signe que je crus d’abord une syllabe contenant l, ce qui m’aurait donné sis „trois” 
suivi de la désignation du jour. En réalité, le mot n’était pas sis, mais sds „six”, devenu 
plus tard ss. L’arabe sadis „sixième” a gardé le type le plus ancien de ce nombre. Devant 
le nom de mois j’obtenais sds ym 4 w 1 „sixième jour”. 

Tout cela ne s’est pas fait aussi rapidement que mon exposé le laisserait a entendre. 
II m’a fallu „vingt fois sur le métier remettre mon ouvrage, ajouter quelquefois et souvent 
effaeer”, mais chaque hypothèse heureuse était génératrice de nouvelles trouvailles, et eest 
ainsi que peu a peu les syllabes ou les lettres se sont regroupées d’elles-mêmes, les phrases en 
pur phénicien se sont alignées, le sens est apparu. Je n’ai cherché ni le nom de Byblos ni 
les mots de dieu ou de roi, ni les récits de conquêtes ou d’ceuvres pies. J’ai trouvé le texte d’un 
artiste graveur qui raconte ce qu’il a fait, avec ses collègues, pour 1’ornementation du temple 
oü il a travaillé. La tablette c, comme d’ailleurs la tablette d, est une inscription commémo- 
rative. En même temps que j’élucidais ce texte, j’établissais mon syllabaire, alignant en regard 
de chaque consonne de 1’alphabet phénicien ou hébreu les signes correspondant aux syllabes 
dont cette consonne était 1 ’armature. Le syllabaire ainsi obtenu est confirmé par 1 ’application 
du système aux autres textes. II ne me reste plus qu’a mettre les voyelles, mais, je 1’ai dit, 
elles offrent un intérêt secondaire dans 1 ’interprétation des textes, puisque les Phéniciens 
eux-mêmes les ont négligées dans 1’établissement définitif de leur alphabet. 

Le 27 Septembre 1946. — Dans ma communication du 2 aoüt dernier,. j’ai annoncé 
a rAcadémie que j’avais réussi a percer le mystère des inscriptions de Byblos appelées 
pseudo-hiéroglyphiques par M. M. Dunand qêS les a découvertes et publiées. J’ai exposé 
comment, sans le secours d’une bilingue, sans même 1’indication d’une coupure entre les 
mots, j’étais parvenu a reconnaitre la vieille langue phénicienne dans 1’idiome exprimé 
par cette écriture jusqu’ici indéchiffrée et comment j’avais reconstitué 1’alphabet syllabique 
de plus de cent signes grace auquel il m’était possible de déchiffrer et de traduire les textes. 
J’ai ensuite expliqué 1 ’un de ces textes, la tablette de bronze c que j’avais choisie comme 
tablette „cobaye”. Elle comptait 15 lignes, 13 au recto, 2 au verso, a lire de droite a gauche, 
le nombre des caractères étant de 217, dont 53 différents. L’inscription rappelait 1 ’oeuvre 
d’un graveur 4 sur cuivre et de ses collègues pour le temple égyptien de Byblos. Elle se 
terminait par la date oü fut effectué ce travail et c’est grace au chiffre indiquant 1’année 
que j’avais pu reeonstituer d’abord la formule chronologique puis les autres mots du texte. 

A mesure que les signes de cette tablette acquéraient, grace aux recoupements suggérés 
par le vocabulaire phénicien, leur valeur définitive, j’avais soin de reporter ces acquisitions 
dans les textes rédigés dans la même écriture. Parmi ces textes il en est quatre qui sont 
gravés sur des spatules en plus ou moins mauvais état et quatre sur des pierres plus ou 
moins fragmentaires. Le plus important de toute la collection est sans contredit celui que 
porte la seconde tablette de bronze appelée tablette d. M. Dunand la définit ainsi: „Grande 
tablette rectangulaire en bronze. Longueur: 0,21; largeur: 0,115; épaisseur de 0,001 a 
0,0015. Les deux faces sont inscrites et comptent 41 lignes, 22 sur le recto, 19 sur le verso... 
Ce long texte ne livre que 64 signes différents .sur 461 qu’il comporte.” La tablette d est 
reproduite en photographie a la pl. X, en copie a la p. 77 des Byblia Grammata. C’est un 
document unique dans les trésors épigraphiques de 1 ’ancienne Phénicie. Je m’y suis attaché 
avec la même ardeur qui m’avait permis, de la fin de juin a la fin de juillet, de découvrir 
la def du système pseudo-hiéroglyphique de Byblos et d’interpréter, sans risque d’erreur 
grave, la tablette c. Voici le résultat de mon travail. 

Ce texte, qui compte 64 signes différents, utilise des caractères qui lui sont communs 
avec la tablette c et les autres inscriptions, mais il en possède un certain nombre qui lui 
sont propres. Parmi ceux-ci, il en est qui sont d’une telle fréquence qu’ils représentent des 
syllabes, des consonnes, des voyelles, qui se rencontrent fréquemment dans la langue phéni- 



DÊCHIFFREMENT DES INSCRIPTIONS DE BYBLOS 


^ *71 ft < \ 
) f 2 2 V 

/WA ^ n 

> ^ T t 0 ^ 

4 A ^ +*- f 6 > 


1 ^ V 3 ^ ^ n nn ^ y ft 

-ft . 

> % n J ns* ï ( 

*3^ >{?T ^ Af £ V 


» S? r * < 5 . A 
^ A * +- %■ 
o-ï» cO % A n a 

n ï pi % ^ 


1 + ï 0 ïiT 

3 1 % 

■ ^ 1k t n f 

+- 3 ? | 
m v j 'Sm 0 

'f* ^ n 


Fig. 38. Tablette de bronze d. Copie de M. Dunand, p. 77 

de caractères représentant les consonnes de 1’alphabet sémitique primitif avec, en plus, les 
trois aleph vocaliques, les graveurs de Byblos ne sont pas encore arrivés a cette simplifica- 
tion. Leur écriture marqué une étape entre le syllabisme pur et le pur alphabétisme qui 
trouvera son expression définitive dans les textes de Shapat-Baal et d’Akhiram. Nous 
avons dans les inscriptions pseudo-hiéroglyphiques une manifestation frappante de cette 
tendance, alors répandue chez les Sémites occidentaux, a restreindre le nombre des carac¬ 
tères pour aboutir a un système plus accessible que celui des hiéroglyphes ou des cunéifor- 



404 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


DÉCHIFFREMENT DES INSCRIPTIONS DE BYBLOS 


405 


mes. II s’agissait de faire de récriture non plus le monopole de la classe des scribes, mais 
le bien commun des simples mortels. Et ce qu’il y a de plus singulier, c’est que les signes 
sont affublés de leur signification consonantique ou syllabique, sans tenir compte de la 
valeur qu’ils possèdent dans récriture d’ou ils proviennent. C’est la ce qui a trompé ceux 
qui, avant moi, ont tenté de saisir le secret de ces textes. Ils ont cherché dans les écritures 
voisines, principalement dans les hiéroglyphes, des analogies incontestables, dans Tespoir 
d’en tirer profit pour 1’explication des caractères. Cette voie menait tout droit a une impasse. 
STi est un fait qui s’impose maintenant avec 1’évidence d’un axiome, c'est que la valeur 
phonétique des signes est indépendante de leur origine. Les graveurs de Byblos ont décrété 
que telle figure représenterait tel son. Nous avons une nouvelle preuve de Tintervention 
du génie individuel dans les grands progrès de Tesprit humain. Peut-être aussi les inventeurs 
du système eurent-ils le souci de rendre leur écriture plus personnelle en n’empruntant que 
le signe et non la chose signifiée. Leur système devenait un système proprement phénicien, 
consacré a la langue phénicienne de Byblos, différente a la fois de 1 ’assyro-babylonien des 
cunéiformes et de Tégyptien des hiéroglyphes. De toute faqon, le principe de kacrophonie, 
c’est a dire de 1’attribution a un signe de la valeur exprimée par la première consonne du mot 
que représente le signe, ce principe n’est plus applicable aux origines de 1’alphabet. C’est après 
coup seulement que les Sémites de 1 ’Ouest ont désigné par dés noms les lettres de leur écriture 
et Ton sait combien ces désignations sont souvent de vagues approximations. Ainsi la 
représentation de 1’ceil qui, dans récriture proto-sinaïtique, semble bien représenter un 
c din, apparaït sept fois dans notre tablette d, et nulle part ailleurs, pour exprimer une 
syllabe commenqant par shin. Le rond, qui est la pupille de roeil et qui exprimera le c din 
dans le premier alphabet, est employé dans nos textes pour représenter le sin ou le samech. 
II me serait facile de multiplier les exemples de eet usage arbitraire des signes d’emprunt 
pour la constitution du syllabaire et de 1 ’alphabet des Phéniciens de .Byblos. II y a cependant 
quelques coïncidences, par exemple pour le hëth, le nün, le rêsh. Nous aurons a les expliquer 
dans notre étude d’ensemble. 

L'examen approfondi de la tablette d, parallèlement a la tablette c, démontre que la 
tendance a rorthographe purement consonantique est déja trés accusée a l’époque ou ces 
textes furent rédigés. J’avais eu soin, dans ma première transcription, de réserver 1’expression 
des voyelles, étant donné que nous sommes peu renseignés sur le vocalisme de randen phé¬ 
nicien. Je me suis donc contenté, et je men félicite, de différencier par des indices les con- 
sonnes représentées par des signes divers, pour éviter de me prononcer sur la valeur syllabi¬ 
que de ces signes. Ainsi j’obtenais un texte dont les mots .apparaissaient déja sous la forme 
que leur donneraient plus tard les inventeurs de 1’alphabet. Je pouvais de la sorte, comnte 
on le fait couramment pour les inscriptions phéniciennes en écriture alphabétique, traduire les 
phrases sans les vocaliser. Je constatai que, dans certains cas, la voyelle pouvait être pronon- 
cée avant la consonne, comme dans le syllabaire cunéiforme oü nous avons des signes pour 
ab, ib, ub, a cöté des signes ba\, bi, bu. Par fois aussi les consonnes faibles aleph (’), waw (w), 
yodh (y), ont été traitées comme de véritables matres lectionis, c’est-a-dire comme des 
voyelles de secours, ce qui obligeait a traiter comme une simple consonne le signe précédant 
cette voyelle. Les consonnes finales, si 1’on se fie au mécanisme des langues sémitiques, 
hormis 1’arabe, sont fréquemment dépourvues de voyelles, d’ou la nécessité de traiter comme 
simples consonnes des signes placés de préférence a la fin des mots. 

Pour faire toucher du doigt ce système d’orthographe, je vais transcrire ci-dessous trois 
lignes de la tablette d, les lignes 11-13 qui sont des plus significatives: 

11. 'S-w °-t 2 -n li m^ s> -r-h-b 2 
su Hs °aton el markabi 

Shou, Isis, Aton sur le char (ou la barque) ; 

12. ° 3 -m 2 -w 1 -n z-b 2 -h-m 1 D -m 3 -n 4: y- c 2 -s 

°amun zabihim °amana ya c as 

Amon (qui) aux sacrificateurs protection fait; 


13. z h-n 4: -r 1 s-i-n^ h-n 2 -s °-t 2 -n 
ze ha-nar sena huns °aton 
ces luminaires deux, Khonsou, Aton. 

On voit comment certains mots sont rendus par des consonnes a 1’aide de matres 
lectionis , tandis que pour d’autres il est nécessaire de donner aux signes une valeur syllabi¬ 
que. Le sens n’est pas douteux. Les divinités égyptiennes sont représentées sur le markab, 
qui est un char ou, plus probablement, une barque. Amon accorde Yaman (aliusion a son 
nom) aux prêtres qui font un sacrifice. Les deux luminaires, Khonsou, dieu-lune, et Aton, 
disque solaire, figurent dans une autre scène, décrite aux 11. 14-15. 

C’est en transportant dans la tablette d les valeurs acquises par le déchiffrement de la 
tablette c et en déterminant, par le contexte, les valeurs des signes non employés dans la 
tablette c, que j’ai pu aboutir a une transcription et a une traduction de ce texte de 41 
lignes. II a été conqu comme une plaque commémorative pour conserver a la postérité les 
noms de ceux qui ont élaboré Tornementation sacrée du temple égyptien de Byblos. Les 
principaux artisans sont les artistes graveurs. Le verbe employé pour „graver” est pth, 
comme dans la Bible, dans certains textes phéniciens et dans la tablette c. Le même verbe 
est usité pour signifier „ouvrir”, qui est son sens ordinaire dans les langues sémitiques. 
Les opérations préliminaires sont exprimées par les racines kbs „fouler, fondre” (comme 
en latin subigere metalla ), zhl „glisser, serpenter”, c’est a dire „faire glisser, serpenter” le 
métal en fusion dans les moules et par suite „mouler”, snn „aiguiser, polir” pour supprimer 
les aspérités du bnonze. Les 11 . 1-8 racontent comment on a procédé a la cuisson du métal. 
Le premier ouvrage gravé ést un ^-p^w-ë-d ( 1 . 10) que nous n’hésitons pas a rendre par 
éphod, en rappelant que dans la Bible, a cöté de l’éphod vêtement, existait Téphod idole qui 
était recouverte de métal précieux (Juges, vm, 24 ss., xvii-xvm; I Samuel, xxi, 9-10). 
On sait que le mot, sous la forme °ipd, apparaït dans un texte de Ras Shamra (Virolleaud, 
Syria 15, 1934, p. 309). Viennent ensuite ( 11 . 11-21) les travaux exécutés par toute une 
familie rattaöhée au graveur Lil qui est Tauteur de la tablette c Les 11 . 22-25 donnent les 
noms de ceux qui ont travaillé a la confection d'un Apophis, c’est a dire du fameux serpent 
ennemi du soleil. Enfin mention des fondeurs auxquels on doit d’autres divinités égyptiennes 
admises dans le temple: Bès, Noun, Sotekh. Les 11 . 29-31 exaltent 1’ardeur au travail de 
tout le personnel. Le texte finit par une sorte de doxologie qui exalte la beauté du temple 
et par une invocation a „notre seigneur” (11. 32-41). 

Parmi les artisans on en trouve quelques-uns, dont les noms décèlent une origine égyp- 
tienne, en particulier Pi-sa? „celui de Saï-s (Sa dans les textes assyriens), 1 . 22; ...Anubis 
(écrit a Tégyptienne 0 a-n-p ), 1 . 25; Pa-war „le grand”, 1 . 28. Les autres noms sont phéni¬ 
ciens. II est possible que les artisans soient venus a Byblos de Tïle de Chypre, patrie du 
cuivre et de la métallurgie. La mention du disque solaire Aton a la 1 . 11 et a la 1 . 13, le nom 
du temple Aton-yahaki conservé dans la tablette c, 1 . 15, nous aigmlle vers Tépoque d’Amé- 
nophis iv-Akhnaton, le grand promoteur du culte d’Aton (1370-1349 av. J.C.). Mais il faut 
noter que la réforme de ce monarque excluait le culte d’Amon, alors que ce dieu figure 
en bonne place a la 1. 12. La mention, a la 1 . 26, de Sotekh, lel sosie asiatique du dieu Seth 
de haute Egypte, pourrait peut-être nous donner un point de repère dans la chronologie 
antérieure a Aménophis iv. 

Paris, 1946. E. Dhorme 




406 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


C ASTART ET C ASTAR A RAS-SHAMRA 

Le fragment mythologique de Ras-Shamra publié par M. Charles Virolleaud sous 
le titre Le dieu c Astar !) permet de deviner que ce dieu est le doublet masculin de la déesse 
c Astart: 

i° —• c Astart, devenue Astarté et entree en composition dans Atargatis, apparaït accom- 
pagnée d’un lion, ou de deux lions sur ses cótés; souvent son tröne est formé de lions. Nous 
pensons qu’elle était primitivement adorée sous la forme d’une lionne et que c’est elle 
qu’a Ras-Shamra on désignait sous le terme c La Lionne 0 dans le nom théophore C bd-Lbet, 
c Serviteur de la Lionne 0 2 ). Le lion vainqueur du taureau est encore une allusion a la déesse 3 ). 

Dans le nouveau texte, ligne 20, c Astar est accompagné d’un lion dans sa descente au 
tombeau. II était probablement a 1’origine le dieu lion dans un< couple divin lion et lionne. 

2° — Au point de vue astral c Astart est essentiellement la planète Vénus; accompagnant 
le soleil dans sa course, cette planète est visible au couchant et au levant. Ce caractère 
n’apparaït pas dans la littérature de Ras-Shamra, mais est bien clair chez Istar et Astarté. 

Dans le nouveau texte, la déesse-Soleil, Sps, transmet a c Astar une des décisions du 
dieu °E 1 , père des dieux ( 1 . 15-16). Le fait s’explique bien si c Astar accompagné le soleil 
dans la course. 

En second lieu, c Astar doit c sortir au-devant du Prince de la mer°, le dieu Yam ( 1 . 16). 
Or pour les habitants de Ras-Shamra la mer et le dieu de la mer sont essentiellement a 
TOuest. Vénus s’élevant de 1 ’Est au-dessus des montagnes de la Phénicie c sort° bien au devant 
du dieu de la mer 4 ). Quand, d’autre part, c Astar dit qu’il va C descendre dans le tombeau 0 , 
il fait allusion sans doute au coucher de 1’astre (1. 20). 

3 0 — c Astart, comme prototype d’Astarté est une déesse de vie et de résurrection. Sous 
la forme Istar, elle, est 1 héroïne du poème babylonien de la Descente aux enfers. 

c Astar descend au tombeau ( 1 . 20) comme c’est le cas général des dieux qui meurent, 
il sortira certainement du tombeau, vainqueur de la mort et deviendra ainsi un dieu de 
résurrection. 

Ces comparaisons amènent a penser que la planète Vénus était représentée a Ras-Shamra 
par deux divinités masculine et féminine sans établir de distinction nette entre 1’étoile du 
matin et 1’étoile du soir. II est probable cependant que c’est cette distinction qui est a 
1 ’origine de la dualité des personnes. Un texte assyrien qui représente une tradition ancienne 
nous dit que c Vénus est femelle au coucher du soleil, et male au lever du soleil 05 ). II est 
donc probable qu’ c Astar était primitivement 1 ’étoile du matin et c Astart 1 ’étoile du soir. Le 
premier serait apparenté a 1’Istar guerrière, la seconde plus particulièrement a la déesse nue. 
On notera qu’Astarté a perdu tout caractère guerrier, et que par contre, Istar a conservé 
un nom masculin. 

Le groupe c Astart et c Astar, a rapprocher de °Aserat et °Aser, suggère qu’il a du 
exister dans la préhistoire religieuse oriëntale un groupe c Anat et c An. Ce dieu ne s’est 
jamais encore rencontré a 1 ’état natif, mais le nom d’homme, c Ebed c an, a Ras Shamra, 

parait bien signifier c Serviteur de c An°. 

Paris, Décembre 1946. Comte du Mesnil du Buisson 

1 ) III AB, C, dans Syria, 1944-1945, p. 1-12. c le dieu Yöm 3 le sens n’est pas moins satisfaisant: 

2 ) Thureau-Dangin, Rev. d’Assyr., XXXVII, Vénus c sort D de l’horizon, 1 avant le lever du jour, 

p. 116 1 . 38 et p. 105. c devant le dieu YórcA Nous nous empressons d’ajou- 

3 ) Nous avons développé cette thèse dans une ter que c’est la lecture Yam, qui nous parait la 

communication a la Société Nationale des Antiquaires bonne. Comme 1 ’a montré en effet M. Virolleaud, 
de France et la publierons en détail dans notre Ym est constamment associé a Nhr, or ce mot ne 
catalogue des Tessères et monnaies de Palmyre en peut vouloir dire que cFleuve 3 dans 1 ’expression 
préparation. spt Nhr c Le Fleuve juge 3 , allusion a la pratique de 

4 ) II faut remarquer que si on lit Yöm au lieu rordalie. 

de Yam, et que Ton comprend: c le prince du jour 3 , 5 ) Rawlinson, Western Asia inscrip., III, pl. 53. 




CAPITA SELECTA UIT DE 
HETHIETISCHE BESCHAVINGSGESCHIEDENIS 

III. HETHIETISCHE MYTHEN EN LEGENDEN 

Gedurende de oorlogsjaren heeft ook de wetenschap der Hethietologie niet stil gestaan. 
Zowel in Europa, als ook in de Verenigde Staten, maar daarnaast vooral in Turkije, waar 
uiteraard bijzondere belangstelling voor de oude Hethietische beschaving bestaat, is men 
voortgegaan de resultaten der archseologische expedities van vóór 1940 in historisch, philo- 
logisch en godsdiensthistorisch opzicht te verwerken. In Turkije bleek het zelfs mogelijk 
de opgravingen en onderzoekingen ter plaatse, zij het in bescheiden omvang, voort te 
zetten 1 ). Op historisch terrein is het mogelijk geweest de chronologie van het Hethietische 
Imperium, en vooral van de daarvóór liggende periode, in aansluiting aan de verlaging van 
de Vooraziatische chronologie, nauwkeuriger dan tot dusverre het geval was, vast te 
stellen en de periode van de zogenaamde leemte in de bronnen naar het rijk der fabelen te 
verwijzen. Daardoor sluit thans de periode van het Hethietische Middenrijk (1800-1450) 
aan bij die van het Hethietische Imperium of Nieuwe Rijk (1450-1200) 2 ). 

Belangrijk is ook, dat de rol der Hethietische vazalstaten in Klein Azië en Noord Syrië 
door deze onderzoekingen duidelijker voor ons is geworden. Wij weten thans, dat er een 
nauw contact tusschen het Noordelijk en Zuidelijk rijksdeel heeft bestaan en dat de rol 
van dit Zuidelijk rijksdeel, oorspronkelijk een wingewest, in vele opzichten beslissend is 
geweest voor de ontwikkeling van het gehele Hethietische Imperium, toen dit mede door 
het politieke ingrijpen der Hiëroglyphische Hethieten tijdens de oorlogen met Egypte in de 
14de en 13de eeuw vóór Chr. op het toppunt van zijn macht stond, en de hegemonie in Voor 
Azië wist te verkrijgen 3 ). 

Doch niet alleen in historisch en politiek opzicht zijn de Hethieten nader tot ons gekomen, 
ook hun godsdienstig leven en hun beschaving in het algemeen hebben in de laatste jaren in 
het centrum der hethietologische onderzoekingen gestaan. Dit is geen toeval, daar de ge¬ 
schiedenis der Öethieten al spoedig na de ontdekking der Koninklijke Hethietische archieven 
in hun oude hoofdstad, Hattusas-Bogazköy, met behulp van synchronismen met de rijken 
van het Tweestroomenland en Egypte kon worden gereconstrueerd. De historische teksten 
zijn immers het eerst bij elkaar gezocht en gepubliceerd; pas daarna is men in het algemeen 
begonnen de andere teksten te bestuderen 4 ). 

Een stroom van hethietologische litteratuur is in de oorlogsjaren verschenen, zo rijk 
zelfs, dat de assyriologie, waaruit de hethietologie is voortgekomen, er jaloers op zou 
kunnen zijn; circa 50 op zich zelf staande werken, benevens nog een aantal tijdschrift¬ 
artikelen zijn verschenen. Daarbij valt op, hoe vele dezer publicaties bronnenpublicaties 
zijn of de bronnen commentariëren. Wij hopen daarvan binnenkort in Bibliotheca Orientalis 
een beredeneerd en geclassificeerd overzicht te geven. Daarbij bevinden zich verscheidene 
publicaties op godsdiensthistorisch terrein. Nu is er van de godsdienst der Hethieten, sedert 
er in de zeventiger jaren der vorige eeuw van hen in wetenschappelijk opzicht sprake is, 
betrekkelijk weinig gepubliceerd, dat de toets der critiek ten volle kan doorstaan. Uitzonde- 

1 ) K. Bittel, Archdologische Funde aus der Hethietische Vestingbouwkunde, Leiden, 1945, 9-18; 
Türkei im Jahre 1939, 1940, 1941, Archaologischer . (= Kernmomenten 83-92); H. Th. Bossert, Alt- 
Anzeiger 1940, 553"6oo; 1941, 251-318; 1942, 75-100; anatolien, Berlijn, 1942, 44-53. 

Hamit Zübeyr Kosay, Results of the Excavations 3 ) A. A. Kampman, Hethietische Vestingbouw- 
Alacahöyük, La Turquie Kemaliste 32-40, 1939-1940, kunde, 22 (= Kernmomenten 96). 

20-26; idem, Les fouilles de Pazarli entreprises par 4 ) Tekstpublicaties: Keilschrifttexte aus Boghaz- 
la Société d’histoire turque, Ankara, 1941; H. Th. köi i-vi, Leipzig 1916-1921 (— KBo) ; Keilschrift- 
Bossert, Karatepe, A preliminary report on a new urkunden aus Boghazköi i-xxxiv, Berlijn, 1921-1944 
Hittite site. Istanbul 1946; zie verder blz. 4... (= KUB). 

2 ) A. A. Kampman, De historische beteekenis der 




408 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


ringen daarop vormen de werken van Albrecht Goetzé 5 ), Guiseppe Furlani 5 6 ) en Louis 
Delaporte 7 ). Deze publicaties hebben uiteraard nog weinig of geen gebruik kunnen maken 
van de onderzoekingen, die een gevolg zijn van de hervatting der opgravingen in de Hethie- 
tische hoofdstad in 1931 en volgende jaren door de Bogazköy-expeditie o.l.v. Kurt Bittel. 
Het is daarom dan ook zeer verheugend te kunnen constateren, dat sedert 1939 een aantal 
werken is verschenen, waardoor het Hethietische Pantheon en de daarmede samenhangende 
godsdienstige gebruiken, mythen en legenden nader tot ons is gebracht. Op archseologisch 
terrein noem ik de prachtige publicatie van Kurt Bittel over het Hethietische rotsheilig¬ 
dom Yazihkaya bij Hattusas 8 ), waardoor de onderlinge verhouding van een aantal Hethie¬ 
tische góden begrijpelijker voor ons is geworden. In hetzelfde opzicht is ook het boek van 
C. G. von Brandenstein, Hethitische Götter nach Bildhesckreibungen in Keilschrifttexten 
(Leipzig 1943) van belang, omdat de door von Brandenstein onderzochte spijkerschrift- 
teksten met beschrijvingen der afbeeldingen van Hethietische góden ons in staat stellen 
een aantal reliëfs met godenbeelden te identificeren en nadere gevolgtrekkingen te maken 
omtrent de familieverhoudingen der góden en godenfamilies. Een goed overzicht van de 
Hethietische geschiedenis en beschaving vindt men in een woordenboekartikel van L. Dela¬ 
porte, Hittites 9 ); een zeer ruime plaats wordt in deze bijdrage gegeven aan de Hethietische 
godsdienst. Delaporte geeft ons hier een op overzichtelijke wijze samengestelde lijst van 
Hethietische góden, die in de staatsverdragen als getuigen worden aangeroepen. Niet minder 
dan 148 góden worden in deze lijst opgesomd met vermelding van de verdragen, waarin zij 
voorkomen. Delaporte was ook in de gelegenheid gebruik te maken van het grootste deel 
der opgravingsresultaten van Bogazköy-Hattusas uit de jaren 1931-1939, maar de uit gods¬ 
diensthistorisch oogpunt belangrijke publicatie over Yazihkaya kon hem nog niet bekend zijn. 
Zijn artikel steekt bijzonder gunstig af bij de bijdrage van Joh. de Groot in de Godsdiensten 
der wereld 10 * ), waar de Hethietische godsdienst wel op povere en minder gelukkige wijze 
is behandeld. 

Het belangrijkst is echter het verschijnen van het xxxinste deel der Keilschrift- 
urkunden aus Boghasköi geweest, waarin Heinrich Otten n ), de epigraaf der Bogazköy- 
expeditie, ons de spijkerschrifttekst heeft gegeven van 124 fragmenten van mythische en 
magische teksten in het Hethietisch, die nu, na hun bewerking te Berlijn, wederom in het 
archaeologisch museum te Istanbul berusten. Na de publicatie van tablettèn met fragmenten 
met de Telipinus- en de Illujankas-mythe in KUB vm, xvn en xxiv worden in KUB 
xxxiii voor het eerst mythische teksten, systematisch geordend, gepubliceerd. In de eerste 
21 teksten van deze publicatie worden de teksten van de Telipinus-mythe in aansluiting 
aan KUB xvn, 10 volledig weergegeven. Van nog groter belang is de publicatie van de 
teksten geweest behorende tot de zogenaamde Kumarbi-cyclus. Met behulp van deze mythe 
is het mogelijk geweest de Hethietische theogonie te reconstrueren, waarbij samenhang met 
de Griekse theogonie duidelijk bleek te bestaan. Voorts is de Kumarbi-mythe van belang voor 
onze kennis van de reeds dikwijls gebleken Hurrietische invloed op de Hethietische gods¬ 
dienst en litteratuur. 

Het zijn vooral twee publicaties, die mij er toe hebben gebracht in dit Jaarbericht het 
een en ander over Hethietische mythen mede te delen. In de eerste plaats de bewerking van 

5 ) A. Goetze, Kleinasien, München, 1933, 122- 9 ) L. Delaporte, Hittites in: Supplément au 

160, in het Handbuch der Altertumszvissenschaft. Dictionnaire de la Bible , Parijs, 1941, Tomé iv, 

6 ) G. Furlani, La religione degli Hittiti, Bo- fase. 18, 60-78. 

logna, 1936. 10 ) Joh. de Groot, West-Aziatische Religies: De 

7 ) L. Delaporte, Les Hittites , Parijs, 1936, 241- Godsdienst der Hethieten in De Godsdiensten der 

277. Wereld I, Amsterdam 1940, 254-257. 

8 ) K. Bittel, R. Naumann und H. Otto, Ya- 1:L ) Keilschriftkunde aus Boghasköi Heft xxxm: 

zihkaya, Architektur, Felsbilder, Inschriften und H. Otten, Mythische und magische Texte in he- 

Kleinfunde, Leipzig, 1941 (= WVDOG 61); zie thitischer Sprache, Berlijn, 1943. 

mijn bespreking in JEOL 11, No 8, 1942, 689-708, 


HETHIETISCHE MYTHEN EN LEGENDEN 


4O9 


de Telipinus-mythe van Otten 12 ), ten tweede die van de Kumarbi-Cyclus van Hans Gustav 
Güterbock in 1946 te Ankara verschenen 13 ). Het boek van Otten is ontstaan tegelijkertijd 
met en naar aanleiding van de door hem in KUB xxxm uitgegeven Telipinus-teksten, dat 
van Güterbock vormt een transcriptie, vertaling en commentaar op de Kumarbi-teksten 
door Otten in KUB xxxm gepubliceerd. Wanneer men het in deze beide publicaties 
verwerkte tekstmateriaal vergelijkt met hetgeen G. Furlani in 1936 en zelfs nog L. Dela¬ 
porte in 1941 over Hethietische mythen wisten mede te delen, dan blijkt wel, hoe ook de 
hethietologie voor haar ontwikkeling op de verdere publicatie van het tekstmateriaal is aan¬ 
gewezen. Terwijl Furlani in negen regels van de Kumarbi-mythe alleen weet mede te delen, 
dat dit een soort nationaal epos der Hethieten is en een weinig met Enuma elis der Baby- 
loniërs correspondeert 14 ), bevat het boek van Güterbock over deze mythe, die een cyclus 
van minstens drie afzonderlijke stukken blijkt te zijn, een ióo bladzijden. 

Uit het reeds vroeger bekende en in de laatste jaren gepubliceerde materiaal kan men 
thans opmaken, dat men bij de Hethieten onderscheid dient te maken tussen twee afzonder¬ 
lijke groepen van mythen: ten eerste de groep van echte Hethietische mythen, die meestal 
met een godsdienstig feest samenhangen en hun overlevering danken aan de omstandigheid, 
dat ze tezamen met de rituele voorschriften door de tempelpriesters zijn opgetekend; ten 
tweede mythen, die meer litterair kunnen worden beschouwd en waarvan het niet vaststaat, 
dat zij een rol in de cultus hebben gespeeld. Daarbij is gebleken, dat deze mythen en helden¬ 
dichten, voorzover bekend geworden, alle op niet-Hethietische originelen teruggaan, waarbij 
de Hurrieten de bemiddelaars van Oost naar West zijn geweest 4 5 ). De Hurrieten zijn in de 
laatste twintig jaren in de historische gezichtskring getreden. Men vindt hun monumenten in 
Voor Azië verspreid van Mesopotamië tot de kust van de Middellandse Zee en van Anatolië 
tot Palestina. In de 16de eeuw v. Chr. stichtte een Indo-arische volkerenstam, de Mitanni, 
een belangrijk politiek centrum, het Mitanni-rijk, welks centrum in het brongebied van de 
Chaboer ligt. De Hethieten noemden dit volk de Hurrieten, de Babyloniërs de Subarseers. 
De opkomst van het Hethietische Imperium in de 14de eeuw v. Chr. geschiedt in strijd met en 
teh koste van het rijk der Hurrieten, dat een tijd lang als bufferstaat tussen de Egyptenaren 
en Hethieten fungeerde. Het gevolg is de ondergang van dit rijk en de inlijving van grote 
delen van Z.O. Klein Azië en Noord Syrië bij het Nieuwe Hethietische rijk onder koning 
Suppiluliumas (1370). Cultureel hebben de Hethieten echter zeer veel van dit volk over¬ 
genomen: verering van Hurrietische góden, het gebruik van Hurrietische eigennamen en 
van religieuze Hurrietische teksten. Zo zijn van het Babylonische Gilgames-epos in Bogazköy 
naast Akkadische en Hethietische ook brokstukken van een Hurrietische versie terug¬ 
gevonden, zodat men eventueel kan aannemen, dat de Hurrieten de overbrengers van de 
litteraire producten van het Tweestromenland naar Klein Azië zijn geweest. 

Tot de groep van teksten wier Hurrietische oorsprong blijkt uit de godennamen, plaats- 
of persoonsnamen of uit de aanwezigheid van Hurrietische versies in het kleitablettenarchief 
van Hattusas, behoren de door Otten uitgegeven en door Güterbock getranscribeerde, 
vertaalde en gecommentarieerde mythen van de Kumarbi-cyclus, voorts de legenden van de 
slangendraak Hedammu, van koning Gurparanzah, van den jager Kessi, van den rijkaard 
Appu en zijn tweelingzonen, de verhalen van Istar en de berg Pisaisa en van het schreeuwen 
van de berg Vasitta. Otten geeft in KUB xxxm alleen de Hethietische teksten van deze 
mythen; het tekstmateriaal in het Hurrietisch wacht nog op publicatie, terwijl van de omvang 
en de conserveringstoestand daarvan niets bekend is. , 

12 ) H. Otten, Die Überlieferungen des Telipinu- 
Mythus, Leipzig, 1942 (= MVAeG 46, 1: Hethi- 
tische Texte, vu). 

1S ) H. G. Güterbock, Kumarbi , Mythen vom 
churritischen Kronos aus den hethitischen Frag¬ 
menten zusammengestellt, übersetzt und erkldrt, 

Zürich, 1946 (= Istanbuler Schriften 16). Trans¬ 
criptie van deze mythe in: H. G. Güterbock, Ku¬ 


marbi Efsanesi, Eticemetnin transkripsiyonce, An¬ 
kara, 1946 (e= Türk Tarih Ktirumu Yayinlarindan 
vu. Seri, na). 

14 ) G. Furlani, La religione degli Hittite, 82. 

15 ) A. Goetze, Hethiter, Churriter und Assyrer, 
Hauptlinien der vorderasiatischen Kulturentwick- 
lung im 2. Jahrtausend v. Chr. Geb. Oslo, 1936, 
79 - 113 * 




4io 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


HETHIETISCHE MYTHEN EN LEGENDEN 


Tot de groep van teksten van zuiver Hethietische mythen behoren o.a. de mythe van 
den Stormgod en de slang Ullujankas, alsmede de mythe van het verdwijnen en weergevonden 
worden van den god Telipinus, de zogenaamde Telipinus-mythe. Er zijn nog enkele dezer 
zuiver Hethietische mythen bij name bekend, maar hun overlevering is zo fragmentarisch, 
dat er geen samenhangend verhaal van te maken is. De tot deze groep behorende teksten 
waren reeds langer bekend, doch dank zij de publicatie van Otten is er nu meer orde in de 
opeenvolging van de verschillende in de loop der opgravingen gevonden fragmenten van de 
Telipinus-tekst gekomen. Uit de publicatie van Otten blijkt echter zeer duidelijk, dat bij de 
mythe van den verdwenen en weer teruggevonden god geen sprake is van een canonieke 
overlevering, maar dat de verschillende van deze mythe teruggevonden teksten veel eerder 
de indruk wekken, dat we hier te doen hebben met een bonte overlevering van mythen, 
opgetekend in parallelteksten, die veelvuldig van elkaar afwijken. A. Goetze gaf in 1932 
een vertaling van deze mythe, waarbij hij uitging van de gedachte alle brokstokken in een 
versie bijeen te kunnen voegen 16 ). De onderzoekingen van Otten hebben echter aange¬ 
toond, dat wij met verschillende legenden te doen hebben en dat er in de Telipinus-mythe 
zelf ook nog van elkaar afwijkende overleveringen voorkomen. Uit een drietal fragmenten 
valt het verhaal van de mythe ongeveer op te maken. Ik volg daarbij de vertaling van Otten : 


TELEPINUS-MYTHE 

(Fragment B I = KUB xvn, 10, I; KJJB xxxm, 5 en 8) 

Toen Telipinus verdwenen was, hebben runderen, schapen en mensen geen gemeenschap' meer 
met elkaar en zelfs zij, die drachtig waren, kunnen niet voortbrengen. In het land ontstond een 
hongersnood. De grote Zonnegod richtte een feestmaal aan en nodigde de grote en kleine Goden 
uit; zij aten, werden echter niet verzadigd; zij dronken en lesten hun dorst niet. Toen sprak de 
de Stormgod tot de Goden: „Telipinus is niet meer hier. Hij is vertoornd en heeft alle goede dingen 
medegenomen. Nu is er een hongersnood in het land ontstaan”. De grote en kleine Goden begonnen 
Telipinus te zoeken en vonden hem niet. 

De Zonnegod zond de snel vliegende adelaar: „Ga, zoek overal!” De adelaar ging, overal zocht 
hij, de rivieren doorzocht hij en hij vond hem niet. Toen bracht hij den Zonnegod als boodschap: 
„Ik heb hem niet gevonden, den machtigen God Telipinus”. 

De Godin Hannahanna zond de bij uit: „Ga, zoek jij den God Telipinus. Wanneer je hem 
vindt, dan steek je hem in zijn handen en voeten en laat ze opstaan. Neem was en was hem af; 
ïeinig hem, heilig hem en breng hem bij mij”. 

De Stormgod sprak! tot Hannahanna: „De grote Goden en de kleine Goden hebben hem 
gezocht en hem niet gevonden. Hoe zal deze bij hem vinden? Haar vleugels zijn zwak en zij zelf is 
zwak”. 

Hannahanna sprak tot den Stormgod: „Laat haar gaan. Zij zal gaan en hem vinden”. De bij 
vloog weg en begon naar Telipinus te zoeken. De ... doorzocht zij, de stromende rivieren door¬ 
zocht zij, de bronnen ... 

In het tweede fragment, hier weer te geven, vinden we dan het vervolg van het verhaal: 

(Fragment C II = KUB xxxm, 9) 

De bij vloog weg en doorzocht de hoge bergen, de diepe dalen en de blauwe watergolven ... 
Toen vond zij hem op een weide in het bos van de stad * Lihzina, stak hem^ in zijn handen en 
voeten en hij stond op. 

Toen sprak Telipinus: „Ik was toornig, waarom echter hebt jullie mij, terwijl ik sliep, terwijl 
ik toornig was, aan het qpreken gekregen”. 

Uit het vervolg blijkt dan, dat er hongersnood heerst, dat de God mensen, runderen en 
schapen vernietigt. Uit een volgend fragment leren we dan het vervolg van het verhaal 
kennen: de toorn van den God vermindert, hij geeft de vruchtbaarheid, die hij meegenomen 
had, weer terug en tenslotte is hij geheel verzoend, zoals uit een der laatste door Otten 
behandelde fragmenten blijkt: 

16 ) A. Goetze, Kleimsien, 134-13Ö. 








411 


(Fragment 12 A Z. iv = KUB xxxm, 14) 

In de koestal liet hij de runderen los, in de schaapskooi liet hij de schapen los, nu leidde ,de 
koe haar kalf en het schaap leidde haar lammeren. Ook gaf Telipinus leiding aan den tkoning en de 
koningin, evenals aan het land der Hethieten en hij verzorgde hen met leven en gezondheid tot 
in eeuwigheid. 

DE STORMGOD EN DE SLANG 

Van de mythen in het Hethietisch afkomstig uit het archief te Hattusas-Bogazköy voegen 
wij hier nog het verhaal van de strijd van den Stormgod tegen de slang Illujankas en wel de 
oudste redactie ervan, waarin de góden nog als vals en verraderlijk worden voorgesteld, terwijl 
in de jongere versie ethische overwegingen een rol spelen, waardoor het verhaal aan oor¬ 
spronkelijkheid verliest. De mythe werd opgetekend door Kellas, een priester van den 
Stormgod van Nerik en is uit de grote tempel in Bogazköy afkomstig. Wij volgen de ver¬ 
taling van Goetze 17 ). 

(Tekst: KBo III 7; KUB xii 66; KUB xvn 5) 

Toen de Stormgod en de slang Illujankas in de Stad Kiskilussa tezamen kwamen, verwondde 
de slang Illujankas den Stormgod. De Stormgod klaagde vervolgens daarover bij alle góden: „Be¬ 
straft haar!” Toen maakte Inaras 18 ) een feest. En hij bereidde alles schitterend voor. Hij vulde 
het wijnvat, het vat voor de marnuwan- drank, het vat voor de walhi- drank, ook de andere vaten 
vulde hij. En Iharas ging naar Zigaratta en hij ontmoette er den man Hupasijas. Aldus sprak 
Inaras tot Hupasijas: „Zie, zo en zo is het mij vergaan. Nu moet jij mij bijstaan!” Aldus sprak 
Hupasijas tot Inaras: „Wanneer ik met jou mag slapen, zal ik komen en je wens vervullen”. En 
hij sliep met hem. En Inaras maakte zich mooi, daarna nodigde hij de slang Illujankas uit uit zijn 
hol te komen: „Zie, ik maak een feest voor je. Komaan eet en drink”. Toen kwam de slang 
Illujankas met haar kinderen naar boven. En zij aten en dronken en ledigden het vat en stilden hun 
dorst. Toen konden zij niet meer in hun holen naar beneden. En Hupasijas kwam en knevelde de 
slang Illujankas met een koord. De Stormgod (de beledigde persoon dus) kwam en doodde de slang 
Illujankas en de góden stonden hem bij. 

Toen bouwde Inaras'op een rots een huis in de stad Tarukka. En hij gaf het huis ter be¬ 
woning aan Hupasijas. En Inaras gaf hem de volgende raad: „Vaarwel, ik ga nu weg, en jij 
moet niet uit het raam kijken. Wanneer je toch uit het raam kijkt, zal je je vrouw en je kinderen 
zien”. Toen twintig dagen voorbij gegaan waren stootte hij het venster open en zag zijn vrouw 
en kinderen. Toen Inaras weer van buiten terugkwam, begon Hupasijas te smeken: „Laat mij 
naar huis!” Toen sprak Inaras tot Hupasijas aldus: „Je zult het venster niet meer openen. Voor 
straf zal ik je van het leven beroven”. Hij verwoestte het huis, de Stormgod zaaide onkruid erop. 
En deze bezorgde hem een verschrikkelijk lot. 

Wij zien deze mythe waarschijnlijk aanschouwelijk voorgesteld op een reliëf uit Malatya, 
in 1940 voor het laatst gepubliceerd door L. Delaporte 19 ). 


KUMARBI-CYCLUS 

Het publiceren van de Hethietische teksten van de Kumarbi-cyclus door Otten in de 
KUB xxxm, heeft de Hethietologie met een soort theogonie verrijkt. Daarvoor was slechts 
weinig van deze leer van de afstamming der Hethietische góden bekend 20 ), die in verge¬ 
lijkend godsdienst-historisch opzicht belangrijk kan worden geacht. De cyclus kan in drie op 
zich zelf staande, doch duidelijk op elkaar volgende secties worden verdeeld, n.1.: 
ie. de mythe van het koningschap in de hemel, de eigenlijke theogonie; 


17 ) A. Goetze, Kleinasien , 131-132; H. Zimmern 
in Lehmann-Haas, T extbuch zur Religions- 
geschichte, Tübingen, 1922, 339. 

18 ) Inaras is één der inheemse Protohattische, 
dus autochthone góden. Het geslacht van deze god¬ 
heid is niet met zekerheid vast te stellen. Uit deze 
legende zou men ook tot de conclusie kunnen ko¬ 
men, dat Inaras een godin is. 

19 ) L. Delaporte, Malatya , Arslantepe, La porte 
des lions, plaat 22, 


20 ) Enkele fragmenten gepubliceerd KUB vm: 
E. F. Weidner, Hethitische Texte verschiedenen 
Inhalts, Berlijn, 1924; en wel vm 62 vertaling door 
J. Friedrich, ZA 39, 28; verder vm 63, xn 65 
en xin 7. Verder gaf E. O. Forrer in Journal 
Asiatique 217, 1930, 238 een inhoudsopgave van een 
fragment, en deelde een groot stuk in vertaling 
en transcriptie mede. 





412 VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

2e. een grote tekst van waarschijnlijk drie tabletten, genoemd het lied van Ullikummi; deze 
Ullikummi is de zoon van Kumarbi, die in opdracht van zijn vader den Stormgod en 
de overige góden bestrijdt; 

3e. Kumarbi en de Zondvloedheld; 

4e. enkele fragmenten, die momenteel nog niet onder te brengen zijn. 

Güterbock geeft in zijn Kumarbi-publicztie eerst de transcriptie van de in KUB xxxm 
gepubliceerde spijkerschrifttekst, daarna de vertaling der teksten, een philologische commen¬ 
taar alsmede een uitvoerige bespreking van de inhoud der teksten. Hij stelt de partijen der 
góden, die met elkaar strijden tegenover elkaar en onderzoekt de topographie der theogonie, 
waarbij hij tot de conclusie komt, dat deze zich heeft afgespeeld in een gebied liggende tussen 
de Middellandse Zee en het stroomgebied van de Tigris. Daarna vergelijkt hij het Hethietische 
materiaal met de mythen van andere volken: Grieken, Babyloniërs en Phoeniciërs. Hier volgt 
nu het begin der Hethietische theogonie 21 ) volgens Güterbock's bewerking: 

De sterke góden moeten luisteren, Nara, Napsara, Minki^ Ammunki moeten horen, Ammez- 
zaddu ... vader en moeder moeten horen ... Ishara, vader en moeder moeten horen, Enlil ... welke 
sterke ... góden zijn. 

Eens, in vroegere jaren was, Alalu koning in de hemel. Alalu zit op de troon, en de sterke 
Anu, de eerste onder de góden, staat voor hem. Hij buigt zich neder tot aan zijn voeten en reikt 
hem de beker aan in de hand om te drinken. 

Negen jaren lang was Alalu koning in de hemel. In het negende jaar leverde Anu een gevecht 
tegen Alalu; hij overwon hem, Alalu, en deze vludhtte voor zijn aangezicht. En hij verjoeg hem 
naar beneden naar de donkere aarde. Naar beneden ging hij (Alalu) op de donkere aarde, op de 
troon echter zette zich Anu. Anu zit op zijn troon, en de sterke Kumarbi geeft hem te eten. Hij 
buigt zich aan zijn voeten neder en reikt hem de beker in de hand om te drinken. 

Negen jaren lang was Anu koning in de hemel. In het negende jaar leverde Anu een gevecht 
tegen Kumarbi: Kumarbi leverde in de plaats van Alalu tegen Anu een gevecht. Hij hield niet 
meer stand onder de ogen van Kumarbi, hij, Anu; hij onttrok zich aan de hand van Kumarbi, en 
hij vluchtte, Anu, als vogel vloog hij naar de hemel. Kumarbi stortte zich achter hem aan en 
pakte hem bij de voeten, hem Anu, en trok hem van de hemel naar beneden. 

Hij (Kumarbi) beet in de knie 22 ) van Anu; toen vloeide de manlijkheid van Anu in zijn 
binnenste. Toen het zich verenigde, toen Kumarbi de manlijkheid van Anu naar beneden slikte, toen 
verheugde zich deze en lachte schamper. Hij wendde zich tot hem, tot Kumarbi begon hij te 
spreken: 

„Je verheugt je over je binnenste, omdat je mijn manlijkheid hebt opgeslokt. Verheug je niet 
over je binnenste.. In je binnenste heb ik 'een lichaamsvrucht gelegd; ten eerste heb ik je zwanger 
gemaakt met den lastigen stormgod (?), ten tweede heb ik je zwanger gemaakt met de rivier 
Aranzah (Tigris) ... en ten derde heb ik je zwanger gemaakt met den lastigen god Tasmisu. Drie 
vreselijke góden heb ik als vrucht in je lichaam gelegd. Je zult nog zover komen, dat je op het 
laatst met je hoofd tegen de rotsen van de bergen zult slaan”. 

Toen Anu zijn rede had beëindigd, toen vloog hij naar de hemel. En hij verborg zich. Uit 
zijn mond spuwde hij, Kumarbi, de verstandige koning. Uit zijn mond spuwde hij ... 

Helaas is de rest van het tablet, bijna zevenachtste van zijn omvang, zo slecht bewaard, 
dat het niet mogelijk is van dit stuk een vertaling te geven. Indien de tekst bewaard wals 
gebleven, dan zouden we een komplete Hethietische theogonie bezitten. Het schijnt, dat de 
aarde zwanger is geworden door het zaad, dat Kumarbi weer heeft uitgespuwd. De aarde 
baart minstens twee kinderen, waaronder een meisje en den Stormgod, vermoedelijk zelfs 
drie. Wat geschiedt er met het koningschap in de hemel? De opvolger van Kumarbi schijnt 
de Stormgod te zijn, een zoon van deze. De Stormgod vertelt namelijk, hoe zijn vader 
Kumarbi hem drie maal door zeven moeilijke taken tracht te vernietigen, doch dat hij, de 
Stormgod, voorzien van alle goede kwaliteiten, tenslotte overwinnaar blijft. Wij krijgen dus 
de volgende dynastie: Alalu, Anu, Kumarbi, Stormgod (= Tesub). 

Het vervolg van het verhaal vinden we dan in de tweede acte, het zogenaamde Lied van 
Ullikummi. Kumarbi voert kwaad in zijn schild tegen den Stormgod en hij besluit uit zijn 

21 ) H. G. Güterbock, Kumarbi, 6-7. tekent. De mogelijkheid is niet uitgesloten dat met 

22 ) In den tekst staat ginus, hetwelk knie be- girns hier de penis bedoeld , wordt. 


hethietische mythen en legenden 413 

stad Urkis op te breken. Impaluri, de bode van Kumarbi, voert een lang gesprek met de ge¬ 
personifieerde zee. Deze zendt hem naar zijn meester terug met een uitnodiging voor Kumarbi 
om te komen. Deze doet dit. Na een drinkgelag zendt Kumarbi zijn vezier Mukisanu weg 
met een opdracht, waarvan de betekenis ons ontgaat- Dan krijgt Kumarbi een zoon, dien hij 
Ullikummi noemt en wien hij de opdracht geeft tegen de stad Kummiya, tegen den Stormgod 
en zijn trawanten te strijden en vernielingen aan te richten. Daarna zendt hij zijn bode 
Impaluri naar de Irsirra-goden om dezen te ontbieden; zij komen naar Kumarbi, hij beveelt 
hun het kind naar de aarde te dragen, en op de rechterschouder van Upelluri te zetten. Deze 
voeren dit bevel uit. Maar eerst brengen zij het kind naar Enlil, waarbij wij vernemen, dat 
zijn lichaam van dioriet is. Op de schouder van Upelluri gezet, begint Ullikummi snel te 
groeien,, en wel in de zee. Klaarblijkelijk draagt Upelluri niet alleen hemel en aarde, maar 
ook de zee. Ullikummi wordt zo groot, dat de zee slechts tot zijn middel rij kt. 

Dan opeens ontdekt hem de Zonnegod; deze wordt zeer toornig. De Zonnegod bezoekt 
den Stormgod en vertelt, dat hij een gedrocht van steen heeft zien groeien. Andere góden 
worden er ook van in kennis gesteld en er volgt een vergadering der góden, waar deze zeer 
bang voor den stenen reus blijken te zijn. Er doen zich daarbij allerlei aardige toneeltjes 
voor. Na een slecht leesbaar stuk bevinden wij ons dan midden in den strijd van de góden 
tegen den reus Ullikummi, maar de góden zijn niet in staat veel tegen hem uit te richten. 
Tenslotte wordt Ullikummi door een list van Ea machteloos gemaakt. Een nieuwe strijd 
breekt los, waarin Ullikummi het onderspit tegen den Stormgod delft. 

Het derde gedeelte van den cyclus Kumarbi en den Zondvloedheld is zeer slecht 
bewaard, en er valt geen samenhangend verhaal uit op te maken. In het verhaal is sprake 
van Kumarbi, Gilgames en Ullu. Misschien dat de Hurrietische fragmenten, welke nog 
ongepubliceerd zijn, ons nadere bijzonderheden over deze episode geven. 

Reeds Forrer heeft op de merkwaardige overeenkomst van de inhoud van de Kumarbi- 
tekst met de theogonie van Hesiodus gewezen. Bij Hesiodus is in het Fegin Chaos, daarna 
Gaia, de aarde. Deze laatste brengt de hemel Uranus voort. Het echtpaar Uranus en Gaia 
krijgen de Titanen tot kinderen, waarvan Kronos de laatste en belangrijkste is> Uranus 
haat zijn kinderen en zorgt ervoor, dat ze niet uit het lichaam van Gaia ter wereld komen. 
Kronos wordt dan door haar aangezet om wraak op zijn vader daarvoor te nemen. Hij 
ontmant daarop zijn vader Uranus. Uit het op de aarde vloeiende bloed ontstaan de Erinyen 
en de Giganten. Uit het schuim van de in zee geworpen penis Aphrodite. 

In den Kumarbi-tekst is Anu reeds de tweede koning in den hemel. Zijn voorganger 
Alalu ontbreekt bij Hesiodus. Kumarbi, klaarblijkelijk de zoon van Anu, ontmant deze door 
het afbijten en naar binnen slikken van den penis. Doordat Kumarbi deze weer uitspuwt, 
wordt de aarde zwanger en worden drie goddelijke wezens geboren. 

Bij Hesiodus verwekt Kronos daarop met Rhéa de Olympische góden, als laatste Zeus. 
Ook Kronos haat zijn kinderen en verslindt deze; alleen Zeus ontgaat dit lot, daar zijn moeder 
Kronos met een steen voor den gek houdt. Bij Hesiodus komt daarna de Titanomachie, de 
strijd tussen Zeus en zijn broeders tegen Kronos en de Titanen, nadat Zeus zijn vader 
gedwongen heeft de kinderen weer uit te spuwen. Gelijk bekend eindigt de Titanomachie 
met de overwinning van Zeus. Volgens Güterbock is de Typhoeus-episode het best met 
het Ullikummi-epos te vergelijken. 

Het ontmannen speelt zowel in de Hethietische als in de Griekse theogonie een belang¬ 
rijke rol. Uit het zaad ontstaan in beide gevallen góden en halfgoden, en zowel bij de 
Hethieten als bij de Grieken is het de c Aarde?, die zwanger wordt. Zo zijn er naast ver¬ 
schillen meer opvallende vergelijkingen. c Anu° der Hethieten is dus gelijk aan Tlranus^ 0 
der Grieken; c de vader der góden 0 , Kumarbi is gelijk aan Kronos, de C vader der Olympische 
góden 0 ; de Hethietische Stormgod, die Kumarbi verslaat, is gelijk te stellen met Zeus. 

Er komen ook Babylonische elementen in voor, vooral godennamen, maar de parallellen 
met Babylonië zijn betrekkelijk vaag, en van het Hurrietische vergelijkende materiaal is nog 
te weinig bekend om de overlevering van Oost naar West nauwkeurig te kunnen vast- 





4H 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


THE VENUS TABLETS OF AMMISADUQA 


415 


stellen 23 ). Güterbock wil ook vergelijkingen met de epen van Ugarit trekken. Hij wil 
daar in de theogonie tegenover de Hethietische volgorde Alalu, Anu, Kumarbi en Stormgod, 
de opeenvolging Eliun, Uranos, El, Baal zien. Hoewel het nog niet gelukt is, — de teksten 
zijn daarvoor te fragmentarisch —, het Babylonische en Hurrietische gedeelte der Kumarbi- 
mythe duidelijk te scheiden, is er zeker reden aan te nemen, dat de Kronos-mythe van 
Oosterse oorsprong is, en dat de Phoeniciërs niet meer gelijk voorheen als de scheppers, doch 
wellicht slechts als bemiddelaars tussen de Oriënt en de Grieken in dit opzicht zijn te 
beschouwen. 

Leiden, 23 September 1947 A. A. Kampman 

23 ) In een 1942 in het Turks verschenen artikel gewerkt ( Ankara Universitesi DU ve Tarih Co- 

heeft B. Landsberger de rol der Phoeniciërs als be- grafya Fakültesi Dergisi, 1940, I, 1, 85 vlg. 

middelaars tussen Hurrieten en Grieken nader uit- 

ON BABYLONIAN ASTRONOMY I 

THE VENUS TABLETS OF AMMISADUQA 

Contents: I—The astrological series Enuma Anu Enlil ; II—The date of Hammurapi; III—The rising 
and setting of Vènus; IV—Proposed sets of years for Ammisaduqa; V—Improved tablets for heliacal 
rising and setting of planets; VI—Berossos’ List of kings; VII—Text dates compared with modern 
calculation; VIII—Temperature and harvest in Old-Babylonian times; IX—Climate through the ages; 
X—A primitive calculation of Venus phenomena. 

I-THE ASTROLOGICAL SERIES ENUMA ANU ENLIL. Recently OttO NEUGEBAUER, in his 

most valuable survey of the History of Ancient Astronomy 4 ) raised the question, whether 
the origin of astronomy is to be found in astrology. He denies it, and affirms on the 
contrary that “calendaric problems directed the first steps of astronomy”. 

I should prefer to say that both early astronomy and early astrology arise from one 
common root, viz. the conviction that the motions of the great Gods: Sun, Moon and 
Planets, are of the greatest importance for human life, and hence must be studied most 
carefully. The Old-Babylonian point of view may be expressed as follows. Just as the 
whole civil life depends on the regular succession of days, months and years, and hence on 
the course of Sun and Moon, just so the fate of kingdoms, peace and war, wealth and 
destruction depend on the Gods, who reside in Heaven, and the events at the firmament 
are tokens of their will. Hence the eagerness with which the heavenly phenomena were 
observed, recorded and interpreted: the risings and settings of Venus just as well as the 
annual risings of the fixed stars and eclipses of sun and moon. 

We cannot teil which is older: astronomy or astrology. The oldest astrological t,ext goes 
back, just as the oldest astronomical texts, to the First Dynasty of Babylon. It contains 
omens of the following kind: 

“If the sky was dark (on the first day) the year will be bad. If the sky was clear when the 
new moon appeared, the year will be happy”. ?) 

Ancient Babylonian astrology is not concerned with the fate of individuals, but only 
with public matters, such as crops and weather prediction and the fate of nations and king¬ 
doms. The particular meaning of any phenomenon was found either by analogy or by 
experience. If the middle, north or south part of the moon was eclipsed, this meant bad luck 
for Babylon or for the country north or south of it, etc. If, on the other hand, a great 
political event was preceded by an eclipse, this coincidence was noted as an “omen”, e.g.: 

1 ) O. Neugebauer, JNES 4, 1945, 1. der ersten babyl-Dyn., C. R. Acad. Sci. U.R.S.S.-B. 

2 ) V. SiLEiKO, Mondlaufprognosen aus der Zeit 1927, 125. 



if on Addaru 14A an eclipse took place, beginning at the south side (of the moon) and 
ending on the north side, beginning in the first night wake and ending in the third, the 
omen means the King of the World, devas.tation of Ur, destruction of its walls 3 ). 

The great astrological series Enuma Anu Enlil, consisting of at least 70 cuneiform tablets, 
contained about 7000 omina of this kind 4 ). It was copied, commented upon and amplified 
from the Cassite until the Seleucid period. 

One of its most remarkable parts is the Ó3th tablet, containing a complete list of 
observations of heliacal risings and settings of Venus during 21 successive years, with 
omens 5 ). It begins as follows: 

“If on Sabatu 15Ü1 Venus disappeared in the west, remaining from the sky 3 days, and on 
Sabatu i8th appeared in the east, catastrophes of kings; Adad will bring rains, Ea subterranean 
waters; king will send greetings to king”. 

One conclusion from this text is, that the identity of Morning and Evening Star was 
known in Old Babylonian times. As is well known, the Greeks ascribe this discovery to 
Pythagoras or Parmenides. I suppose the Ionians, perhaps Pythagoras himself, heard of it 
from Babylonian sources. 

Concerning the date of the Venus-observations, Father Kugler made the important 
discovery that the record for the year 8 is accompanied by the words “Year o«f the Golden 
Throne”, which is the year formula of the 8th year of the reign of Ammisaduqa, of the 
First Dynasty of Babylon. Hence the Venus observations cover exactly the 21 years of the 
reign of Ammisaduqa, who began to reign 146 years after Hammurapi’s accession. 


ii —the date of hammurapi. The determination of the date of the great Hammurapi 
is one of the most important problems in ancient chronology. For if this problem were 
solved, we could not only draw up synchronie lists of Assyrian and Babylonian kings and 
study the friendly or hostile relations between them, but also the preceding Sumerian and 
Akkadian dynasties and the following Cassite and Hittite dynasties could be dated at least 
approximatively. This would also shed more light upon the history of Syria and Palestine, 
the relations of Babylon to Egypt, etc. 

Now to fix the date of Hammurapi, we must chiefly rely on history, but astronomy has to 
play a part in this investigation as well. For if the historians can fix definite limits, between 
which the reign of Ammisaduqa must lie, astronomy can teil which years between these 
limits are more or less compatible with the Venus observations recorded in the tablets; and 
if an exact date is proposed, astronomy can teil whether this.date is possible or not. 

Twelve years ago, it was generally accepted that Hammurapi must have lived about 
2000. Hence Kugler, Fotheringham, Thureau-Dangin and Weidner have proposed 
different dates for the first years of Ammisaduqa, varying between -1976 and -1800, 
and compatible with the Venus tablets. But new researches have led to the conclusion that 
Hammurapi cannot have reigned before -1900, say, and hence Ammisaduqa not before -1750. 
The arguments are, in short, the following 6 ). 


3 ) See E. F. Weidner, Studiën bab. Himmels- 
kunde I, Rivista Studi Orientali 9, 1922, 288. It 
seems to be certain that this omen means the end 
of the third dynasty of Ur (about 2000 B.C.). C. 
Schoch ( Astron . Abh., Ergdnz. zu Astron. Nachr. 
8, 1930, Nr 2) and other recent authors have tried 
to date this eclipse; but E. F. Weidner showed 
that these omina are probably composed according 
to a schematic arrangement by an author living 
in the beginning of the Cassite period, who used 
historical records, but had no ancient eclipse obser¬ 
vations at his disposal. 

4 ) Main publication: Ch. Virolleaud, Astrologie 
chaldêenne. Comments: A. Bezold, Astronomie, 


Himmelsschau und Astrallehre, Heidelberg, 1918; 
P. Hilaire de Wynghene, Les présages astrolo- 
giques, Roma, 1932; E. F. Weidner, AFO 14, 1943, 
172. 

5 ) Most complete publication and discussion: 
Langdon-Fotheringham-Schoch, The Venus 
Tablets of Ammizaduga, London, 1928. Critical 
comparison of different texts: A. Ungnad, MAOG 
13 , 3 , 1940 . 

6 ) A more detailed exposition of the reasons and 
historical consequences of the new chronology is 
given by A. Alt, Die Welt als Geschichte 8, 1942, 
122. 







4i6 


VOORAZIATISCHË PHlLOLOGfE 


THE VENUS TABLETS OF AMMISADUQA 


417 


There was a great king of Assyria, named Samsi-adad I, who reigned in any case 
later than -1900. The Chorsabad list of Assyrian kings leads, according to Poebel 7 ), to 
something like 1726-1694 for the reign of Samsi-adad, but slightly earlier dates are also 
possible, or (with a view to the Mari letters, to be discussed presently) even necessary. Now 
according to the old chronology, Hammurapi would have reigned some centuries before 
Samsi-adad. But there is a document from the ioth year of Hammurapi, in which an oath is 
sworn “by the God Marduk and the kings Hammurapi and Samsi-adad”; hence the two 
must have reigned simultaneously. This is now confirmed by new documents from Mari 
on the Euphrates, which show that a son of Samsi-adad reigned in this town for a considerable 
time and that some 20 or 30 # years later Hammurapi added it (in the 32th year of his reign) 
to his empire. It follows, that Hammurapi is even younger than Samsi-adad 8 ). 

For these reasons, recent authors have proposed new dates for the reign of Ammisaduqa, 
varying between -1701 and -1561. In order to discuss these proposals, we must first consider 
the nature of the Venus phenomena in question. 

in— the RisiNG and setting of venus. The phenomena will be denoted as follows: 

Mf = first appearance of Morning Star 
Ml = last appearance of Morning Star 
Ef = first appearance of Evening Star 
El = last appearance of Evening Star. 

These 4 phenomena return periodically, the period being the “synodic period” of Venus, 
584 days, but only after 5 such periods, i.e. 8 years minus 2/2 days, or 99 Babylonian months 
Star, disappear and remain invisible for about 2 months, be visible as Evening Star for 8 or 
9 months, and disappear again for a few days or weeks. The duration of this short invisibility 
(from El to Mf) depends on the season: for Babylon it lasts only 1 or 2 days in.February, 
but more than 2 weeks in September. Hence the phenomena are not exactly repeated after 
584 days, but only after 5 such priods, i.e. 8 years minus 2^ days, or 99 Babylonian months 
minus 4 days. 

By means of this 8 year period any record of successive risings and settings of Venus 
can easily be checked. For instance, if the Venus tablets give the following records for the 
years 1, 9 and 17 of Ammisaduqa: 

Year 1: El xi 15, invisibility 3 days, Mf xi 8 

year 9: El III 11, invisibility 9 months 4 days, Mf xii 15 

year 17: El xii 11, invisibility 4 days. 

we see at once that in the year 9 the month must be xii instead of III. For between the 
years 1 and 9 there are 2 intercalary months, so the interval between xi 15 (year 1) and 
xii ii (year 9) is exactly 99 months minus 4 days, i.e. 5 synodical periods of Venus, and 
between xii 11 (year 9) and xii 11 (year 17) there are again 99 months. Thus by correcting 
III ii into xii ii the Babylonian records for the years, 1, 9 and 17 are brought to agree. 

We may infer from this that the text dates are not sheer nonsense, but that only some 
of them must be corrected or eliminated. In the same way, if we consider the set: 

Year 3: El vi 23, invisibility 20 days, Mf vu 13 

year 11: El vi 26, invisibility 12 days, Mf vi b 8 

year 19: El vi b 1, invisibility 15 days, Mf vi b 17 

and if we take into account the 3 intercalary months between the years 3 and 11 (month vi), 
and the 2 intercalary months between 11 vi and 19 vi, we see that the data for the years 3 
and ii agree well for El and a little worse for an Mf, but that data for the year 19 are 

7 ) A. Poebel, JNES 1, 1942, 247 and 460; 2 of Babylon in the Setting of his Time, Medede- 

1943, 56. ' lingen Kon. Ned. Akad. Wet. Amsterdam, Afd. 

8 ) See e.g. F. M. Th. Böhl, King Hammurapi Letterk. 9, 1946, Nr 10. 





4 




quite impossible, being about 19 days too early. Hence, if we want to compare the Babylonian 
record with modern calculation, we have to leave the data for year 19 out of account as being 
erroneous. 

In the same way, I have compared all other sets of 2 or 3 text records with intervals of 
8 years, with the following results: 


Year 5:MfIIi7ori8 cancel 
year 8: El iv 25 cancel 
year 9: El III 11 read xii 11 
year 13: El II 5 cancel 
year 14: El vu 10 or 11 cancel 
year 17: Mf (xii 15) cancel 
year 19: El and Mf cancel 


Year 9: Ef (III 2) cancel 
year 12: Ml and Ef cancel 
year 13: Ml ix 20 or 21 read x 21 
Ef xi 21 or ii read xii 21 
year 15: Ef vin 5 or ix 5 read vin 5 
year 17: Ef III 21 or 24 cancel 
year 20: Ef vi 24 cancel. 


These corrections are quite independent of any chronological hypothesis. All I have done 
is to remove inner contradictions from the text. 

Now if we try to bring the remaining data into accordance with a definite chronological 
hypothesis, e.g. by supposing that the year 1 of Ammisaduqa lies between -1600 and -1500 9 ), 
we can start with the remark that in the text the very short interval of invisibility in the 
year 1 is folio wed by an extremely long interval between El and Mf in the year 3. The same 
is true, of course, for the years 9 and 17. Now this succession of a short and a long interval 
is only possible, if the phenomena El and Mf of the year 1 are identified with those in 
February 10 ) of N one of the years -1596, -1588, -1580, -1572, etc., and those of the year 3 with 
the same phenomena in September of the next years (-1595, -1587, etc.). This conclusion is 
confirmed by the Babylonian month names; the months xi and xii mentioned by the text 
for the years 1, 9 and 17, can well be identified with February, but not with April/May or 
December of the Julian calendar. 

Thus we see that the phenomena El and Mf of the year 1 Ammisaduqa can only be 
identified with those of February -1580 plus or minus a multiple of 8 years. Other years 
in this century are astronomically impossible. 

But there is still another point to be noted, viz. the relation of the recorded phenomena 
to the beginning of the Babylonian month, i.e. to the new moon. Mf of the year 1 takes place, 
according to the text, on the i8th day of a month, i.e. 17 days after the night of first visibility 
of the new moon. Modern calculation gives for -1580 the date Mf Febr. 21, and the preceding 
moon’s crescent is visible on Febr. 2~at night, hence Mf would take place on the 19Ü1 of a 
Babylonian month. The difference between the date (xi) 18 given by the text and xi 19 
by modern calculation is without importance, because the day of first visibility cannot be 
predicted exactly: it depends on the weather and on the eyes of the observer. But if we 
should shift the year -1580 by a multiple of 8 years, the agreement would be disturbed: in 
-1572 Mf would take place on the i5th, and -1564 on the iith of a Babylonian month, because 
5 synodical periods of Venus are not exactly 99 months, but 99 months minus 4 days. 

This shift of 4 days has the following consequence. If we adopt for the reign of 
Ammisaduqa the years -1581 till -1561, we find reasonably good agreement between text 
and calculation for nearly all 21 years of Ammisaduqa, as we shall see presently. But a 
shift of 8 years would increase all differences by 4 days, and a shift of 16 or 24 years would 
entirely disturb all coincidences. The only possibility to get an accordance again is to make 
a shift of 7 or 8 times 8 years, so that the shift of 4 days becomes 28 or 32 days, i.e. nearly 
i month. This means: 56 or 64 years before or after the years -1581-1561 we shall find 
again a set of years giving reasonable agreement between text and calculation, and 56 + 64 — 
120 years before we find again such a set. Other sets, however, are astronomically impossible. 


9 ) -1500 (astronomical notation) means 1501 b.c. 

10 ) During the years -1620 till -1544, all Mf of 
Venus take place in the months February, Sept./ 


Oct., Apr./May, December and July. In February, 
the interval of invisibility is shortest, in September 
longest of all. 


Jaarbericht n°. 10 


27 






418 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


In fact, if one finds a systematic difference of 4 or 8 days between text and calculation, 
instead of random differences varying between -3 and +3 days for El and Mf, the only 
possible conclusion is that the assumed chronology is wrong. 

Thus it is explained, why the different sets of years proposed by modern authors for 
the reign of Ammisaduqa, differ alternately by 56 or 64 years, as is seen from the following 
list. 

IV-PROPOSED SETS FOR AMMISADUQA. 

Kugler 1912: -1976 till -1956 

Fotheringham : -1920 till -1900 

Thureau-Dangin : -1856 till -1836 

Kugler 1923: -1800 till -1780 

Sidersky 11 ) : -1701 till -1681 

Ungnad 12 ) and Sidney Smith 13 ) : -1645 till -1625 

CoRNELius 14 ) and Albright 15 ) : -1581 till -1561 

Between Kugler’s latest set and Sidersky’s there is a century in which no chronology 
whatever can bring the Venus Tablet s into agreement with modern calculation. Af ter -1500 
there would follow again such a gap. The set -1637 till -1617, differing by 8 years from 
Ungnad’s set, might perhaps be possible as well, and so might be the set -1525 till -1505, 
but other sets between -1780 and -1425 are impossible. 

As we have seen already, the chronologies of Kugler, Fotheringham and Thureau- 
Dangin are incompatible with the firmly established synchronism between Hammurapi and 
Samsi-adad. The chronologies entering most seriously into competition are those of Ungnad 
and Cornelius. Now which is preferable from the astronomical point of view? 

Nearly all modern authors have checked their hypotheses by means of Schoch’s tables 
for heliacal rising and setting of planets 16 ). But I am sorry to say that these tables are not 
reliable, even if one starts with the same assumed arcus' visionis as Schoch did. The arcus 
visionis is defined as the minimum height of the sun under the horizon, afforded for visibility 
of a planet, calculated for the moment when the planet reaches the horizon, neglecting 
refraction. Taking, just as Schoch did, 6° for this areus visionis in the case of Venus, 
Ml and Ef, and 5,2° for El and 5,7° for Mi, I found that the Morning Star was still visible 
in Babylon on -1578 June 7, whereas Schoch’s table gives May 30 for Ml. 

For this reason, I have prepared new tables. 

V-IMPROVED TABLES FOR HELIACAL RISING AND SETTING OF PLANETS 17 ). By the aid 

of these tables I have calculated anew the first and last visibility of Venus during the 21 
years of Ammisaduqa according to the proposals of Sidersky, Ungnad, and Cornelius, 
and I have compared the results with the data given by the Venus tablets. 

But here a further difficulty arises. The arcus visionis of Venus cannot be exactly 
determined, because it depends on the season, the weather, and the observer’s eye and skill. 
Fotheringham and Schoch (l.c.) have calculated several values of the arcus visionis from 
later Babylonian observations. They turned out to vary between 2,3° and 8,4° for El and 
Mf, and between 4,9° and 11,2° for Ml and Ef. Even if the exceptional value 11,2°, which 
might be due to careless observation or to a scribe’s error, is left out, we must in any case 
reckon with frequent deviations from the calculated data up to 2d for Ml and Ef, and up to 
8d (say) for Mf and El. 

1:L ) D. Sidersky, R. Ass. 37, 1940, 45. 15 ) W. F. Albright, BASOR 69, (Dec. 1942), 18. 

A. Ungnad, Mitt. altorient. Ges. xm, Heft 16 ) In Langdon-Fotheringham-Schoch, Venus 

3, 1940. Tablets of Ammizaduga, London, 1928. 

13 ) Sidney Smith, Alalakh and Chronology, 17 ) B. L. van der Waerden, Ber. sachs. Akad. 

London, 1940. (cf. dit Jaarb. p. 479 vlg. Red.) Wiss., math.-phys. KL, 94, 1943, 23. Photocopies of 

14 ) F. Cornelius, Klio 35, 1942, 1. the tables can be had from the author. 


THE VENUS TABLETS OF AMMISADUQA 419 

Accordingly, I evaluated the agreement between text and calculation as “good”, if the 
difference between calculated date and text date did not exceed 2d for Ml and Ef, 8d for 
Mf and El. Of course, the modern data had to be reduced to the Babylonian calendar, each 
Babylonian month beginning at the moon’s crescent. The crescent calculation was 
accomplished by Schoch’s tables (l.c.). Thus I found: 

for Sidersky’s set 26 out of 50, i.e. 52 % “good agreement”, 

for Ungnad’s set 27 out of 50, i.e. 54 % “good agreement”, 

for Cornelius’ set 29 out of 50, i.e. 58 % “good agreement”. 

Thus Cornelius’ set gives the best agreement. This is a strong argument for accepting 

it, because Cornelius found the lifetime of Hammurapi and Ammisaduqa from a historical 
source independent of the Venus tablets. All of his predecessors started with a larger time 
interval considered as historically possible, and sought to determine within this interval a 
succession of 21 years leading to good agreement with the Venus tablets. Cornelius, on 
the contrary, took as his point of departure a list of Babylonian kings from the Flood till 
Tiglath-pileser III given by Berossos in his Babyloniaca. It runs as follows: 

VI—BEROSSOS’ LIST OF KINGS: 

ist dynasty 86 kings, reigning 34090 years 


2nd „8or2i Marians „ 224 „ 

3rd „ ii kings „ 48 „ 

4th „ 49 Chaldaeans „ 458 „ 

5th „ 9 Arabs „ 245 „ 

6th „ i Assyrian and 45 kings „ 526 „ 


If to these 35 591 years are added the 409 years from Tiglath-pileser III to Alexander the 
Great, under whose reign Berossos lived, the total is 36 000 years, which is certainly intended 
by Berossos. Hence copying errors affecting this total can be excluded. 

Previous authors have regarded Berossos’ list as fantastic, but Cornelius shows that 
it can be interpreted so as to agree with Babylonian tradition. 

The ist dynasty consists mainly of mythical kings; the numbers of kings and years agree 
well with Babylonian tradition. 

The 2nd dynasty consists of the 21 kings of Gutium in Media, reigning 124 years. Instead 
of “Marians” Cornelius reads Medians, correcting 224 into 124 and adding 100 to the 
48 years of the next dynasty in order to restore the total number of years. 

The 3rd dynasty consists of 3 Sumerian dynasties, viz. the 4Ü1 and 5Ü1 dynasty of 
Uruk and the 3rd dyn. of Ur. As a matter of fact, these dynasties count together 11 kings, 
reigning 148 years. 

The 4th dynasty is composed of 4 Semitic dynasties, with 52 kings according to cunei- 
form texts, which is only 3 more than Berossos counts. 

The “9 Arabs” represent the Cassite reign. The number 9 is corrupt. 

The 6th dynasty consists of the Assyrian Tukulti-ninurta and the 45 kings following 
him, according to cuneiform lists, until 732 b.c. Hence the ist year of Tukulti-ninurta 
would be 1257 b.c., in exact agreement with the best Assyrian records. 

The remaining divergences between Berossos’ list and other Babylonian lists of kings 
are explained by assuming that Berossos counts only chronologically relevant kings, whereas 
it is certain that the other lists enumerate simultaneous looal dynasties as if they were 
successive. 

Cornelius derives from Berossos’ list the following data: 

Dynasty of Hammurapi 1830-1531 b.c. 

Hammurapi 1728-1686 b.c. 

Ammisaduqa 1582-1562 b.c. 









420 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


I 


As we have seen already, this set agrees with the Venus Tablets. Esarhaddon's state¬ 
ment, that Samsi-adad I reigned 739 years before his own reign, ie. until 1692, also agrees 
with this chronology, for Samsi-adad was a contemporary of Hammurapi. As we saw already, 
the Chorsabad King list leads to nearly the same date for Samsi-adad I, which is again a strong 
argument in favour of Cornelius' case. 

Still, the agreement of önly 58 % of the data from the Venus tablets might be considered 
as rather poor. For this reason, I have made a new comparison for the sets of Ungnad and 
CoRNELius, starting from the corrected text dates as established before and leaving out 
of account all obvious mistakes. The results are contained in the following two lists. The 
roman numerals always mean Babylonian months. The modern dates are in the Julian 
calendar. 

VII—TEXT DATA COMPARED WITH MODERN CALCULATION. 


I. El and Mf (Differences up to 2 or 3 days are unimportant) 


Cuneiform Text 

Ungnad and Smith 

Cornelius and Alrright 

Year 

Date 

Year 

Date 

Diff. 

Yerr 

Date 

Diff. 

i 

El XI 

15 

—1644 

Mar. 

8 — XI 

17 

—2 

—1580 

Feb. 

19 = XI 

18 

— 3 


Mf XI 

18 


Mar. 

ii =XI 

19 

— i 


Feb. 

21 = XI 

19 

— i 

3 

El VI 

23 

—1643 

Sep. 

30 = VI 

28 

—5 

— 1579 

Sep. 

9 = VI 

24 

— i 


Mf VII 

13 


Oct. 

19 = VII 

16 

— 3 


Sep. 

29 = VII 

13 

0 

5 

El II 

2 

—1641 

May 

16 = 11 

i 

+> 

— >577 

Apr. 

28 = 1 

30 

+2 

6 

El VIII 28 

—1640 

1 )ec. 

25 = VIII 

28 

0 

— 1576 

Dec. 

4 = VIII 

25 

+3 


Mf IX 

i 


Dec. 

30-= IX 

3 

—2 


Dec. 

ii = 1 X 

I 

0 

8 

Mf V 

2 

— 1638 

Au g. 

6 = IV 

27 

[+5] 

— 1574 

July 

19 = IV 

25 

[+7] 

9 

El XII 

11 

— 1636 

Mar. 

6 = XII 

14 

—3 

— 1572 

Feb. 

16 = XII 

13 

—2 


Mf XII 

15 


Mar. 

9 = XII 

16 

— i 


Feb. 

19 = XII 

15 

0 

11 

El VI 

26 

— 1635 

Sep. 

28 = VI 

24 

+ 2 

— >571 

Sep. 

7 = VI 

20 

+6 


Mf Vlb 

8 


Oct. 

16 = Vlb 

12 

— 4 


Sep. 

27 = Vlb 

10 

—2 

13 

Mf II 

12 

—1633 

May 

25 = 11 

7 

[+5] 

—1569 

May 

5 = 11 

5 

[+ 7 ] 

14 

Mf VIII 28 

— 1632 

Dec. 

28 = VIII 

29 

-1 

— 1568 

Dec. 

9 == VIII 

27 

+ > 

16 

El IV 

5 

— 1630 

July 

18 = IV * 

7 

—2 

— 1566 

July 

i = IV 

7 

- 2 


Mf IV 

20 


Aug. 

4 = IV 

23 

—3 


July 

17 = IV 

22 

—2 

17 

El XII 

11 

—1628 

Mar. 

3 — XII 

9 

F 2 

—1564 

Feb. 

14 = XII 

9 

+ 2 

21 

El I 

27 

— 1025 

May 

12 = 1 

23 

f 4 

—1561 

Apr. 

24 = I 

23 

+4 


Mf II 

3 


May 

23=- II 

3 

O 


May 

2 = 1 

30 

+3 


The text data for the years 8 and 13 are erroneous in either chronology. Leaving them 
out of account, we find that for Ungnad's set, 7 out of 17 differences are above 2, and 4 
above 3; but for Cornelius' set only 6 out of 17 are above 2, and only 3 above 3. 

For Ungnad's set, 2 out of 19 differences are above 7, and 1 even above 8, whereas 
for CoRNELIUS , set no difference exceeds 7. 

From both lists we see, that the agreement between text and calculation is considerably 
improved by our preceding correction of the text dates. On adopting Cornelius’ hypothesis, 
the agreement is distinctly better than on Ungnad's, but not so much that this alone would 
decide the question. 

There is, however, another remarkable fact which has till now escaped attention. Of 
the differences found for CoRNELIUS , set, there are 13 positive, 8 negative and 5 zero, which 
is about what would be expected from a random distribution. But on adopting Ungnad's 
set, only 9 positive, 25 negative and 2 zero differences are found. So large a deviation from 


THE VENUS TABLETS OF AMMISADUQA 421 

the expected mean values ISJ 4 , 15^2, 5 would occur by chance only in 1 out of 100 cases, 
as I founu hy applying the theory of probability. This seems a very strong argument against 
Ungnad's 3 in favour of Cornelius' hypothesis. 

Combining the different probability arguments, one can argue as follows: If Ungnad's 
hypothesis were true, it would be pure chance that the date for Ammisaduqa found from 


IL Ml and Ef (Differences up to 7 or 8 days unimportant) 


Cuneiform Text 

Ungnad and Smith 

Cornelius and Albright 

Year 

Date 

Year 

Date 

Diff. 

Year 

Date 

’ Diff. 

2 

Ml VIII ii 

Ef X 19 

—1644 

—1643 

Dec. 2 = VIII 20 
Jan. 27 = X 18 

—9 

+> 

—1580 

— >579 

Nov. 13 = VIII 18 
Jan. 10 = X 19 

—7 

0 

4 

Ml IV 2 

Ef VI 3 

—1642 

July i = IV 5 
Aug. 31 = VI 8 

—3 

—5 

— >578 

Juin 7 = III 29 
Aug. 10 = VI 5 

+3 
—2 

5 

Ml IX 25 

Ef XI 29 

—1640 

Feb. 4 = IX 27 
Apr. 5 = X i 

—2 

— i 

-1576 

Jan. 19 = IX 28 
Mar. 18 = XI 29 

—3 

0 

7 

Ml V 21 

Ef VIII 2 

—1639 

Sep. 17 = V 28 

Nov. 20 = VIII 3 

—7 

— i 

-I575 

Aug. 28 = V 26 

Nov. 2 = VIII 4 

—5 
—2 

9 

Ml XII 25 

—1637 

Apr. 4 = XII 30 

-5 

— 1573 

Mar. l8 = I 2 

—7 

10 

Ml VIII 10 

Ef X 16 

—1636 

—1635 

Nov. 30 = VIII 17 
Jan. 25 = X 15 

—7 

+> 

— 1572 

—1571 

Nov. ii = VIII 15 
Jan. 7 = X 14 

—5 

+2 

13 

Ml X 21 

Ef XII 21 

— 1632 

Feb. 2 = X 24 

Apr. 3 = XII 27 

—3 

—6 

— 1568 

Jan. 17 = X 26 

Mar. 16 = XII 27 

—5 

—6 

15 

Ml V 20 

Ef VIII 5 

—>631 

Sep. 14 = V 23 

Nov. 18 = VII 30 

—3 
+ 5 

— 1567 

Aug. 25 = V 21 

Oct. 31== VII 29 

—i 

+6 

17 

Ml XII 25 

—1629 

Apr. 2 == XII 27 

—2 

-1565 

Mar. 16 = XII 27 

— 2 

20 

Ml III 25 

—1626 

Juin 25 = 111 26 

— i 

— I562 

May 31 = III 18 

+7 

21 

Ml X 28 

Ef XII 28 

—1624 

Jan. 31 = X 20 

Apr. i = XII 24 

+ 8 

+4 

-I56O 

Jan. 15 = X 21 
Mar. 14 = XII 23 

+ 7 
+5 


Berossos' list agrees to any degree with the Venus tablets; this would occur only 4 times 

in 200 years: probability Again it would be pure chance that for Cornelius' set the 

differences are, in list I as well as in II, on the whole smaller than for Ungnad's; this 
probability is much less than ^2 for each list. Lastly, it would be pure chance that only 
9 our of 36 differences for Ungnad's set are positive and only 2 zero; this probability is, 

as I said before, The probability that all these things may occur together by chance would 

thus be smaller than 

i i i i i 

50 2 2 100 20.000’ 

It follows that Cornelius' hypothesis is by far more likely to be true than Ungnad's. 
But now another difficulty arises: 

VIII—TEMPERATURE AND HARVEST IN OLD-BABYLONIAN TIMES. 

Fotheringham has compiled, in his work on Ammisaduqa, quite a number of dated 
contracts from the Hammurapi dynasty, in which delivery of dates in a certain month is 
contracted, and lists of labourers hired for barvest, of wages paid, etc. Now if the chronology 
of Cornelius is adopted, the data of these documents can be reduced to the Gregorian 
calendar, and one sees e.g. that on Mareh 6, on March 13 and on March 11 labourers for 


1 






422 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


barley harvest arrived. Now frum contracts from the Persian time we know, that barley 
harvest took place in classical times just as nowadays in Iraq between April io and May 15, 
so our Old-Babylonian labourers would arrivé 3 or 4 weeks too early. In the same way the 
wage lists and date delivery contracts lead to the conclusion that the date harvest took place 

2 or 3 weeks earlier. For in Persian times dates were harvested just as nowadays between 
September 15 and October 15, but the term of delivery in Old-Babylonian contracts ends in 
most cases already in September. 

If Cornelius’ chronology is definitively adopted, there is only one possible conclusion: 
Climate in. Old-Babylonian times must have been such that barley and dates ripened about 

3 weeks earlier than in Persian times and nowadays. Is this possible? 

ix — climate through the ages. As a matter of fact, radical climatic changes do occur. 
It is well known, that to the European glacial period correspónds a pluvial period in Asia and 
Africa, in which the lakes in both continents were much more extensive than at present; the 
Sahara and the Libyan desert had a rich vegetation and many lakes. 

In spite of these undeniable facts, most historians suppose that the climate of the 
historical past was nearly that of to-day. The main argument seems to be a remark of 
Arago: The date cannot ripen its fruit in a mean annual temperature below 21 0 C., the 
vine cannot abide a temperature above 22 0 C.; since both date and vine ftourished in ancient 
Palestine, the mean annual temperature must have been 21 0 C, which is also its present 
value 18 ). 

I will not discuss Arago’s strict limits, being incompetent in this matter. But in any 
case his remark proves nothing about temperatures in Near Asia before 1000 b.c., and 
nothing about rainfall. 

There is a lot of evidence pointing towards a moister climate in Mediterranean countries, 
during the millenium from, say, 800 b.c. to a.d. 200. The niveau of the Caspian was probably 
above the present leve! 19 ). The Dead Sea seems to have been higher than to-day 20 ), as is 
seen from the frontier line of the tribes Juda and Benjamin described in Joshua 14: 2-6 and 
18:10. The semi-arid settlement of Anau, in Northern Persia, which had been occupied 
during the pluvial period and again from 5000 onward, was abandoned about 2000 in a 
period of intense drought, but was re-occupied about 750 21 ). A great number of observations 
made by Professor Butler 22 ) concerning Roman ruins in Syria, including bridges and 
baths, indicate a greater rainfall in the past. 

However, upon critical examination the case for climate transformations proves less 
strong than it might seem at first sight. All cases mentioned before have been doubted by 
other scholars. 

Take the case of Palmyra. This oasis in the Syrian desert was once the splendid Capital 
of the Empire of Queen Zenobia, who had an army of 70.000 men at her disposal (Zosimus I 
44, 1). The area of the town was comparable to that of Damascus; the number of inhabitants 
amounted, according to Th. Fischer 23 ), to some hundreds of thousands. According to 
Ptolemy ( Geogr . v 14, 7) there was a river ( potamos >) near the town. To-day, there is only 
a brook of one foot depth and 2-3 feet breadth, vanishing in the sand after a course of 500 m, 
af ter having taken up another still smaller brook. Could such a brooklet be the potamos of 
Ptolemy? J. Partsch 24 ) asserts it, adding that it has as much right to the name of potamos 
as the Ilissos and other famous Greek rivers. Partsch proves from inscriptions that Palmyra 
had, before Hadrian’s water works was built, only two springs, clearly the same as the 

18 ) Arago, CEuvres complètes, T. 8, Paris, 1858. 22 ) E. Huntington, Palestine and its Trans- 

19 ) L. Berg, Das Problem der Klimadnderung in formation , 1911, Ch. xm. 

geschichtl. Zeit, Geogr. Abh. herausg. A. Penck, 23 ) Th. Fischer, Ergdnzungsheft zu Peterm. Mitt. 
Heft 2 (1914). 58, 42 . 

20 ) Clermont-Gannau, Recueil d’Archéologie 24 ) J. Partsch, Palmyra . Ber. sachs. Akad. Wiss. 

oriëntale 5, 1903, 2 67. Leipzig, Hist. KI. 72, 1920, 1. 

21 ) H. J. E. Peake, The Br onze Age and the 
Celtic World, London, 1922. 


THE VENUS TABLETS OF AMMISADUQA 


423 


two existing ones. The water of these springs was sold for 800 denarii per annum to passing 
caravans. Hence water was a.d. 137 nearly as scarce as nowadays in Palmyra. 

Another test case is the famous weather joumal of Ptolemy 25 ) (about a.d. 150). The 
record States clearly that the observations were made at Alexandria. The climate was quite 
different from nowadays: no N, NE and E. winds are recorded, whereas nowadays 42 % 
of the winds come from these directions. At present there is practically no rain-fall in June- 
September, but Ptolemy records 6 days of rain and 7 days of “fine rain” during these months, 
and 3 days of thunder in July-September (at present none) and 8 days of “great heat” in 
July (at present none). 

Hellmann discusses the possibility that the observations were, in spite of Ptolemy’s 
positive statement, made in Northern Greece; but it is clear that this conclusion can only 
be drawn if one knows beforehand that the climate in Egypt was in the 2nd century the 
same as to-day. Brooks 26 ), however, points out that the scanty evidence from Nile floods 
and from the Oasis Kharga confirms Ptolemy’s statements. 

The attitude towards such evidence depends mainly on whether one considers climatic 
changes as a normal occurence or as very improbable. Most historians seem to start with the 
assumption that there have been no climatic changes in historical times, and they look out for 
another explanation if evidence for climatic changes is brought. On the other hand, most 
climat oio gist s know that climatic changes are quite normal; so they use the historical 
evidence, to get indications in which direction the climate has changed. 

Now which of these attitudes is the right one? Can we find irrefutable evidence for 
climatic changes in other periods, showing that these are by no means exceptional ? I think yes. 

Professor Vening Meinesz told me that in the rocks above Aden a water-reservoir 
exists, built by the Arabs, which is absolutely worthless now, because practically no rain comes 
into it. About a.d. 700 rainfall must have been higher than nowadays. 

Icelanders settled in Greenland in the ioth century a.d. Cattle and sheep were success- 
fully reared at first, and they even grew some grain, but before long the colonies became 
dependent on supply from Norway. The visits of ships became fewer, and in the I5th century 
they ceased altogether. Hovgaard 27 ) who excavated the Eastern Settlement and its 
churchyard, found that the soil, now frozen solid throughout the year, must have been thawed 
for a time in summer, because the coffins were penetrated by the roots of plants. The early 
coffins were even buried deeply. After a time these early remains were permanently frozen, 
and later burials lie nearer to the surface. At last the colonists had no wood for coffins any 
more, their health deteriorated, their teeth especially appear much worn. Finally, at least 
500 yars ago, the ground became permanently frozen. About 1600 a.d. the Alpine glaciers 
made a sudden advance 28 ). Also from observations of Tycho Brahe during the years 1582- 
1597 follows a lower temperature for the months February and March, compared with present 
times. The prevailing wind was SE, whereas at present SW prevails at Oranienburg in 
Denmark 29 ). 

Now these are small changes for short periods, but what about large changes during 
long periods? 

I have already mentioned the glacial period and the corresponding pluvial periods in 
Africa and Asia. After the end of the glacial period the European climate remained cold for 
some time, after 6000 b.c. it became warmer than to-day. The Blytt-Sernander theory of 
süccessive moist and dry periods (boreal, atlantic, subboreal and subatlantic) seems less 
certain, at least it is not certain whether these periods extend to the whole continent, but the 
“post-glacial temperature maximum” is generally admitted 30 ). 

25 ) G. Hellmann, S.-B. preuss. Akad. Wiss. 13, 2S ) Brückner, Klimaschwankungen seit 1700, 

1926. Vienna, 1890. 

26 ) C. E. P. Brooks, Climate through the Ages 9 29 ) N. Ekholm, Quart. J. Roy. Met. Soc. 1901, 

London, 1926, p. 374. p. 1. 

27 ) W. Hovgaard, The Norsemen in Greenland , 30 ) A. Wagner, Klimadnderung en und Klima- 

Geogr. Rev. 13, 1925, 605. schwankungen, Braunschweig, 1940. 





424 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


How far into Asia did this warm climate extend ? Generally, there is a large correlation 
between the climate of Europe and that of Asia 31 ). The variations of niveau of the Caspian 
generally go parallel with those of the Dead Sea and of Central Asiatic lakes 32 ). Hence it 
deerns highly probable, that bef ore 1000 b.c. the climate was warmer than now, not only in 
Europe where it is certain but also in ISPear Asia. 

This conclusion is confirmed by two facts, both mentioned by Meissner 33 ). In a 
place too cold for dates to ripen nowadays, date psalms were planted according to an old 
Babylonian document. And secondly, palm leaves with ripe dates are used as an ornament 
in Nineveh, where dates do not ripen any more. 

Thus it is seen that there is nothing impossible in the conclusion, drawn from 
CoRNELIUS , chronology, that the warmer climate in Old-Babylonian times made barley and 
dates ripen 3 weeks earlier than in Persian times and to-day. 

x— a PRiMiTiVE CALCULATiON of venus phenomena. The Babylonians were not only 
interested in the astrological interpretation of Venus phenomena, but also in their calculation. 
This is seen from an astronomical fragment, inserted in one copy of the Venus Tablet, from 
Assurbanipal’s library. This fragment contains calculated data for the rising and setting of 
Venus, accompanied by omens, as follows: 

“If on the 2nd of Nisannu Venus appeared in the east, distress will be in the land. Until the 6th 
of Kislimu she will stand in the east; on the 7th of Kislimu she will disappear, and, having remained 
about 3 months in the sky, on the 8th of Adaru, Venus will shine forth in the west; king will declare 
hostility against king”. 

That these phenomena are not observed, but calculated, becomes quite clear from the 
foliowing list of text data: 


Mf 

Ml 

invisible 

Ef 

Ef 

E! 

invisible 

Mf 

I 

2 

IX 

6 

3 months 

XII 

7 

11 

3 

X 

7 

7 days 

X 

15 

III 

4 

XI 

8 

3 months 

II 

9 

IV 

5 

XII 

9 

7 days 

XII 

17 

V 

6 

I 

10 

3 months 

IV 

11 

VI 

7 

II 

11 

7 days 

II 

19 

VII 

8 

III 

12 

3 months 

VI 

!3 

VIII 

9 

IV 

13 

7 days 

IV 

21 

IX 

10 

v 

14 

3 months 

VIII 


X 

10 

VI 

i5 

7 days 

VI 

23 

XI 

12 

VII 

16 

3 months 

X' 

’ï 7 

XII 

13 

VIII 

17 

7 days 

VIII 

25 


Three numbers in the first line and two in the last line have been corrected by Kugler 
in order to restore the regular succession of numbers. 

In every column both the month and day numbers are increased by 2 in arithmetical 
progression.* The duration of visibility is always 8 months 5 days. The duration of invisibility 
is 3 months between Ml and Ef, and 7 days between El and Mf. 

Kugler supposes that these durations are calculated as mean values from the Ammisa- 
duqa-observations, between which the fragment is inserted. The duration of the first invisi¬ 
bility (3 months) is somewhat too long; this might be explained by the absurdly long intervals 
of invisibility recorded for the years 12 and 17 of Ammisaduqa (5 months 16 days and 
3 months 9 days respectively), which must have raised the mean. 

It is true that the calculating scheme, adopted by the text, is primitive and imperfect. 
But two main ideas, which became of fundamental importance in later Babylonian astronomy, 
are already embodied in this text: first, the idea that celestial phenomena return periodically, 
and secondly the calculation of these phenomena by means of arithmetical progressions of 
numbers. 

Laren (N.H.), 20 Febr. 1946 B. L. van der Waerden 

31 ) J. Glasspoole, British Rainfall, 1925. 3S ) B. Meissner, Babylonien und Assyrien I, 

32 ) E. Huntungton, The Pulse of Asia , Boston, p. 203. 

1907. 


LETTRES DE MARI 

TRANSCRITES ET TRADUITES l ) 

3 

dSamsi-dAdad demande a son fils que les hommes qui portent du vin 
a Mari s’arrêtent cinq jours pour fortifier deux villes; d’autres doivent faire 
un travail dont il ne précise pas la nature. 


a-na Ia-ds-ma-ah-dAdad 
qi-bi-ma 

um-ma d$amsi&-&Adad 
a-bu-ka-a-ma 

5 sa-bu-um sa kardnam a-na Ma-ri-imki 
i-na-as-su-ü sa-bu-um su-ü 
u d s - k a m li-ik-[ka\-li-ma 
M a-as-mi-a-na-am 
ü Sa-al-lu-ur-ri-ya ki 
10 li-da-an-ni-nu 

ü sa-bu-um sa Us-ta-gi-e-? 
sa i-na Ka-bi-it-tim 
wa-as-bu 

i-na mu-us-te-er-tim 2 ) 

15 si-ip-ra-[am] 

li-pu-üs 3 ) ü i-na mu-si-im 
ma-as-sa-ar- ta-su 
li-is-su-ur 3 ) 

is-tu a-la-ni-e an-nu-tim 
20 uk-ta-as-si-ru 

sa-lu-um sa kardnam i-na-as-su-ü 
[kapanam] a-na Ma-ri-im^i li-is-si 3 ) 
ü sa-bu-um ul-lu-um a-na ma-as-sa-ar-ti-su 
li-tu-ür 3 ) 

x ) Des circonstances indépendantes de ma volonté 
ne permittant pas encore la publication de ma tra- 
duction integrale des lettres de Mari que j’ai fait 
paraïtre en autographie, en 1941, au tome II des 
Archives royales de Mari , pen offre quelques nu- 
méros aux lecteurs de YAnnuaire de la Sociétê 


A Iasmah—dAdad 
dis ceci: 

Ainsi parle dSamsi-dAdad, 
ton père 

Les hommes qui portent du vin a Mari, 

que ces hommes 

soient retenus cinq jours; 

qu’ils fortifient 

Masmianum 

et Sallurum. 

Quant aux hommes d’Us-ta-gi-e-? 

qui resident 

a Kabittum 

a (leur) retour 

qu’ils fassent le travail, 

et, la nuit, 

qu’ils montent 

leur garde. 

Après qu’on aura restauré 4 ) 
ces villes 

que les hommes qui portent du vin 
portent [ce vin] a Mari. 

Quant aux autres hommes, qu’a leur garde 
ils retournent. 

oriëntale Ex Oriënt e Lux. 

2 ) Subst. (tdrum III 1); formation analogue a 
muttêrtum. 

3 ) Parf. pour Imparf. 

4 ) kafdrum „lier, assembler, réparer”. 


5 

Que Iasmah-dAdad envoie a son père 100 Hanéens comme hommes de 
troupe, a Qatanum ou ils demeureront avec ceux de Sumunihum, lequel 
devra exécuter les instructions de Iasmah-dAdad. Que Iasmah-dAdad fasse 
prendre ces hommes et les messagers de Qatanum que son père lui envoie. 

Le reste est inutilisable. 


a-na Ia-as-ma-ah-&[Adad] 
qi-bi-ma 

[ um-ma d ] Samsisi-dAdad 
[a-bu-ka-a]-ma 

5 [...] sa-ba-am ime awïï[Ha\nê 

[su-ta\ -as-bi-it-ma 
[it]-ti Zi-im-ru 

a-na Qa-td-nim^d tü-ru-ud [... 


A Iasmah-d[Adad] 
dis ceci: 

[Ainsi parle] dgamsi-dAdad 
[ton père]\ 

[Comme] hommes de troupe, 100 Hanéens 
fais prendre; 

[a]vec Zimru ].... 
envoie [-les] a Qatanum 5 ). 




426 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


LETTRES DE MARI 


427 


sa-bu-um su-ü i-na Qa-td-nimki 
10 ü-sa-ab 

it-ti sa-bi-im sa Su-mu-ni-hi-im 
li-ne-ni-mi-id 5 6 ) sa pi-i 

ta-qa-bi-e Su-mu-su-ni-hi-im 6 ) 
i-pi-es 

15 a-nu-um-ma mannies si-ip-ri-im 
sa Qa-td-nimki 
ü-us-ta-as-bi-it-ma 
at-td-ar-da-su-nu-ti 
sa-ba-am sa-a-ti 
20 if-ti mdrimes si-ip-ri-im 
sa Qa-td-nim 
su-ta-as-bi-sü-nu-ti-ma 
tü-ru-sü-nu-ti 

sum-ma la-ma tup-pi i-k[a-as-sa\-du 
25 sa-ba-am sa-a-ti ta-at-td-ra-ad 
[s]a-ba-am ta-ak-[. .] ba [... 

[. .] rndrimt s [.... 

28Tr. [ ] ta [.... 

[. .]-ab-la-mu tü-ru-ud 

5 ) Un des rois de Qatanum, a cette époque, était 
Amut-pï-El. Voir le texte publié par G. Dossin 
dans Syria xx (1939), p. 109. Cette ville serait pro- 


Ces hommes de troupe a Qatanum 
demeureront. 

Avec les troupes de Sumunihum 
qu’ils se rassemblent. D’après mes instruc- 
tions 

que tu (lui) diras, Sumusunihum 
agira. 

Or ga, j’ai fait prendre 
les messagers 
de Qatanum 
pour (te) les envoyer. 

Ces troupes 
avec les messagers 
de Qatanum 
fais-les prendre et 
envoie-les. 

Si, avant que ma tablette soit arrivée, 
tu envoies ces troupes, 
tu[....] les troupes 
[.... messa]gers ].... 

[ . 

].] envoie. 

bablement Qatna, d’après Dossin (RA xxxv, 117 
note). 

6 ) Pour le sens, voir A. Ungnad dans ZA xxxvm 
(1929), 139, in 42. — Ce -su- est un lapsus du scribe. 


6 


Iasmah-dAdad avait renonce a un voyage proj eté avec son père. Celui-ci 
lui demande de revenir sur sa décision: qu’il vienne; qu’il séjourne quelques 
jours ... (cassures.) 

dSamsi-dAdad dit a son fils de se rendre a Mari, puis a Subat-dEnlil, 
et de nouveau a Mari. Un peu plus tard, il retournera a Subat-dEnlil et 
fera un voyage avec son père, tandis que son frère demeurera c a la ville 0 . 


a- [ na] Ia-ds-ma-ah-dAdad 
q[i]-bi-ma 

um-ma dSamsi-dAdad a-bu-ka-a-ma 
tup-pa-ka sa tu-sa-bi-lam es-me 

5 as-sum a-la-ki-ka a-na se-ri-ia 

ta-as-pu-ra-am 

ki-i a-na se-ri-ia la ta-al-la-kam 

tu-sa-ma i-na Su-ba-at-dEnlifai-ma 

wa-as-ba-ku 

10 ü a-na se-ri-ia 

ta-al-la-kam-ma 

u d 15 kam mi-im-ma ma-ah-ri-ia 

tu-us-sa-ab 

[ i-n]a-an-na i-na r^-drwarah ki-nu-nim 

15 [ .] a-al-la-ak 

[... a -] Ma-ri ki a-li-ik 
[...] a-na se-ri-ia 


A Iasmah-dAdad 
dis ceci: 

Ainsi parle dSamsi-dAdad, ton père. 

J’ai entendu 7 ) ta tablette que tu m’as 
envoyée. 

Au sujet de ton voyage vers moi, 
tu as écrit 

que tu ne viendrais pas auprès de moi. 
Vraiment! A Subat-dEnlil 
je réside, 
et vers moi 
tu viendras, 

le 15 (du mois). Auprès de moi quelque peu 
tu demeureras. 

Maintenant, vers le début du (mois) kinunum 

[••••] j’irai 

[...] a Mari va! 

[...] vers moi 


x 


a-[na Su-]ba-at-dEn-UM ta-ka-as-sa-dam 
a-na Ma-rïA ta-ka-as-sa-[da\m 
20 u-ku.usmts-ka ü gir-sig5~ga nies -ka 
i-na bitydtihi-z-su-nu li-nu-hu 
ü at-ta bit-ka wa-e-er 
[. .\-mi-im li-ga-me-ir-ma 
i-na re-es warah ki-nu-nim a-[sa]-ap-pa-ra- 
ak-kum 

25 a-na se-ri-ia a-na Su-ba-at-dEn-liM 
ta-al-la-kam-ma 

it-ti-ia a-na harrdnim ta-al-la-ak 
ü ahu-ka i-na a-lim-maki 
üs-sa-ab 

7 ) La tablette était lue au distinataire; il ne la 
lisait pas, il Yentendait lire. 

8 ) girsiqqu „mignon”. Voir Landsberger, dans 
ZDMG, t. 69, p. 520. Dans RA xxi, p. 21, Thureau- 


a Subat-dEnlil tu te rendras; 
puis, a Mari tu te rendras. 

Que tes gendarmes et tes girsiqqu 8 ) 
se reposent chez eux, 
et toi, va chez toi, 

[. .]. . quhl termine. 

Au début du mois kinunum, je t’écrirai. 

Tu viendras chez moi, 
a Subat-dEnlil, puis 
avec moi tu feras un voyage 
et ton frère a la ville 
demeurera. 

Dangin ne traduit pas. Ici, et 35, 5, 12, 14; 54, 6; 
87, 37; 129, 5, le mot paraït désigner une sorte de 
fonctionnaire. 


32 

Ibal-pï-El a son seigneur. Par une lettre venant de chez lui, dAdad-nasir 
a appris qu’on s’est emparé d’un champ qu’il avait requ de son seigneur a 
titre inaliénable et qu’on Pa livré a Müt-salim. dAdad-nasir a porté plainte. 
Ibal-pLEl en informe son seigneur. 

a-na be-li-ia 
qi-bi-ma 


um-ma I-ba-al-pi-ïl 
warad-ka-a-ma 

5 tup-pu-um a-na se-er dAdad-na-sir is-tu 
bititi-[su] 

ik-su-dam um-ma-a-mi eqlam Dur^i Ia-ah- 
du-um-li-im 

sa i-nu-ma be-el-ka is-tu An-da-ri-ikki 
i-tu-ra-am-ma id-di-na-kum i-ki-mu-nim- 
ma 

a-na Mu-ut-sa-lim id-di-nu-su 

10 ü eqlam sa i-na at-lu-ki-ka 

be-el-ka iq-bi-kum ü-ul id-di-nu-nim 

an-ni-tam is-tu bititi-su is-pu-ru-ni-sum- 
ma 

ki-ma si-eh-ri-im ir-tu-ub 
ba-ka-am um-ma su-ma a-di [.... 

15 a-na eqel te-er-ti-tim 9 10 ) sa be-l[i .... 

a-na awil sa( ?)-pi-tim i°) ip-qi-d[al-aml- 
ma?] 

a-na-at-td-l[u\ eqel li-la [... 
sa i-nu-ma be-li is-tu An-da[-ri-ik ki] 

Tr. i-tu-ru ü qi-ïs-ti 

20 ma-ha-ar [be]-U-ia 


A mon seigneur 
dis ceci: 

Ainsi parle Ibal-pi-El, 
ton serviteur. 

Une tablette est parvenue a dAdad-nasir, 
provenant de sa maison, 
ainsi (congue) : „Le champ de Dür-Iahdun- 
lim 

„que t’avait livré ton seigneur, quand 
„il revint d’Andarik, on s’en empara 

„et on le livra a Müt-salim; 

„et (pourtant) c’est le champ dont, a ton 
départ, 

„ton seigneur t’avait dit qu’on ne le livre- 
rait a personne.” 

Voila ce qu’on lui a écrit de chez lui. 

II trembla comme un enfant. 

II se plaignit en ces termes: ,Jusqu’[... 
„pour le champ (objet) de 1’ordre que mon 
seigneur [....]” 

Au juge(?), il a confié la charge (?) 

que je regarde le champ 11 ) [.... 
de sorte que, lorsque mon seigneur d’Anda¬ 
rik 

sera revenu et que 1’(affaire de ce) don 12 * * 15 ) 
devant mon seigneur 





428 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


LETTRES DE MARI 


420 


as-ku-un-ma e[qlam sa-]a-ti 
Rev. it-ti be-U-ia [... 

i-na-an-na a-na-ku [.... 
be-U wa-as-ba-a-ku ü ul [... 

25 eqlam i-ki-m[u-nim]-ma a-na M[u-ut-sa- 
lim] 

id-di-nu-su an-ni-tam dAdad-na-[sir 
is-tu ü-mi-im sa te^-em eqlim 

es-mu-ü ka-ia-an-tam i-pa-[... 
mu-ru-us li-ib-bi war ad be-li-[ia 

30 sa es-mu-ü a-na se-er be-U-ia 
as-pu-ur 13 ) 

9 ) Lapsus du scribe; lire tertim. 

10 ) sa-pi-tim est trés incertain. Dans Syria, 1938, 
p. in : awïl Sa-pt-tü „le juge” (Dossin). 


j’aurai exposé, ce [ch]amp 
avec mon seigneur [.... 

Maintenant, moi [.... 
ö monseigneur, je demeure et ne [... 

„On s’est emparé du champ; a Müt-salim 

„on Ta livré. „Voila ce qu’dAdad-nafsir, 
depuis le jour oü j’ai appris Paffaire du 
champ, 

me réfpète] continuellement. 

La peine du coeur du serviteur de mon 
seigneur 

qui j’ai apprise, a mon seigneur 
j’écris. 

n ) que j’étudie Taf faire de ce champ. 

12 ) Le don ; la faveur. 

13 ) Parf. pour Imparf. 


73 

Iarim-dAdad a son seigneur. Hammurabi devait envoyer sans escorte 
des [...] des messagers élamites a leur seigneur; mais, la veille du jour oü 
ils auraient du partir, semble-t-il, ils ne se rendirent pas au palais. Iarim- 
dAdad n’a pas décidé s’il les enverra ou non. II réglera leur affaire et en- 
verra un rapport complet a son seigneur. 

A la fin, il rapporte un bruit relatif au sukkal d’Elam. 


[a-na be-U-i]a qi-b[i-ma ] 

[um-ma] Ia-ri-im-d[Adad] 
warad-ka-a-ma 
i-nu-ma su-ut I-ba-al-pi-Il 
5 i-na Bdb-ilimki wa-as-bu Ha-am-mu-ra-bi 
a-wa-tam ki-a-am iq-bi um-ma su-ü-ma 
]su-nu-ma marivaSs si-ip-ri E-la-mi-i 
ba-lum a-li-ik i-di-im 
a-na se-er be-U-su-nu a-td-ar-ra-as-sü-nu-ti 
10 an-ni-tam H a-am-mu-ra-bi iq-bi 

i-na sa-nidm ü-mi-im sa su-ut I-ba-al-pi-Il 
a-na se-er be-U-ia 

it-ta-al-ku-nim marumes si-ip-ri E-la-mi-i 
ik-ki-su-ma a-na ba-ab e[kallim ] 

15 ü-ul i-sa-an-ni-[qü ] 

i-ma bitdt\d-a na-ap-td-ri-s[u-nu 
[.] sa sarrum i-na-as-sa-ru-su-[nu-ti 
Rev. a-di-ni te^-em td-ra-di-su-nu 
ü-la <la> ta-ra-di-su-nu 
20 ü-ul ü-ki-in-ma 
a-na se-er be-li-ia 
ü-ul as-pu-ra-am 

[i]-n[u]-ma awilê mes su-nu-ti i-tar é -ra-du 
te^-em-su-nu ü-ka-an-nam-ma 
25 te^-em-su-nu g[a-am-ra-am 

a-na se-er <ibe-li-ia> a-sa-ap-pa-ra-am 
sa-ni-tam> i-na a-hi-ti-ik ki-a-am al-ma-ad 


[A m]on seigneur di[s ceci] : 

[Ainsi parle] Iarim-d[Adad], 
ton serviteur. 

Lorsque les gens 14 ) d’Ibal-pi-El 15 ) 
demeuraient a Babylone, Hammurabi 
exposa une affaire en ces termes: 

„Ces [ ] des messagers élamites 

„sans escorte 

„je les envoie a leur seigneur.” 

Voila ce que dit Hammurabi. 

La veille du jour oü les gens 14 ) d’Ibal-pi-El 
chez mon seigneur 
arrivèrent, les messagers élamites 
s’éloignèrent; de la porte du palais 
ils n’approchèrent pas. 

Dans les maisons de leur rachat 16 ) 

[ ?] le roi les garde. 

Jusqu’a présent, Paf faire de leur envoi 
ou de leur <non> envoi 
je n’ai pas décidé et 
a mon seigneur 
je n’ai pas écrit. 

Lorsqu’on enverra ces hommes, 
je réglerai leur affaire. 

Un rapport [complet] a leur sujet 
j’enverrai a < monseigneur > . 

Autre chose, De mon cöté, j’ai appris 


um-ma-a-mi as-sum sukkal Elamtimtim 
i-na Ès-nun-nak i wa-as-bu-ma a-di [...]- 
ti-su 

30 la ip-tü-ru sa-bu-um £[a.... 

14 ) Ceux de. 

45 ) Ambassadeur de Zimri-Lim, semble-t-il. On 
connait un roi d’Esnunna du même nom. (Dossin, 
Syria, 1939, p. 109). 

16 ) Ungnad, Babyl. Briefe, 202, 6 : bit na-ap-ta-ri- 


(qu’on parlait) ainsi au sukkal d’Elam: 

„A Esnunna ils demqurent jusqu’a [.... 

„ils n’ont pas délivré; les troupes de [.... 

ia „la maison rachetée par moi”; TCL XVIII, 13: 
bit na-ap-ta-ri-ia ü-da-ab-ba-bu „ils soulévent des 
réclamations au sujet de la maison rachetée par 
moi”. Voir Küaus, Altbabyl. Brief e, p. 79-80. 


79 ' 

Zakira-Hammu écrit a son seigneur que des troupes se dirigent vers 
lui. D’après une lettre de Qarni-Lim, on a volé des moutons de Iamutbal. 
— Les lignes suivantes sont fragmentaires. 

A la fin, on demande que les responsables soient jugés. Zakira-Hammu 
répond que cette affaire ne relève pas de lui; elle est du ressort de son 
seigneur. II a rec^u une lettre de Qarni-Lim; après 1 ’avoir scellée, il 1 ’envoie 
a son seigneur. 


a-na be-U-ia 
qi-bi-ma 


um-ma Za-ki-ra-ha-am-mu-ü 
warad-ka-a-ma 

5 a-lum Qa-at-[t]u-na-anki ü ha-al-sa-um 
sa-lim 

2 li-im sa-bu-um sa Ha-li-su-mu-ü 
ü Su-up-ra-am a-na Qa-at-tu-na-anki [. . 

I Su-ha-at-ni a-li-ik pa-an sd-bi-im 
a-na se-er be-U-ia pa-nu-su-nu sa-ak-nu 
10 sa-ni-tam Qar-ni-li-im a-na se-ri-ia 
ki-a-am is-pu-ra-am um-ma-a-mi 
I I-ba-ds-si-ir wdn[aqidum ?] 
ü Sa-pi-Il awi\Ha-nu-ü 
immêratim\}i-& sa Ha-a-sü-Il 
15 awil Ia-mu-ut-ba-lim 

im-su-hu i-na As-na-[.... 
wardidi mes -ia a-na s[e-er .... 

Rev. at-td-ar-dam awilêmzs Ha-[nu-ü 
ü Ia-du(?)-dAdad awïl[.... 

20 it-ti wardidi mes -ia su-[.... 
a-na se-er a-hi-ia tu-ru-d[i-im ] 
a-hi di-nam li-sa-hi-is-su-n[u-ti 
an-ni-tam Qar-ni-li-im is-pu-r[a-am 
a-na-ku awi Isuhar Qar-ni-lim ki-a-am a- 
p[u-ul 

25 um-ma a-na-ku-ma awilnagüiwmes i-na 
qa-ti-ia 

ü-ul i-il-la-ku te^-em awilê mes su-nu-ti 
i-na qa-at be-U-ia i-ba-as-si an-ni-tam 
awi Isuhar Qar-ni-li-im a-pu-ul 
i-na-an-na a-nu-um-ma mar si-ip-ri-im 
30 sa Qar-ni-li-im a-na se-er be-U-ia [i\k-su- 
dam 


A monseigneur 
dis ceci: 

Ainsi parle Zakira-Hammu 
ton serviteur. 

La ville de Qattunan et son territoire vont 
bien. 

2.000 hommes de Halisumü 17 ) 
et Supram a Qattunan [... 

I Suhatni, chef des tröupes, 
vers mon seigneur se dirigent. 

Autre chose. Qarnilim m’a écrit 
en ces termes: 

„I Ibassir, le p[atre], 

„et Sa-pi-El, le Hanéen, 

„ont enlevé 18 ) les moutons de Hasu-El, 
„(individu) de Iamutbal. 

„A Asna-[.... 

„me serviteurs a [.... 

„j’envoie. Les Ha[néens 
„et Iadu( ?)-dAdad [.... 

„avec mes serviteurs [... 

,,env[oie] a mon frère;, 

„que mon frère fasse rendre leur jugement.” 
Voila ce que m’a écrit Qarni-Lim. 

Moi, au valet le Qarni-Lim j’ai répondu 

en ces termes: „Les patres ne „vont” pas 

„en mon pouvoir; Paf faire de ces hommes 
„est au pouvoir de mon seigneur.” Voila 
ce que j’ai répondu au valet de Qarni-Lim. 
Or ga, maintenant, un messager 
de Qarni-Lim est arrivé chez mon seigneur 




430 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


LETTRES DE MARI 


431 


ü tup-pi Qar-ni-li-im sa a-na se-ri-[ia ] 
il-li-kam ak-nu-kam-ma a-na s[e-er\ 
be-U-ia ü-sa-bi-lam 

17 ) Le roi de I-la-an-$u-ra-a, sans doute. Cf. 
Syria, 1939, p. 109. 


et une lettre de Qarni-Lim qui m’est 
parvenue, je (l’)ai scellée et a 
mon seigneur je (r)envoie. 

18 ) Voir Landsberger, ZDMG, 69, p. 525, in 220. 


120 

Puqaqum a son seigneur. II est allé a Iablia, chez Atamrum, et il s’est 
rencontré avec trois individus qui ont parlé de leur affaire, dont on ne dit 
pas la nature. II a interrogé Atamrum au sujet de son voyage, et il a 
répondu: Nous irons jusqu’a Sagaratum oü nous nous consulterons. Un 
certain Kasam, accompagné de troupes, doit s’y rendre aussi, en suivant 
la rive du fleuve. 


a-na bie-li-ia qi-bi-ma 
um-ma Pu-qa-qum warad-ka-a-ma 
hal-sum sa-lim a-na Ia-ab-li-iaki 
a-na pa-an A-tam-ri-im 
5 al-li-ik-ma itti Zi-im-ri-e-dAdad 

itti Me-er 1 ^)-ri-im. ü Ki-ib-si-e-dAdad 
an-na-me-ir-ma te^-em-su-nu id-bu-bu- 
nim-ma 

et-hi-ma A-tam-ra-am 
ki-a-am a-sa-al u[m-m]a [a-n\a-ku-ma 
10 [as-sum] a-la-ki-ka 

[ -m]a ta-<ki>-it-tam 20 ) 

[a-na se-er be]-li-ia 
as-pu-]ur 

Rev. I [A-tam]-ru-um ki-a-am 
15 i-pu-la-an-ni um-ma su-ma 
a-di Sa-ga-ra-timkï ni-la-ak-ma 
i-na Sa-ga-ra-timki 
ni-is-ta-al-ma 

sum-ma a-na Ma-riki a-la-ak 
20 sum-ma Ka-sa-am-ma 
a-ba-as-sa-ar 

ta-ki-it-tam ni-sa-ap-pa-ar 

Ka-sa-am-ma a-ah na-ri-im i-la-ak 
i-na Sa-ga-ra-timki te^-em a-la-( ?)ki 22 )- 
su 

2 5 an-ni-tam la an-ni-tam 
a-na s[e-e\r be-U-ia 
a- [ ia] -ap-pa-ra-am 

sa-ni-tam sa-ba-am sa it-ti-su i-la-[ku 

am-su-uh-ma 23 ) 6 li-mi ?-ma-si 

19 ) Ce signe est écrit ni. 

20 ) Voir 1 . 22; 26, ii: ta-ki-it-ta, 13: ta-ki-ta; 
122, 16: ta-ki-it-tam , 21 : ta-ki-it-ti. 

21 ) yai „voir”; 4e forme „apercevoir quelqu’un; 


A mon seigneur dis ceci: 

Ainsi parle Puqaqum, ton serviteur. 

Le district va bien. Je suis allé a Iablia, 
chez Atamrum. 

Avec Zimri-dAdad, 
avec Merrum et Kibsi-dAdad 
je me suis rencontré, et ils ont discuté leur 
affaire avec moi. 

Je me suis approché d’Atamrum 
et je Tai interrogé en ces termes: 

„[Au sujet] de ton voyage 
„[ ] complètement- ( ?) 

,,[a] mon[sei]gneur 
[j'écri]vis.” 

I[Atam]rum me répondit 
en ces termes: 

„Nous irons jusqu’a Sagaratum; 

„a Sagaratum 

„nous nous consulterous.” 

Si je vais a Mari 
et que je rencontre 21 ) 

Kasam, 

(un rapport) complet(?) nous (t’)enver- 
rons. 

Kasam suivra la rive du fleuve 

vers Sagaratum, objet de son voyage(?) 

Cela ou autre chose 
a mon seigneur 
j’écrirai. 

Autre chose. (Des hommes) qui vont avec 
lui 

j’en) ai pris 6.000. 
observer”. 

22 ) -ki- est écrit -di-; objet, Cest-a-dire but. 

23 ) Landsberger a signalé autrefois (ZDMG, 69, 
p. 526 in 220) un verbe masahu „wegnehmen”. 


NASCHRIFT VAN DE REDACTIE 

Tot dusver zijn van de volgende brieven uit TCL xxiii een transcriptie en vertaling 


RÉS et Bab. 1941, 105-6. 
JEOL III/10 (1947), 425 
RA 39 (1942-44), 63. 
JEOL III/io (1947), 425- 
JEOE III/10 (1947), 426. 
RA 38 (1942), 41 - 43 - 
RA 39 (1942-44), 64-5. 
RA 39 (1942-44), 65-7. 
JEOL III/10 (1947), 427 


verschenen: 

i — Jean, 

3 — Jean, 

4 — Jean, 

5 — Jean, 

6 — Jean, 

13 — Thureau-Dangin, 
22 — Jean, 

28 — Jean, 

32 — Jean, 

33 — J EAN , 

40 — Jean, 

43 — J EAN > 

48 — Jean, 

51 — Jean, 

53 — J EAN , 

57 — J EAN , 

66 — Jean, 

73 — J EAN , 

75 — J EAN , 

76 — Jean, 

79 — Jean, 

81 — Jean, 

92 — Thureau-Dangin, 
95 — Jean, 
ioi —- Jean, 

105 — Jean, 

106 — Jean, 

107 — Jean, 

112 — Jean, 

113 — Jean, 

115 — Jean, 

116 — Jean, 

117 — Jean, 

118 — Jean, 

120 — Jean, 

122 — Jean, 

123 — Jean, 

132 — Jean, 

135 — J EAN > 

136 — Jean, 

139 — J EAN > 


JCS 1947, 149-152. 

RA 39 ( 1942 - 44 ), 67-8. 

JCS 1947, 152-155- 
RA 39 (1942-44), 68-9. 

RA 39 ( 1942 - 44 ), 69-70. 

RA 39 (1942-44), 70-1. 

RA 39 ( 1942 - 44 ), 7 !- 2 - 
RÉS et Bab. 1941, 107-8. 

JEOL III/10 (1947), 428 
JCS 1947, 155-156. 
jcs 1947, 157-159- 
JEOL III/10 (1947), 429 
JCS 1947, 159-161. 

Orientalia N.S. xn (1943), 110-12. 
JCS 1947, 161. 

RA 39 (1942-44), 72-4. 

JCS 1947, 161-162. 

RA 39 ( 1942 - 44 ), 74 - 5 - 
RA 39 ( 1942 - 44 ), 75 - 6 - 
RÉS et Bab. 1941, 109. 

RÉS et Bab. 1941, 109-n. 

RÉS et Bab. 1941, 106 note 2. 

RÉS et Bab. 1941, 107. 

RÉS et Bab. 1941, 108. 

RA 39 ( 1942 - 44 ), 76 - 7 - 
JEOL III/10 (1947), 430 
RA 39 ( 1942 - 44 ), 77 - 8 . 

RA 39 (1942-44), 79-8 o . 

RA 39 (1942-44), 80. 

RA 39 (1942-44), 80-1. 

RA 39 (1942-44), 81-2. 

JCS 1947, 162-163. 


Afkortingen: JCS : Journal of Cuneiform Studies ; JEOL: Jaarbericht Ex Oriente Lux; 
RA: Revue d’Assyriologie; 'RÉS et Bab.: Revue des études sémitiques et Babyioniaca. 


Paris, 1946. 


Charles-F. Jean 






43 * 


VOORAZIATÏSCHE PHILOLOGIE 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


433 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT * 

§ I. INLEIDING. —- § 2 . DE KALDEEËRS. — § 3. DE HERKOMST DER KALDEEËRS.— 
§ 4. DE GESCHIEDENIS YAN BABYLONIË IN DE ACHTSTE EEUW. — § 5. DE VERHOU¬ 
DINGEN IN BABYLONIË IN, DE ACHTSTE EEUW. — § 6, SCHRIFTELIJKE BRONNEN UIT 
DEN TIJD VAN MARDUK-APAL-IDDINA EN DIENS GENEALOGIE. — §7. DE KUDURRU. — 
§. 8. DE SCHENKING AAN bEL-AHHË-ERIBA. — § 9. TEMPELBOUW. — § 10 . DE 

BINNENLANDSCHE POLITIEK VAN MARDUK-APAL-IDDINA. — § II. HET GEZANTSCHAP 
NAAR HIZKIA. — § 12 . HET NAGESLACHT VAN MARDUK-APAL-IDDINA. 

§ i. inleiding. — Marduk-apal-iddina II, de uit het Oude Testament bekende Me'ro- 
dach-baladan, speelde in Babylonië een belangrijke rol, toen het Nieuw-Assyrische rijk op 
het toppunt van zijn macht was. De geschiedenis van dit tijdperk wordt in den regel geschreven 
van Assyrisch gezichtspunt en dit is geen wonder; immers, eenerzijds spreekt de geschiedenis 
van een wereldrijk tot der menschen verbeelding, anderzijds zijn de Assyrische bronnen, in 
tegenstelling tot de Babylonische, zeer overvloedig en vol van historische mededeelingen. 
Die Assyrische bronnen stellen Marduk-apal-iddina voor als een misdadig tyran en een 
lafaard. Een goed strateeg was hij inderdaad niet: in iederen slag kwam hij te laat of nam 
hij de vlucht. Daartegenover stond, dat .hij een bekwaam diplomaat was en door deze eigen¬ 
schap is hij in Babylonië aan het bewind gekomen en heeft hij het land rustig kunnen 
regeeren. Wij moeten hem ons evenwel niet voorstellen als een vreedzaam Babyloniër. Hij 
was in de oogen van vele Babyloniërs een vreemdeling, een usurpator, en een belangrijke 
kring der Babylonische maatschappij, de priesterschap, was fel tegen hem gekant. De indruk, 
dien de Assyrische annalen van hem geven, is niet onjuist, evenwel eenzijdig, want zijn 
vreedzame werken — zorg voor landbouw, handel en tempelbouw — komen daarin niet 
tot uiting 1 ). 

§ 2. de kaldeeërs. — Marduk-apal-iddina is de eerste exponente figuur uit de volkeren- 
groep der Kaldeeërs, die in de annalen der Sargonieden zulk een belangrijke plaats innemen. 
Voor het eerst worden deze Kaldeeërs genoemd in de annalen 2 ) van Assurnasirpal II (884- 
859) : Toen hij Babylonië had veroverd „wierp de gloed van zijn wapens het land Kaldu neer”. 
Kort daarna (851/0) brachten de vorsten van dit land tribuut aan Salmanassar III. Het 
bleek toen verdeeld te zijn onder naar stamvaders genoemde stammen, die in Zuid-Mesopo- 
tamië staatkundige eenheden hadden gevormd: Bït-Dakküri onder den vorst Adinu, aan 
wien tijdelijk hetzij geheel Bït-Dakküri , hetzij een deel daarvan den naam Bït-Adini 3 ) ont¬ 
leende, Bït-Amukkdni, waarvan Musallim-Marduk 4 ) vorst was, en een stam onder Iakinu, 

bijzonder bij § 3), Th. Bauer, Die Ostkanaander 
(1926) en de artikelen naar aanleiding hiervan in 
ZA, en F. Rosenthal, Die aramaistische Forschung 
(T939)- Voorts zijn de gebruikelijke aanhalingen in 
acht genomen. De aanhalingen uit de annalen van 
Sanherib zijn uit het prisma te Chicago. Voor de 
geographie van Zuid-Babylonië zie men de kaart 
op p. 494 van dit Jaarbericht. 

3 ) Niet te verwarren met het hoogerop langs den 
Euphraat gelegen landschap van denzelfden naam 
met de hoofdstad Til-Barsip Cf. Fr. Delitzsch, 
IVo lag das Paradies (1881), 263 sq. j° 202 en RLA 
II, 33 sq. Volgens Th. C. Vriezen, Onderzoek 
naar de Paradijsvoorstelling (1937) 134 (cf. 60-63) 
is ook elke vergelijking met Bët-Eden in Genesis 
te vermijden. Wel is dit Bït-Adini wellicht te iden- 
tificeeren met Bët-Eden in Amos 1 : 5. 

4 ) Deze wordt ook genoemd in een kudurru uit 
het tweede regeeringsjaar van Marduk-zakir-sumi I 
(858-824) (F. Thureau-Dangin, RA xvi (1919) 
117 sqq.). 


*) P.S. Dit opstel is geschreven in 1944 en 1945. 
Met de tijdens den oorlog in het buitenland ver¬ 
schenen litteratuur kon daardoor slechts in zeer be¬ 
perkte mate, in hoofdzaak dn enkele latere toevoe¬ 
gingen, rekening worden gehouden. 

1 ) Algemeene litteratuur o.a. in D. D. Luckenbill, 
Ancient Records (1926) (aangehaald AR) en The 
annals of Sennacherib (1924), Sidney Smith in 
Cambridge Ancient History III (1925) (CAH III) 
en The first campaign of Sennacherib (1921), A. T. 
Olmstead, History of Assyria (1923) (Olmstead), 
diverse artikelen in Reallexikon der Assyriologie 
(RLA), B. Meissner, Könige Babyloniens und As- 
syriens (1926), L. W. King, Chroniele s concerning 
early Babylonian Kings (1907) (CEBK), F. Hom¬ 
mel, Ethnologie und Geographie des Alten Orients 
(1926) (Hommel), onderscheidene artikelen in Pau- 
ly WiSsowa’s Reallexikon des klassischen Alter- 
tums (PW), M. Streck, Assurbanipal (VAB vu) 
(1916), F. M. Th. Böhl, Der Babylonische Fürsten- 
spiegel, MAOG xi (1937), 3 (Vorstenspiegel, in het 


koning van het Zeeland, die den naam gaf aan Bït-Iakin 5 ). Later kwamen daar nog eenige 
andere bïtdti bij (Bït-Sa’alla, Bït-Silani e.a.). 

De ligging van deze stamgemeenschappen, welke slechts voor den tijd der Sargonieden 
aan de hand van de in de annalen genoemde steden dezer bïtdti eenigszins is vast te stellen, 
is beschreven door Sidney Smith, First Campaign, p. 19 sqq., Hommel, p. 414 sqq. en 
Unger, RLA II, 38 etc.: Bït-Dakküri ter weerszijden van den Euphraat ten Zuiden van 
Babylon en Borsippa met als hoofdstad onder Salmanassar III het ten Westen van den 
Euphraat gelegen En-zu-di (= Sin-musallim?). Later, onder Sanherib, strekte het 
zich waarschijnlijk verder Oostwaarts, tot over den Tigris uit en telde toen 33 steden, waar¬ 
onder Marad, ten Westen van Nippur. Ook wordt melding gemaakt van de stad Bït-Dakkuri, 
waarschijnlijk niet ver van Uruk. Ten Zuiden hiervan lag Bït-Amukkani, met ten tijde van 
Sanherib 39 steden, waaronder Sapia, de hoofdstad, en Larak (dat ten tijde van Tiglat- 
pileser III nog een eigen vorst had, Nadinu). Tot Bït-Iakin, de stam waaruit Marduk-apal- 
iddina was gesproten, behoorde in Sanheribs tijd allereerst het land langs den benedenloop 
van den Euphraat ongeveer van Larsa af tot aan de nar Marrdtum®), het noordelijk deel van 
de Perzische golf met de aangrenzende lagunen in het mondingsgebied van Euphraat en 
Tigris, die toen nog een afzonderlijke monding hadden. Daar moet ook de stamburcht Dür- 
Iakin hebben gelegen, waarschijnlijk niet ver van de nar Marrdtum in de nabijheid van den 
Euphraat; immers toen Sargon 7 ) in 710/09 de stad kwam belegeren, werden inundaties ge¬ 
maakt met water uit den Euphraat. In Sanheribs tijd lagen daar in Bït-Iakin verder de 
steden Bït-Zabidia, Larsa, Kullab (de zusterstad van Uruk), Eridu, Kisik, Nimid-Laguda 
en Kar-Nabü 8 ). Op de ^wereldkaart 3 , gepubliceerd in CT xxii, 48 9 ), is de situatie vair 
Bït-Iakin aangegeven: De Euphraat stroomt uit in een moeras ( apparu ), dat naar links (in 
westelijke richting) door een kanaal ( bitqu ) en naar rechts door een rivierarm, waarin de 
inscriptie helaas niet leesbaar is, in verbinding staat met den de aarde omgevenden stroom, 
hier nar Marrdtum (doch gewoonlijk apsu) 10 ) genoemd. Boven, dus kennelijk ten Westen 
van de bitqu, waarin wellicht een kunstmatige arm van den Euphraat is te zien, staat ge- 
teekend Bït Ia-ki-nu. Hieruit zou de gevolgtrekking zijn te maken, dat Bït-Iakin ten Westen 
van den benedenloop van den Euphraat lag. Zooals Böhl in Stemmen des Tijds, 1916, 437, 
heeft gesteld, kan ook het land langs de Westzijde van de Perzische golf zeer wel hebben 
behoord tot Bït-Iakin. Hiervoor pleit de mededeeling van Sargon, dat hij Bït-Iakin veroverde 
tot aan den grens van Dilmun, een rijk, welks centrum men op het eiland Bahrein zoekt 13 -). 

ta-lak-ma nisêmes nar mar-ra-ti elïtata a-di nar mar- 
ra-ti saplïtata ki-i isti a-bil-ma. 

7 ) Annalen 320 sqq. 

8 ) Kar-Nabü was een havenstad aan d endrmarrd- 
tum, blijkbaar niet ver van de monding .van den 
Tigris daarin; immers, Sargon noemt dezelfde stad 
in verband met de verovering van Dür-Athara, dat 
dichtbij den Surapi lag (annalen II 283). Een an¬ 
der Kar-Nabü lag dichtbij het tegenwoordige Bag¬ 
dad (Delitzsch, Paradies, 206). 

9 ) Beschreven door F. E. Peiser in ZA 4 (1886), 
361 sqq. en E. Unger, Babylon (1931), 20 en 254- 
258, afb. 3 en 4; ook afgebeeld bij Meissner, Baby- 
lonien und Assyrien II (1925) 378. De reconstructie 
van deze wereldkaart door Unger is opgenomen als 
fig. A op p. 493 van dit Jaarbericht. 

10 ) Deze begrippen zijn overigens niet identiek, 
marrdtu is bitter, brak water, apsu zoet water. Cf. 
Burrows, Or I (1932), 231. 

. 1:L ) Bijna algemeen identificeerde men Dilmun 
met de Bahrein-eilanden. S. N. Kramer, BASOR 
96 (1944), 18, kan zich hiermede niet vereenigen en 
meent dit land te moeten zoeken in ZW. Iran ten 
Zuiden van Elam, doch zijn betoog is niet zeer 
overtuigend. Daartegen thans weer P. B. Cornwall 
in BASOR 103 (1946) 3-11. 


Jaarbericht ri°. 10 


5 ) Gate-inscription, AR I § 625, Black Obelisk, 
AR I § 566. 

6 ) Uit de door Thureau-Dangin (RA xxm, 1926, 
23) besproken teksten Br. M. 81-7-1, 98 en CT 
xvi ii blijkt dat oorspronkelijk marru, bitter, van 
zeewater noch zoetwater, van Euphraatwater noch 
Tigrrswater, van bronwater noch kanaalwater werd 
gezegd. De vertaling met brakwater ligt dus voor 
de hand. Later hield men niet vast aan de eigenlijke 
beteekenis van nar marrdtum■ en tdmturn, zee: Met 
tdmtum werd ook het Vanmeer (tdmturn samatNairi 
(annalen van Assur-bël-kala I 13, Weidner AfO vi 
8o/8i) aangeduid en nar marrdtum werd niet alleen 
gebruikt voor de lagunen in het mondingsgebied 
der rivieren, maar ook voor de Perzische golf, die 
de Assyrische koningen in hun annalen ook noem¬ 
den tamtum sa mat Kaldi (inscripties van Salma¬ 
nassar III, bv. Layard-inscription, AR § 641 en 
KAH II nr. 100, AR § 703, tdmti sa mat Kaldi sa 
nar marrdtum iqabusini ) en tdmtum saplïtum, al dan 
niet met de toevoeging sa fit samsi. Uit de door 
Campbell Thompson bij zijn opgravingen in 1927- 
1931 in Ninive gevonden en in Iraq vu (1940), 87 
onder n° 1 gepubliceerden cylinder van Sargon II 
blijkt, dat nar marrdtum toentertijd een synoniem 
was van tdmtum : ina tukultitiHammesrabütimes at- 


28 





434 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


Ook maakte waarschijnlijk het aangrenzende bergachtige deel van Oost-Arabië deel uit 
van Bït-Iakin. Immers het tribuut, dat Marduk-apal-iddina aan Tiglatpileser III bracht, 
bestond uit een groote hoeveelheid goud ( c het stof van zijn gebergte 0 ), gouden voorwerpen, 
gouden halskettingen (?), kostbare steenen, voortbrengselen van de zee, velschillende hout¬ 
en plantensoorten, gekleurde kleeren, kruiden, vee en schapen 12 ). Eenige producten kwamen 
kennelijk uit het laagland langs den Euphraat en de Perzische golf, doch goud kwam uit zijn 
bergen en hier is slechts te denken aan het Arabische hoogland, waar inderdaad in het land 
der Gerrhaeërs 13 ) en in het nu nog welvarende (paardenfokkerij) hoogland van Nejd goud 
voorkwam 14 ). Ook welriekende kruiden zijn een typisch Arabisch product 15 ). Ten tijde van 
Sargon behoorde bovendien nog het land langs den Tigris en den Surapi aan de Noordoost¬ 
zijde van de nar Marrdtum tot Bït-Iakin; in dien tijd, doch slechts toen, was sprake van 
Bït-Iakini elis u saplis 16 ), dat tezamen met zekere gebieden van Elam door Sargon werd 
onderworpen 17 ), waarna het werd verdeeld ondefr.de Assyrische gouverneurs van Babylon 
en de langs en ten Oosten van den Tigris gelegen provincie Gambulu. In die streek lag ook 
de stad Dür-Athara die door Marduk-apal-iddina in 710 tegen Sargon werd verdedigd en 
na de verovering hoofdstad werd van evengenoemde provincie Gambulu 18 ). 

Tot de conclusie, dat de genoemde streken tot Bït-Iakin behoorden kwamen ook 
Hommel (421) en R. P. Dougherty in zijn artikel The Sealand of Arabia 19 ). Een andere 
naam, veeWoor Bït-Iakin gebruikt, was namelijk mat tdmtim ; bv. wordt reeds Iakinu „koning 
van het Zeeland” genoemd 20 ) en ook Marduk-apal-iddina draagt in de annalen van Tiglat¬ 
pileser III denzelfden titel. Deze naam is door de c dynastie van het Zeeland 0 algemeen bekend 
*in de periode na Hammurabi. Toentertijd vormde het een politieke eenheid. Later werd 
de term gebruikt ter aanduiding van een landstreek en wel die van Zuid-Mesopotamië en het 
aangrenzende laagland langs den Noordrand van de Perzische golf 21 ). Uiteraard was Bït- 


12 ) AR I § 794 - 

13 ) Strabo xvi 4, 22 p. 780. 

14 ) R. J. Forbes, JEOL III/9 1939, 2 43. 

15 ) Cf. ook Arrianus, Ind. 41, 42. 

18 ) Display-inscription 137-139. Indien de stad Na- 
giti, genoemd in BM 113203, 43, identiek is met de 
stad, die bij Sanherib’s zesden veldtocht een rol 
speelde, behoorde ten tijde van Sanherib die streek 
en het aangrenzende land langs de Oostzijde van de 
Perzische Golf tot Bït-Amukkani. 

17 ) Annalen II 63/64. 

18 ) Cf. E. Forrer, Provinzeinteilung (1920), 97. 

19 ) JAOS 50 (1930), 5. Gecensureerd door P. 
Schnabel, ZDMG 89 (1935), 260. 

20 ) Gate-inscription van Salmanassar III. 

21 ) Tot -een andere conclusie komt Dougherty 
in zijn evengenoemd artikel: Volgens hem is het 
Zeeland altijd een politieke eenheid gebleven, die 
zich uitstrekte over het noordelijk deel van Arabië 
van de Roode zee (golf van Aqaba) tot aan de 
Perzische golf. Terecht heeft F. A. Weissbach 
(ZA 43 (1936), 276-288) zich tegen deze voorstel¬ 
ling verzet, daar geen der aangevoerde argumenten 
steekhoudend is: In de. annalen van Assurbanipal 
(III 97) wil Dougherty de woorden ultu a/ 4 qaba 
adi dlBdb-Salimeti ten onrechte slechts betrekken op 
mat tdmtim, daarbij de stad Aqaba localiseerend in 
de omgeving van de golf van dien naam. Mat Kaldu 
is steeds een deel van Zuid-Mesopotamië, mat 
Aramu is veeleer langs en ten Oosten van den Ti¬ 
gris te zoeken. Mat tdmtim moet ook een kleinere, 
waarschijnlijk even vaag omlijnde landstreek zijn, 
grenzend aan de voorafgaande. Assurbanipal om¬ 
schrijft de vier landstreken van Zuid-Mesopotamië 


Akkad, Kaldu, Aramu en mat tdmtim en daar dit 
een vage aanduiding is, wordt deze nader gepreci¬ 
seerd door de Noordelijkste en Zuidelijkste plaats. 
Dougherty’s argument, dat Sargon van Akkad op 
zijn terugtocht van Dilmun sallasunu ina rndti tdmti 
usebira (CEBK I 1-26) houdt geen steek, daar — 
zoo al Dougherty ’s uitlegging van de desbetreffende 
tekst juist is — de rechte weg van Dilmun naar 
Akkad leidde langs de Perzische golf en niet door 
midden-Arabië of langs de Roode Zee. Als belang¬ 
rijk bewijs voor zijn stelling voert Dougherty aan, 
dat nu nog een deel van Arabië, en wel de lage 
kuststrook tusschen de Roode Zee en de bergen, 
Tihama heet (— Hebr. tehom, zee en Bab. tidmtu). 
Zoo deze woordassociatie al juist moge zijn, dan 
is in dezen naam m.i. toch veeleer een herinnering 
te zien aan een vroegere grootere uitgestrektheid 
van de Roode Zee, waaraan ook het Exodus-verhaal 
de herinnering bewaart, en heeft deze naam nimmer 
meer aangeduid dan bedoelde strook lands. Met 
meer recht had Dougherty kunnen wijzen op de 
mededeeling van R. Campbell Thompson in CAH I 
(1924) 555, dat op sommige kaarten in de buurt 
van Bismaya een landstreek Tehoma staat getee- 
kend. Dat Arabië vroeger minder droog is geweest 
en daarom dichter bevolkt is geweest, zegt op zich 
zelf niets. 

De historische feiten, die Dougherty op grond 
van zijn conclusie meent goed te kunnen verklaren, 
zijn ook anders goed te verklaren: zoo is bv. 
Dougherty’s meening, dat het gezantschap van 
Marduk-apal-iddina naar Hizkia (zie § 11) slechts 
belang zou hebben gehad als het Zeeland zich ver 
Westelijk uitstrekte niet te aanvaarden. Marduk- 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


435 


Iakin niet van den aanvang af in omvang gelijk en dus identiek ^an het Zeeland, 22 ). Eerst 
toen de stam van Iakinu het Zeeland beheerschte, werd zijn naam voor het geheele gebied 
gebruikt. Toen de dynastie, van Iakinu op het hoogtepunt van haar macht was, waren Mat 
tamtim en Bït-Iakin synoniem; daarna, bij het afnemen van die macht, werd de naam Bït- 
Iakin weer verdrongen door Mat tamtim. In de annalen worden ook wel Mat tamtim en 
mat Kaldu als gelijke begrippen gebruikt. Mdt-tdmtim omvatte echter alleen Bït-Iakin, 
mat Kaldu omvatte meestal alle bïtdti, soms echter niet Bït-Iakin. mat Kaldu was een ethno- 
graphisch begrip, mat tdmtim een geographisch en soms staatkundig begrip, Bït-Iakin, Bït- 
Dakküri, etc. staatkundige begrippen. 

§ 3. de herkomst der kaldeeërs. — De naam Kaldu trad voor het eerst op in de 
negende eeuw. In de Assyrische koningsinscripties is naast en in verband met de Kaldu- 
stammen telkens sprake van Aramu. Ook deze bleken het platteland van Babylonië te be¬ 
volken; hun stamgemeenschappen waren in den tijd der Sargonieden gevestigd langs en ten 
Oosten van den Tigris, dus langs den grens van Elam 23 ). De volgende punten kunnen 
eenige aanwijzing bevatten omtrent de herkomst van beide volken: 

a. De eerste Arameeërs, die in de bronnen genoemd worden, waren gevestigd langs de 
oevers van den Euphraat, rechts tusschen het Besri-gebergte en Babylonië,; links beneden 
Anat, vanwaar zij sedert 1116 een bedreiging voor het Assyrische rijk vormden. Tiglatpileser I 
heeft daar in 1112 te maken met Arameesche Ahlami 24 ). De Assyrische koningen, die'op¬ 
kwamen in hun macht, verzetten zich standvastig tegen deze Arameesche stammen, die hun 
rijk poogden binnen te dringen, en van toen af liep als een roode draad door de Assyrische 
geschiedenis een eindelooze reeks van veldtochten tegen deze vijanden in het Westen. Anders 
in Babylonië. Ongeveer in denzelfden tijd traden ook daar Arameeërs op. Daar regeerden 
echter de laatste zwakke vorsten uit de Kassietendynastie en hun even zwakke opvolgers 
uit de vierde Babylonische Dynastie en al spoedig wisten Arameeërs daar de heerschappij 
in handen te krijgen (Itti-Marduk-balatu 1100-1092, Adad-apal-iddina 1083-1062). Hoe hun 
dit gelukt is, is niet bekend; van invallen en strijd wordt in de bronnen niet gerept. De 
koningen voerden goed Babylonische namen. Overigens is uit hun tijd niet veel over Baby¬ 
lonië bekend. 

b. Als met de opkomst van Assyrië de bronnen rijkelijker beginnen te vloeien, valt 
het op, dat zoowel in het door de Kaldu als in het door de Aramu langs en ten Oosten van 
den benedenloop van den Tigris bewoonde gebied talrijke namen voorkwamen met den typisch 
West-Semietischen imperfectum-vorm aanvangend met ia-. Allereerst denken we aan het 
hypocoristicon Iakinu (stam kwh). Hommel 25 ) spreekt het vermoeden uit, dat Dakküri 
een hypocoristicon is van een naam in den trant van Iadkur- il. In Bït-Dakküri lag de stad 
Iaqimuna, en in de kudurru van Samas-sum-ukin wordt voorts als een der steden van Bït- 

Dakküri genoemd al La-ba-si sa Bït-Ia -. In Bït-Silani lag ten tijde van Tiglatpileser III de 

stad Iaballu. Langs en ten Oosten van den benedenloop van den Tigris, in het gebied der 
Arameeërs, zijn de gevallen talrijker: Een blik in het naamregister van Hommels Ethnologie 
und Geographie leert, dat de meeste namen, waarin dit imperfectum schuilt, in dat gebied, in 
West-Elam en voorts in Palestina met aangrenzende gebieden thuisbehoorden. In Babylonië, 
het Tigrisgebied en West-Elam kwamen eigennamen van dezen vorm reeds sedert de 
dynastie van Larsa en de eerste Babylonische dynastie in grooten getale voor, in Babylonië 
aanvankelijk het meest in het zuidelijke rijk van Larsa 26 ), sedert Sumu-la-ilu ook in Sippar 
en elders 27 ). 

apal-iddina zocht bondgenooten tegen Sanherib; of 
deze aan zijn gebied grensden was van geen belang, 
als zij maar Sanherib, en dat liefst in den rug, 
konden aanvallen en dat kon juist Hizkia zeer goed. 

Zeer beslist tegen de stelling van Dougherty pleit 
de naam Zeeland. Dougherty voelt dit bezwaar, 
doch zijn supposities ter overbrugging ervan zijn wel 
zeer gezocht. 


22 ) Bv. ADD 888. 

23 ) Cf. Hommel 426 sqq. 

24 ) Prisma v 47. 

2 D 187 noot 4. 

26 ) Bauer, Die Ostkanaanaer, 89. 

27 ) Terloops zij opgemerkt, dat ook toen reeds, 
en wel onder koning Manana de persoonsnaam 
Iakunu(m) voorkwam. Bauer (Die O stkanaanaer, 





43 <S 


VOORAZIATISCHË BHILOLOGIE 


c. Reeds ten tijde van de Eerste Dynastie kwamen de namen van enkele der door de 
Sargonieden genoemde Arameeërstammen in het gebied ten Oosten van den Tigris voor, 
namelijk de Dumunu, Rapiqu en Paqudu 28 ). Ook de Ahlami ten Westen van den 
Euphraat kwamen reeds, voordat de naam Arameeërs ten tooneele verscheen, voor als 
vijanden van den Assyrischen koning Budi-ilu (omstr. 1350). Toentertijd maakten deze deel 
uit van een stammengroep, die de Assyriërs toen nog met den naam van Amorieten aan¬ 
duidden en die het restant vormde van de machtige stam, waaruit de dynastie van Ham- 
murabi was voortgekomen 29 ). Van de oorspronkelijke taal van deze Amorieten is heel weinig 
bekend. Wel bekend is, dat het imperfectum gevormd werd met het praefix ia-. 

d. Veelomstreden is de vraag, waar de bakermat van de Amorieten was^ gelegen 30 ). 
Tijdens de dynastie van Larsa en de Eerste Dynastie van Babylon (de Amorietische!) 
warqn zij en andere West-Semieten verspreid over geheel Mesopotamië en naburige gebieden: 
In Mari (de vorsten Iagitlim en Iahdulim), in Carchemis (koning Iatar-ami) 31 ) in Assyrië, 
in Teil Chagar Bazar 32 ) en, voor ons vooral van belang, in Zuid-Mesopotamiëi met de 
aangrenzende gebieden ten Westen van den Euphraat en ten Oosten van den Tigris. Tot deze 
West-Semietische stammengroep behoorde ook de stam der Hebreeërs. Op de vraag of deze 
identiek waren met de in Babylonische en Assyrische bronnen sedert de dynastie van Larsa 
voorkomende habiri (id. sa. gaz) willen we niet ingaan 33 ). Hier behoeven we slechts te 
constateeren, dat Abraham uit Zuid-Mesopotamië stamde; dat zoowel bij de daar gevestigde 
Amorieten als bij den stam van Abraham de namen met ia* voorkwamen (Jacob!) ; dat aan 
die van den stam van Abraham parallele verplaatsingen of verbreidingen voorkwamen bij 
de Arabieren en de Nabateeërs. De eerste (amël Urbi) kwamen nog ten tijde der Sargonieden 
voor zoowel in Babylonië als ten Westen van den Euphraat en ten Oosten van den Tigris 34 ). 
Van de laatsten zijn in Sargons en Sanheribs tijd sporen in Babylonië 35 ) ten Oosten van 
den Tigris 36 ) en ten Zuidoosten van Palestina. De oorzaak van de verhuizingen van deze 
stammen is wel ten deele te zoeken in de invallen der Mitanni en andere Indo-Germaansche 
stammen, die behalve den stam van Abraham ook de Amorieten 37 ) van den midden-Euphraat 
verdreven. Sedertdien kwamen in Palestina ook veel namen voor aanvangend met ia. In het 
bijzonder zij gewezen op den Kanaanietischen god Iakin 38 ) en den naam van een der zuilen 
van Salomo’s tempel 39 ). 

Naast deze punten is nu de Bijbelsche overlevering te stellen: Terach met zijn beide 
zoons Abraham en Nahor worden in Genesis vermeld als de stamvaders van de West- 

28) geeft ten onrechte den naam van een stad Ia- 
ku-nim (of us ) reeds in den tijd van Rïm-Sin (VS 
xm 104 r, II 6) : Het laatste teeken is niet nim 
(of us) doch du ; en van een stad Iakudum wordt 
ook elders melding gemaakt (BRM iv 49, 47). 

28 ) Cf. reeds Scheil, Recueil xx, 70. Hommel, 

189, etc. 

29 ) Zie voor de Amorieten o.a. Sidney Smith, 

Early History of ATsyria (1928), 176 sqq. en H. 

Frankfort, O.I.C. 13 (1932) 28 sqq. 

30 ) Zie Hommel, 132, Bauer, ZA 38 (1929), 152, 

RLA I 99. 

S1 ) Cf. o.a. F. M. Th. Böhl, BiOr I (1944) 

55 sqq., G, Dossin, Symbolae Koschaker (1939), 

112 en 116, W. F. Albright, BASOR 78 (1940), 30. 

32 ) C. J. Gadd, Iraq iv (1937) 178 sqq. 

a3 ) Zie hiervoor J. de Koning, die in zijn Stu¬ 
diën over de El-Amarna-brieven en het Oude Tes¬ 
tament (1940) de litteratuur (o.a. F. M. Th. Böhl, 

Genesis (1923), 127, J. Lewy, OLZ 1927, 738 sqq. 
en 825 sqq., Sir Leonard Woolley, Abraham 
(i935)) uitvoerig bespreekt. De Koning schijnt 
echter geen kennis genomen te hebben van de op¬ 
vatting van E. Dhorme {Revue de l’histoire des 


religions 118 (1938), 170-187 en Actes du XX e Con¬ 
gres intern, des Orientalistes (1940) 123/4). Dhorme 
leidt Hebreeër en Habiru van verschillende stam¬ 
men af; Hebreeërs is een ethnisch begrip, habiru, 
niet alleen voorkomend in^ Zuid-Babylonië, doch ook 
in Mari, Alisar en Nuzu, beteekent niet anders dan 
c gebondene 3 , krijgsgevangene 3 . Daarna is het pro¬ 
bleem weer in drukke discussie geweest in Ameri- 
kaanscheTijdschriften, J. W. Jack en H. H. Row- 
ley in PEQ 72 (1940), E. G. Kraeling in AJSL 58 
(1941, 237-253 en J. Lewy in Hebrew Union Col¬ 
lege Annual 14 (1939), 587-623, en 15 (1940), 47-58, 
etc. 

34 ) Sanherib, prisma I 39 en III 39 en RLA I 
126 2 . Ook zij, in wier taal ook nu nog de vorming 
van het imperfectum met het praefix ia- voorkomt, 
voerden toentertijd met ia- beginnende namen (bv. 
Ia’tie, Iauta of Iata, ook wel Uaite). 

3I5 ) Kudurru van Marduk-apal-iddina iv 17 en 19. 

36 ) Sanherib, prisma I 48. 

37 ) F. M. Th. Böhl, Das Zeitalter Abrahams, 40, 
zegt m.i. ten onrechte Arameeërs. 

38 ) Hommel 163 jo. 123. 

39 ) 2 Kron. 3:17. 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


437 


Semietische volken. Van Nahor wordt wel niet vermeld, dat hij mede wegtrok uit Ur, doch 
kennelijk is dit wel het geval geweest 40 ). Hij bleef echter in Harran, verwekte daar bij 
Milka acht zonen, waarvan de Arameesche stammen, evenals de Israëlieten van Abraham, 
hun afkomst af leidden 41 ). Deze zonen personifieerden de sedert 1100 ten Westen en Zuid- 
Westen van Assyrië optredende Arameeërs. Een van hen was Kesed, die den stam der 
Kaldu personificeerde 42 ). Een sifflant gevolgd door een dentaalklank verandert in het Baby¬ 
lonisch dikwijls in l, terwijl daarentegen noch in het Babylonisch, noch in eenige andere 
Semietische taal de l voor een dentaal in een anderen klank overgaat 43 ). Daar de Kaldu 
in den Bijbel 44 ) Kasdim genoemd worden, zal hun oorspronkelijke naam dan ook wel Kasdu 
zijn geweest. Hieruit volgt, dat zij eerder met Israëlitische stammen in aanraking zijn ge¬ 
komen, dan met de Babyloniërs ,en hun bakermat dan ook niet ver van die der Israëlieten is 
te zoeken in het gebied ten Westen van den Euphraat. Hierop wijst ook het verhaal van Job: 
Deze behoorde tot de Armeeërstam van Üz, een andere zoon van Nahor, welke later gevestigd 
was in het zuidelijk gedeelte van de Syrisch-Arabische woestijn 45 ) en niet ver daarvandaan 
moeten de Kasdim gewoond hebben; immers, door hen werd Job een der rampen toegebracht. 

Het Bijbelverhaal, en de vier hierbovenvermelde punten, aangevuld met het reeds 
eerder geconstateerde feit, dat de Kaldu-rijken van Dakküri en Iakinu zich aan weerszijden 
van den Euphraat uitstrekten, wijzen er op, dat de in de elfde en negende eeuw in en om 
Babylonië opduikende Arameeërs en Kaldeeërs — twee nauw aan elkaar verwante onder¬ 
deden van de West-Semietische (of met Bauer: Oost-Kanaaneesche) volkerengroep — in 
nauw verband stonden met, wellicht nazaten waren van, de Amorieten, die sedert de intrede 
der Arameeërs in de geschiedenis niet meer als staatkundige eenheid optraden 46 ), maar, 
opgenomen in andere staatsverbanden (Zeeland) of onder andere namen, in Noordoost- 
Arabië, Zuid-Mesopotamië en het gebied ten Oosten van den beneden-Tigris waren blijven 
voortbestaan. De naam Kaldu (Kasdim ) zal zijn ontleend aan een roemrijk stamhoofd 
(Kesed), evenals later met Bït-Dakküri en Bït-Iakin het geval was. Na het optreden der 
Kaldu deden dan ook — met name blijkens de eigennamen — geen nieuwe góden hun intrede in 
het Babylonische pantheon. De hoofdgoden bleven Marduk en Nabö. Wel ging de laatste, die 
bij alle West-Semietische volken een hoofdgod was 47 ), een steeds belangrijker plaats innemen. 

§ 4. de geschiedenis van babylonië in de achtste eeuw. — Aanvaardt men het 
betoog in de vorige §, dan is verklaarbaar, dat de Arameeërs zonder dat te voren ooit sprake 
was van invallen van hen of strijd tegen hen zonder schokken in Babylon aan het bewind 
konden komen. Immers, zij waren reeds in het land. Sedert den val van de Kassieten- 
dynastie volgden Babyloniërs, Arameeërs en tenslotte ook Kaldeeërs elkaar in bonte afwis¬ 
seling op den troon van Babylon op. Na koning Marduk-balatsu-iqbi (827-815) volgde een 
periode, waarvan weinig bekend is en waarin een groot aantal koningen, welker chronologie 
niet eens vast staat, elkaar na korte regeeringen opvolgden 48 ). Een van hen, Ba’u-ah-iddin, 
werd door Adad-nirari III (809-782) gevankelijk naar Assyrië gevoerd; laatstgenoemde trok 
daarna naar het land Kaldu en ontving daar tribuut van de vorsten. Het eind van de synchro¬ 
nistische geschiedenis 49 ) wijst er op, dat Adad-nirari later vrede sloot met Babylon en er 

40 Cf. Böhl, Genesis I, 107. Zijn naam wordt in waarschijnlijk nog in de annalen van Tiglatpileser I 
verband gebracht met de stad Nahur in Noord- genoemd in 1112, als land waarin Tadmar (Pal- 
Mesopotamië (E. Dhorme, op. cit. 175 noot 4). myra) lag. Daarna wordt met den naam slechts de 

41 ) Genesis 22 : 20. landstreek, Syrië en de landen langs de Oostkust 

42 ) Böhl, Genesis I, 153 en Baumstarck, PW van de Middellandsche zee, aangeduid. In een in- 

i.v. Chaldaioi. scriptie van Ramses III zou Damascus (Timasq) 

43 ) Rijckmans, Grammaire § 81 en Brockel- volgens Hommel (191) en vroegere auteurs reeds 
mann, Semitische Grammatik §§ 16b. 29a en 47a. voorkomen in de Arameesche uitspraak Tirmask, 

44 ) Bv. Genesis 11 : 28 en 31, waar Terachs ge- doch hierbij baseeren zij zich op een onjuiste lezing 

boorteland Ur Kasdim, c Ur der Chaldeeën 3 , wordt van de desbetreffende plaats. Zie hierover uitvoerig 
genoemd en Job 1 : 17. F. Rosenthal, Die aramaistische Forschung, 15 sqq. 

45 ) Job i: 17 en 1, cf. Genesis 10:23 en 22:21 47 ) Hommel 133, A. T. Clay, Amurru (1909), 144 

en Böhl, Genesis I, 153. 48 ) cf RLA I 377. 

4Ö ) Als zoodanig wordt Amurri voor het laatst 49 ) KB I (1889), 194 sqq. 



438 VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

een verzoening tot stand kwam. Eerst uit de regeering van Eriba-Marduk, die na een in¬ 
terregnum van een niet met zekerheid leesbaar aantal (12? 50 )) jaren aan het bewind kwam, 
zijn weer met zekerheid feiten bekend 51 ). Hij was een zoon van Marduk-sakin-sum, in wien 
wel de landvoogd van Bït-Iakin zal moeten worden gezien, die voorkomt als schenker van 
een zegel, dat in de c verzameling Southesk 0 is 52 ). De transcriptie en vertaling, die Pinches 
van het opschrift van dit zegel heeft gegeven, zijn niet juist. In de plaats daarvan zij de 
volgende gesteld: 

'sa y il Marduk-sakin-sumi 2 apal J U Marduk-zër-uballit (of baldti) 3 liplipi 4 J Ia-ki-na 5 nig.ba 
U-$ur^ Marduk 6 in-ra-ru, hetgeen Marduk-sakin-sum, de zoon van Marduk-zër-uballit (of balati) 
de (achter) kleinzoon van Iakinu, als geschenk aan U§ur-Marduk heeft geschonken. 

Ook uit een fragment van een koningslijst 53 ) blijkt, indien althans de door Johns voor¬ 
gestelde lezing van 1. 6 juist is, dat Eriba-Marduk uit de in het Zeeland heerschende dynastie 
stamde. Hoewel in dit fragment een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tusschen mat Kaldi 
en mat tdmtim, mag worden aangenomen, dat hij van Kaldeeschen bloede was 54 ). Niet 
denkbaar is, dat Adad-nirari III dezen usurpator uit het Zeeland op den troon van Babylon 
zou hebben gelaten, zoodat we wel mogen aannemen, dat zijn regeering eerst na 782 onder 
de zwakke opvolgers van Adad-nirari, die in eigen land met opstanden hadden te kampen, 
is aangevangen. Ook al omdat te weinig ruimte wordt gelaten voor de opvolgers van Marduk- 
balatsu-iqbi, is dus niet met Meissner 55 ) zijn regeering te stellen van 802 tot 763, doch 
evenmin is met Unger 56 ) aan te nemen, dat hij eerst omstreeks 763 de regeering in 
Babylon aanvaardde, zoodat hij slechts zeer kort, hoogstens een paar jaar, zou hebben 
geregeerd; immers, hij heeft den tijd gehad in Babylonië geordende toestanden te herstellen: 
Arameeërs, die uit Sigiltu en Subartu waren binnengevallen en den bewoners van Babylon 
en Borsippa hun bezit hadden ontnomen, versloeg hij en hij gaf de landerijen aan hun 
vroegere bezitters terug. Hij verrichtte werkzaamheden in Esagila en Ezida en voorts heeft 
hij zich met den cultus der góden in Uruk bemoeid 57 ). Bovendien, ware hij een onbeteeke- 
nend vorst geweest, die slechts een jaar regeerde, dan had niet Marduk-apal-iddina zich op 
zijn afstamming van hem beroemd. Slechts ëén inscriptie uit zijn regeering is bekend, op een 
steenen gewicht in het Britsch Museum. 

In 762 of 761 werd Eriba-Marduk opgevolgd door Nabu-sum-iskun, een Kaldeeër van 
den stam van Dakküri 58 ), onder wiens regeering er alom burgeroorlog was. Zijn opvolgers 
(Nabü-nasir. = Nabonassar 747-734, Nabü-nadin-zëri 733-732, Nabü-sum-ukin 732, Ukin-zêr 
732-73 1 ) hadden weinig macht en behalve tegen het onder Tiglatpileser III weer machtig 
geworden Assyrië voortdurend te strijden tegen opstandelingen en Kaldeeërstammen. Reeds 
in 745 stelde Tiglatpileser orde op zaken in Babylonië in dier voege, dat Nabü-nasir niet 
veel meer dan zijn vazal bleef en, toen na diens dood in Babylonië een chaotische toestand was 
ontstaan, trok hij in 731 ten tweeden male naar Babylonië op. De koning Nabü-mukin-zër, 
Ukin-zër in de Assyrischè bronnen, een sjeik van den stam van Bït-Amukkani, die in 732 
den troon van Babylon had bemachtigd, vluchtte naar zijn stamlarjd. Tiglatpileser trok verder, 
veroverde de hoofdsteden van de Kaldustammen Bït-Silani, Bït-Sa’alla en Bït-Amukkani 
(Sapia) en ontving in laatstgenoemde stad het reeds beschreven tribuut van den vorst van 
Bït-Iakin, Marduk-apal-iddina. Vervolgens besteeg Tiglatpileser zelf in 729 onder den naam 

50 ) Cf. A. Ungnad, AfO II (1924-25) 26. 54 ) Zie § 3. 

51 ) CEBK II 66 - 68 . King (I 205) stelde ten on- 55 ) BuA II 448/9. 

rechte de regeering van Eriba-Marduk in het tijd- S6 ) Babylon 31. 

vak tusschen 689 en 681. In zijn History of Baby - 57 ) Zie § 9. 

Ion (1915) (264) is King op deze dwaling terug- 58 ) H. Winckler, Altor. Forschungen I (1893) 

gekomen. Johns, PSBA 40 (1918), 125 sqq. gaat 256; dus niet een zoon van Eriba-Marduk, zoo 

echter nog van deze onjuiste praemisse uit. Olmstead 175 en Meissner, Könige, 158. Deze ver- 

52 ) Lady H. Carnegie, Catalogue of the Collec- warden hem met Nabü-sum-ukin I (900-886), die 

tion Southesk (1908) (met medewerking van Th. G. een zoon was van zijn voorganger Samas-mudammiq. 
Pinches) II 82 n° Q P 39. Cf. ook ADD 888 en de reconstructie van Johns, 

53 ) Br. M. 81-7-27, 117, ADD 888. Hierbij Johns, PSBA 40 (1918), 125 sqq. 

PSBA 40 (1918) 125 en C. J. Gadd, JRAS 1922,396, 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


439 


Pulu den troon van Babylon en werd in 725 door zijn zoon Salmanassar v onder den naam 
Ululai opgevolgd. Na diens dood maakte Marduk-apal-iddina zich van Babylon meester en 
werd met nieuwjaar 721 door het grijpen van de handen van het Mardukbeeld koning 59 ). 
Terstond sloot hij een bondgenootschap met koning Humbanigas van Elam en in 720 leverden 
de bondgenooten bij Dër slag tegen den inmiddels aangerukten koning Sargon van Assyrië; 
beide partijen schreven zich de overwinning toe, doch het gevolg was, dat Sargon, hoewel hij 
in het bezit bleef van Dër en het noordelijk deel van het land ten Oosten van den Tigris 
tot beneden de Diyala, terugtrok naar Assyrië. Marduk-apal-iddina regeerde nu ongestoord 12 
jaar in Babylonië. Eenmaal ondernam hij een militaire expeditie, waarbij hij een landstreek 
verwoestte en plunderde. De naam van deze landstreek is in de Babylonische kroniek ver¬ 
minkt, doch algemeen neemt men aan, dat het Bït-Dakküri was 60 ). Eerst in 710 trok Sargon 
opnieuw op tegen Marduk-apal-iddina, die volgens hem tegen den wil der góden in Babylon 
regeerde 61 ). Eenerzijds trok een Assyrisch leger langs den Tigris en veroverde de door 
inundatie met water van den Surapi verdedigde stad Dür-Athara, waarbinnen de bewoners 
van het land Gambulu een toevlucht hadden genomen, en het gebied van de in de nabijheid 
van de Uknu gevestigde Arameeërstammen, die op Marduk-apal-iddina steunden. Ander¬ 
zijds trok een uit het Westen gekomen Assyrisch leger ter hoogte van Bït-Dakküri den 
Euphraat over. Marduk-apal-iddina hoorde dit alles in zijn paleis in Babylon, vluchtte met 
medeneming van gijzelaars naar zijn ouden bondgenoot Elam en ging vandaar naar een stad 
Iqbi-bël. De inwoners van Babylon en Borsippa haalden Sargon, volgens diens mededeelingpen, 
met vreugde binnen en hij ontving tribuut van de noordelijke Kaldu-stammen. Met nieuwjaar 
709 vatte hij de handen van het beeld van Marduk in Babylon; koning noemde hij zich niet, 
doch slechts sakkanakku van Babylon. 

In het volgend jaar trok hij naar het Zuiden. Marduk-apal-iddina had zich inmiddels, 
na bewoners van Ur, Uruk, Eridu, Larsa, Kisik en Nimid-Laguda meegenomen te hebben, 
verschanst in en bij de stamburcht Dür-Iakin, die hij door een inundatie met water uit een 
zijkanaal van den Euphraat had beveiligd. Niettemin veroverden de Assyriërs Dür-Iakin en 
verwoestten het grondig 62 ). Marduk-apal-iddina, die, zooals ook later blijkt geen groot 
strateeg was, kon volgens een lezing, hoewel gewond, nog vluchten 63 ), doch werd volgens 
een andere lezing 64 ) tezamen met zijn familie gevangen genomen. De als gijzelaars meege¬ 
nomen burgers van Sippar, Nippur, Babylon en Borsippa werden bevrijd, Sargon herstelde 
de vrijheid van de andere genoemde steden en bracht hun góden, waaraan Marduk-apal-iddina 
zich blijkbaar had vergrepen, terug. Bewoners van Bït-Iakin werden gedeporteerd naar Kalhu 
en het land verdeeld onder de gouverneurs van Babylon en Gambulu. Zekere Nabü-lï’u trad 
op als gu . en . na (prefect?) van Bït-Iakin 65 ). Een tekst, waarop Sidney Smith 66 ) zich 
baseert, zou er op kunnen wijzen, dat Marduk-apal-iddina aan Sargon de kenteekenen van 
zijn heerschappij overgaf en daarop van hem vergiffenis kreeg. Hoe dan 'ook, na verloop van 
tijd is hij weer naar zijn land teruggekeerd om daar het verzet tegen de Assyrischè heer¬ 
schappij te organiseeren. Een brief 67 ), waarin een Assyrisch ambtenaar aan Sargon berichtte 
over bewegingen der troepen van Bït-Iakin in samenwerking met de hoofden van Bït- 
Dakküri, die zich in verbinding hadden gesteld met Marduk-apal-iddina, dateert wellicht uit 

59 ) Een duidelijk overzicht van de geschiedenis gelijk te stellen met Aginis. Immers door Arrianus, 

van Marduk-apal-iddina is ook te vinden in The Ind. 41, 42 wordt Aginis een xww Tïfe Zov<riïo<; ge. 
first Campaign of Sennacherib van Sidney Smith, noemd en lag het blijkbaar nabij de monding van den 
p. 7 sqq. Eulaios aan de ?idrmarratum (A/py*?). Dhr lakin lag 

60 ) O.a. F. H. Weissbach in RLA I 378 2 . nabij den Euphraat, dus Westelijker. 

61 ) ( Marduk ) ipset mat Kaldi limnëti sa izizzu 63 ) Lie, f he l nsC r\ptions of Sargon II, part 

ipuk, de schanddaden van de Kaldeeërs, die Marduk I (1929) 60/61 1 . 411 sqq., AR II § 39. 

vervloekte. 64 ) Display-inscr ., AR II § 68. 

62 ) Hoewel Dür-Iakin later is herbouwd en, in- 65 ) H. 542. 

dien Ungers reconstructie van de tekst ( Babylon 66) pi rsj Campaign 9, CAH III 50. Cf. Lie, op. 

286 en 292) van den c Staatsalmanak° van Nebukad- cit. 63 noot 6, AR II § 38. 

nezar juist is, onder Nebukadnezar II nog de zetel 67 ) jj. 542, L. Waterman, Royal. Corr. (1930) 
was van een opperpriester, is het niet, zooals som- n ° 542 en R. H, Pfeiffer, State letters (1935), n° 1. 
migen (F. C. Andreas, PW i.v. Aginis) meenen. 






440 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


441 


deze jaren. Zoodra Sargon in 705 was gestorven, ging Marduk-apal-iddina naar Babylon, 
verdreef zekeren Marduk-zakir-sum, die zich daar inmiddels reeds tot koning had opge¬ 
worpen, en kreeg ten tweeden male de heerschappij over Babylonië. Wederom sloot hij een 
bondgenootschap met den koning van Elam, Sutruknahunte II, —volgens Sanherib kocht 
hij hem om — en deze zond hem tegen den spoedig aanrukkenden Sanherib een leger van 
80000 man te hulp. Sanherib, wiens veldtocht uitvoerig is beschreven in het door Sidney 
Smith in The First Campaign of Sennacherib bewerkte prisma van het Britsch Museum 
(n° 113203), veroverde Kuta en versloeg de bondgenooten bij Kis, waarna hij Babylon binnen¬ 
trok en daar een omvangrijken buit uit het paleis van Marduk-apal-iddina haalde. Deze was 
zelf bijtijds gevlucht naar de moerassen bij Guzummanu in het gebied van Bït-Dakküri. Ver¬ 
volgens veroverde Sanherib onder meer 88 steden in het land der Kaldeeërs, en de Arabieren, 
Arameeërs en Kaldeeërs, die in Uruk, Nippur, Kis en Harsagkalamma woonden, tezamen 
met burgers, die tegen hem partij hadden getrokken, voerde hij gevankelijk mee. Tenslotte 
bestrafte hij de Arameeërstammen langs en ten Oosten van den Tigris en op zijn terugweg 
maakte hij Bël-ibni, een voornaam Babyloniër, koning van Babylon. 

Niettemin bleven Bït-Dakküri en Bït-Iakin onafhankelijk; het eerste onder Musezib- 
Marduk (Suzubi de Kaldeeër), het tweede onder Marduk-apal-iddina, en ook Bël-ibni schijnt 
niet een gedwee vazal van Sanherib te zijn gebleven. In 700 trok Sanherib opnieuw naar het 
Zuiden, versloeg Musezib-Marduk bij Bittütu en verwoestte en plunderde Bït-Iakin. Marduk- 
apal-iddina had het niet op een slag laten aankomen en was met medeneming van de goden¬ 
beelden, doch met achterlating van zijn volk en zijn geheele familie per schip naar Nagiti- 
( rakki ) sa qaibal tamtim (gelegen midden in zee), toen behoorend tot Elam, gevlucht. San¬ 
herib zette nu Bël-ibni af en maakte zijn eigen oudsten zoon Assur-nadin-sum koning van 
Sumer en Akkad. In 694 trok Sanherib ten derden male naar het Zuiden, zoowel te land als 
te water (over den Euphraat) om definitief met de Kaldustammen af te rekenen en tevens 
Elam te bestraffen. De bewoners van Bït-Iakin waren weer naar Elam gevlucht, doch nu 
vervolgde Sanherib hen met een vloot van kelippêtimes mat Hatti QS ), schepen van op de 
Middellandsche zee gebruikelijk type, dus zeeschepen 69 ), nam hen gevangen, en voerde hen 
naar Assyrië. Marduk-apal-iddina werd bij deze krijgsverrichtingen niet meer genoemd; we 
mogen aannemen, dat hij inmiddels — na ongeveer 35 jaar de politiek van Assyrië gedwars¬ 
boomd te hebben — was overleden. We zullen echter zien, dat zijn nageslacht nog gedurende 
meer dan een halve eeuw zijn politiek heeft voortgezet. Terwijl Sanherib nog in het uiterste 
Zuiden werd bezig gehouden, had inmiddels de koning van Elam, Hallusu, een inval in 
Akkad gedaan en een Babyloniër, Nergal-usezib (Suzubi de Babyloniër) op den troon van 
Babylon geplaatst (694). Deze werd spoedig door Sanherib gevangen genomen en nu werd 
(691) Musezib-Marduk (Suzubi de Kaldeeër) weer koning in Babylon. Onder zijn leiding 
kwam nu een groote coalitie tegen Sanherib tot stand, waaraan onder meer Elam, Nabü-sum- 
iskun, een zoon van Marduk-apal-iddina, en eenige Kaldustaten deelnamen. In den slag bij 
Halule (691) werden zij verslagen. Nabü-sum-iskun werd gevangen genomen en Suzubi trok 
zich in Babylon terug. Sanherib veroverde Babylon en verwoestte het nu grondig (689) 70 ). 

§ 5. de verhoudingen in babylonië in de achtste eeuw. — We mogen aannemen, 
dat het platteland van Zuid-Babylonië, het oude land Sumer, bevolkt was door Kaldeeërs. De 
namen met Bit- samengesteld wijzen er op, dat zij oorspronkelijk gemeenschappen vormden,' 
welke geconcentreerd waren om het huis van een heer. Werd de heer machtig, dan kon zulk 
een nederzetting uitgroeien tot een stad (bv. Dür-Iakin) en een vorstendom, een verschijnsel 
dat zich ook reeds vroeger, in den Kassietentijd, had voorgedaan 71 ). Op den duur vestigden 
zich ook in de oude Babylonische steden Arameeërs en Kaldeeërs metterwoon en tenslotte 


68 ) Prisma IV 37. 

69 ) A. Salonen, Wasserfahrseuge Babyloniens, 

St. Or. vin, 4. 

70 ) Al deze veldtochten, waarmede de Assyrische 
koningen zich roem verwierven, zijn uitvoerig be¬ 
schreven in hun annalen en plastisch geïllustreerd 


in de reliëfs in hun paleizen. Zie bv. Patterson, 
The Palace of Sinacherib en Weidner, Die Reliefs 
der Assyrischen Könige I (AfO, Beiheft). 

71 ) Cf. UM 1/2, 18 en 78, H. Waschow, MAOG 
x i (1936): pi-hat Bït-Bëriki, pi-hat Bït-Sin-magir. 


T 



Jc 



werden sommige dezer steden in het staatsverband van de Kaldustaten opgenomen. Ten tijde 
van Sanherib woonden Kaldeeërs (en Arameeërs) in Uruk, Nippur, Kis, etc. en behoorden 
onder de steden van Bït-Iakin Larsa en Eridu 72 ). Het nabij Eridu gelegen Ur, dat stellig 
ook toen nog een belangrijke stad was, was blijkbaar nog niet in Bït-Iakin opgenomen 73 ). 

De oude steden waren de centra van den cultus der góden. Van oudsher hadden de 
tempels met hun priesters daar groote macht en zij bezaten veel van het land rondom de 
steden. Dit landbezit zal evenwel aan een voortdurende bedreiging der veelal nomadiseerende 
Arameeërs en Kaldeeërs hebben blootgestaan. Deze waren dan ook de natuurlijke vijanden 
van de oude steden. Daarentegen had de pristerschap van de groote macht in het Noorden, 
Assyrië, minder te vreezen: Babylonië was de bakermat van de Assyrische beschaving en 
de Assyrische koningen wisten heel goed, wat zij aan Babylonië hadden te danken en wat zij 
er nog van konden overnemen. Zij regeerden een volk van goede soldaten, doch begrepen 
wel, dat zij een wereldrijk niet konden handhaven zonder zich deze hoogstaande beschaving 
eigen te maken. De Assyriërs streefden er dan ook niet naar Babylonië te vernietigen, doch 
door zich invloed te verwerven op het bestuur er van dit centrum der beschaving in hun 
macht te hebben. Telkenmale heeft Assyrië zich dan ook wel met de troonsopvolging in 
Babylonië bemoeid, maar aanvankelijk geen pogingen gedaan, Babylonië .in te lijven. Wel 
kwam het zeer dicht bij een inlijving, toen Assyrische koningen, soms onder een anderen 
naam, zelf den troon van Babylon bestegen (Tiglatpileser III en zijn opvolgers). Eerst 
Sanherib heeft later in zijn regeering met deze politiek gebroken, doch Asarhaddon is daarop 
al weer teruggekomen. Daar de Assyriërs in Babylonië de bakermat van hun cultuur zagen, 
beschermden zij ook de dragers van die cultuur: de steden en met name dé priesterschap in 
die steden. Dier natuurlijke vijanden waren de Kaldeeërs en zoo zien we dan telkens 
priesterschap (steden) en Assyriërs samengaan tegen Kaldu-stammen. Als de Kaldeeërs 
opdrongen, zagen de priesters in den Assyrischen koning hun redder. Reeds Salmanassar III 
werd in -851/0 bij den strijd van Marduk-zakir-sum tegen zijn opstandigen broer Marduk- 
bël-usate in Babylon groots ontvangen en hij bracht hulde aan Marduk en Nabü. Vervolgens 
leidde hij een strafexpeditie naar de Kaldu-landen 74 ). De synchronistische geschiedenis deelt 
mede, dat Samsi-Adad v na zijn expeditie in Babylonië (812 en 811) offers bracht in 
Babylon, Kuta en Borsippa 75 ). Adad-nirari III (810-783) had in een duisteren tijd der 
Babylonische geschiedenis eerst moeilijkheden in Babylon, doch de synchronistische geschie¬ 
denis wijst er op, dat hij tenslotte een verdrag met Babylonië sloot. Zijn vereering voor de 
Babylonische góden ging zelfs zoo ver, dat hij in Kalah een repliek van Ezida in Borsippa 
liet bouwen. Zoodra na de inzinking van Assyrië onder de opvolgers van Adad-nirari III 
—- toen, zooals we reeds zagen, Babylonië o.a. geregeerd werd door den Kaldeeër Eriba- 
Marduk, die zelfs den Istar-cultus in Uruk onderdrukte — Tiglatpileser III koning was 
geworden, trok hij (in 745) naar Babylonië tegen de stammen langs den Tigris. Op zijn 
tocht ontving hij bezoek van de priesters van Babylon, die hem als bevrijder beschouwden. 
Op zijn tweeden veldtocht naar Babylonië bestreed hij de Kaldu-stammen, maar in de oude 
steden 76 ) bracht hij offers aan de góden. 

De macht van de priesterschap en de steden, door de Assyriërs bevorderd, werd buiten 
dezen bevoorrechten kring met leede oogen gezien en zoo bestond ook in de steden, zooals 
telkens in de Babylonische geschiedenis, een anticlericale, nu ook anti-Assyrische partij, die 
allicht bij tijd en wijle steun zocht bij de vijanden van Assyrië, de Kaldu-vorsten. Lang 
hoort men niet van deze oppositie, doch, daar Nergal-usezib en wellicht ook Bël-ibni uit dezen 
kring voortkwamen, mogen we aannemen, dat deze reeds geruimen tijd had bestaan. 

§ 6. SCHRIFTELIJKE BRONNEN UIT DEN TIJD VAN MARDUK-APAL-IDDINA EN DIENS GENEA¬ 
LOGIE. — Onder de regeering van Marduk-apal-iddina werd de groote lijn der geschiedenis 

72 ) Annalen I 39. Cf. Luckenbill, Annals of Sen- 74 ) Gate-inscription } AR I § 624 sq. 

nacherib, p. 53, 1 . 48. 75 ) Cf. CHA III 22/23. 

73 ) Voor Ur in het bijzonder zie C. J. Gadd, His- 76 ) Second Nimrud tablet, AR I § 815. 

tory and monuments of Ur (1929) 209 sqq. 






442 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


niet verbroken. Weliswaar berust onze kennis aangaande hem in hoofdzaak op hetgeen de 
Assyrische koningen in hun annalen omtrent hem mededeelen en daaruit bleek, dat hij zeker 
niet een vorst zonder macht was. Dat hij zijn voorgangers in belangrijkheid overtrof en in 
het land de orde herstelde blijkt alreeds hieruit, dat — dit in tegenstelling met den tijd van 
zijn voorgangers, die slechts weinig sporen van hun bestaan hebben nagelaten — uit zijn 
tijd uit Babylonië verscheidene teksten tot ons zijn gekomen: 

ie. De bekende kudurru uit het zevende regeeringsjaar van Marduk-apal-iddina, gevonden 
op Cyprus en thans (?!) in het Berlijnsche museum. Deze kudurru, de eerste sedert die van 
van Marduk-zakir-sum I (851-828) is geheel van het oude type. ’s Konings kleeding is een¬ 
voudiger, doch overigens ongeveer gelijk aan die van vroegere koningen. Zijn hoofddeksel is 
niet meer de sedert de Kassieten gebruikelijke cylindervormige tiara, doch evenals bij Marduk- 
zakir-sum een eivormige. Boven den koning staat: Beeltenis van Marduk-apal-iddina, koning 
van Babylon. Voor den koning, veel kleiner van gestalte, staat Bël-ahhë-eriba, de sdkin-tëmi 
van Babylon, aan wien blijkens de tekst een groote schenking werd gedaan. De kudurru is 
afgebeeld op plaat II van de Kalender Ars Antigua III, 1947, en daar toegelicht door 
J. C. Kern. Voorts is de kudurru beschreven door F. X. Steinmetzer, Die Babylonische 
kudurru ( Grenzsteine ) als Urkundenform (1922), 80-82. Transcriptie en vertaling van den 
tekst zijn gegeven door Fr. Delitzsch in BA II (1894) 258-273 77 ), F. E. Peiser en 
H. Winckler in KB III (1892), 1, 184-193, en A. Ungnad in H. Gressmann, Altorien- 
talische Texte und Bilder zum alten Testament 1 (1909) I, 134-138. 

v 2e. Tichelsteenen van Eanna in Uruk met inscripties (I R 5 xvn, getransscribeerd en ver¬ 
taald door Peiser en Winckler in ZA 7 (1892), 182, A. Schott, Ausgrabungsbericht 
Uruk-Warka I (1930), 45 sqq.) 

3e. Inscriptie met opdracht aan Ninlil in Hursagkalamma (bewerkt door S. Langdon in 
Excavations at Kish III (1930)). 

4e. Een tablet met opsomming van gewassen in den tuin van Marduk-apal-iddina (Br. 
Museum, beschreven door B. Meissner in ZA 6 (1891), 289 sqq.). 

5e. Eenige contracten uit Nippur en Babylon (O. Krückmann, Neubab. Rechts - und Ver- 
waltungs-Texte, TMHC II/III (1935), n° 8, handelend over den koop van een stuk land, 
en F. M. Th. Böhl, Meded. Leidsche verz. III (1936), 7, handelend over den verkoop van 
inkomsten van den Marduktempel in Babylon). Daarbij komen nu nog de drie door 
A. Götze 78 ) genoemde contracten uit Uruk en Babylon in Amerikaansche verzamelingen uit 
het vierde, achtste en elfde regeeringsjaar van Marduk-apal-iddina (NBC 4848, YBC 7422 
en YBC 11383/11386). 

6e. Een brief uit Uruk (YBT III, 74). 

7e. Een aantal slavenmerken met inscripties uit het negende tot twaalfde jaar van Marduk- 
apal-iddina (J. Oppert, Dour Sark., 2 7 sq. en J. Oppert et J. Menant, Doe. jur. (1877), 
168 sq., Peiser, KB iv, 166/7, Meissner, BuA I, 382 en Actes du 8me congres intern, des 
Orientalistes en 1889 d Stockholm II, Aut. n° 1). 

8e. Indien de veronderstelling van Prof. Böhl dienaangaande juist is, de „Babylonische 
Vorstenspiegel” (MAOG xi (1937) 3). 

Marduk-apal-iddina noemt zich zelf met trots spruit uit een oeroud koningsgeslacht en 
nakomeling van Eriba-Marduk, koning van Babylon 79 ). Sommigen achten niet onmogelijk, 
dat Marduk-apal-iddina een zoon was van Eriba-Marduk. Deze mogelijkheid zouden we willen 
uitsluiten, zoowel op grond van de aangehaalde teksten — immers, in de kudurru-inscriptie 
wordt eerst den niet met name genoemden vader eer bewezen en daarna wordt de roemrijke 
voorouder genoemd, en voorts zou in dat geval in plaats van ilitti en zër wel een woord 
voor zoon zijn gebruikt — als omdat Eriba-Marduk, waarschijnlijk wel niet op jeugdigen leef- 

77 ) Cf. F. E. Peiser en H. Winckler in ZA 7 
(1892), 182 sqq. 

78 ) JNES III (1944), 43; 


79 ) Kudurru II 40-44: zër sarrüti daru , mudam- 
miq zikir abi alidisu , ilitti Eriba-Marduk sar Ba- 
bili; I R 5 xvn; zër Eriba-Marduk , 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


443 


tijd, is overleden in 762 en Marduk-apal-iddina eerst omstreeks 695 is overleden. Veeleer is 
met F. H. Weissbach 80 ) e.a. aan te nemen, dat Marduk-apal-iddina, hoewel hij wellicht reeds 
tijdens het leven van Eriba-Marduk, immers zooals we zullen zien (§ 12) in ieder geval voor 
755 is geboren, een kleinzoon was van den laatsten, die, zooals vermeld, eveneens uit Bït-Iakin 
kwam. Terecht wijst Weissbach ( l.c .) er op, dat in de inscriptie van Tiglatpileser mar Iakini 
het stamhuis aanduidt (cf. Nabü-sum-iskun mar Dakküri). 

Daar een generatie op ongeveer 30 jaar is te stellen, kunnen we nu de stamreeks van het 
huis van Iakinu opstellen: 

Iakinu 

koning van het Zeeland 850/1 

I 

Of X 81 ) 

I . 

Marduk-zër-iddina (?) 
omstr. 820 

I. 

Marduk-sakin-sum 
omstr. 790 

I 

Eriba-Marduk 

aanvankelijk koning van het Zeeland, later, tot 763, ook van Babylon 


Marduk-apal-iddina II, 

reeds koning van Bït-Iakin in 729, van 721-710 en in 703 bovendien van Babylon 

| 82 ) 

1 v v " . . .. L 

Iqisa-Marduk, Nabu-sum-iskun, Nabü-zër-kitti- Na’id-Marduk, Nabü-usallim 

komt voor in vorst van Bït- lisir, vorst van koning van het 

714 Iakin? (tot 691) Bït-Iakin, 679 Zeeland onder 

Asarhaddon 

Nabü-bël-sumate, Sumai 
koning van het 
Zeeland in '652 

Waarom Marduk-apal-iddina den naam droeg van den van 1187-1175 regeerenden op twee na 
laatsten koning uit de Kassieten-dynastie, is, hoewel van dezen koning verscheidene inscrip¬ 
ties, voornamelijk op kudurru’s, bekend zijn, niet te bevroeden. 

In zijn beide regeeringsperioden resideerde Marduk-apal-iddina in Babylon en uit de 
annalen van Sanherib 83 ) blijkt, dat hij daar een grooten staat voerde. Zijn residentie was 
toegerust met tuinen, die zoo bijzonder waren, dat zij de beschrijving waard waren 84 ). Wel¬ 
licht hebben we hier een praecedent van de hangende tuinen van Nebukadnezar. Op te 
merken is, dat er onder de opgesomde planten eenige zijn met duidelijk West-Semietische 
namen: iaquqanu en iarqanu 85 ). Marduk-apal-iddina was van den aanvang af 86 ) een rijk 
vorst, zijn schatten —- goud, zilver, edelsteenen, etc 87 ) en landerijen 88 ) — waren reeds 
bijeengebracht door zijn voorouders. De Vorstenspiegel gaat er van uit, dat de koning buiten 
de hoofdstad vertoefde; daarbij zou gedacht kunnen zijn aan zijn verblijf in Dür-Iakin, toen 
Sargon hem in 710 in het nauw bracht. 

so ) ZA 43 (1936), 278. 84 ) Meissner, ZA vi (1891) 289, Olmstead 523. 

81 In de tekst van het zegel van Usur-Marduk 85 ) III 8 en 9. 

(zie § 4) moet liplipu wel kleinzoon of misschien 86 ) Cf. het tribuut aan Tiglatpileser III. 

achterkleinzoon beteekenen. 87 ) Annalen van Sargen, Lie 62/63. 

82 ) Zie § 12. S8 ) Kudurru III 51. 

83 ) I 29 sqq. 






444 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


445 


§ 7. de kudurru. —• Neemt men de kudurru nader in beschouwing, dan blijkt deze, 
hoewel in de eerste plaats op de legitimiteit van het bewind van Marduk-apal-iddina de 
nadruk wordt gelegd, eenigszins een beeld te geven van diens positie en bestuur. Daarom 
volge hier de vertaling. 

(I) TOEN MARDUK, 

2 de groote heer, 3 de scherpzinnige onder de góden, 4 de koning van het heelal, 5 de alleenheerscher 
der Igigi 6 en Anunnaki, 7 de volmaker van den eeredienst, 8 de wijze van geheel den hemel 9 en 
de aarde, de leider van de góden, 10 zijn verwekkers, de heer van de boven- 11 en de onderwereld, 
12 / 13 die de menschheid in rechte banen leidt, 14 wiens uitspraak 13 niet gewijzigd 16 en wiens bevel 
niet veranderd kan worden, 

17 voor Akkad, 18 waarvan hij zich in toorn had afgewend, 19 (weer) genegenheid had opgevat, 20 had 
omgekeken naar de massa van alle 21 volkeren, had acht geslagen op de stervelingen 22 en temidden van 
al de zwarthoofdigen 23 op alle plaatsen 24 genadig zijn blik had geworpen, 25 (op) Marduk-apal-iddina, 
26 koning van Babylon, zijn uitverkorene, 27 den landvoogd van Sumer en Akkad, 28 die zijn godde¬ 
lijkheid eerbiedigt, 

29 met vreugde zijn oog had gevestigd ®°/ 31 en zijn heerschappij te verheffen beloofd had (met de 
woorden) : 32 c Ziedaar toch de herder, 33 die de verstrooiden bijeenbrengt 3 , 34 hem een rechtmatig schepter 
35 en voor de menschen zegenrijken koningsstaf 36 had toevertrouwd 37 en (zoodoende) het bestuur 
over Sumer * 38 en Akkad en de beslissing over 3,9 alle menschen 40 aan zijn oordeel had onderworpen, 
41 (en) zijn gezag 42 temidden van de vorstenvergadering had doen uitblinken — 

43 TOEN (HEEFT) MARDUK-APAL-IDDINA. 

44 de koning van Babylon, 45 de bezonnen vorst, 46 de koning van Sumer en, Akkad, 

(II) die eer bewijst aan Nabü en Marduk, 2 de twee (góden) van Esagila 3 en Ezida, 4 die hun adyta 
prachtig maakt, ö / 6 die alle tempels doet schitteren, 6 / 7 die allerwegen de heiligdommen vernieuwt 

I, 1. „Toen” wordt weer opgevat in 1 . 17. Van 1 tot 42 is Marduk subject, van I 42 tot III 35 is 
Marduk-apal-iddina subject van den voorzin. In III 35 begint de hoofdzin. — 5/6. Igigi zijn in het alge¬ 
meen hemelsche, Anunnaki aardsche góden. Met het wisselen van dag en nacht verkeerden hun rollen 
en daarom kunnen bv. in de door E. F. Weidner, Af O xi (1936/7) 72 sq. gepubliceerde tekst ook hemelsche 
góden met den laatsten naam genoemd worden. De Anunnaki noemen daar Marduk hun heer ( bëlu ). — 
7. ga-mir sü-luh-hi . Suluhhu is ontleend aan het Sumerisch 1= handwassching, cultus, rite ( 5 L 354, 274). 
M. Witzel, Or iv (1935) 93, vertaalt „heiligdom”. Cf. B. Landsberger, AfO II (1924-25), 68, — 8. De wijze: 
apkal. Cf. ZA 42 (1934), 9-11. — 10. za-ri-i-sü. — 10T1. e-la-ti u sap-la-a-ti, het hooge en het lage, hemel 
en aarde, echter ook boven- en onderwereld. Cf. K. Tallqvist, Namen der Totenwelt, St. Or. v 4 (1934), 
13. — 15* us-te-bil-lu is hier waarschijnlijk niet op te vatten als III/II 2 van bëlu ((jtf 4 l) beheerscht, onder¬ 
drukt worden, laat staan als III 2 van (w)abdlu, daar dit actieve beteekenis heeft: laten brengen, zenden, 
etc., maar met Bezold ( Glossar ) als III/II 2-vorm van (pëlu, >N 4 3), onderdrukt, veranderd worden. — 
17/19. itti matAkkadiki sa ki-mil-tus is-bu-su ir-sa-a sa-li-me. Cf. v R 60 col. III 13 sqq. ( kudurru van 
Nabü-apal-iddina) : (Samas) itti mat Akkadiki ik-me-lu is-bu-su ki-sad-su ina palë il Nabü-apal-iddina sar 
ka . dingir . ra . Ki sa-li-ma ir-si-ma. — 20/21. ib-re-e-ma kul-lat kal nisëme s.— 21. Stervelingen: apdti. 
Cf. W. von Soden, ZA 41 (1933), 163. Eig. de omwolkten, dan: de stervelingen, de menschheid. — 23. 
Plaatsen: in de beteekenis van „Ortschafte”, Akk.: dadmë. Vide B. Meissner, Beitrage I (1931), 36. 
—- 26. Babylon: hier geschreven — 60, het getal van Anu, ) J = ü Anu c= ilu 

restu, in de rangorde der góden de hoogste en als zoodanig de personificatie van het begrip god, waar¬ 
door het teeken voor zijn naam tevens in het algemeen c god° kan beteekenen (Cf. SL n° 480, 18 en III/2, 
p. 19 en RLA I 115). — 26/27. Zijn uitverkorene: ti-ri-is qa-ti-sü. Cf. J. Nougayrol', RA xxxvi (1939) 
33 noot 5, sub 2°. — 27. Landvoogd, sakkanakku. De vertaling stadhouder 3 is wegens de oorspronkelijke 
beteekenis van dat woord te vermijden, daar hier juist de beide landen het object vormen. — 30/31. Met 
de woorden: Ondanks het ontbreken van het partikel ma-a aan het begin van 1 . 32, zijn 1 . 32 tot en met 
33 als oratio directa op te vaten. — 33. mu-pa-ah-hi-ru saphdti mes (id. bir). Cf. inscr. van Ëamas-sum- 
ukin, vR 62, 39a: a-na pu-uh-faur nisë mes sap-ha-ti sa m&tAk-ka-di-i. — 34. Schepter; is fiatfu, als symbool 
van de handeling. K. F. MulUer, Das assyrische Ritual (MVAeG 41, 3 (1937), 38 sub d) vertaalt hattu 
isartu „gerades Szepter” („als Inbegriff innen- und aussenpolitischen Erfolges”). Cf. CH rev. xxiv 44/45, 
waar Eilers vertaalt: „dessen Stab gerade ist”, en een inscriptie van Marduk-apal-iddina I (VS I 34 
rev. 4) : is hatta i-sar-ta ni-si-su a-na re-e-im id-nu-sum-ma, en de overige door Muller genoemde plaat¬ 
sen. De bedoeling moet wel zijn: een gezagsuitoefening, bestuur volgens vaste rechtvaardige richtlijnen, 
m.a.w. rechtszekerheid. — 35. si-bir-ru mu-sal-lim. lett. stok, staf (Delitzsch, HWB en P. Haupt, ZDMG 
64, 708 ; evenals is haftu symbool der handeling) van den het welzijn handhavende. — 40. Oordeel: ürtu 
van den stam “IN'], 11/1 - leiden, regeeren. — 41. Heerschappij : e-nu-us-su t= ënüt-su . — II, 2. De twee. 

jy. Delitzsch, BA II 272 leest ildni. Cf. de aanteekening bij I 26. — 4. Adyta: sigaru, grendel deur, 


8 en (deze) in Sippar, 9 Nippur en Babylon ( 8 ) inwijdde, 10 die hun cultus in stand houdt, 11 de 
bouwer van godshuizen, 12 heiligdommen en kapellen 13 ‘ in de groote heilige steden, 14 die er op 
bedacht is jaarlijks zijn zware schatting, 115 het tribuut van het uitgestrekte Zeeland, 1,6 een over¬ 
vloedige opbrengst (?), 17 als inkomsten en geschenken 18 / 19 snel voor den oppersten god te brengen, 
20 die voor den heer der góden 21 zijn koningschap (?) ter beschikking stelde (?), 22 wiens aandacht 
er op gericht is de heiligdommen te vernieuwen, 23 de heilige steden te bevolken 24 en de plaatsen van 
den cultus intact te houden, 

25 de getrouwe herder, 26 die 27 al gaande 26 met den bijstand der groote góden 27 de overwinning 
heeft behaald, 28 die de verstrooide menschen en woonplaatsen 29 weer bijeen heeft gebracht 30 en 
op hun plaatsen heeft hersteld, 

31 de verheven vorst, aan wien in macht 32 en kracht (?) 33 zijns gelijke niet bestaat, de krachtige 
held, 34 voor wien bij de klank van zijn naam 35 zijn vijanden in ellende 36 verdreven worden en 
sidderen, 37 die ontzagwekkend is in zijn gang, die met de geweldige kracht van Bël 38 al wat zijn hart 
begeert 39 bereikt, die bekleed (?) is 40 met de overwinning, 

spruit uit een oeroud koningsgeslacht, W 42 die den naam van zijn vader, zijn verwekker eer aan¬ 
doet, 43 nakomeling van Eriba-Marduk — 44 den koning van Babylon, die de grondslagen van het 
land had gelegd, 45 die in het heiligdom van de stad 46 der groote góden pracht had gebracht —, 

47 de doortastende vorst, 48 een ruime geest, een kundige heerscher, 49 die van alle werk op de 
hoogte is, een loyale geest 50 met een scherpzinnig verstand, 51 die met zichzelf te rade gaat, 52 dien 
Ninmenna, de godenverwekster, 53 / 54 in zijn geboorte geweldig heeft gemaakt en dien tot het herder¬ 
schap 55 over de zwarthoofdigen (III) de koning van hemel en aarde, 2 de opperste heer, 55 f 1 genadig 
met zijn naam heeft beroepen, 2 voor de wijsheid 3 van wiens handelen ( 8 ) Nin-igi-kü(g),, 4 het 
kundige verstand van Ea, 5 de alles voortbrengende god der rede, 6 heeft geschonken en veelom¬ 
vattend denken 7 heeft verleend, 8 die voor de tempels van Nabü 9 en Marduk, zijn meesters, 10 zorg 
droeg, 

dan ook < adyton, welke laatste beteekenis het gelet op de volgende regels hier wel zal hebben. Cf. 
H. Weidhaas ZA 45 ( 1939 ), i 2 5 - Dlfahadu wordt zowel gezegd van heele gebouwen ( esrëti ), als van 
onderdeden; cf. inscr. van Nabonidus (vR 65, 13b), waar het object nigullq is, dat oorspronkelijk olie, 
dan ook drempel en deur (slot) beteekenend (HWB), in die inscriptie blijkens den dualis en het verband 
niet anders dan c deuren D beteekent. — 8. Inwijdde: mus-ta-ru-u van sarü I 2. — 10. Hun: d.w.z. van die 
steden. — 10. Cultus: M. Witzel' ( Festschrift Hommel I, MVAeG 21 (1916), 199 sqq. Was bedeutet 
Parsu ? en Or. iv (1935) 93 en B. Landsberger AfO II (1924-25) 64 sqq. — 12. Heiligdommen: kissi. 
Zie Unger, Babylon 356a en A. Schott, ZA 40 (1931), n. Kapellen: simdku, eig. c Gründungskapsel D , 
bestaande uit 6 tichelsteenen (Unger, Babylon, 355b), doch naar W. von Soden heeft aangetoond (ZA 
4i, 1933, 171) kan het ook een ruimere beteekenis hebben Ongetwijfeld zullen alle hier gebruikte en als 
synoniemen vertaalde termen sigaru, ekurri, esrëti, kummu, kissi , simdku, kidüdu (1. 24), etc. een speciale 
beteekenis hebben gehad, doch de nuances ontgaan ons. Kummu en ki$$u zijn bepaalde onderdeden van de 
zikkuratu ; cf. A. Schott, ZA 40 (1931), n. — 15* Zeeland: In den regel worden met hisib tdmtim de 
producten der zee bedoeld (visschen, schelpen, koralen, etc.) (W. von Soden, ZA 45, 1939, 79/80), doch 
hier zal, evenals bv. in K 2639, col. iv 9 (E. J. Harper BA II, 1894, 429 en 487), tdmtim staan voor mat 
tdmtim, daar niet 'aannemelijk is, dat de schatting alleen uit de producten van de zee zou hebben bestaan 
en niet uit de juist voor den godendienst belangrijke voortbrengselen van het Zeeland (geurige kruiden, 
etc.), opgesomd in de inscriptie van Tiglatpileser III. Voor hi$bu — opbrengst, tribuut (syn. biltu ) zie 
W. J. Martin, St. Or. vm 1 (1938) 18. — 16. Overvloedige opbrengst. $ur-su bar-ru-hu. Onzeker! — 
17. Inkomsten: ir-ba.C f. W. J. Martin, Lc. — 20/21. [itf]-ti bël ildnimes is-fau-tu [sarrütu t?-] su. $abdtu = 
eig. aftrekken, hier afleggen bij, voor, in de beteekenis van: ter beschikking stellen? — 24. Plaatsen van 
den cultus: kidüdu, zie Witzel, Festschrift Hommel I 201, noot 4 en Or. iv 100. — 32. Kracht, [gas]- 
ru-ut (Delitsch). Of wellicht [ sar]-ru-ut, koninklijkheid? — 37. Die ontzagwekkend is in zijn gang: 
dliku rasbu. Het eerste teeken is wel du. — 39/40. Die bekleed is met de overwinning: tal-bi-is ina li-ti ? 
(Onzeker). — 44. sqq. Niet geheel duidelijk is, welke van de volgende apposities bij Eriba-Marduk 
behooren; m.i. de eerste drie, daar de inhoud hiervan reeds van Marduk-apal-iddina is gezegd en deze uit 
den toon der voorgaande en volgende vallen. — 48. Geest: lett. ooren. — Heerscher: Onzeker is, of 
mas-su dan wel bar-su moet worden gelezen; cf. SL 74, 325 en i.v. barsu (dat zou kunnen samenhangen 
met pardsu, besluiten) en massu, eig. een hoofddeksel. Thureau-Dangin (RA xi, 1914, 152 ad 1 . 6) leest 
massu op grond van tabletten uit prae-Sargonischen tijd, toen de teekens mas en bar nog te onder¬ 
scheiden waren. De beteekenis is wel: eerste in rang, vorst, notabele. — 49/50. sur-ru sad-lu kdr-ds 
si-tul-ti, lett. een wijd hart en een binnenste van inzicht (^Nt^). Cf. inscriptie van Samsi-Adad II, I R 
32 I 22. (Ninurta) sur-ru sun-da-lu ka-ras nik-la-a-ti. — 52. Ninmenna: Deimel, Pantheon 2659 en p. 101, 
eig. vrouwe van de kroon, d.i. Damkina, de vrouw van Ea en moeder van Marduk. — III, 8. Nin-igi-kü(g). 
Deimel, Pantheon 2586 e= Ea sa nemeqi. — 5. Rede of wijsheid: mummu ; eig. de diepte der zee als zetel van 
Ea, de god der ondoorgrondelijke wijsheid. Ook bijnaam van Marduk, cf. F. M. Th. Böhl, AfO xi 







446 


VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 


MARDUK-APAL-IDDINA II, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


447 


( 14 ) wiens aandacht er op gericht is 10 / 1:l om landerijen te geven aan de 0b ë kidinni, 12 inwoners van 
Sippar, Nippur 13 en Babylon en van de (overige) steden 14 van Akkad, en 15 de oude landerijen van 
de inwoners van Babylon, 

16 die een vijandige legermacht tot een toonbeeld van verwoesting 17 had gemaakt en die bij 
gebreke van bestuur vreemdelingen 18 als schapen hadden afgegraasd — 19 hun grenzen waren 
vergeten, 20 de afscheidingen waren niet meer ter plaatse en 21 de landerijen en terreinen 22 waren 
veranderd en niet meer geploegd •— 

23 weer terugbracht in perceelen 24 en ze beleende aan de sabë kidinni, inwoners 25 van Babylon en 
Borsippa, 26 daarbij geen enkelen man oversloeg, 27 de kleine en de groote (stukken) 28 een voor 
een in bezit deed nemen, 29 de akkers afpaalde en 30 deze grooter maakte dan vroeger, 31 hun (der 
beleenden) harten verblijdde en de sabë 32 kidinni, zoo vele er waren, 33 bescherming verleende, 
34 hen met geschenken begiftigde en 315 de aandeelen verdeelde, 
toentertijd dus heeft 39 Marduk-apal-iddina, 40 de koning zijn heer, 36 Bël-ahhë-eriba, den sakin-tëmi 
van 37 Babylon, den hem eerbied bewijzenden dienaar, 38 zijn uitverkorene, 40 met stralende gelaatstrekken 
41 evenals een god met vreugde 42 aangezien : 

(een stuk land met) 43 de lange bovenzijde van ióóoo ellen 44 in het Zuiden, grenzend aan Bël-ana-ma)tisu 
45 en het 50-tal der Babyloniërs, 46 de lange onderzijde van 16600 ellen 47 in het Noorden grenzend 
aan 48 het 50-tal der Babyloniërs 49 en het Suru-kanaal, 50 de rechter korte zijde van 1200 ellen in 
het Westen, 51 gelegen aan het benedeneinde van het aandeel 52 van Eriba-Marduït, koning van Babylon, 
en 53 de linker korte zijde van 1200 ellen 54 in het Oosten grenzend aan den (iv) bandijk (?), 2 /P tezamen, 
wanneer men op 1 iku in het maatsysteem van de groote el 30 sila rekent, land, waarvoor 50 (gur) 
graanzaad benoodigd is, 4 land (in het waterschap) van het Suri-kanaal; 

5 (een stuk land met ) de lange bovenzijde van 10000 ellen 6 dn het Westen 7 grenzend aan Nabü-gamil 
8 uit de familie van Karëa 9 en het veld van de plaats Bït-Asani’, 10 de lange onderzijde van 10000 ellen 

(1936/7) 206. — 18. Als schapen: parganis. Bezold, Glossar, geeft op: vreedzaam, doch dit is stellig niet 
juist. Bedoeld is een vergelijking met een dier, dat de weide vernielt, en dat doen schapen. Cf. HWB en 
B. Landsberger, AfO x 152, noot 54 C schapen der weide 0 ( pargdniu ). — 22. Niet geploegd: la mu-uh- 
hu-sa. Cf. eqlam mahafu, ploegen (CH xm 13). — 27. fihra u ra-ba-a moet wel slaan op de velden en 
niet op de bedeelden (arm en rijk of zwak en machtig). — 28. Bezit: Waarschijnlijk hebben we hier te 
maken met een rechtsverhouding, die nader bij ons begrip van „bezit”, dan bij dat van eigendom komt.. 
In wezen is hier wellicht sprake van gedeelden eigendom, een begrip ontwikkeld door P. Koschaker in 
Ober einige griechische Recht surkund en aus den östlichen Randgebieten des Hellenismus, Abh. der sachs. 
Ak. der. Wiss., phil. hist. KI. 42, 1 (1931) : De beleende kreeg wel de meeste den eigendom inhaerente 
rechten, doch de beleener behield zich enkele eigendomsrechten voor. — 29. De akkers afpaalde: ü-kin 
kudurru, eig. de grenzen vaststelde. — 35. De aandeelen verdeelde: us-siq is-qi-e-tü. Esëqu — eig. in¬ 
griffen, isqu het door ingriffen afgescheide, bestemde aandeel. Bij een dergelijke afscheiding denkt men 
in de eerste plaats aan perceelen land en deze beteekenis moet hier aan isqu worden gehecht. In nieuw- 
Babylonischen tijd beteekent het 1° prebende, inkomsten verkregen als belooning voor periodieke werk¬ 
zaamheden in den tempel uit het vermogen van den tempel, uit de offerontvangsten, etc. (San Nicoló 
en Ungnad, Glossar en NRW I 87 sq. en zeer uitvoerig M. San Nicqló, Archiv Orientalni vi (1934) 179 
en vu (1935) 25) en 2 0 onroerend vermogen, dat met zekere waardigheden was verbonden (O. Krückmann, 
Diss. 1931, 75 noot 3). De eerste beteekenis kan zich uit de laatste hebben ontwikkeld. Aanvankelijk 
perceelen (tempel) land, dan ook bepaalde personen toejkomende inkomsten uit het door den tempel op 
dat land uitgeoefende bedrijf, tenslotte ook inkomsten uit andere door den tempel uitgeoefende bedrijven. 
Aldus zou zijn te verklaren, dat voor den koop en verkoop van een isqu het formulier voor koopcon¬ 
tracten van onroerend goed werd gebruikt (Anders H. Petschow, Die neubab. Kaufformulare (1939) 1). 
Of aan de door Marduk-apal-iddina vergeven landerijen ook bepaalde waardigheden waren verbonden 
(de kidinnütu ?), is niet te zeggen. Ungnad vertaalde (bij Gressmann) „die Tempelrechte neu einsetzte”, 
doch dit past niet in het verband en isqu is geen c Tempelrecht°. — 45. 50-tal: een bepaald college onder 
een rab 50 (RLA I 457 1 ). — 49. Suru-kanaal: Zie Hommel 286 en Böhl, JEOL 7 (1940), 467. — 51. se- 
pi-it zu-’-uz-tü. Sëpïtu fem. bij sëpü, aan het voeteneinde gelegen; als subst.: ondereinde (van een bed, 
kleedingsstuk, etc.). Of het hier als adjectief, dan wel als substantief is gebruikt, is moeilijk uit te 
maken. Het slaat niet op het geschonken stuk land, doch op het aangrenzende aandeel van Eriba-Marduk; 
immers, hier wordt de pütu elü (bovenzijde) van het geschonken stuk — die dus pütu saplu (de beneden¬ 
zode, het voeteneinde) van het aandeel van Eriba-Marduk vormt — om schreven en voorts kan het 
wegens de plaatsing slechts op een zijde slaan en niet op het geheele geschonken stuk (benedenste deel 
van het aandeel van Eriba-Marduk), daar het in dat geval na iv 2 zou hebben moeten staan. Dat het stuk 
land overigens wel deel uitmaakte van het kroondomein, blijkt uit iv 49. Te vertalen is dus of: gelegen 
aan het benedeneinde van, of: (welke zijde) het benedeneinde is van, hetgeen in feite hetzelfde is. — 
IV, 1. Bandijk: tam-li ta-mi (?). I'ndien tami afgeleid is van Tamü, zou hier spr'gke zijn van een merk¬ 
waardige gelijkheid in terminologie. — 9. Bït-Asani’: ligging onbekend. — 17. Nabatu. Noch door 


11 in het Oosten grenzend aan Kudurru 12 uit de familie van Egibi en Ahu-iddina, 13 zoon van 
Musallim-apla, de rechter korte zijde 14 van 1600 ellen in het Noorden grenzend aan het konings- 
domein, 15 de linker korte zijde in het Zuiden. 16 langs den oever van het kanaal van \hhe-sullim 
17 tegenover de plaats Nabatu, 18 / 19 tezamen, wanneer men op 1 iku in het maatsysteem van de groote 
el 30 sila rekent, land, waarvoor 54 gur, 2 pi en 6 sila graanzaad benoodigd is, land in de gemeente 
Nabatu; 

20 2 gur land, op 1 iku in het maatsysteem van de groote el 30 sila gerekend, 21 dadelpalmentuin, land 
in Dunni-sëri 22 aan den oever van het Koningskanaal met de lange bovenzijde 23 van 3300 ellen in 
het Zuiden langs den oever van het Koningskanaal, 24 de lange onderzijde van 3300 ellen 25 in het 
Noorden onmiddellijk grenzend aan zijn (Bël-ahhë-eriba’s) landerijen 26 en grenzend aan het bosch 
van (zekeren) Marduk, 27 lid van het notarisgilde, de rechter korte zijde van 400 ellen 28 in het 
Westen grenzend 29 aan den tuin van Bël-amma, lid van het weversgilde, 30 en de linker korte zijde 
van 30 ellen in het Oosten, 31 waarvan de helft gelegen is langs den oever van het Koningskanaal, en 
3 gur, 32 op i iku in het maatsysteem van de groote el 30 sila gerekend, bouwland 33 tegen en voor 
den bovensten tuin 34 van zijn (Bël-ahhë-eriba’s) landerijen 35 met een lange bovenzijde in het Zuiden 
grenzend 36 aan den tuin, een lange onderzijde in het Noorden ^ 7 onmiddellijk grenzend aan zijn 
(Bël-ahhë-eriba’s) landerijen, 3(8 de rechter korte zijde in het Westen grenzend 39 aan het veld van 
Nammüa, 40 de zoon van den Adad-priester, de linker korte zijde 41 in het Oosten grenzend aan 
Marduk, 42 / 43 tezamen 5 gur, op 1 iku in het maatsysteem van de groote el 30 sila gerekend, bouwland, 
een tuin met 44 het terrein aan de voorzijde van den tuin, 45 land in de gemeente Dunni-$ëri langs den 
oever van het Koningskanaal; 

alles tezamen, 47 / 48 wanneer men op 1 iku in het maatsysteem van de groote el 30 sila rekent, land 
waarvoor 99 gur, 2 pi en 6 sila graanzaad benoodigd is, landerijen 49 van het kroondomein, heeft 
Marduk-apal-iddina, 50 koning van Babylon, aan Bël-ahhë-eriba, 51 den sakin-tëmi van Babylon, zijn 
dienaar, 52 genadig geschonken en, opdat revindicatie 53 niet zal kunnen plaats vinden, heeft hij (de 
schenking) met het zegel, 53 / 54 waarin zijn naam staat geschreven, bezegeld; 55 ten eeuwigen dage 
heeft hij ze hem gegeven. 

56 Bij het zegelen van deze oorkonde zijn 57 Iqisa-Marduk, de zoon des konings, (v) Ninurta- 
bëlsunu, zoon van Nazi-Enlil, 2 Marduk-zakir-sumi, 3 zoon van Arad-Ea, bël-pahati, 4 Nabü-balafsu-iqbi, 
5 Ina-qibi-Enlil, 6 hazannu van Babylon, 7 Nabü-hamatü’a, ndgir-ekalli, s Labasi-Marduk, zoon van 
Dabibi, 9 satammu van Esagila, 10 Nabü-lë’u, zoon van Arkat-ilani-damqati, 11 de sakin-tëmi van 
Borsippa, 12 Isum-bani, zoon van Sin-amat-sarri-isme, 13 de sakin-tëmi van Kuta, 14 en Nabü-nïr-dabibi, 
15 de hof schrijver, tegenwoordig geweest. . 

16 Te Babylon op 23 Dumuzi 17 van het zevende regeeringsjaar van Marduk-apal-iddina, 18 koning 
van Babylon. 

Hommel, noch door Boudou vermeld. Cf. een benaming als al Amurru (M. 42, HG 727). Cf. § 3. — 
21. Dunni-sëri: ligging onbekend. — 22. Koningskanaal: Zie Hommel 284 sqq. — 25. libbu-ü eqli : Cf. 
F. X. Steinmetzer, Archiv Orientalni vi (1934) 203 sqq. en F. Nötscher, Or. iv (1935) 175 sqq. — 26. 

Bosch: TiR = kistu. — 27. Lid van het . gilde: Zie voor deze vertaling I. Mendelsohn, JAOS 60 

(1940), 69. — 29. Bël-amma: Cf. SL 170, 30 en 31. — 31. De helft: nu-tas-su = mutassu — mut(t)atsu. 

Voor muttattu zie Landsberger AfO x (1935) 147 noot 34. — 33. Tegen en voor: 0 r u pa-na-at. — 41. 
Marduk: persoon, ef. 1 . 26. — 44. Terrein: tabti, cf. Bezold, Glossar. — Aan de voorzijde: cf. 1 . 33. — 
46 sq.: 99 gun De opsteller van de tekst moet zich ergens hebben vergist: iv 2: 50 gur, iv 18: 54 gur 
2 pi en 6 sila en iv 42. 5 gur — 109 gur 2 pi en 6 sila. Gur is een inhoudsmaat en geeft, indien gebruikt 
ter aanduiding van de oppervlakte, de hoeveelheid graanzaad aan, die volgens een vasten maatstaf be¬ 
noodigd is om het veld te 'bezaaien. 1 gur c= 7, 9388 ha; 1 pi - 1, 3877 ha; 1 pi = 60 sila (qa) ; 1 
gur — 10 iku = 300 sila; 1 iku: 1 sila — 0,7938 ha: 0,02646 ha = 30; 1 ammatu — 49,5 cm, cf. §L I 
38*, F. THUREAU-Dangin, Journal Asiatique 1909, 99 en RA xv (1918) 59, W. Schwenzner, MVAG 19 
(1914), 3, 54, L. W. King, Boundary Stones (1912) xm. De maten zijn niet juist opgegeven: Berekend 
naar de opgegeven lengte en breedte zou het eerste stuk (16600X0.495 m) X (1200X0,495 m) t= 488 ha groot 
zijn, berekend naar de opgegeven oppervlakte 50 X 7,9388 ha = 396,9 ha; het tweede stuk: (10000 X 0,495 
m) X (1600 X 0,495 m) = 392 ha of 54 X 7,9388 ha + 2 X 1,3877 ha + V10 X 1,3877 ha = 431,6 ha; 

het derde stuk; (3300 X 0.495 m) X (-- x 0,495 m) + 2 X 7,9388 ha = 17,4 ha + 15,9 ha t= 

33,3 ha of 5 X 7,9388 ha = 39,7 ha. Het totaal zou groot zijn, berekend naar de opgegeven oppervlakte: 

99 X 7,9388 ha + 2 X 1,387711a + V10 X 1,3877 ha = 788,9 ha of 109 X 7,9388 ha + 2 X 1,3877 ha + 
1/10 X 1,3877 ha = 868,2 ha, berekend naar de opgegeven lengten en breedten (bij het tweede deel van 
het derde stuk is de oppervlakte in aanmerking genomen) : 488 ha + 392 ha + 33,3 ha = 913,3 ba. — 
55. Eeuwig: Peiser en Winckler lezen wel terecht $a-a-tu; cf. III R 43 col. I 13: a-na sa-ti i-re-en-su. — 








448 VOORAZIATISCHE PHILOLOGIE 

wie in de toekomst, 19 zij het een koning, zij het een qïpu, 20 zij het een sakin-tëmi , zij het een 
satammu, zij het een hazannu, 21 dien de groote heer Marduk met zijn naam zal beroepen en die *in 
Akkad 22 gezag zal uitoefenen, 22 / 23 in zijn hoofd haalt om deze stéle te breken 23 of in eenig opzicht 
een listigen streek verzint 24 / 25 of eenig ander daartoe brengt of stuurt, een vreemdeling, een doove, 

26 een idioot, een die niet kan luisteren, een die zijn oogen niet kan gebruiken, een onverstandige, 

27 een domkop, een verachter der groote góden met boos opzet op haar loslaat, 28 haar van standplaats 
verandert, haar in het water werpt, 29 haar onder het stof bedelft, met vuur vernielt, 30 met een steen 
stukslaat, 31 # 2 haar verbergt, haar zet op een plaats, waar ze niet is te zien, 32 de er op geschreven 
naam uitwischt 35 of er op bedacht is, 3:2 zich te vergrijpen aan het land, 33 dat als een schenking 
Marduk-apal-iddina, koning van Babylon, 34 aan Bël-ahhë-eriba, den sakin-tëmi van Babylon, 35 heeft 
geschonken en ter hand gesteld, 36 dien man mogen Anu, Enlil en Ea, 37 de groote góden, een onver- 
zoenlijken vloek, 38 blindheid der oogen, doofheid der ooren, verlamming der leden 39 bescheren, 
40 moge hij zich ellende op den hals halen, mogen Marduk 41 en §arpanïtum, de heerschers, de lo.ts- 
beschikkers, 42 hem als zijn zwaren straf 43 waterzucht laten krijgen 44 en door opzwellen (?) van 
het vleesch moge zijn lichaam te gronde gaan. 45 Mogen de groote góden, zoovele 46 wier namen op deze 
stéle vermeld zijn, zijn naam en (dien van) zijn nakomelingschap en zijn nageslacht 47 uit de taal der 
menschheid delgen en zijn voortbestaan afsnijden. 

48 Met het officieele zegel des konings, 49 dat zekerheid geeft tegen terugkomen (op de schenking) 
en revindicatie, 50 is de oorkonde gezegeld. 

v, 20. Dezelfde titels als die der getuigen! — 23. Verzint: i-ban-nu-u, van banü. — 26. Een die zijn 
oogen niet kan gebruiken?: la na-til sa ïni-sa ? — 27. Loslaat op: u-ma-’a-ru, eig.- zendt. — 29. Met vuur 
vernielt: usarapu, eig. aansteekt. — 30/31. Verbergt.: pu-uz-ru u-sa-hg-zu. Gewoonlijk: puzra sufazu. — 
31. Zet: isakanu mes:plur., hoewel overigens het subject in sing. is; cf. 1 . 36. amêlu su-a-tü. — 33. Schen¬ 
king: Peiser en Winckler veitaalden ten onrechte rimüt met leen. Uit iv 48 sqq. en v 44 blijkt duidelijk, 
dat het land in vollen eigendom werd geschonken. — 37. Onverzoenbare vloek: as (= arrat) la nap-su-ru ; 
dus niet: niet te stuiten (minderen) uitdrooging. — 43. Waterzucht: a-ga-ld-til-la. — Laten krijgen: 
GA . tu — lisis. — 44. Opzwellen. si-faat. — 47. Zijn voortbestaan afsnijden: likkisu (of een ander woord 
voor afsnijden, cf. SL 12) arkdt-su. — 48. Officieele: siprëti kan niet iets zijn als secretarie, kanselarij, 
daar instanties geen zegel voerden. Het moet het zegel zijn, dat gebruikt werd voor officieele koninklijke 
brieven of zendingen ( mar sipri of mar siprdti = bode, gezant). Zoo ook De^itzsch BA II 271. Cf. voorts 
de uitdrukking gabri kunuk sa siprëti (I R 66, col. II, 19). — 49. Revindicatie: Delitzsch leest tam-sil, 
Peiser en Winckler twijfelen tusschen tam-sil en ut-tar. Het laatste is juist: Tdru en paqdru zijn 
geregeld in combinatie in vrijwaringsclausules voorkomende woorden. Cf. M. San Nicoló, Die Schluss- 
klauseln der altbab. Kauf- und Tauschvertrage (1922) 50 sq. en 138 sqq. — 50. Gezegeld: bar-mu, cf. 
M. Schorr, UAR, p. xxxviii. 

§ 8. de schenking aan bel-ahhe-eriba. —• Met veel ophef wordt melding gemaakt 
van de weldaden van Marduk-apal-iddina tegenover de sdbë kidinni. Over de positie van deze 
sdbë kidinni is in den feestbundel voor Prof. van Oven een en ander medegedeeld 89 ). Of 
de begiftigde in de kudurru ook zulk een sdb kidinni was, blijkt niet. Wel was hij een 
wereldlijk machthebber, de sakin-tëmi van Babylon, de tevens met rechtspraak belaste 
gouverneur des konings in de stad 90 ). Naast dien van Babylon worden in de kudurru nog als 
getuigen genoemd die van Borsippa en Kuta en in de onder 3 0 genoemde tekst komt die 
van Kis voor. Ook de overige getuigen van de schenking waren alle wereldlijke autoriteiten. 
Deze werden door Marduk-apal-iddina begunstigd en zij waren de uitvoerders en steun van 
zijn gezag. 

De schenking aan Bël-ahhë-eriba werd in tegenstelling tot de toewijzingen aan de sdbë 
kidinni niet gedaan uit in beslag genomen landerijen, doch uit het kroondomein. Uiteraard 
behoeft dit niet te zeggen, dat de landerijen niet eenmaal aan burgers der steden ontnomen 
waien, doch een aanwijzing, dat dit in casu niet was gebeurd, ligt in de vermelding van de 
belending aan een erfdeel van Eriba-Marduk. De stamhoofden in Mesopotamië plachten reeds 
sinds den Kassietentijd landerijen te bezitten. Hoe zij deze verwierven is uitvoerig uiteengezet 
door E. Cuq in zijn studie over het grondbezit in Babylonië 91 ). Oorspronkelijk was het land 

zungsber. d. Bayer. Ak. d. Wiss. 1941 II 2, 21/22 
en E. F. Weidner, Af O xm (1939/40) 54/5. 

91 ) Études (1929), chap. vi, met name p. 103 e.a. 


89 ) W. F. Leemans, Kidinnu, Un symbole de 
droit divin babylonien, Symbolae van Oven, 1946, 
36-61. 

90 ) Cf. § 10 en RLA I 455 2 , M. San Nicoló, Sit- 


MARDUK-APAL-IDDINA, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


449 


gemeenschappelijk bezit van den stam en, nadat deden daarvan in het bezit van het stam¬ 
hoofd waren gekomen, deed deze hieruit weer schenkingen aan gunstelingen. Deze schen¬ 
kingen werden beschreven en vastgelegd in de waarschijnlijk in tempels opgestelde gedenk¬ 
steenen, die bekend zijn onder den naam van kudurru 92 ). Ook het stamhuis van Bït-Iakin 
bezat blijkbaar zulk een kroondomein en daarom kon Marduk-apal-iddina dit bezit niet ver¬ 
vreemden zonder medewerking van het toekomstig hoofd van het huis. Want dit is de 
beteekenis van den koningszoon als getuige: Daardoor betuigt hij zijn instemming met de 
vervreemding van het familiebezit en doet hij afstand van zijn rechten op het vervreemde 
goed 93 ). 

In nieuw-Babylonischen tijd speelde in het economische bestel van Babylonië het groot¬ 
kapitalisme een belangrijke rol. Hoe groote particuliere vermogens ontstonden, leert ons bv. 
de schenking aan Bël-ahhë-eriba. Een leidende functie in het economische leven van de zesde 
eeuw vervulde het machtige handelshuis Egibi. De grondlegger van dit huis moet in den tijd 
van of reeds voor Marduk-apal-iddina hebben geleefd: Sula leefde van omstreeks 635 tot 
581, zijn vader Nabü-zër-ukin van omstreeks 660 tot 590, diens vader Bël-etir van omstreeks 
690 tot 610. Egibi zelf leefde dus voor dien tijd. In de kudurru (iv 11/12) treedt vermoedelijk 
reeds een telg uit zijn geslacht als landbezitter op ( Kudurru mar Egibi ) 94 ). Dit vormt een 
aanwijzing, dat de familie ook toen reeds grootgrondbezitster was. Een machtig handelshuis 
ontstaat niet in tijden van armoede. Daarom moet er in het einde van de achtste eeuw een toe¬ 
nemende welvaart, met name ook wat handel en verkeer betreft, in Babylonië zijn geweest. 
Ook andere symptomen wijzen hierop. Uit de voorafgaande eeuwen zijn geen of bijna geen 
contractsoorkonden bekend, maar dan, met de hierboven in § 6 onder 5e genoemde 
oorkonden, begint de vloed van oorkonden, die onder de nieuw-Babylonische vorsten zijn 
hoogtepunt bereikte. Voorts spreekt de brief YBT III, 74 over den graanhandel van Uruk. 
Ook voor tempelbouw waren er middelen beschikbaar. 

§ 9. tempelbouw. — Uit de kudurru blijkt, dat Marduk-apal-iddina door allerlei werken 
aan tempels uit te voeren wel heeft getracht de priesterschap voor zich te winnen. De Vorsten¬ 
spiegel zou toonen, dat hem dit niet is gelukt. Van zijn werkzaamheid op dit gebied zijn bij de 
opgravingen te Warka en Kis de getuigenissen tevoorschijn gekomen. 

De drie voornaamste góden, die in nieuw-Babylonischen tijd in Uruk vereering vonden, 
waren Anu-Antum in het Bït-res, Inanna of Innina in Eanna, waarvan zij van oudsher de 
vrouwe was, en Nana in een ten tijde van Asarhaddon en Assurbanipal binnen het gebied 
van Eanna gelegen tempel Ehilianna en een in Seleuciedischen tijd in de plaats van Eanna 
getreden tempel Irigal 9& ). Inanna en Nana waren verschillende godinnen 96 ); de eerste, de 
vrouw van Anu, werd gelijkgesteld met de Semietische godin Istar en was de bescherm¬ 
vrouwe van Uruk ( bëlit Uruk), de tweede was de dochter van Anu. In nieuw-Babylonischen 
tijd werd Innina’s naam bewaard in talrijke persoonsnamen, doch in de zegewensch in den 
aanhef van brieven werd zij toen steeds bëlit Uruk of Istar genoemd en stond dan naast 
(meestal voojr) Nana op dezelfde wijze als Bël (= Marduk) en Nabü 97 ). Nana was> evenals 
Nabü, de tweede in rang en in Ezida werd zij als diens echtgenoote vereerd 98 ). In omge¬ 
keerde volgorde worden beide godinnen genoemd in een brief 99 ), handelend over de terug- 

ber. Uruk v (1934) 34 en de daar vermelde litte¬ 
ratuur. 

96 ) F. Thureau-Dangin, TCL I (1910) 62 en 
Schott, l.c. 49. In een contract uit het 14e regee- 
ringsjaar van Nebukadnezar (ScheiL, RA xxiv, 
1927, 38) worden naast elkaar genoemd Innini, Istar 
en Nana. 

97 ) E. Ebeling, Neubab. Briefe aus Uruk en H. 
F. Lutz, Selected cuneiform texts I, N eobabylonian 
documents from Erech. 

98 ) RLA I 420 2 , Gate-inscr. van Salmanassar III 
(AR I § 624) en „Grotefend cylinder”, I R 65 col. 
II 23 en 34 (H. Winckler, KB III/2, 34/35). 

") Ebeling = YBT III 86. 

29 


92 ) Voor een algemeene beschrijving van deze 
steenen zie men F. X. Steinmetzer, Die baby Ioni¬ 
sche, Kudurru (Grenzsteine) als Urkundenform 
(1922), voor de afleiding van het woord W. EilErs, 
OLZ 1931, 928 noot 1. 

93 ) Cf. M. San Nicoló, Beitrdge zur Rechtsge- 
schichte im Bereiche der Keilschriftlichen Rechts - 
quellen (1931) 133 sqq. 

94 ) Cf. A. Ungnad, Af O xiii (1939) 54 en Wein- 
gort, Das Haus Egibi. 

95 ) A. Falkenstein, Topographie von Uruk I 
(1941) 30 sqq en E. Heinrich, Vorl. Ausgrabungs- 

Jaarbericht n°. 10 








450 


VÖORAZlATÏSCHË PHILOLÖGIË 


MARDUK-APAL-IDDINA, ZIJN TIJD EN ZIJN GESLACHT 


451 


vaart der godinnen van het Nieuwjaarsfeest in Babylon 100 ). In den Seleuciedentijd was 
Eanna verlaten, doch Irigal was toen nog in gebruik. Wellicht heeft de verhouding tusschen 
Inanna en Nana zich op dezelfde wijze ontwikkeld als die tusschen Marduk en Nabü en 
heeft ook Nana in lateren tijd de hoofdgodin verdrongen 101 ). 

Nebukadnezar 102 ) en Nabonidus 10S ) beweren om strijd Eanna en den eeredienst van 
Innina te hebben hersteld. De eerste spreekt over het terugbrengen van sïdu en lamassu, de 
laatste over herstel van Innina zelf. Waarop dit herstel betrekking heeft, leert ons de laatste 
inscriptie: Ten tijde van Eriba-Marduk hadden de bewoners van Uruk den dienst van Innina 
veranderd en haar verblijfplaats en attributen geweld aangedaan. Daarnaast liet de vorst den 
tempel van Nana vernieuwen 104 ). Bij de opgravingen is gebleken, dat de priestervriend 
Sargon in Eanna aanzienlijke bouwwerken heeft laten uitvoeren. Echter ook zijn tegenstander 
Marduk-apal-iddina heeft blijkens eenige baksteenen met in het Sumerisch gestelde inscripties 
aan Eanna gebouwd, waarschijnlijk in zijn tweede regeeringsperiode 105 ). Merkwaardiger¬ 
wijze beroemt hij zich in een dezer inscripties er op een nakomeling te zijn van Eriba-Marduk, 
de koning onder wiens regeering de dienst van Innina onderdrukt zou zijn: 

Voor Inanna, de vrouwe der landen, zijn meesteres, heeft Marduk-apal-iddina, koning van Babylon, 
nakomeling van Eriba-Marduk, koning van Sumer en Akkad, Eanna, haar geliefden tempel gebouwd.” 


Wat nu ten tijde van Eriba-Marduk in Uruk is gebeurd, blijft duister. Marduk-apal- 
iddina had echter alle reden pogingen aan te wenden om zich in Uruk bemind te maken; 
Sargon was daar gezien, doch hij moet daar wel, zooals uit den in de volgende § te bespreken 
brief voortvloeit, gehaat zijn geweest. 

In Kis heeft Marduk-apal-iddina „van Babylon, koning van Sumer en Akkad” blijkens 
de hierboven in § 6 onder 3e genoemde tekst E-kur, den tempel van Ninlil in Hursagkalamma, 
laten restaureeren en verfraaien, volgens Langdon waarschijnlijk in zijn eerste regeerings¬ 
periode. Het werk werd kennelijk uitgevoerd onder leiding van een plaatselijk bestuurder, 
den saknu 10Q ). 

De priesterschap, draagster van de Babylonische wetenschap, begon in het laatst der 
achtste eeuw een geestesvernieuwing te ondergaan. Bij de beoefening der wetenschap begon 
men zich los te maken van den godsdienst en met name de astronomie was men blijkens de 
medeÜeelingen van Strabo en Plinius sedert Nabonassar op wetenschappelijke wijze gaan 
bestudeeren, dus niet meer alleen met het oog op waarzeggingen: de astronomie begon los 
te komen van de astrologie 107 ). Symptomen hiervan uit den tijd van Marduk-apal-iddina 
zijn de opteekening van drie maansverduisteringen in diens eerste en tweede regeerings- 
jaar 108 ) en de reeds behandelde kaart, die we, daar onder de weinige met name genoemde 
landen en plaatsen Bït-Iakin figureert, wel in dezen tijd mogen dateeren; vroeger was Bït- 
Iakin niet zoo belangrijk en later was de naam mat tdmtim weer meer gebruikelijk. 

§ IO. DE BINNENLANDSCHE POLITIEK VAN MARDUK-APAL-IDDINA. - Het voorgaande 

bevat gegevens om eenigszins een beeld te krijgen van het beleid van Marduk-apal-iddina. De 
omstandigheden brachten mede, dat de in § 5 geschetste ontwikkeling werd voortgezet. 
Marduk-apal-iddina was nu eenmaal een Kaldeeërvorst' en zijn gezag steunde in de eerste 


10 °) Over soortgelijke tochten met godenbeelden, 
dqch over land, zie men W. Andrae, Alte Fest- 
strassen im nahen Osten (1941), 51. 

101 ) Winckler kende het onderscheid nog niet en 
transscribeerde ten onrechte in de - Grotefend-cylin- 
der II 52: Nana bi-U-it Uruk inplaats van Innina 
Uruk^ï be-e-li-it Uruk v \ Innina van Uruk, de vrou¬ 
we van Uruk. Zoo ook S. Langdon in zijn verta¬ 
ling van de stéle van Nabonidus ( Die neubab. Kö- 
nigsinschriften, (VAB) 274/5, beter vertaald door 
Lutz, op. cit. 3) : Col. III 11-40 handelen over In¬ 
nina, in 1. 41 wordt een nieuw onderwerp aange¬ 
roerd: Istar, die in Susa vertoeft. Dit is kennelijk 
Nana; immers, haar beeld was door Sutruk-Na- 


hunte geroofd, naar Susa gebracht en werd 1635 
(volgens een andere lezing 1535) jaar later (sic!) 
door Assurbanipal na de verovering van Susa te¬ 
ruggebracht in haar heiligdom binnen de temenos 
van Eanna. (annalen vi 107-124). 

102 ) Grotefend-cylinder II 50-59. 

1013 ) Stéle III 11-40. Voor de vertaling zie M. 
WiTZEb, Or. iv (1935) 99 - 

104 ) YBT i 40, 13. 

105 ) Schott, l.c. 55 en I R 5 xvn. 

106 ) Elders (zie de kudurru) sakin-tëmi. Cf. § 10. 

107 ) Meissner, BuA II 416. 

108 ) Cl. Ptolemaeus, Almagest, ed. Heiberg iv 5. 




plaats op zijn macht als vorst van Bït-Iakin. In de oude Babylonische steden had hij een soort 
gouverneurs, de sakin-tëmi 109 ). Dit waren gezagsdragers, die, zooals kan blijken uit de op¬ 
dracht aan Ninlil van Hursagkalamma, waarschijnlijk een betrekkelijk groote zelfstandigheid 
genoten. Deze opdracht ging uit van Iddina-Nergal, den saknu van Kis. Hij begint met een 
loftuiting aan den koning, maar laat daarop een zegewensch voor zich zelf volgen. Deze 
sakin-tëmi hadden hun positie te danken aan den koning en omgekeerd moest de koning op 
hun trouw kunnen rekenen. Vandaar groote schenkingen aan hen, maar het behoud van het 
geschonkene zal wellicht in feite afhankelijk zijn geweest van het blijven van den koning. De 
saknu van Kis spreekt dan ook, wanneer althans zoo de gehavende tekst juist wordt gelezen, 
den wensch uit, dat hij lang „dezen” koning mag dienen. Door deze gedragslijn werden dus 
zoowel de positie van den koning, als die van den saknu, althans voorloopig 110 ), versterkt. 

De priesterschap met haar grooten invloed in de oude steden bleef in de oppositie. Marduk- 
apal-iddina probeerde wel door tempels te vernieuwen en te verfraaien zijn bewind ook voor 
de priesters acceptabel te maken, maar niettemin bleef hij in de oude steden vele vijanden 
houden. Immers, wanneer hij door de Assyriërs naar het Zuiden werd teruggedrongen, nam 
hij uit die steden gijzelaars mede en dit zou hij niet hebben gedaan, als deze hem niét 
vijandig gezind waren geweest. De Assyriërs zorgden, dat deze gijzelaars werden bevrijd 
en naar hun steden terugkeerden. Van de gezindheid van die steden, met name Sippar, Nippur 
en Babylon, en ’s konings beleid tegenover die steden zou volgens Böhl’s opvattingen lloa ) de 
Vorstenspiegel een beeld geven. Dit stuk houdt een aanklacht in van de priesters in de even- 
genoemde steden tegen den koning en zou kunnen dateeren uit den tijd, waarin Sargon 
Marduk-apal-iddina uit Babylonië verdreef. Sargon werd daarna bij zijn inkomst in Babylon 
door de priesters met vreugde begroet. De priesters waren Assyriophiel gebleven en zouden 
dit — zooals later blijkt — ook nog in den toekomst blijven. De gegrondheid van hun be¬ 
zwaren tegen Marduk-apal-iddina is tengevolge van het geringe aantal documenten niet goed 
te controleeren. Die bezwaren hielden in hoofdzaak in, dat de koning vreemden (lees Kal- 
deeërs?) voortrok boven burgers, dat hij zich aan allerlei rechtsverkrachtingen schuldig 
maakte, dat hij de burgers opriep voor allerlei diensten, dat hij hun bezittingen afnam (en 
aan vreemdelingen gcif), etc. en dat ook ’s konings ambtenaren zich aan soortgelijke daden 
schuldig maakten. Twee van deze ambtenaren traden in de kudurru als getuigen op, de ndgiru 
(nagir ekalli ) 111 ) en de satammu 112 ), een waarschijnlijk door den koning aangesteld en 
hem ondergeschikt tempelambtenaar, die tevens een wereldlijke taak had. Deze ambtenaren 
blijken dus inderdaad zijn directe medewerkers te zijn geweest. Kudurru en Vorstenspiegel 
sluiten op dit punt bij elkaar aan. 

In de jaren, waarin Marduk-apal-iddina niet in Babylon het bewind uitoefende, behield 
hij in het Zuiden, in het mondingsgebied van den Euphraat, zijn invloed en van daaruit 
ageerde hij tegen de Babylonische steden o.a. door hun handel te belemmeren. Een aardig 
beeld van zulke activiteit geeft de door Clay gepubli